PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer23/01740 Zitting 22 april 2025 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, hierna: de verdachte. Inleiding 1. De verdachte is bij arrest van 26 april 2023 door het gerechtshof Amsterdam (parketnummer 23-001730-19) wegens het “medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast is aan de verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uren opgelegd, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis en met aftrek van het voorarrest als bedoeld in artikel 27 lid 1 Sr. Voorts zijn door het hof beslissingen genomen over in beslag genomen voorwerpen, een en ander zoals nader in het arrest bepaald. 2. Er bestaat samenhang met de zaak 23/01741 ( [medeverdachte] ). In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen. 3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. P. van Dongen, advocaat in Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel gaat over de bewijsmotivering. Het tweede middel behelst een klacht over de overschrijding van de redelijke termijn in de fase van cassatie. Het eerste middel De klacht 4. Het eerste middel bevat klachten over de bewezenverklaring van het medeplegen van gewoontewitwassen. Voordat ik tot een bespreking van het middel overga, zal ik eerst de bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen van het hof weergeven. Het bestreden arrest 5. Ten laste van de verdachte is primair bewezen verklaard dat hij: “in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 maart 2015, te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en zijn mededader voorwerpen, te weten - een contant geldbedrag van 90.000 euro en - in totaal 41.246 euro (besteed aan de aanschaf en/of gebruik van een personenauto (merk Volkswagen, type Golf 2.0 TSI GTI), met kenteken [kenteken 1] , en een personenauto (merk Renault, type Megane), met kenteken [kenteken 2] , en een personenauto (merk Mini, type Cooper), met kenteken [kenteken 3] , en een personenauto (merk Smart), met kenteken [kenteken 4] , en een motorfiets (merk Piaggio, type MP3), met kenteken [kenteken 5] , en - in totaal 5.500 euro (besteed aan een aanbetaling voor de aanschaf van een boot) en - in totaal 22.060 euro (besteed aan consumptieve uitgaven) en - in totaal 43.831 euro (besteed aan de inrichting en/of onderhoud van de woning aan perceel [a-straat 1] en een vakantiereis (naar Turkije) en kleding en elektronica en het onderhoud van huisdieren), voorhanden gehad, - terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten dat bovenomschreven [sic] geldbedragen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.” 6. In het bestreden arrest heeft het hof daarnaast het volgende overwogen: “Juridisch kader witwassen geld/goederen uit onbekend misdrijf Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld het arrest van 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352) volgt dat als niet duidelijk is uit welk specifiek misdrijf het geld of de goederen waar de witwasverdenking op ziet afkomstig is, witwassen bewezen kan worden als het, op grond van de feiten en omstandigheden, niet anders kan dan dat het geld of de goederen van misdrijf afkomstig zijn. Als de feiten en omstandigheden in het dossier zodanig zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen mag van een verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Die verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Vervolgens ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de uit de verklaringen van de verdachte blijkende alternatieve herkomst van het geld of de goederen. Uit dit onderzoek zal voor een bewezenverklaring moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld of de goederen waarop de verdenking betrekking heeft een legale herkomst heeft/hebben en dat dus een criminele herkomst de enige aanvaardbare verklaring is. Vermoeden van witwassen In de periode 2012 tot en met 2014 had de verdachte een inkomen van in totaal € 52.024,-. Dit komt neer op een gemiddeld maandsalaris van € 1.445,11. Hij ontving bovendien in de periode januari 2012 tot en met maart 2015 in totaal € 8.900,- aan huurtoeslag en € 5.909,- aan zorgtoeslag. In de periode januari 2012 tot en met maart 2015 heeft zijn partner