← Nederland

ECLI:NL:PHR:2025:391

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/02868 Zitting 28 maart 2025 CONCLUSIE S.D. Lindenbergh In de zaak [eiser] h.o.d.n. [advocatenkantoor] , tegen SDK Administratie & Advies P

§ 18

van de memorie van grieven: “Geachte [eiser] , Ik bericht u hierbij dat de advocaat van de wederpartij heeft toegezegd dat deze week aan alle verplichtingen zal worden voldaan. Hierbij is uitdrukkelijk vermeld dat dit de laatste kans is van [betrokkene 1] . Als niet aan voornoemde wordt voldaan, zullen wij volgende week doorpakken en de dwangsommen opeisen.” 4.7 Ik meen dat ook deze klacht faalt. Het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk. In de e-mail van [eiser] van 19 mei 2015 aan de deurwaarder wordt de deurwaarder niet om betekening verzocht, maar om executie, hetgeen niet noodzakelijkerwijs ook een opdracht tot betekening inhoudt, te meer niet in het licht van het eerdere verstekvonnis dat wél al was betekend. Zoals het hof heeft overwogen, hoefde de deurwaarder uit de tekst van deze e-mail niet af te leiden dat ‘opnieuw’ betekening moest plaatsvinden. Uit de tekst van de e-mail van 26 mei 2015 van de deurwaarder aan [eiser] waarop het subonderdeel een beroep doet, kan ik niet afleiden dat de deurwaarder heeft begrepen dat er opnieuw betekend moest worden. De woorden ‘doorpakken en opeisen’ duiden er niet noodzakelijkerwijs op dat de deurwaarder van plan is om ‘volgende week’ (nogmaals) te ‘betekenen’. 4.8 Subonderdeel 3 voert aan dat het hof heeft miskend dat [eiser] na het verzenden van de betreffende e-mail een vervolgactie heeft ondernomen en contact met de deurwaarder heeft opgenomen, zoals door [eiser] gemotiveerd is gesteld. Het hof zou dat ook zelf in r.o. 3.9 hebben overwogen: “Hij heeft immers op verschillende momenten contact gehad met de deurwaarder over de executie (...)”, maar zulks blijkt volgens het subonderdeel ook uit de e-mail van de deurwaarder van 26 mei 2015,

§ 18

van de memorie van grieven en dan met name de passage: “Ik verzoek u daarom nog even geduld te hebben in deze zaak”. 4.9 Deze klacht faalt omdat het hof met ‘vervolgactie’ in r.o. 3.9 heeft bedoeld: een vervolgactie strekkende tot het alsnog verzoeken van betekening en niet een vervolgactie in het algemeen. Dit blijkt (ook) uit de zin die volgt na de zin met daarin het woord ‘vervolgactie’: “Hij had minstens kort daarna moeten checken bij de deurwaarder of de betekening had plaatsgevonden.” 4.10 Subonderdeel 4 voert aan dat, als moet worden aangenomen dat [eiser] geen vervolgactie heeft ondernomen door met de deurwaarder contact op te nemen, het hof heeft miskend dat de e-mail van de deurwaarder van 26 mei 2015 geen andere conclusie toelaat dan dat dit (een vervolgactie) niet tot eerdere actie van de deurwaarder zou hebben geleid, waar deze immers schrijft: “Geachte [eiser] , Ik bericht u hierbij dat de advocaat van de wederpartij heeft toegezegd dat deze week aan alle verplichtingen zal worden voldaan. Hierbij is uitdrukkelijk vermeld dat dit de laatste kans is van [betrokkene 1] . Als niet aan voornoemde wordt voldaan, zullen wij volgende week doorpakken en de dwangsommen opeisen. Ik verzoek u daarom nog even geduld te hebben in deze zaak.” Het subonderdeel vermeldt in aansluiting hierop dat [eiser] concreet heeft gesteld dat de advocaat van [betrokkene 1] consequent vanaf 13 mei 2015 heeft toegezegd dat voldaan zou worden aan het vonnis en dat dat vervolgens ook is gebeurd op 29 mei

