PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/01183 Zitting 22 april 2025 CONCLUSIE T. Hartlief In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003, hierna: ‘verdachte’ 1Inleiding 1.1 Dit is één van de zaken over het zinloze en excessieve uitgaansgeweld dat op 14 juli 2021 heeft plaatsgevonden in het uitgaansgebied El Arenal op het Spaanse eiland Mallorca. Deze zaken hebben veel media-aandacht gekregen onder de (gezamenlijke) noemer ‘de Mallorcazaak’. Een groep jongeren uit [plaats 1] heeft in de nacht van 13 op 14 juli 2021, bij drie incidenten, geweld gepleegd tegen in totaal tien (jonge) mannen. Als gevolg van dit geweld heeft een aantal slachtoffers letsel opgelopen en is één van de slachtoffers, [slachtoffer] , overleden. [slachtoffer] was betrokken bij het derde geweldsincident en is daarbij (vrijwel) meteen buiten bewustzijn geraakt. Hij is overleden nadat hij vijf dagen in comateuze toestand in het ziekenhuis had gelegen. Het is nooit duidelijk geworden wat er precies met [slachtoffer] is gebeurd en wie het fatale geweld heeft gepleegd. 1.2 Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: ‘het hof’) heeft in hoger beroep alle zeven verdachten veroordeeld voor het plegen van openlijk geweld in vereniging. Zij hebben gevangenisstraffen en taakstraffen gekregen. Drie verdachten zijn veroordeeld voor medeplegen van poging tot het toebrengen van zwaar letsel en twee (andere) verdachten voor poging tot doodslag. 1.3 De nabestaanden van [slachtoffer] en slachtoffers van de geweldsincidenten hebben zich als benadeelde partij in het strafgeding gevoegd. Zij hebben het hof verzocht om de verdachten hoofdelijk te veroordelen tot betaling van schadevergoeding. Het hof heeft twee slachtoffers niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering. De andere vorderingen heeft het hof inhoudelijk beoordeeld. Dit geldt onder meer voor de vorderingen van de nabestaanden van [slachtoffer] (zijn ouders en zijn vriendin). De ouders van [slachtoffer] hebben in de eerste plaats vergoeding gevorderd voor de letselschade van hun zoon. Volgens hen is deze vordering door vererving onder algemene titel op hen overgegaan. De vordering ziet voornamelijk op smartengeld (ter hoogte van € 24.750) voor de periode waarin [slachtoffer] in het ziekenhuis heeft gelegen zonder kwaliteit van leven. Verder hebben de ouders van [slachtoffer] een bedrag van € 40.452,52 ter vergoeding van overlijdensschade gevorderd, bestaande uit affectieschade ter hoogte van € 35.000 (tweemaal € 17.500) en uitvaartkosten ter hoogte van € 5.452,52. De vriendin van [slachtoffer] heeft in hoger beroep een vergoeding van € 198.057 gevorderd voor gederfd levensonderhoud en een vergoeding van € 20.000 voor affectieschade. 1.4 Het hof heeft ten aanzien van deze vorderingen geoordeeld dat er sprake is van groepsaansprakelijkheid in de zin van art. 6:166 BW. Deze groepsaansprakelijkheid brengt mee dat alle zeven verdachten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die is ontstaan als gevolg van het groepsgeweld. Het hof heeft de vorderingen van de ouders en vriendin van [slachtoffer] volledig toegewezen en ten aanzien van alle toegewezen vorderingen een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. 1.5 Vijf van de zeven verdachten hebben cassatieberoep ingesteld. Het cassatieberoep van de verdachten richt zich enkel tegen de beslissing van het hof over de schadevergoedingsvorderingen van de ouders en/of de vriendin van [slachtoffer] . Het cassatieberoep richt zich dus niet tegen de strafrechtelijke veroordeling voor de bewezenverklaarde (strafbare) feiten en evenmin tegen de toewijzing van de schadevergoedingsvorderingen van andere benadeelde partijen dan de nabestaanden van [slachtoffer] . 1.6 Er bestaat samenhang tussen deze zaak en de zaken die bij Uw Raad aanhangig zijn onder de zaaknummers 24/01167, 24/01178, 24/01181 en 24/01204 (waarin vier medeverdachten cassatieberoep hebben ingesteld). Ik zal vandaag in elk van deze zaken concluderen. Paragraaf 3 van de conclusie (waarin inleidende beschouwingen zijn opgenomen over de vordering benadeelde partij) is in alle zaken identiek, terwijl er in meer of mindere mate verschillen bestaan in de overige paragrafen. De reden hiervoor is dat verschillen bestaan in de strafbare feiten waarvoor de verdachten zijn veroordeeld. Verder vertoont het partijdebat dat in de verschillende zaken is gevoerd over de schadevergoedingsvorderingen van de benadeelde partijen weliswaar overlap, maar is dat debat niet identiek, omdat de verdachten ieder voor zich en op uiteenlopende wijze verweer hebben gevoerd tegen die vorderingen. Ook de klachten in cassatie verschillen: in de ene zaak wordt bijvoorbeeld mede geklaagd over de toewijzing van schadevergoeding aan de ouders van [slachtoffer] , terwijl in de andere zaak alleen wordt geklaagd over de schadevergoeding die aan de vriendin van [slachtoffer] is toegekend. 