← Nederland

ECLI:NL:PHR:2025:426

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/04109 Zitting 11 april 2025 CONCLUSIE OVER PREJUDICIËLE VRAGEN G. Snijders In de zaak [eiser], eiser in eerste aanleg, appellant in hoger

Article 1of Protocol No.

1 to the European Convention on Human Rights. Protection of property, updated on 31 August 2024, nr. 383 e.v. met verwijzing naar rechtspraak, waaronder de bekende uitspraak Gasus/Nederland over het Nederlandse fiscale bodemrecht, dat ten koste van derden wordt toegepast.

Article 1of Protocol No.

1 to the European Convention on Human Rights. Protection of property, updated on 31 August 2024, nr. 395, met verwijzing naar rechtspraak. Zie ook nr. 164 e.v. van de Guide. Zie voorts bijv. HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4156, BNB 2009/246, m.nt. J.W. Zwemmer, rov. 3.3.5, HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1943, BNB 2010/335, m.nt. G.J. van Leijenhorst, rov. 3.4.2 (deze uitspraak haalt het hof aan in rov. 3.26 van het vonnis van 30 juli 2024 en rov. 2.14 van het vonnis van 29 oktober 2024), en HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7943, BNB 2012/296, m.nt. J.H.P.M. Raaijmakers, rov. 3.4.2. Art. 6 EVRM is niet van toepassing op de vaststelling van fiscale rechten en plichten.

Article 6

of the European Convention on Human Rights Right to a fair trial (civil limb), updated on 31 August 2024, nr.