  1. Anders dan het hof heeft overwogen, is alleszins te billijken dat [eiser] dat naar aanleiding van die mededeling (die hem via de deurwaarder heeft bereikt) wilde afwachten, zonder verdere onnodige kosten te maken. 4.11 Deze klacht faalt. Betekening van het verstekvonnis en het verzetvonnis was nodig om de verschuldigdheid van de dwangsommen mogelijk te maken. Het oordeel van het hof houdt in dat [eiser] daarom voor betekening had moeten zorgdragen. Onbegrijpelijk is dat oordeel niet, ook niet in het licht van de e-mail van de deurwaarder waaruit het subonderdeel citeert. 4.12 Subonderdeel 5 voert aan dat de door het onderdeel bestreden overweging innerlijk tegenstrijdig is met r.o. 3.10, waarin het hof met juistheid heeft overwogen dat het “in deze situatie” verdedigbaar is dat [eiser] niet direct overging tot (betekening en) verdere executie, maar eerst de uitkomst van het verzoek van de advocaat van [betrokkene 1] wilde afwachten, alsmede met r.o. 3.12, waarin het hof met juistheid heeft overwogen dat voor onmiddellijke betekening geen noodzaak bestond, “want het ging alleen nog om de telefoon met simkaart en de autosleutels. SDK had de auto immers al vanaf 16 mei 2015 in haar bezit.” 4.13 De klacht faalt. In r.o. 3.9 heeft het hof overwogen dat [eiser] niet mocht aannemen dat hij met zijn e-mail van 19 mei 2015 aan de deurwaarder kon volstaan en dat hij minstens kort daarna had moeten checken bij de deurwaarder of de betekening had plaatsgevonden. Ik zie geen tegenstrijdigheid met wat het hof heeft overwogen in r.o. 3.10, waarin het om een andere vraag gaat, namelijk om de vraag of [eiser] direct op 12 mei 2015 het verzetvonnis van die datum had moeten laten betekenen zonder de uitkomst van het verzoek van de advocaat van [betrokkene 1] af te wachten en duidelijkheid te krijgen over de verschuldigdheid van de dwangsommen. Evenmin zie ik tegenstrijdigheid met wat het hof in r.o. 3.12 heeft overwogen. Met “onmiddellijke betekening” in r.o. 3.12 heeft het bedoeld: onmiddellijke betekening op 19 mei
  2. Het hof overweegt dat [eiser] een dag later had kunnen controleren of de deurwaarder had betekend. Dat is “kort daarna” en dus niet strijdig met wat het hof in r.o. 3.9 heeft overwogen. 4.14 Onderdeel II klaagt over de overweging van het hof in r.o. 3.12 en 3.20 dat nu [eiser] in de namiddag van 19 mei 2015 de deurwaarder heeft verzocht de executie te hervatten (dat was een dinsdag), aannemelijk is dat de betekening dan had plaatsgevonden op 20 mei 2015 (een woensdag) en dat de drie werkdagen dan zouden eindigen op maandag 25 mei 2015, waarmee de dwangsommen dan weer verschuldigd zouden worden op 26 mei 2015, hetgeen betekent dat [betrokkene 1] over de periode van 26 mei tot en met 28 mei, te weten drie werkdagen, dwangsommen heeft verbeurd (met als consequentie dat SDK een bedrag van € 15.000,-- niet meer kon verhalen op [betrokkene 1] en dat dat bedrag zal worden toegewezen). 4.15 Subonderdeel 1 noemt de overweging van het hof dat, nu [eiser] in de namiddag van 19 mei 2015 de deurwaarder heeft verzocht de executie te hervatten, aannemelijk is dat de betekening reeds zou hebben plaatsgevonden op 20 mei 2015, onbegrijpelijk. Het subonderdeel voert aan dat dit een loutere veronderstelling is. Van algemene bekendheid is dat een deurwaarder niet (steeds) onmiddellijk, daags na de verkregen opdracht, tot actie overgaat of zou moeten overgaan. Het subonderdeel verwijst naar het voorgaande en dan met name naar de e-mail van de deurwaarder van 26 mei 2015,

§ 18