1.7 Het cassatieberoep in deze zaak richt drie middelen tegen het oordeel van het hof. Volgens het eerste middel is het oordeel van het hof dat sprake is van groepsaansprakelijkheid in de zin van art. 6:166 BW, onbegrijpelijk. Het tweede middel betoogt dat het hof heeft verzuimd vast te stellen en te motiveren waarom sprake is van een vordering voor immateriële schade voor [slachtoffer] . Bovendien heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat deze vordering vatbaar is voor vererving. Volgens het derde middel is onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de behandeling van de vordering van de vriendin van [slachtoffer] tot vergoeding van gederfd levensonderhoud geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Zou het hof hierover anders hebben geoordeeld, dan zou de vriendin van [slachtoffer] niet-ontvankelijk zijn verklaard in haar vordering en zou zij haar vordering aan de civiele rechter hebben moeten voorleggen. Ook klaagt het middel over de toewijzing van deze vordering. 1.8 Deze conclusie is opgebouwd als volgt. In paragraaf 2 geef ik de zaak op hoofdlijnen weer. In paragraaf 3 volgen inleidende opmerkingen over de vordering van de benadeelde partij in het strafproces. Ook geef ik daar het materieelrechtelijke kader weer voor de beoordeling van zulke vorderingen en voor de beoordeling van vorderingen tot vergoeding van gederfd levensonderhoud in het bijzonder. In paragraaf 4 bespreek ik de vraag of een comateus slachtoffer dat, zonder nog te ontwaken, overlijdt recht heeft op smartengeld alsmede de voorwaarde(
- n)voor vererving van smartengeldvorderingen. Tot slot behandel ik in paragraaf 5 de klachten van het cassatieberoep. 2Beschrijving van de zaak op hoofdlijnen 2.1 Op 14 maart 2024 heeft het hof arrest gewezen in de zaak tegen verdachte. In deze paragraaf bespreek ik de inhoud van dit arrest, zij het slechts voor zover die inhoud relevant is voor de beslissing van het hof over de schadevergoedingsvordering van de ouders en vriendin van [slachtoffer] , omdat het cassatieberoep alleen over die beslissing gaat. Ik bespreek de feiten over de eerste twee geweldsincidenten bijvoorbeeld niet, omdat [slachtoffer] alleen bij het derde geweldsincident in de nacht van 14 juli 2021 betrokken was. Evenmin komt aan bod hoe het hof heeft geoordeeld over de schadevergoedingsvorderingen van de andere benadeelde partijen dan de ouders en vriendin van [slachtoffer] . Feiten 2.2 Verdachte en/of zijn vriendengroep hebben op 14 juli 2021 in het uitgaansgebied El Arenal in Spanje gevochten bij café [A] , bij [B] en bij de bar [C] . Verdachte is in deze zaak ervan verdacht dat hij samen met zijn vrienden geweld heeft gepleegd tegen in totaal tien (jonge) mannen. Verdachte heeft erkend dat hij bij [C] geweldshandelingen heeft verricht. 2.3 In de nacht van 14 juli 2021, korte tijd nadat de groep van verdachte fors geweld had gepleegd voor [A] en [B] , zijn verdachte en de medeverdachten over de boulevard in de richting van [C] gegaan. Op straat ter hoogte van [C] is het gekomen tot een confrontatie tussen (een deel van) de groep van verdachte en een groep mannen (hierna: ‘de groep uit [plaats 2] ’), te weten: [slachtoffer] , [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] . 2.4 Na een korte woordenwisseling is het uit de hand gelopen toen medeverdachte [medeverdachte 1] een eerste klap uitdeelde. Op dat moment stonden verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] bij [medeverdachte 1] . Er is een massale vechtpartij ontstaan waarbij verschillende personen uit de groep van verdachte verschillende vormen van geweld hebben uitgeoefend tegen de personen van de groep uit [plaats 2] . De groep uit [plaats 2] heeft niet veel terug gedaan. 2.5 In korte tijd is vanuit de groep van verdachte onder meer het volgende geweld gepleegd: [benadeelde 3] heeft een klap op zijn gezicht gekregen en er is geprobeerd hem te tackelen. [slachtoffer] is op zijn hoofd geslagen, op de grond gevallen en vervolgens tegen zijn hoofd geschopt. [benadeelde 4] is weggerend en is tijdens het wegrennen geslagen. [benadeelde 4] is tegen de grond gebeukt. Terwijl [benadeelde 4] op de grond lag, is hij twee keer tegen zijn hoofd geschopt, waardoor hij buiten bewustzijn is geraakt. [benadeelde 2] is geschopt, geslagen en geduwd. 2.6 Uit de beschikbare beelden volgt dat [slachtoffer] op de grond lag op het moment waarop [benadeelde 4] en [benadeelde 2] werden aangevallen. Als gevolg van het geweld heeft [benadeelde 2] blauwe plekken opgelopen en zijn (aan) [benadeelde 4] naast blauwe plekken en schaafwonden een gezwollen schedel en bulten op zijn hoofd toegebracht. [slachtoffer] is als gevolg van het geweld overleden op [...] juli 2021. 2.7 Ten aanzien van de rol van verdachte heeft het hof vastgesteld dat verdachte: - deel uitmaakte van de groep die tegenover de groep van [plaats 2] is gaan staan; - aan het begin van het geweld aanwezig was en – net als medeverdachte [medeverdachte 3] – [benadeelde 3] achterna is gerend; - [benadeelde 4] tegen het hoofd heeft geschopt. Bewijsoverwegingen ten aanzien van openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer] , [benadeelde 4] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] (door het hof aangeduid als ‘feit 4) 2.8 Op basis van de hiervoor beschreven feiten heeft het hof bewezen geacht dat verdachte vanaf het begin deel uitmaakte van de groep die tegenover de groep uit [plaats 2] is gaan staan, dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte 3] [benadeelde 3] achterna is gerend en dat hij binnen de geweldsexplosie die zich daar tegen die groep heeft afgespeeld vervolgens geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde 4] (zie randnummer 2.7). Door zijn handelen heeft verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan het (in de openbaarheid gepleegde) geweld tegen de gehele groep uit [plaats 2] – dus ook tegen [slachtoffer] – gehad. 