  1. Zie aldus ook HR 25 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2207, BNB 1997/276, m.nt. P. Kavelaars. Wel dient een ‘effective remedy’ als bedoeld in art. 13 EVRM te bestaan bij de aantasting van het recht van art. 1 EP EVRM, mits sprake is van een arguable claim. Zie Guide on Article 13 of the European Convention on Human Rights Right to an effective remedy, updated on 31 August 2024, nr. 10 e.v. Een ‘effective remedy’ hoeft niet per se te bestaan uit de toegang tot een rechter. Zie nr. 32 e.v. van laatstgenoemde Guide. Zie ook Van Suilen t.a.p., p. 302 e.v. Het Nederlandse art. 49 lid 7 Iw 1990 bevat uitdrukkelijk zo’n bepaling. Het houdt in dat de aansprakelijkgestelde de aanslag niet meer ter discussie kan stellen wat betreft feiten of omstandigheden ter zake waarvan de rechter op een beroep van de belastingplichtige al onherroepelijk uitspraak heeft gedaan. Zie voor de parlementaire geschiedenis van deze bepaling Vakstudie Invorderingswet, art. 49 Invorderingswet 1990, aant. 7, onder het kopje ‘Parlementaire behandeling’. Art. 10 lid 4 Landsverordening aansprakelijkheid belastingen en premies volksverzekeringen van Aruba luidt hetzelfde als art. 49 lid 7 Iw
  2. Zie Gemeenschappelijk Hof van Justitie 29 augustus 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:155, rov. 3.19-3.
  3. Vgl. uitvoerig G.D. Rekwest (red.), Capita Selecta Caribisch fiscaal recht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, par. 11.3, en voorts A.B. van Rijn, Handboek Caribisch Staatsrecht, Den Haag: Boom Juridisch 2019, par. 6.
  4. Er wordt ook wel gesproken van ‘het gesloten stelsel van rechtsmiddelen’, maar die aanduiding heeft als bekend ook nog een andere betekenis. Zie over het gesloten stelsel van rechtsbescherming in het belastingrecht in Curaçao bijv. A.J.H. van Suilen, Fiscaal procesrecht in het Caribisch deel van het Koninkrijk, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 12, en J. Adeler & J. Gakema, De Algemene landsverordening Landsbelastingen in de Nederlandse Antillen, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2010, par. 5.1.1, p. 122, en 5.1.1.3, p. 123-
  5. Zie voor die toelichting Staten van de Nederlandse Antillen, zitting 2001-2001, no. 3, toelichting op art. 29, p. 18 (n.b. het stuk vermeldt ‘2001-2001’ als zittingsjaar en kent geen paginanummering). Zie ook A.J.H. van Suilen, Fiscaal procesrecht in het Caribisch deel van het Koninkrijk, Deventer: Wolters Kluwer 2020, par. 3.1.3.
  6. Dat is gebeurd met betrekking tot de heffing van invoerrechten en accijnzen. Zie daarvoor Van Suilen, a.w., p.
  7. Zie aldus bijv. ook J. Adeler e.a., Fiscale geschriften. Het fiscale stelsel in het Caribisch Koninkrijk, Den Haag: Sdu 2022, p. 676, en J. Adeler & J. Gakema, De Algemene landsverordening Landsbelastingen in de Nederlandse Antillen, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2010, par. 5.1.1, p. 122, en 5.1.1.3 en 5.1.1.4, p. 123-
  8. Zie aldus ook de hiervoor in 3.26 genoemde uitspraken van de Antilliaanse belastingrechter en de rechter in Curaçao. Zie aldus ook de literatuur. Vgl. bijv. A.J.H. van Suilen, Fiscaal procesrecht in het Caribisch deel van het Koninkrijk, Deventer: Wolters Kluwer 2020, par. 3.1.4, p. 77-78, en J. Adeler & J. Gakema, De Algemene landsverordening Landsbelastingen in de Nederlandse Antillen, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2010, par. 5.1.1.5, p. 129-
  9. Zie J. Drop, Handboek Caribisch bestuursprocesrecht, Den Haag: Boom Juridisch 2019, p. 63, en M.E.B. de Haseth, Landsverordening administratieve rechtspraak Curaçao, Den Haag: Boom Juridisch 2024, art. 3 LAR, aantek. 2d, p. 37-
  10. In Nederland geldt bij art. 1:3 Awb hetzelfde. Zie bijv. T&C Awb, commentaar op art. 1:3 Awb, aantek. 2c (J.C.A. de Poorter, actueel t/m 01-11-2024). Ook in andere gevallen kan soms, als dat in verband met een goede rechtsbescherming door de bestuursrechter in het bijzonder is aangewezen, sprake zijn van een beschikking, maar dat speelt niet in de onderhavige context van fiscale besluiten. Het gaat dan bijvoorbeeld om het bestuurlijk rechtsoordeel of de aanzegging bestuursdwang. Zie daarvoor kort Drop, a.w., p. 59-60, en De Haseth, a.w., p. 34-
  11. Zie voor Nederland T&C Awb, commentaar op art. 1:3 Awb, aantek. 2h en 2i (J.C.A. de Poorter, actueel t/m 1-11-2024). De ‘belastingwet’ wordt gedefinieerd in art. 2 onder a AWR. HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:539, NJ 2021/