van de memorie van grieven: “Geachte [eiser] , Ik bericht u hierbij dat de advocaat van de wederpartij heeft toegezegd dat deze week aan alle verplichtingen zal worden voldaan (...)”. Volgens het subonderdeel laat dit geen andere conclusie toe, dan dat de deurwaarder zeker niet reeds op 20 mei 2015 tot betekening zou zijn overgegaan, hetgeen [eiser] niet kan worden verweten. 4.16 Deze motiveringsklacht faalt. Onder de omstandigheden van het geval, waar het hof oog voor zal hebben gehad, is het niet onbegrijpelijk dat het hof aannemelijk heeft gevonden dat, uitgaande van een opdracht daartoe van [eiser] op 19 mei 2015, betekening door de deurwaarder een dag later op 20 mei 2015 zou hebben plaatsgevonden. Ik wijs erop dat het hof ervan is uitgegaan dat het de bedoeling was van [eiser] , met zijn verzoek tot executie van 19 mei 2015, om te bewerkstelligen dat [betrokkene 1] dwangsommen verschuldigd zou zijn bij niet-voldoening aan de veroordeling. [eiser] verzocht de deurwaarder tot “het executeren van de inmiddels volledig vervallen dwangsommen” (r.o. 3.9). Hij wist alleen niet dat daarvoor hernieuwde betekening nodig was (r.o. 3.9). De bestreden overweging van het hof kan voorts niet los worden gezien van de overwegingen van het hof over de vraag of [eiser] reeds op 12 mei 2015, de dag waarop het verzetvonnis bekend werd, had moeten betekenen (r.o. 3.10). De executie was, in verband met het verzoek van de advocaat van [betrokkene 1] aan de rechtbank om het verzetvonnis te verduidelijken op het punt van de dwangsommen (r.o. 2.2), al ruim een week eerder in de wacht gezet in afwachting op de reactie van de rechtbank. Ondertussen was de mogelijke verschuldigdheid van dwangsommen van belang voor SDK (r.o. 3.16: “Bovendien ademt het dossier een houding van SDK tegenover [betrokkene 1] , die erop duidde dat zij de zaak niet wilde laten rusten. Dat blijkt immers ook uit haar actie in 2020, toen zij alsnog achter [betrokkene 1] aanging om de verbeurde dwangsommen te incasseren”). Ten slotte wijs ik erop dat het verstekvonnis van 10 maart 2015 op 12 maart 2015 aan [betrokkene 1] werd betekend. Daar heeft dus ook maar een dag tussen gezeten. De e-mail van de deurwaarder van 26 mei 2015 maakt het voorgaande niet anders. Die e-mail houdt niet in een verzoek tot het voorlopig achterwege laten van betekening (nodig om dwangsommen te kunnen innen), maar een verzoek tot het wachten met het daadwerkelijk executeren van de vonnissen. 4.17 Subonderdeel 2 klaagt erover dat het hof in r.o. 3.12 is uitgegaan van een verkeerde startdag voor de dwangsommen. Maandag 25 mei 2015 was het Tweede Pinksterdag, dus geen werkdag, en het hof zou dit feit van algemene bekendheid hebben miskend. Aldus zou [betrokkene 1] over de periode van 27 mei tot en met 28 mei 2015, te weten twee werkdagen, dwangsommen hebben verbeurd (met als consequentie dat SDK een bedrag van € 10.000,-- en niet € 15.000,-- niet meer kon verhalen op [betrokkene 1] ). 4.18 Ik meen dat deze klacht slaagt. In 2015 viel Tweede Pinksterdag op 25 mei. Niet iedereen is vrij op Tweede Pinksterdag, maar het is wel een algemeen erkende feestdag (zie ook art. 3 lid 1 van de Algemene termijnenwet, die hier overigens toepassing mist, omdat van een wettelijke termijn geen sprake is). Als ‘werkdag’ kon 25 mei 2015 daarom niet meetellen. 4.19 Onderdeel III houdt twee motiveringsklachten in. 4.20 Het onderdeel klaagt in de eerste plaats over de overweging van het hof in r.o. 3.17 van het bestreden arrest dat het verweer van [eiser] dat [betrokkene 1] ook in 2020 geen verhaal bood, hem niet kan baten. Volgens het onderdeel is het hof voorbijgegaan aan essentiële stellingen van [eiser] , omdat [eiser] gemotiveerd heeft gesteld dat [betrokkene 1] geen verhaal bood. Verwezen wordt naar randnummers 31 en 71-75 van de conclusie van antwoord en naar randnummers 17, 19, 27, 68 en grief 7 van de memorie van grieven. Daar is, aldus nog steeds het onderdeel, uitdrukkelijk gesteld dat ook SDK van mening was dat [betrokkene 1] geen verhaal bood en dat de deurwaarder het vonnis niet heeft willen betekenen omdat deze tot het oordeel was gekomen dat er geen verhaal mogelijk is na informatieverzoeken en pogingen tot beslag. Het onderdeel voert aan dat deze stellingen het hof tot een ander oordeel hadden moeten nopen. Daar was te meer aanleiding voor, omdat het hof zelf in r.o. 3.13 heeft overwogen dat [betrokkene 1] geen verhaal leek te bieden. 