PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/00951 Zitting 22 april 2025 CONCLUSIE P.M. Frielink In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, hierna: de verdachte 1Het cassatieberoep 1.1 De verdachte is bij arrest van 3 mei 2001 (rolnummer 23-002382-99) door het gerechtshof Amsterdam (bij verstek) voor het (samen met een ander) plegen van diefstallen uit woningen (met braak en/of inklimming) en het pinnen van geld met de bij die diefstallen gestolen bankpassen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslist op de vordering van een benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. 1.2 Het cassatieberoep is op 9 maart 2023 ingesteld namens de verdachte. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. In het eerste middel wordt geklaagd dat het tenlastegelegde is verjaard. In het tweede middel wordt geklaagd dat het bewezenverklaarde niet kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen aangezien de door het hof overgenomen aanvulling van de rechtbank van de gebezigde bewijsmiddelen ontbreekt. In het derde middel wordt geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie. 1.3 Deze conclusie strekt ertoe dat het bestreden arrest van het hof en het vonnis van de rechtbank worden vernietigd, dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging, dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering tot schadevergoeding en dat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 2Het eerste middel 2.1 In het middel wordt geklaagd dat “het recht tot strafvordering (…) inmiddels [is] vervallen door verjaring.” 2.2 Het hof heeft onder 1 primair A en B, 2 primair A, B en C en 7 bewezen verklaard dat: “ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde: A: hij op 22 september 1998 en/of 23 september 1998 in [plaats] , gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [a-straat 1] heeft weggenomen een televisie en een videorecorder en een stereotoren en een koptelefoon en een coaxkabel en een walkman en een (oplaadbare) batterij en twee oordoppen en een nagelgarnituur en twee tassen en een hoeveelheid levensmiddelen en een computerspel en twee boxen en een (scart)kabel en een hoes en een horloge en zeven compact discs en twee autosleutels en een (lederen) jas en vijf girocheques en een giropas en een (rabo)bankpas en een geldbedrag van (ongeveer) ƒ 300,-, toebehorende aan [slachtoffer 1] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak en inklimming; B: hij op 23 september 1998 omstreeks 03.45 uur en omstreeks 03.47 uur en omstreeks 03.48 uur in [plaats] (telkens) tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een geldautomaat van de Rabobank te [plaats] heeft weggenomen een geldbedrag van ƒ 100,- en een geldbedrag van ƒ 300,- en een geldbedrag van ƒ 25,-, toebehorende aan [slachtoffer 1] , waarbij verdachte en zijn mededader de weg te nemen geldbedragen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel; ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde: A: hij op 28 september 1998 en/of 29 september 1998 te [plaats] , gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [b-straat 1] heeft weggenomen een televisie en twee (rabo)bankpassen en twee giro(bank)passen en twee identiteitskaarten en twee portemonnees, toebehorende aan [slachtoffer 2] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak en inklimming; B: hij op 29 september 1998 omstreeks 05.48 uur in [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een geldautomaat van de Rabobank te [plaats] heeft weggenomen een geldbedrag van ƒ 500,-, toebehorende aan [slachtoffer 2] , waarbij verdachte en zijn mededader het weg te nemen geldbedrag onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel; C: hij op 29 september 1998 omstreeks 06.17 uur en omstreeks 06.18 uur in [plaats] (telkens), tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een geldautomaat van de giro op [c-straat] te [plaats] heeft weggenomen een geldbedrag van ƒ 250,- en een geldbedrag vanƒ 25,-, toebehorende aan [slachtoffer 2] , waarbij verdachte en zijn mededader de weg te nemen geldbedragen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel; ten aanzien van het onder 7 tenlastegelegde: hij op 26 maart 1999 in [plaats] , gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan [d-straat 1] heeft weggenomen een mobiele telefoon en een fototoestel en een verrekijker en zeven tassen met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer 3] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van inklimming.” Het juridisch kader 2.3 Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang: - Art. 70 lid 1, aanhef en onder 3° en 4°, Sr (zoals deze bepaling luidde van 1 april 2013 tot 1 juli 2024): “1. Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring: (…) 3° in twaalf jaren voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld; 4° in twintig jaren voor de misdrijven waarop gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld.” - Art. 71 Sr (zoals deze bepaling luidde van 1 april 2013 tot 1 juli 2013 en van 1 januari 2020 tot 1 juli 2024): “De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd, behoudens (…)” - Art. 72 Sr: “1. Elke daad van vervolging stuit de verjaring, ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde. 2. Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht tot strafvordering vervalt evenwel ten aanzien van overtredingen na tien jaren en ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn.” 2.4 Op grond van art. 70 lid 1 (oud) Sr vervalt het recht tot strafvordering door verjaring in twaalf jaren voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld (aanhef en onder 3°) en in twintig jaren voor de misdrijven waarop gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld (aanhef en onder 4°). Op grond van art. 71 (oud) Sr vangt de oorspronkelijke verjaringstermijn in beginsel aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd. Op grond van art. 72 lid 1 Sr stuit elke daad van vervolging de verjaring. Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Na een gestuite verjaring vervalt het recht tot strafvordering ten aanzien van misdrijven als vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn (art. 72 lid 2 Sr). Een daad van vervolging kan zijn het uitbrengen van de (appel)dagvaarding, de betekening van een verstekvonnis/-arrest en bepaalde handelingen van de rechter zoals het wijzen van een vonnis of arrest. Een poging tot betekening van de verstekmededeling en de mededeling van de rechtsdag kunnen ook worden aangemerkt als een daad van vervolging. Een verzoek tot signalering in het BETIP-systeem en VIP-controles zijn geen daad van vervolging in de zin van art. 72 lid 1 Sr. Sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2006 van de wet van 16 november 2005 (opheffing verjaringstermijn bij zeer ernstige delicten) geldt niet meer de eis dat de daad van vervolging de vervolgde bekend of betekend moet zijn. De bespreking van het middel 2.5 Het onder 1 primair B en 2 primair B en C bewezenverklaarde heeft telkens betrekking op diefstal in vereniging met een valse sleutel, begaan op 23 september 1998 (1 primair B) en 29 september 1998 (2 primair B en C). Dit feit is als misdrijf strafbaar gesteld in art. 311 lid 1, aanhef en onder 4° en 5°, Sr. Op dit feit was – en is nog steeds – een gevangenisstraf gesteld van ten hoogste zes jaren. Gelet op het hierboven genoemde art. 70 lid 1 (oud) Sr bedraagt de verjaringstermijn voor het onder 1 primair B en 2 primair B en C bewezenverklaarde dus twaalf jaren. 2.6 Het onder 1 primair A, 2 primair A en 7 bewezenverklaarde heeft telkens betrekking op diefstal in vereniging (gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) uit een woning met braak en/of inklimming, begaan op 22 en/of 23 september 1998 (1 primair A), 28 en/of 29 september 1998 (2 primair A) en 26 maart 1999
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.