  12. Gemeenschappelijk Hof van Justitie 28 juni 2013, ECLI:NL:OGHACMB:2013:48, rov. 2.
  13. Dit geval lijkt dus wat op dat van het hiervoor genoemde voorbeeld van de aanzegging van bestuursdwang, ten aanzien waarvan in de rechtspraak van de bestuursrechter eveneens een beschikking is aangenomen in verband met een behoorlijke rechtsbescherming door de bestuursrechter, hoewel geen sprake is van een rechtshandeling. Zie in deze zin ook de hiervoor in 3.26 genoemde uitspraken en A.J.H. van Suilen, Fiscaal procesrecht in het Caribisch deel van het Koninkrijk, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p.
  14. J.F.A. Silvania, Belastingrecht Curaçao, Dordrecht: Convoy Uitgevers 2015, p. 529, suggereert dat de aansprakelijkstelling een LAR-beschikking oplevert, maar geeft daarvoor geen onderbouwing. Deze suggestie kan een verschrijving betreffen omdat Silvania eerder, op p. 528, opmerkt dat een dwangbevel nodig is voor de aansprakelijkstelling en dat daartegen voor de aansprakelijkgestelde verzet openstaat. Zie aldus ook uitdrukkelijk het door het hof zelf genoemde HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:505, BNB 2018/116, m.nt. C.J. Hummel, rov. 2.4, m.b.t. de in art. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie vereiste doeltreffende voorziening in rechte bij een onpartijdig gerecht. Zie bijv. HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800, NJ 2008/553, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.3.
  15. Zie Staten van Curaçao, zittingsjaar 1942-1943-23, nrs. 3 en
  16. Zie eerder al Gemeenschappelijk Hof van Justitie 29 augustus 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:155, rov. 3.
  17. HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:350, NJ 2019/203, m.nt. J.W. Zwemmer, rov. 5.4.
  18. Zie de conclusie voor het arrest van A-G Wesseling-van Gent, onder 3.28-3.
  19. Zie J.F.A. Silvania, Belastingrecht Curaçao, Dordrecht: Convoy Uitgevers 2015, p.
  20. Zie de Wet van 20 december 2017 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2018), Stb. 2017, 518, p.
  21. Zie aldus Kamerstukken II 2017/18, 34 786, nr. 6, p. 50-51 (nota naar aanleiding van het verslag). Zie aldus Kamerstukken II 2017/18, 34 786, nr. 3, p.
  22. Ingevoerd per 1 juni 2024, AB 2014, no.
  23. Zie B.S.A. Klop, Fiscale Encyclopedie. De Vakstudie. Deel XI. Wettelijke en andere voorschriften op het gebied van invordering van belastingen, Deventer: Kluwer 1950 (vierde druk), p.
  24. HR 4 februari 1970, ECLI:NL:HR:1970:AX5232, BNB 1970/130, m.nt. H.J. Hofstra. Zie over dit arrest ook W.P. Erasmus, Invordering van belastingen, Deventer: Uitgeverij FED 1978, nr. 26-28, p. 70-
  25. In dit werk wordt er ook op andere plaatsen vanuit gegaan dat verzet openstaat voor de aansprakelijkgestelde. Zie bijv. ook p.
  26. Zie de Wet van 21 mei 1986, Stb. 1986, 276, art. IX, p. 11, en de toelichting daarop, Kamerstukken II 1980-1981, 16530, nr. 3, p.
  27. Zie Fiscale Encyclopedie. De Vakstudie Invorderingswet, art. 52 Invorderingswet 1990, Deventer: Wolters Kluwer aant. 1.2.1 (online, actueel t/m 04-02-2025). Zie voor dat laatste bijv. Overheidsprivaatrecht. Algemeen deel (Monografieën BW A26a), Deventer: Kluwer 2011/8a e.v. Zie recent uitvoerig over het leerstuk van de formele rechtskracht mijn conclusie van 26 februari 2025 voor de Afdeling bestuursrechtspraak, in zaak 202303829/2/A2, te vinden op de website van de Afdeling op dat zaaknummer en op rechtspraak.nl, als ECLI:NL:RVS:2025:764, onder 8.10 e.v. Zie aldus o.m. HR 20 november 1987, NJ 1988/843, m.nt. M. Scheltema (Montenegro/Staat), HR 26 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9665, JB 2001/44, m.nt. E.C.H.J. van der Linden (RDW/De Bruin), HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3253, NJ 2006/325, m.nt. M.R. Mok (SFR), HR 17 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6102, NJ 2010/608, m.nt. M.R. Mok (Meulendijk/Boxtel) en HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, NJ 2020/391, m.nt. J. Spier (Prejudiciële beslissing aardbevingsschade Groningen), rov. 2.8.
  28. Zie ook Overheidsprivaatrecht. Algemeen deel (Monografieën BW A26a), Deventer: Kluwer 2

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.