4.21 Deze klacht faalt. Zoals het hof heeft overwogen in r.o. 3.17, heeft SDK concreet gesteld dat [betrokkene 1] in 2020 over financiële middelen beschikte. Ik wijs op randnummers 74 en 75 van de inleidende dagvaarding, op de akte overlegging producties (in eerste aanleg), alsmede op randnummer 109 van de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep alsmede akte wijziging (vermeerdering) eis. De stellingen van [eiser] waar het onderdeel naar verwijst, vallen in het niet bij de met stukken onderbouwde stellingen van SDK. Een deel van de stellingen van [eiser] , waar het onderdeel naar verwijst, ziet overigens niet op de situatie in 2020, maar op de situatie in

  1. 4.22 Het onderdeel vervolgt met de stelling dat het hof ook voorbij is gegaan aan het onderbouwde causaliteitsverweer van [eiser] dat als er wel was betekend, [betrokkene 1] prompt aan de hoofdveroordeling zou hebben voldaan (en er dus geen dwangsommen zouden zijn verbeurd). Dat causaliteitsverweer volgt volgens het onderdeel uit de door mij in randnummer 4.20 hiervoor genoemde stellingen. Verwezen wordt voorts naar randnummer 29 van de memorie van antwoord in het incidenteel appel, waar (onder meer) het volgende staat: “Ten derde is de vraag wat [betrokkene 1] had gedaan in het geval het verzetvonnis niettemin zou zijn betekend met de mededeling dat dwangsommen zouden gaan verbeuren. [betrokkene 1] zou ook in dat geval hebben voldaan aan de hoofdveroordeling, nog voordat dwangsommen zouden verbeuren. [betrokkene 1] is die verplichting nagekomen, zelfs zonder dat een betekening plaatsvond.” Volgens het onderdeel is het hof ten onrechte voorbijgegaan aan deze essentiële stelling. 4.23 Deze klacht slaagt. Uit de in randnummer 4.20 genoemde stellingen van [eiser] , waar het onderdeel naar verwijst, hoefde het hof mijns inziens niet af te leiden dat [eiser] daarmee een causaliteitsverweer als hier bedoeld (geen schade omdat [eiser] in de hypothetische situatie binnen de respijttermijn aan de hoofdveroordeling zou hebben voldaan) heeft aangevoerd. De tekst in randnummer 29 van de memorie van antwoord in het incidenteel appel echter, die deel uitmaakt van een opsomming (‘Ten derde’) waarmee een specifiek standpunt van SDK wordt bestreden, te weten het standpunt dat [eiser] direct al op 13 mei 2015 de deurwaarder had moeten instrueren over te gaan tot executie, dat wil zeggen zonder de griffiersbrief af te wachten, houdt echter wel nadrukkelijk dat causaliteitsverweer in. Het lijkt erop dat het hof de hypothetische situatie die zonder de normschending van [eiser] zou hebben bestaan niet heeft ingeschat (wanneer zou [betrokkene 1] dan hebben voldaan aan de hoofdveroordeling?), maar dat het hof eenvoudig is uitgegaan van de eerder door het hof vastgestelde feitelijke situatie ( [betrokkene 1] heeft voldaan op 29 mei 2015). Het hof had bij de inschatting van de hypothetische situatie zonder de normschending van [eiser] weliswaar een aanzienlijke mate van vrijheid (het gaat immers om een inschatting), maar omdat de door [eiser] op dit punt ingenomen stelling impliceert dat [betrokkene 1] in de hypothetische situatie zonder de normschending van [eiser] eerder dan op 29 mei 2015 volledig zou hebben voldaan aan de veroordeling in het verstekvonnis en het verzetvonnis, mocht het hof aan die stelling mijns inziens niet voorbijgaan. 