2.9 Het hof heeft geoordeeld dat het openlijk geweld voor [C] juridisch niet uiteenvalt in meerdere kleine vechtpartijen tegen afzonderlijke personen, waarbij per verdachte moet worden beoordeeld tegen wie hij geweld heeft gepleegd. Dit zou niet alleen ingaan tegen de feitelijke situatie zoals die heeft plaatsgevonden – te weten: één massale aanval van de groep van verdachte tegen de groep uit [plaats 2] , waarbij op korte afstand van elkaar en binnen een kort tijdsbestek (deels) tegelijkertijd geweldshandelingen tegen de verschillende slachtoffers werden verricht – maar ook tegen de inhoud en ratio van art. 141 Sr, namelijk het strafbaar stellen van openlijk en in verenigde krachten gepleegd (groeps)geweld tegen personen, waarbij niet iedere pleger zelf geweld moet hebben gepleegd tegen ieder slachtoffer. Voor een bewezenverklaring van het ‘in vereniging’ plegen van geweld is slechts vereist dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan dat openlijke geweld. 2.10 Nu verdachte zich ervan bewust was dat ook anderen deelnamen aan de openlijke geweldpleging kan daaruit worden afgeleid dat verdachte opzet had op het in vereniging plegen van geweld, aldus het hof. 2.11 Op deze basis heeft het hof bewezen geacht dat verdachte zich samen met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld tegen [slachtoffer] , [benadeelde 4] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] . 2.12 [benadeelde 4] heeft als gevolg van het op hem uitgeoefende geweld blauwe plekken, schaafwonden, een gezwollen schedel en bulten op zijn hoofd opgelopen. Het hof heeft dit letsel gekwalificeerd als 'enig lichamelijk letsel’. Het hof heeft vastgesteld dat verdachte [benadeelde 4] tegen het hoofd heeft getrapt. Het hof heeft bewezen geacht dat verdachte hierdoor een bult en een blauwe plek op het hoofd van [benadeelde 4] heeft veroorzaakt. Dat door anderen ook geweld tegen [benadeelde 4] is uitgeoefend, staat niet in de weg aan het oordeel dat het handelen van verdachte een bult en een blauwe plek op het hoofd van [benadeelde 4] tot gevolg heeft gehad. Het hof heeft het aan [benadeelde 4] toegebrachte letsel meegewogen als strafverzwarende omstandigheid. 2.13 Het hof heeft verdachte vrijgesproken van doodslag of zware mishandeling met de dood tot gevolg van [slachtoffer] . Het hof heeft bewezen geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag op [benadeelde 4] . Bewezenverklaring en strafbaarheid van het bewezenverklaarde 2.14 Naar aanleiding van de hiervoor beschreven bewijsoverwegingen heeft het hof het volgende bewezen verklaard met betrekking tot het geweld door verdachte tegen de groep uit [plaats 2] : “Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen (…) acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 2. primair hij, op 14 juli 2021 te El Arenal, in Spanje, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] opzettelijk van het leven te beroven, - voornoemde [benadeelde 4] meermalen met kracht tegen het hoofd heeft geschopt, terwijl voornoemde [benadeelde 4] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (…) 4. hij, op 14 juli 2021 te El Arenal, in Spanje, openlijk, te weten op de Carrer de Cartago ter hoogte van bar [C], op of aan de openbare weg en op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [slachtoffer] en [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en [benadeelde 4] en [benadeelde 1] door: - voornoemde [slachtoffer] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] [bedoeld zal zijn: [benadeelde 3] , A-G] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 4] te duwen en/of te trekken en/of naar de grond toe te brengen en/of (met de vuist) te stompen en/of te slaan en/of te schoppen en/of te trappen op en/of in de richting van en/of tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam, terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, te weten: - een blauwe plek en een bult op het hoofd van [benadeelde 1] .” 2.15 Het onder 2. primair en 4. bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op: “(…) medeplegen van poging tot doodslag. (…) openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.” 2.16 Verdachte is vrijgesproken van de onder 1. primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde doodslag op [slachtoffer] dan wel de (zware) mishandeling met de dood tot gevolg van [slachtoffer] . 2.17 Omdat dit niet rechtstreeks relevant is voor deze cassatieprocedure vermeld ik hier slechts dat óók bewezen is verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ‘openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen’ (het tenlastegelegde onder 3. voor het geweld bij [B] ). Overwegingen over de ernst van de feiten 2.18 Het hof heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan 118 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Van de motivering die het hof voor deze strafoplegging heeft gegeven, zijn in cassatie slechts nog de overwegingen relevant die het hof heeft gewijd aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten. 2.19 Over de ernst van de feiten heeft het hof overwogen dat verdachte schuldig is bevonden aan het medeplegen van een poging tot doodslag en openlijke geweldplegingen tegen zes personen, waarbij door verdachte aan een persoon letsel is toegebracht. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijk geweld en de groep van verdachte heeft enorm agressief en fel gehandeld, aldus het hof: “Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten in de nacht van 14 juli 2021 op Mallorca tijdens het uitgaan schuldig gemaakt aan zinloos en excessief uitgaansgeweld. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag en openlijke geweldplegingen tegen zes personen, waarbij door verdachte aan een persoon letsel is toegebracht. Verdachte heeft zich zowel bij [B] als bij [C] schuldig gemaakt aan openlijk geweld. Uit het dossier, waaronder ook de beelden die het hof heeft gezien, blijkt de enorme agressiviteit en felheid van de groep van verdachte in de verschillende gevechten. (…)” 2.20 Het hof heeft het geweld bij [C] omschreven als ernstige feiten met zeer ernstige gevolgen en heeft in dit kader gesproken over uiterst verwerpelijke gebeurtenissen die de samenleving in hoge mate hebben geschokt: “Bij [C] , ongeveer een half uur later [na het geweld bij [B] , A-G], gaat de groep van verdachte opnieuw over tot geweld. Zonder dat er voor verdachte enige wezenlijke aanleiding was, heeft hij zich met zijn medeverdachten op een groep mannen (te weten: [benadeelde 4] , [slachtoffer] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] ) gestort. Dat geweld had al meteen tot resultaat dat [slachtoffer] buiten bewustzijn op de grond achterbleef en [benadeelde 3] en [benadeelde 4] gewond raakten door de slagen en trappen van verdachte en zijn medeverdachten. Niettemin ging het geweld door tegen [benadeelde 2] en [benadeelde 4] . [benadeelde 4] wordt door een medeverdachte tegen de grond gebeukt. Vervolgens wordt hij door verdachte en een medeverdachte, terwijl hij weerloos op de grond ligt, hard tegen zijn hoofd geschopt, waarna [benadeelde 4] bewusteloos blijft liggen. Het geweld tegen [benadeelde 4] was zo heftig dat hij daardoor had kunnen overlijden. Verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde 4] . Ook wordt met een overmacht van meerdere personen achter [benadeelde 2] aangerend. Door medeverdachten wordt geprobeerd [benadeelde 2] ten val te brengen en ook naar hem wordt geslagen en geschopt. Dat het hier om ernstige feiten gaat met ook zeer ernstige gevolgen, behoeft geen betoog. Deze uiterst verwerpelijke gebeurtenissen, in het bijzonder de gevolgen van het daarbinnen uitgeoefende geweld tegen [slachtoffer] , hebben de samenleving in hoge mate geschokt. Bovendien zorgt dit soort geweld voor gevoelens van onveiligheid bij de slachtoffers en in de samenleving. Dat deze gevoelens nog langere tijd kunnen blijven bestaan blijkt ook uit de verklaringen van slachtoffers. Dat verdachte zich meermaals en ook in korte tijd schuldig heeft gemaakt aan deze geweldsfeiten wordt hem aangerekend.” 2.21 Specifiek over het overlijden van [slachtoffer] heeft het hof overwogen dat weliswaar niet is vastgesteld dat verdachte zelf geweldshandelingen tegen hem heeft verricht, maar dat verdachte door zijn optreden wel heeft bijgedragen aan een situatie waarin het op dramatische wijze volkomen uit de hand is gelopen: “Hoewel verdachte niet verantwoordelijk wordt gehouden voor de dood van [slachtoffer] heeft het hof wel bewezen geacht dat verdachte ook tegen hem openlijk geweld heeft gepleegd. In elk geval kan worden gezegd dat verdachte door zijn optreden mede heeft bijgedragen aan een situatie waarin het op dramatische wijze volkomen uit de hand is gelopen. Belangrijk om daarbij op te merken is dat het hof niet heeft vastgesteld dat verdachte (ook) daadwerkelijk zelf geweldshandelingen tegen [slachtoffer] heeft gepleegd. Het overlijden van [slachtoffer] is dan ook geen strafverzwarende omstandigheid in de zin van de wet, maar draagt wel bij aan de ernst van het feit en de gevolgen daarvan en heeft daarmee invloed op de hoogte van de op te leggen straf.” 2.22 Anders dan het Openbaar Ministerie heeft het hof aan verdachte niet verweten dat hij geen antwoord heeft gegeven op de vraag wat er met [slachtoffer] is gebeurd, omdat het hof niet heeft kunnen vaststellen dat hij meer weet over de dood van [slachtoffer] dan hij heeft verteld: “Het openbaar ministerie verwijt alle verdachten dat zij geen antwoord geven op de vraag wat er met [slachtoffer] is gebeurd. Het hof doet dit niet en overweegt – net als de rechtbank – als volgt. Er is in de media en ook ter zitting gesproken over ‘het geheim van Mallorca’. Daarbij is de veronderstelling opgeworpen dat betrokkenen meer weten over de dood van [slachtoffer] dan zij vertellen. Wat daar van zij, niet vastgesteld kan worden dat dit voor verdachte geldt. Alleen al daarom speelt dit geen rol bij de strafoplegging. (…)” De schadevergoedingsvorderingen van de benadeelde partijen 2.23 Onder anderen de nabestaanden van [slachtoffer] (zijn ouders en vriendin) hebben zich als benadeelde partij(