en tevens [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) in totaal € 4.059,- aan kindgebonden budget ontvangen. Van haar zijn verder geen inkomsten bekend. Het gezin, bestaande uit de verdachte, [medeverdachte] en hun twee kinderen, moest van deze inkomsten leven. Daar staat tegenover dat er grote contante geldbedragen in de woning zijn aangetroffen en dat het gezin in de ten laste gelegde periode aanzienlijke geldbedragen heeft uitgegeven aan waardevolle voertuigen, andere goederen en diensten. Deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, rechtvaardigen zonder meer het vermoeden van een criminele herkomst van de geldbedragen en goederen die de verdachte voorhanden had. Gelet hierop mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst hiervan. De ten laste gelegde voorwerpen en de door de verdachte daarover afgelegde verklaringen zullen hieronder puntsgewijs worden besproken. […] Mini Cooper Tijdens de doorzoeking is in de handtas van de verdachte de autosleutel van een Mini Cooper aangetroffen. De auto stond in de garage onder het appartementencomplex van de verdachte en [medeverdachte] en de aankoopnota en de papieren werden in de woning zelf aangetroffen, in de slaapkamer van de verdachte en [medeverdachte] , evenals de reservesleutel. De Mini is op 14 januari 2013 gekocht en kostte € 23.985,-. De auto staat op naam van de vader van de verdachte, maar door de verkoper van de auto is de verdachte herkend als de man die de auto kwam kopen en kwam ophalen. Deze auto is contant betaald en bij de aankoop werd een Smart ingeruild ter waarde van € 7.750,-. De verdachte was hiervan op de hoogte. Zowel de verdachte als [medeverdachte] hebben verklaard dat de Mini van de vader van verdachte is, maar dat hij door [medeverdachte] wordt gebruikt. Door de moeder van de verdachte is daarentegen verklaard dat de Mini van haar is en door de vader van de verdachte is verklaard dat de Mini van hem is, maar dat zijn familie erin rijdt. Uit onderzoek is gebleken dat [medeverdachte] de feitelijke gebruikster van de Mini is. Eén van de OVC-gesprekken, op 6 april 2015 (gesprek 143), houdt voorts in: Over de moeder van [medeverdachte] . De moeder had over de telefoon gevraagd of [medeverdachte] haar Toet Toet al terug had. Ze moet haar smoel houden want alles wordt afgeluisterd. Door dit soort mensen is [medeverdachte] straks misschien haar auto kwijt. Daarom zegt ze er niets over. [verdachte] raadt [medeverdachte] aan dat als [medeverdachte] vermoedt dat "zij" iets gaat zeggen.. wegdrukken. Door dit soort mensen is [medeverdachte] straks misschien haar auto kwijt. Het hof concludeert dat de in dit verband door de verdachten afgelegde verklaring onverenigbaar is met de inhoud van de bewijsmiddelen, zodat het niet anders kan dan dat de Mini Cooper is aangeschaft met onder andere een geldbedrag van € 16.235,- dat onmiddellijk of middellijk uit misdrijf afkomstig was. De verdachte wordt niet veroordeeld voor de inruilwaarde van de Smart. […] € 42.120,- besteed aan consumptieve uitgaven Op de bankafschriften van de verdachte en [medeverdachte] zijn in de ten laste gelegde periode nauwelijks consumptieve uitgaven zichtbaar, alleen een bedrag van € 560,- aan boodschappen. Uit gegevens van het NIBUD blijkt dat voor een gezin met twee kinderen in de periode van januari 2012 tot en met maart 2015 een bedrag van minimaal € 42.120,- uitgegeven had moeten zijn, Omdat deze uitgaven - waarvan het hof de berekening van het NIBUD zal volgen - niet op de bankrekeningen van de verdachte en [medeverdachte] zijn te zien, kan het niet anders zijn dan dat zij deze consumptieve uitgaven contant hebben betaald dan wel dat deze door anderen moeten zijn gedaan. De verdachte en [medeverdachte] hebben bij de rechter-commissaris verklaard dat de ouders van de verdachte boodschappen haalden voor het gezin. Dit heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep herhaald. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat hiervoor in enige mate steun kan worden gevonden in het dossier. Gelet daarop zal het hof er in het voordeel van de verdachte van uitgaan dat de ouders van de verdachte voor de verdachte en zijn gezin boodschappen deden tot een bedrag van € 500,- in de maand, zodat op de berekende consumptieve uitgaven 39 maanden x € 500,- = € 19.500, alsmede het door de verdachten per bank uitgegeven bedrag van € 560,-, in mindering zullen worden gebracht. Voor het overige acht het hof de over de consumptieve uitgaven afgelegde verklaringen, mede met het oog op de draagkracht van de ouders van de verdachte, hoogst onwaarschijnlijk en niet verifieerbaar. Dat maakt dat het niet anders kan dan dat deze contante uitgaven ( € 22.060,- ) onmiddellijk of middellijk uit misdrijf afkomstig zijn. € 58.092,- euro besteed aan de inrichting/onderhoud van de woning, vakantiereizen, kleding, elektronica en onderhoud van huisdieren Bij de doorzoeking in de woning van de verdachte en [medeverdachte] is een grote hoeveelheid aankoopbonnen aangetroffen, waarbij het grootste gedeelte van de aankopen contant is betaald. In totaal zou voor deze aankopen in de ten laste gelegde periode een bedrag van € 58.092,- zijn uitgegeven. Het hof stelt echter vast dat in de gemaakte Exceloverzichten in het dossier een aantal dubbeltellingen zit. Naast de al verwerkte aftrek van betalingen ter zake van vervoersmiddelen en de boot, houdt het hof rekening met aftrek van een nota van de Mediamarkt van 26 januari 2015 van € 357,15, een stortingsbewijs van de ING van 11 februari 2015 van € 500,-, een nota van de Bijenkorf van 6 juni 2014 van € 990,-. Het hof acht in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd voorts niet bewezen dat de volgende nota’s door de verdachten zijn voldaan met geld dat geen legale herkomst heeft: een nota van [A] van 11 december 2012 van € 8.425,-, een nota van [B] van 14 december 2012 van € 398,40, een nota van [B] van 10 augustus 2013 van € 1.790,- en een nota van [C] van 28 december 2014 van € 1.800,-. Het totaalbedrag aan contante uitgaven dat aan de hand van de in de (sociale huur-) woning van de verdachte en [medeverdachte] aangetroffen aankoopbonnen - van onder andere Louis Vuitton en Gucci en waarbij ook twee keer met een biljet van 500 euro is betaald - bewezen zal worden verklaard komt hierdoor uit op € 43.831,- . Het hof acht bewezen dat dit geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit misdrijf afkomstig is. De verdachten hebben geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven voor de herkomst van dit geldbedrag. Voorts wijst het hof op de hierna weergegeven inhoud van de OVC-gesprekken. In dit verband overweegt het hof in reactie op het pleidooi van de raadsman, voorts als volgt. Het hof is ten aanzien van de laptop Sony VAIO, de betaling aan [D] en de bon van [E] van oordeel dat het niet anders kan dan dat de betreffende contante betalingen een criminele herkomst hebben, nu de verdachte verklaringen hieromtrent heeft afgelegd - die kort gezegd inhouden dat de betalingen door en ten behoeve van (het bedrijf van) [betrokkene 1] zijn gedaan - die als hoogst onwaarschijnlijk en niet verifieerbaar moeten worden aangemerkt. Het feit dat deze bonnen/facturen bij de verdachten in huis zijn aangetroffen, levert allereerst een duidelijke indicatie van eigenaarschap van de betreffende goederen op. Niet valt in te zien waarom de verdachte deze bonnen voor [betrokkene 1] onder zich zouden houden. Daar komt bij dat de facturen zijn gericht aan de verdachte, niet aan [betrokkene 1] of haar bedrijf. De factuur van [E] is weliswaar gericht aan [betrokkene 2] , maar deze vermeldt ook de naam [verdachte] , de roepnaam van de medeverdachte. Voorts is niet gebleken dat [betrokkene 1] deze facturen in de boekhouding van haar bedrijf heeft verwerkt. Tot slot is van belang dat, naar uit de bewijsmiddelen volgt, in de OVC-gesprekken door de verdachte wordt gezegd dat alle bonnen vernietigd moeten worden, dat ze geen bonnen meer moeten bewaren en dat ze een en ander in een pan heeft verbrand en door de wc heeft gespoeld. Wat betreft de vakantiereis met [F] ten bedrage van ruim € 5.000,- overweegt het hof als volgt. De verdachte heeft blijkens de nota van 30 mei 2013 voor een vakantiereis contant een bedrag van € 5.697,- betaald en deze nota staat ook op zijn naam. Op 11 juni 2014 is er voor een contant betaald bedrag van € 3.175,50 een vakantiereis naar Turkije geboekt voor de verdachte, [medeverdachte] en hun dochter. Bij