4.24 Onderdeel IV noemt het onbegrijpelijk dat het hof er in r.o. 3.19 van het bestreden arrest (impliciet) van is uitgegaan dat SDK schade heeft geleden door de vermeende fout van [eiser] . Het onderdeel stelt dat [eiser] gemotiveerd heeft betwist dat SDK schade heeft geleden. Het onderdeel wijst in dit verband op bepaalde stellingen van [eiser] : - de stelling dat SDK geen schade heeft geleden en in het bijzonder geen schade die kan worden toegerekend aan een tekortkoming aan de zijde van [eiser] ; - de stelling dat SDK geen schade heeft geleden doordat verrekening heeft kunnen c.q. kan plaatsvinden tussen [betrokkene 1] als vertrekkend vennoot en de VOF, zoals uiteengezet in grief 7: “Een verjaring staat een beroep aan verrekening niet in de weg. [betrokkene 1] had en heeft meer dan Euro 80.000,-- te vorderen en te verrekenen met de VOF”. Het subonderdeel doet een beroep op randnummers 12, 13, 32, 36, 44 (ad i), vi), x), xii)), 53 en 55 van de memorie van antwoord in het incidenteel appel en op randnummers 27, 67, 76 en 81 van de memorie van grieven. Verder wijst het subonderdeel op de volgende overweging van de voorzieningenrechter in het kort geding-vonnis van 12 mei 2015: “De telefoon en de auto zullen derhalve moeten worden geretourneerd aan SDK. (...) Zoals hiervoor overwogen dienen deze goederen te worden betrokken in de algehele afwikkeling van de vennootschap. Ook de omstandigheid dat [betrokkene 1] (deels) de kosten heeft voldaan voor de auto en/of het telefoonabonnement kan bij de afwikkeling worden betrokken.” Hierop aansluitend wijst het onderdeel erop dat onder randnummer 5 van de memorie van grieven nog is verduidelijkt dat de auto al in januari 2015 was toegezegd en volledig vergeven door de VOF aan [betrokkene 1] , zoals schriftelijk vastgelegd door SDK aan [betrokkene 1] in haar email van 5 januari 2015, en dat uit een e-mail van SDK aan de deurwaarder blijkt dat deze auto een waarde van meer dan € 15.000,-- vertegenwoordigde. 4.25 Deze klacht faalt. Het hof heeft op begrijpelijke gronden aangenomen dat SDK schade heeft geleden, bestaande uit een verloren vorderingsrecht op [betrokkene 1] (zie het kopje boven r.o. 3.16 en zie r.o. 3.20), en dat deze schade toerekenbaar is aan nalaten van [eiser] , die had moeten laten betekenen (r.o. 3.6 e.v.) en had moeten waarschuwen voor de korte verjaringstermijn voor dwangsommen (r.o. 3.14 e.v.). Over de stellingen van [eiser] over de (door hem veronderstelde) mogelijkheid van verrekening hoefde het hof zich mijns inziens niet uit te laten. Ik verwijs naar r.o. 4.10 van het vonnis van de rechtbank: “SDK heeft tot slot gesteld dat er geen sprake is van een verrekenbare vordering van [betrokkene 1] op SDK. De vennoten hebben maximaal € 1.000,- aan kapitaal ingebracht in de onderneming en [betrokkene 1] heeft hier na uittreding geen aanspraak op gemaakt. Bovendien heeft [betrokkene 1] na sommatie in 2020 de proceskosten voldaan en deze niet verrekend met de door [eiser] veronderstelde vordering van [betrokkene 1] op SDK.” [onderstreping door mij, A-G] Ik neem aan dat het hof deze afdoening door de rechtbank voldoende heeft gevonden en de stellingen van [eiser] aangaande de mogelijkheid van verrekening verder niet essentieel heeft geacht. De omstandigheden dat [betrokkene 1] na uittreding geen aanspraak heeft gemaakt op het door hem in de v.o.f. ingebrachte kapitaal en ook in 2020 de bij hem in rekening gebrachte proceskosten niet verrekend