- en)in het strafgeding gevoegd. Zij hebben het hof verzocht om hoofdelijke toewijzing van hun vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr. Deze maatregel komt hierna nog uitgebreider aan de orde, maar het lijkt mij goed alvast te noemen dat met deze maatregel is beoogd de positie van de benadeelde partij in het strafproces te versterken, onder meer doordat de Staat verantwoordelijk is voor de inning van de vordering en gijzeling als drukmiddel kan worden gebruikt om de betaling te verzekeren. 2.24 De schadevergoedingsmaatregel houdt – kort gezegd en voor zover relevant – in dat aan degene die bij rechterlijke uitspraak wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld tot een straf, de verplichting kan worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een ‘som gelds’ ten behoeve van het slachtoffer of de personen die worden genoemd in art. 51f lid 2 Sv. In die bepaling worden (opnieuw, voor zover relevant) de erfgenamen genoemd ter zake van hun onder algemene titel verkregen vordering en de personen die zijn bedoeld in art. 6:108 lid 1 tot en met 4 BW ter zake van de daar bedoelde schadevergoedingsvorderingen bij overlijden van een naaste (bijvoorbeeld de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot). 2.25 In de beoordeling van schadevergoedingsvorderingen kunnen twee ‘fasen’ worden onderscheiden. De eerste fase wordt de vestigingsfase genoemd, omdat in die fase ter beoordeling voorligt of aansprakelijkheid van de aangesproken partij kan worden gevestigd. De vraag is hier of de eiser (de benadeelde) erin is geslaagd een grondslag aan te voeren om de door haar geleden schade af te wentelen op de gedaagde (de aangesproken partij). Wanneer is geoordeeld dat de gedaagde aansprakelijk is en dus verplicht is de schade te vergoeden die het gevolg is van de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis, breekt de omvangsfase aan. In die fase wordt beoordeeld wat de omvang is van de verplichting tot schadevergoeding. 2.26 In het cassatieberoep in deze zaak komen beide fasen aan de orde. Weliswaar gaan de meeste klachten over de omvangsfase, maar de vraag of verdachte aansprakelijk is voor de schade waarvoor de ouders en vriendin van [slachtoffer] een vergoeding hebben gevorderd, ziet op de vestigingsfase. Ik geef hierna op hoofdlijnen het partijdebat over deze beide fasen weer alsmede het bestreden oordeel van het hof ter zake. De vestiging van aansprakelijkheid – art. 6:166 jo. art. 6:162 BW 2.27 Wat de vestiging van aansprakelijkheid betreft, hebben zowel de ouders als de vriendin van [slachtoffer] zich mede beroepen op art. 6:166 (jo. art. 6:162) BW. Op grond van deze bepaling(
- en)zijn groepsdeelnemers hoofdelijk aansprakelijk voor schade die onrechtmatig door een groepsdeelnemer is toegebracht, indien de kans op het aldus toebrengen van schade de groepsdeelnemer had behoren te weerhouden van diens gedragingen in groepsverband en de gedragingen aan de groepsdeelnemers kunnen worden toegerekend. De ouders en vriendin van [slachtoffer] hebben in dit verband gesproken over ‘groepsaansprakelijkheid’ die verder strekt dan aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW (onrechtmatige daad), omdat de aangesproken groepsdeelnemer aansprakelijk kan worden gehouden voor de gehele schade die is veroorzaakt door de groep, zelfs voor schade waarvan vaststaat dat die niet is toegebracht door de aangesproken deelnemer. 2.28 Namens verdachte is aan de rechtbank verzocht om, indien hij slechts zou worden veroordeeld voor openlijk geweld en niet (ook) voor medeplegen van doodslag, hem niet ex art. 6:166 BW aansprakelijk te houden voor de schade die het gevolg is van het overlijden van [slachtoffer] , dan wel in sterke mate de billijkheidscorrectie uit art. 6:166 lid 2 BW toe te passen. 2.29 In reactie op de aansprakelijkheidsverweren die door de verschillende verdachten zijn gevoerd, hebben de ouders en vriendin van [slachtoffer] hun standpunt gehandhaafd dat aansprakelijkheid ex art. 6:166 BW kan worden aangenomen. In zijn pleitaantekeningen voor de zitting in eerste aanleg heeft verdachte zijn verweer ter zake van groepsaansprakelijkheid aangevuld. Betwist is dat verdachte wist of behoorde te weten dat het groepsoptreden het gevaar zou scheppen dat een persoon dusdanig letsel oploopt dat hij zou komen te overlijden. Dit gevolg was voor verdachte niet voorzienbaar. 2.30 Bij vonnis van 18 november 2022 heeft de rechtbank Midden-Nederland (hierna: ‘de rechtbank’) geoordeeld dat sprake is van groepsaansprakelijkheid in de zin van art. 6:166 BW. 2.31 In hoger beroep hebben partijen hun standpunt over groepsaansprakelijkheid gehandhaafd. 2.32 Ik kom nu toe aan het oordeel van het hof. In navolging van de rechtbank heeft het hof geoordeeld dat de verdachte en diens medeverdachten jegens alle benadeelde partijen aansprakelijk zijn op grond van art. 6:166 BW: “Groepsaansprakelijkheid en hoofdelijkheid In de gevallen waarin het geweld door verdachte in vereniging met één of meer anderen is gepleegd, stelt het hof vast dat in civielrechtelijk opzicht sprake is van groepsaansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:166 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Dit geldt voor zowel de poging tot doodslag, als de poging tot zware mishandeling als het openlijk geweld. Dit brengt met zich dat iedere bij het groepsgeweld betrokkene hoofdelijk aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan geleden schade. Er is namelijk steeds sprake geweest van bewuste gezamenlijke deelname aan gewelddadige gedragingen in groepsverband en tussen die gedragingen bestaat naar het oordeel van het hof een duidelijke samenhang. Groepsgeweld tegen een persoon (of personen) brengt de kans met zich dat aan die persoon of personen letsel of andere schade wordt toegebracht, en verdachte heeft dat risico voor lief genomen. Door gewelddadige deelname aan de groep zijn verdachte en zijn mededaders naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Of aan verdachte zelf het opgelopen (zwaar) lichamelijk letsel is tenlastegelegd c.q. bewezenverklaard is daarbij niet van belang. Voor aansprakelijkheid krachtens artikel 6:166 BW is namelijk niet vereist dat een individu uit de groep zelf de schade heeft veroorzaakt om daarvoor in civielrechtelijke zin aangesproken te kunnen worden. De regeling beoogt buiten twijfel te stellen dat een deelnemer aan onrechtmatige gedragingen in groepsverband zich niet aan aansprakelijkheid voor de daaruit ontstane schade kan onttrekken met het causaliteitsverweer dat de schade ook zonder zijn deelneming aan de groep zou zijn ontstaan.” De schadevergoedingsvordering van de ouders van [slachtoffer] 2.33 Dan zijn we nu aangekomen bij de bespreking van de schadevergoedingsvorderingen zelf. De ouders van [slachtoffer] ( [benadeelde 5] en [benadeelde 6] ) hebben in totaal een bedrag van € 69.100,63 aan schadevergoeding gevorderd, te vermeerderen met wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het hof heeft hun vorderingen in het bestreden arrest als volgt omschreven: “[benadeelde 5] en [benadeelde 6] (ouders van [slachtoffer] ) [benadeelde 5] en [benadeelde 6] vorderen een bedrag van in totaal € 69.100,63 (€ 9.350,63 materieel en € 59.750,00 immaterieel). Dit bedrag bestaat uit: - vererfde letselschade: € 28.648,11; - overlijdensschade: € 40.452,52.” 2.34 Even verder in het arrest heeft het hof deze vorderingen nader toegelicht: “De ouders van [slachtoffer] vorderen (mede namens zijn broer) een bedrag van € 28.648,11 aan letselschade van [slachtoffer] , welke vordering door vererving onder algemene titel op hen is overgegaan. Dit bedrag valt uiteen in een ziekenhuisdaggeldvergoeding ter hoogte van € 155,00, reis- en verblijfkosten naar en op Mallorca van de ouders, broer en vriendin van [slachtoffer] ter hoogte van € 3.743,11 en immateriële schade (smartengeld) ter hoogte van € 24.750,00 voor de periode die [slachtoffer] in het ziekenhuis heeft gelegen zonder kwaliteit van leven. Voorts vorderen de ouders van [slachtoffer] een bedrag van € 40.452,52 aan overlijdensschade, bestaande uit affectieschade ter hoogte van € 35.000,00 (tweemaal € 17.500,-) en uitvaartkosten ter hoogte van € 5.452,52.” 2.35 In cassatie wordt enkel geklaagd over het oordeel van het hof over één onderdeel van de vordering van de ouders, namelijk de vordering tot vergoeding van immateriële schade van € 24.750 voor de periode waarin [slachtoffer] zonder kwaliteit van leven in het ziekenhuis heeft gelegen. Ik geef daarom alleen het partijdebat over de laatstgenoemde vordering weer. 2.36 Op grond van art. 6:95 lid 2 BW is voor overgang onder algemene titel van een smartengeldvordering vereist dat de gerechtigde aan de wederpartij heeft medegedeeld aanspraak te maken op smartengeld. Hoewel [slachtoffer] zo’n mededeling niet aan de verdachte heeft gedaan, menen zijn erfgenamen toch dat de vordering is vererfd. Hiervoor hebben zij zich beroepen op twee rechtbankuitspraken en een wetenschappelijk artikel van Verheij waaruit – kort gezegd en in mijn vrije vertaling – volgt dat onder omstandigheden aan het mededelingsvereiste kan worden voorbijgegaan, op de grond dat een beroep op dat vereiste naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar wordt geacht. Gelet op de ernst van het letsel dat aan [slachtoffer] is toegebracht en de nadelige gevolgen voor [slachtoffer] (vijf dagen buiten bewustzijn in het ziekenhuis, operaties, kwaliteit van leven van het allerlaagste niveau) hebben de erfgenamen van [slachtoffer] zich op het standpunt gesteld dat een vergoeding van € 24.750 passend is. 2.37 Namens verdachte is bestreden dat er ruimte is voor toekenning van smartengeld aan de zijde van [slachtoffer] , omdat hij niet meer bij bewustzijn is geweest. Ook is een beroep gedaan op het niet-vervuld zijn van het mededelingsvereiste uit art. 6:95 lid 2 BW als vereiste voor vererving van een smartengeldvordering. Bestreden is ook dat zich in deze zaak een uitzondering voordoet die afwijking van het mededelingsvereiste rechtvaardigt. 2.38 In hun reacties hebben zowel de ouders van [slachtoffer] als verdachte hun eerdere standpunt gehandhaafd. 2.39 De rechtbank heeft de vordering van de ouders toegewezen. 2.40 In hoger beroep is het standpunt van partijen over (de vererving van) de vordering tot vergoeding van immateriële schade in essentie ongewijzigd gebleven. 2.41 Het hof heeft de schadevergoedingsvorderingen van de ouders van [slachtoffer] volledig toegewezen. Verdachte is (dus) in totaal veroordeeld tot betaling van € 69.100,63 aan hen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2021 tot aan de dag der voldoening. Ook heeft het hof de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Over de vordering tot vergoeding van de door [slachtoffer] geleden immateriële schade heeft het hof geoordeeld: “Immateriële schade (al dan niet vererfd) Vererfde immateriële schade Op grond van artikel 6:95, tweede lid, BW kan een vordering ter zake immateriële schade onder algemene titel overgaan als de gerechtigde aan de wederpartij heeft medegedeeld op de vergoeding aanspraak te maken. Het hof is van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 BW) onaanvaardbaar zou zijn indien verdachte zich erop zou kunnen beroepen dat [slachtoffer] , die na het door de groep van verdachte