deze vakantie zou een vriendinnetje van de dochter van de verdachte zijn meegegaan en zou in 2014 een bedrag (ten bedrage van in totaal € 1.000,40) door haar ouders op de rekening van de verdachte zijn overgemaakt. Dit vriendinnetje staat niet op de reisbescheiden vermeld. De vakantie in 2013 zou volgens de verdachten door [betrokkene 1] zijn betaald. [betrokkene 1] heeft hier tijdens haar politieverhoor niets over gezegd. Bij de rechter-commissaris verklaart zij dat zij ook eens een vakantie heeft betaald, maar zij heeft het dan over een vakantie waarbij een vriendinnetje van de dochter meeging, en dat de ouders van dat vriendinnetje het zelf hebben betaald. Echter, het zou dan moeten gaan om de vakantie in 2014, gelet op het tijdstip van terugbetalen, waarbij, nogmaals, in de reisbescheiden dit vriendinnetje niet staat vermeld. Dit maakt dat het hof de verklaringen hierover onvoldoende concreet en verifieerbaar acht. Bij gebrek aan een dergelijke verklaring over de legale herkomst van deze betaling (€ 5.697,-) is het hof van oordeel dat het onmiddellijk of middellijk uit misdrijf afkomstig is. Dit geldt ook voor de herkomst van de betaling van € 3.175,50. Wat betreft de aankoopbonnen van de Skihut overweegt het hof als volgt. Weliswaar heeft de zus van de verdachte, meergenoemde [betrokkene 1] , bij de rechter-commissaris verklaard dat zij "wel eens jassen” heeft gekocht, maar uit de aankoopbonnen, waaruit blijkt dat de betalingen steeds cash werden gedaan en waarop steeds is vermeld dat de kopers over een klantenkaart beschikten, valt op te maken dat het niet om incidentele winkelbezoeken ging. De door [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris afgelegde, op dit punt uiterst summiere verklaring levert dus geen afdoende weerlegging op van het witwasvermoeden. Het hof is van oordeel dat het niet anders kan dan dat deze geldbedragen onmiddellijk of middellijk uit misdrijf afkomstig zijn. Medeplegen Tussen de verdachte en [medeverdachte] was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking zodat zij kunnen worden aangemerkt als medeplegers. De verdachte heeft in de ten laste gelegde periode samen met [medeverdachte] en hun twee kinderen geleefd in de woning aan de [a-straat] in [plaats] , waar zij samen de illegale gelden voorhanden hebben gehad, ervan hebben geleefd en van de aangeschafte goederen gebruik hebben gemaakt. Ook uit de OVC-gesprekken waarin de verdachten overleggen over de verworven vermogensbestanddelen en bijbehorende facturen/aankoopbonnen komt nadrukkelijk naar voren dat zij het ten laste gelegde feit tezamen en in vereniging hebben gepleegd. Gewoontewitwassen Gelet op de lange duur en het structurele karakter van het witwassen, is er naar het oordeel van het hof sprake van gewoontewitwassen. Het hof benadrukt in dit verband dat in het voorgaande de ten laste gelegde voorwerpen los van elkaar zijn besproken maar dat het oordeel dat sprake is van gewoontewitwassen is gegrond op de inhoud van alle bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd. De verdachte en zijn partner, woonachtig in een sociale huurwoning, met een beperkt legaal inkomen (zoals hiervoor onder 'Vermoeden van witwassen’ is weergegeven), leefden een zeer luxueus leven, ver boven hun stand. De verklaring van de verdachte, in de kern inhoudende dat dit allemaal door familieleden is gefinancierd, is - gelet op de omvang - ongeloofwaardig.” Een uitwerking van het eerste middel 7. Het eerste middel bevat met name de klacht dat het hof de verklaringen van de verdachte ten aanzien van een aantal in de tenlastelegging genoemde posten (te weten: de Mini Cooper, consumptieve uitgaven en contante uitgaven aan o.a. de inrichting/onderhoud van de woning, vakantiereizen en kleding) terzijde heeft geschoven en vervolgens heeft geoordeeld dat sprake is van gewoontewitwassen. In de toelichting betoogt de steller van het middel dat dit oordeel, gelet op hetgeen de verdediging met argumenten onderbouwd heeft aangevoerd, niet zonder meer begrijpelijk is, zodat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd. De Mini Cooper 8. Geklaagd wordt over het tekortschieten van de motivering van het oordeel (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.