heeft, duiden erop dat de veronderstelling van [eiser] dat [betrokkene 1] een vordering heeft op SDK, ongegrond is. 4.26 Onderdeel V voert aan dat het hof in r.o. 3.13 met juistheid heeft vastgesteld dat [betrokkene 1] na 28 mei 2015 geen dwangsommen meer heeft verbeurd, maar dat het hof daaruit ten onrechte niet de (rechtens enig juiste) conclusie heeft getrokken dat [betrokkene 1] aan zijn verplichtingen jegens SDK heeft voldaan en aldus in het geheel geen dwangsommen heeft verbeurd. Het is ongerijmd, dat als aan die hoofdvordering is voldaan, achteraf nog aanspraak op dwangsommen kan worden gemaakt. De dwangsom is bedoeld om druk uit te oefenen op de schuldenaar, zodat deze de tegen hem uitgesproken hoofdveroordeling zal nakomen; is eenmaal aan de hoofdveroordeling voldaan, dan zijn geen dwangsommen (meer) verschuldigd. Het subonderdeel vervolgt met de klacht, samengevat weergeven, dat het hof heeft verzuimd het doel en de strekking van de veroordeling van [betrokkene 1] te onderzoeken. Het subonderdeel verwijst hierbij naar HR 21 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0287, NJ 1991/725, HR 11 februari 2002 [bedoeld zal zijn 15 november 2002, A-G], ECLI:NL:HR:2002:AE9400, NJ 2004/410 en HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0431, NJ 2007/
  2. Met betrekking tot dit punt zou het bovendien ten onrechte zijn voorbijgegaan aan essentiële stellingen van [eiser] . [eiser] heeft uitdrukkelijk gesteld dat de deurwaarder na 29 mei 2015 niet meer wilde overgaan tot het opeisen van de dwangsommen, omdat op dat moment aan de hoofdveroordeling was voldaan en hij kennelijk (en terecht) niet bereid was om achteraf dwangsommen op te eisen, hetgeen [eiser] niet kan worden verweten. 4.27 Deze klachten falen. Naar het oordeel van het hof zou [betrokkene 1] , in de hypothetische situatie zonder de tekortkoming van [eiser] , over een periode van drie dagen dwangsommen hebben verbeurd (r.o. 3.20). Die zou [betrokkene 1] dan ook verschuldigd zijn. SDK kon daarvan betaling vorderen, ook nadat [betrokkene 1] aan de hoofdveroordeling had voldaan op 29 mei
  3. Zou het niet mogelijk zijn om na de voldoening aan de hoofdveroordeling betaling te vorderen van een verbeurde dwangsom, dan zou van de dwangsom als drukmiddel weinig overblijven. Het beroep op de drie arresten van de Hoge Raad baat [eiser] niet. In die arresten gaat het om iets anders. In het arrest van 19 januari 2007 overwoog de Hoge Raad, voor zover hier relevant en verwijzend naar het arrest van 11 november 2002: “Wanneer in een executiegeschil de vraag moet worden beantwoord of dwangsommen zijn verbeurd, moet de executierechter onderzoeken of de door de rechter verlangde prestatie waaraan de dwangsom als sanctie is verbonden, is verricht. In het executiegeschil heeft de rechter dus niet tot taak de rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen (HR 15 november 2002, nr. R01/062HR, NJ 2004, 410).” Dit gaat over de vraag wat de executierechter moet onderzoeken als betwist wordt dat dwangsommen zijn verschuldigd. Dat speelt hier niet. 4.28 Het hof hoefde niet in te gaan op de stelling van [eiser] dat de deurwaarder na 29 mei 2015 niet meer wilde overgaan tot het opeisen van de dwangsommen, omdat op dat moment aan de hoofdveroordeling was voldaan en hij kennelijk (en terecht) niet bereid was om achteraf dwangsommen op te eisen. Ook dan immers, en ook als de deurwaarder het eigenlijk niet wilde, konden ‘achteraf’ dwangsommen worden geïnd door de deurwaarder. De deurwaarder heeft daartoe ook daadwerkelijk actie ondernomen; dit verklaart immers het executie kort geding waaraan het hof aandacht heeft besteed in r.o. 2.