toegebrachte letsel niet meer bij bewustzijn is geweest, geen mededeling heeft gedaan dat hij aanspraak maakt op vergoeding van door hem geleden immateriële schade. Het hof is aldus van oordeel dat de vordering van [slachtoffer] op verdachte voor immateriële schadevergoeding vatbaar is voor vererving. De gevorderde immateriële schade van [slachtoffer] ligt op grond van het bepaalde in artikel 6:106 aanhef en sub b BW voor toewijzing gereed, omdat verdachte [het hof heeft hier bedoeld: [slachtoffer] , A-G] door het gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, ten gevolge waarvan hij na vijf dagen in het ziekenhuis is komen te overlijden. Het hof acht toewijzing van de gevorderde € 24.750,00 billijk.” De schadevergoedingsvordering van de vriendin van [slachtoffer] – in het bijzonder de vordering tot vergoeding van gederfd levensonderhoud 2.42 Dan zijn we nu aangekomen bij de schadevergoedingsvordering van [benadeelde 7] , de vriendin van [slachtoffer] . Zij heeft in eerste aanleg een bedrag van € 307.652 aan schadevergoeding gevorderd, te vermeerderen met wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Hiervan ziet € 20.000 op de vergoeding van affectieschade en € 287.652 op een vergoeding voor gederfd levensonderhoud. Ik beperk mij hierna tot de vordering tot vergoeding van gederfd levensonderhoud, nu alleen daarover wordt geklaagd in cassatie. 2.43 Aan deze vordering heeft [benadeelde 7] art. 6:108 lid 1, aanhef en onder c, BW ten grondslag gelegd. Die bepaling luidt: Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, is die ander verplicht tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud: (…) c. aan degenen die reeds vóór de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, met de overledene in gezinsverband samenwoonden en in wier levensonderhoud hij geheel of voor een groot deel voorzag, voor zover aannemelijk is dat een en ander zonder het overlijden zou zijn voortgezet en zij redelijkerwijze niet voldoende in hun levensonderhoud kunnen voorzien (…) 2.44 In feitelijke instanties stonden in het partijdebat twee vragen centraal. De eerste vraag was of [benadeelde 7] voldoet aan de vereisten uit art. 6:108 lid 1, aanhef en onder c, BW en (dus) behoort tot de kring van gerechtigden die aanspraak kunnen maken op vergoeding voor gederfd levensonderhoud. Volgens [benadeelde 7] is het vereiste dat de overledene ten minste voor een groot deel in het levensonderhoud voorzag van de partij die schadevergoeding vordert, een dode letter geworden. In plaats daarvan hangt het antwoord op de vraag of sprake is van gederfd levensonderhoud, volgens de geldende leer af van de behoefte van die partij. Verder heeft [benadeelde 7] verklaringen van buren en collega’s overgelegd waaruit volgt dat zij met [slachtoffer] ‘in gezinsverband samenwoonde’ (het andere vereiste uit de wetsbepaling). 2.45 De tweede vraag waarover partijen hebben gedebatteerd, is op welk bedrag (de vergoeding voor) het gederfde levensonderhoud moet worden begroot. [benadeelde 7] heeft een schadeberekening overgelegd die is opgesteld met ‘Het RekenProgramma’. Om de begroting overzichtelijk te houden en om te voorkomen dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert, is bij de berekening uitgegaan van het inkomen van [slachtoffer] en [benadeelde 7] in 2020, dus zonder rekening te houden met salarisstijgingen waardoor de schade hoger zou uitvallen dan de schade die is berekend. De looptijd van de vordering is ex aequo et bono beperkt tot tien jaar vanaf de datum van overlijden. 2.46 Namens verdachte is op beide punten verweer gevoerd. Zo is betwist dat [slachtoffer] en [benadeelde 7] met elkaar samenwoonden. De overgelegde getuigenverklaringen zijn te kort om daaruit te kunnen afleiden dat er sprake was van samenwonen. Er zijn ook contra-indicaties voor het samenwonen, zoals een aangifte inkomstenbelasting waarin [benadeelde 7] heeft ingevuld dat zij geen huisgenoot had en de omstandigheid dat zij niet was ingeschreven op het beweerdelijke samenwoonadres. Uit de overgelegde stukken blijkt verder niet dat [slachtoffer] substantieel in het levensonderhoud van [benadeelde 7] voorzag. 2.47 Ook is namens verdachte verweer gevoerd tegen de invoergegevens (de ‘input’) voor de schadeberekening. Zo is bezwaar gemaakt tegen het rekenen met een gelijkblijvend inkomen over een lange periode, omdat bij een hoger inkomen de behoefte van nabestaanden minder wordt. Uit de berekening komt ook niet naar voren of uitkeringen, bijvoorbeeld uit hoofde van een levensverzekering, hebben plaatsgevonden. 2.48 Ook heeft verdachte betoogd dat de beoordeling van de vordering tot vergoeding van gederfd levensonderhoud uiterst complex is en daarom een onevenredige belasting voor het strafproces oplevert. 2.49 Ter zitting in eerste aanleg heeft [benadeelde 7] uitvoerig gereageerd op de door verdachte en zijn medeverdachten gevoerde, inhoudelijke verweren tegen de vordering. Ook heeft zij bestreden dat de beoordeling van de vordering te ingewikkeld is voor een strafproces, gelet op de eenvoud van de toegepaste rekenmethode en de gemaakte keuze om bij de berekening ‘grote stappen’ te zetten (en genoegen te nemen met een lagere vergoeding) om verwijzing naar de civiele rechter te voorkomen. 2.50 Op zijn beurt heeft verdachte zijn verweer ter zitting aangevuld, bijvoorbeeld met het verweer dat twee overboekingen onvoldoende zijn om aannemelijk te maken dat [slachtoffer] voorzag in het levensonderhoud van [benadeelde 7] . 