  4. 4.29 Onderdeel VI betreft een zogeheten voortbouwklacht. Gegrondbevinding van één of meer van de voornoemde onderdelen zou ertoe leiden dat r.o. 3.20 (bedoeld zal zijn de eerste r.o. 3.20; door een nummeringsfoutje in het bestreden arrest zijn er twee), 3.22, 3.23 en 4 (het dictum) van het bestreden arrest niet in stand kunnen blijven. 4.30 Deze voortbouwklacht heeft effect. Subonderdeel 2 van Onderdeel II en de tweede motiveringsklacht van onderdeel III treffen doel. Dit betekent dat r.o. 3.20 (toewijzing bedrag € 15.000,--), r.o. 3.22-3.23 (onder het kopje ‘De conclusie’) en het dictum niet ongewijzigd in stand kunnen blijven. Slotsom 4.31 Subonderdeel 2 van Onderdeel II en de tweede motiveringsklacht van onderdeel III treffen doel. 5Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Hof Arnhem-Leeuwarden 30 april 2024, zaaknummer 200.319.761, ECLI:NL:GHARL:2024:3039, r.o. 2.1-2.4, in het hoger beroep van Rb. Gelderland (zittingsplaats Arnhem) 24 augustus 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:4896, JA 2022/
  5. Bijlage 3 bij de inleidende dagvaarding van SDK. Rb. Gelderland (zittingsplaats Arnhem) 24 augustus 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:4896, JA 2022/
  6. BenGH 12 mei 1997, ECLI:NL:XX:1997:AG7232, NJ 1998/296, m.nt. H.J. Snijders (Bevier/Martens) en BenGH 2 juli 2013, ECLI:NL:XX:2013:373, NJ 2014/211, m.nt. A.I.M. van Mierlo (Leunis Fr./Gewestelijk Stedenbouwkundige inspecteur). Ik wijs in dit verband op de volgende zin in r.o. 3.9 van het bestreden arrest: “Hij heeft immers op verschillende momenten contact gehad met de deurwaarder over de executie en heeft de deurwaarder ook opdrachten gegeven om eerst het verstekvonnis te betekenen en te executeren en daarna het vonnis op het verzet te executeren.” (onderstrepingen A-G). [eiser] heeft dus volgens het hof ten aanzien van het verstekvonnis ‘executie en betekening’ verzocht, maar ten aanzien van het verzetvonnis enkel ‘executie’. Productie 6 bij de conclusie van antwoord. Ik wijs in dit verband op randnummer 63 van de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep alsmede akte wijziging (vermeerdering) eis, waarin de tekst van een e-mail van de deurwaarder van 1 juni 2015 (14:09 uur) aan [betrokkene 1] is weergeven. De deurwaarder schrijft aan [betrokkene 1] onder meer: “Uit hoofde van het vonnis van 10 maart 2015, zijn de dwangsommen verbeurd en kunnen deze nu worden opgeëist. Het betekenen van het vonnis van 12 mei jl. is overbodig nu niet uit kracht daarvan de dwangsommen zijn verbeurd. Betekening van dat vonnis heeft geen toegevoegde waarde voor de executie en kost u alleen maar geld.” Het subonderdeel verwijst naar randnummer 19 van de memorie van grieven van [eiser] . Het subonderdeel verwijst naar randnummer 18 van de memorie van grieven. In dat randnummer is de tekst van de e-mail van de deurwaarder geciteerd. In randnummer 19 staat vervolgens: “Gezien de actieve houding en het aandringen van appellant bij de deurwaarder om de vaart in het executietraject te houden, maant de gerechtsdeurwaarder appellant zelfs tot geduld. (…)” In de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep alsmede akte wijziging (vermeerdering) eis heeft SDK gesteld dat [eiser] per bericht van 10 maart 2015, om 16:07 uur, de deurwaarder heeft geïnstrueerd om met het verstekvonnis tot betekening en executie over te gaan. Hierbij heeft [eiser] aangegeven dat de dwangsommen tot minimaal € 10.000,-- verbeurd zouden zijn. Randnummer 87 van de memorie van antwoord teven memorie van grieven in incidenteel hoger beroep alsmede akte wijziging (vermeerdering) eis. Zie r.o. 3.13 (slot) en de daarop op dit punt voortbouwende r.o. 3.19 en 3.
  7. Zie ook randnummer 64 van de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep alsmede akte wijziging (vermeerdering) eis, waarin de tekst van een e-mail van de deurwaarder van 1 juni 2015 aan [eiser] is weergeven. In die e-mail staat: “Geachte [eiser] , De dwangsommen worden conform uw opdracht morgen opgeëist. Advocate van [betrokkene 1] zojuist gesproken. Zij voelt zich genoodzaakt een executiegeschil aanhangig te maken maar wil dit eigenlijk vanwege de kosten voorkomen. Wellicht dat jullie onderling andere afspraken kunnen maken? Ik heb haar uitgelegd dat het opeisen juridisch wel mogelijk is maar dat het wel ongebruikelijk is om achteraf op te eisen.”

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.