2.51 De rechtbank heeft [benadeelde 7] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot vergoeding van gederfd levensonderhoud. De rechtbank was van oordeel dat nadere bewijslevering nodig was voor de stelling dat [benadeelde 7] samenwoonde met [slachtoffer] , maar dat dit een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. 2.52 In hoger beroep heeft [benadeelde 7] haar stelling over het samenwonen met [slachtoffer] nader onderbouwd. Zo heeft zij zich beroepen op de mondelinge verklaringen die de ouders van [slachtoffer] in eerste aanleg hebben afgelegd, heeft zij verklaringen van vrienden in het geding gebracht en facturen van Hello Fresh overgelegd. De verdachte heeft erin gepersisteerd dat niet is gebleken dat [slachtoffer] voorzag in het levensonderhoud van [benadeelde 7] , bijvoorbeeld omdat niet is gebleken van een gezamenlijke rekening. 2.53 Ter zitting bij het hof van 8 december 2023 heeft [benadeelde 7] haar vordering tot vergoeding van gederfd levensonderhoud verminderd tot een bedrag van € 198.057. Naar aanleiding van verweren van diverse verdachten heeft [benadeelde 7] besloten de kosten van huishoudelijke hulp en de vergoeding voor het verlies van zelfwerkzaamheid buiten haar vordering te laten. Nu het daarom toch nodig was om een nieuwe berekening op te stellen, is bij die nieuwe berekening tegemoetgekomen aan de bezwaren die van de zijde van verdachten waren geuit tegen de gehanteerde rekenrente (inflatie en rendement) en de box 3-schade. De berekening is op dit punt aangepast aan de aanbevelingen hierover in de rechtspraak. Voor het overige is de reactie op de door verdachte(
- n)gevoerde verweren een herhaling van zetten. Omgekeerd ligt ook de reactie van verdachte in het verlengde van de eerder door hem gevoerde verweren. 2.54 Dan kom ik nu toe aan hoe het hof over de vordering tot vergoeding van gederfd levensonderhoud heeft geoordeeld. Volgens het hof behoort [benadeelde 7] tot de kring van personen als bedoeld in art. 6:108 lid 1, aanhef en onder c, BW, gelet op de feitelijke situatie die zich voordeed: “Het hof neemt bij het beantwoorden van deze vraag de feitelijke situatie als uitgangspunt en overweegt als volgt. Ter onderbouwing van de vordering heeft de benadeelde partij verschillende verklaringen overgelegd van haar ouders, haar vrienden, collega’s en werkgever, vrienden van [slachtoffer] en buurtbewoners van [slachtoffer] . Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van deze verklaringen enige behoedzaamheid geboden is, vanwege het partijbelang dat deze personen zouden kunnen hebben. Het hof is van oordeel dat uit deze verklaringen duidelijk naar voren komt dat de benadeelde partij in 2017 een relatie met [slachtoffer] kreeg en in 2019 feitelijk gezien bij hem was ingetrokken. In het licht van de verschillende verklaringen, die niet enkel van de familie en naasten van de benadeelde partij afkomstig zijn maar ook van bijvoorbeeld buurtbewoners, tezamen met de inhoud van de verklaringen, die een eenduidig beeld geven van de situatie en op essentiële onderdelen overeenkomen, is het hof van oordeel dat de overgelegde verklaringen geloofwaardig zijn en de feitelijke situatie juist weergeven. De verklaringen worden daarnaast ondersteund door Hello Fresh-facturen van verschillende data, waaruit blijkt dat de benadeelde partij maaltijden bestelde voor twee personen en liet bezorgen aan het adres in [plaats 2] . Het hof acht op basis van het voorgaande aannemelijk dat de benadeelde partij in gezinsverband samenwoonde met [slachtoffer] .” 2.55 Dat [benadeelde 7] niet op het adres van [slachtoffer] stond ingeschreven en ook niet getrouwd met hem was of geregistreerd partner van hem was (en dus ook geen fiscale partner van hem was), doet er volgens het hof niet aan af dat zij feitelijk in gezinsverband samenwoonde met [slachtoffer] : “Dat de benadeelde partij niet ingeschreven stond op het adres van [slachtoffer] , doet hieraan niet af, nu dit geen vereiste is voor het aantonen van het in gezinsverband samenwonen. Het gegeven dat de benadeelde partij in haar belastingaangifte niet heeft aangegeven dat zij fiscaal partner van [slachtoffer] was, maakt het voorgaande ook niet anders. De benadeelde partij was namelijk geen fiscaal partner van [slachtoffer] , omdat zij niet aan de voorwaarden hiervoor voldeed. Om aangemerkt te worden als fiscaal partner worden twee situaties onderscheiden. 1. De partners zijn getrouwd of hebben een geregistreerd partnerschap; 2. De partner zijn niet getrouwd en hebben geen geregistreerd partnerschap, maar staan wel ingeschreven op hetzelfde adres. Bovendien moet in dat geval nog voldaan worden aan een extra voorwaarde. De benadeelde partij was niet gehuwd met [slachtoffer] en had geen geregistreerd partnerschap met hem gesloten. Ook stond ze niet ingeschreven op hetzelfde adres als [slachtoffer] . Hierdoor kon de benadeelde partij geen fiscaal partner van [slachtoffer] zijn. Het hof stelt aldus vast dat de benadeelde partij feitelijk in gezinsverband samenwoonde met [slachtoffer] .” 2.56 [slachtoffer] voorzag naar het oordeel van het hof in het levensonderhoud van [benadeelde 7] : “Nu [slachtoffer] de hypotheekkosten betaalde voor de woning waarin de benadeelde partij verbleef en uit de overgelegde stukken voorts blijkt dat hij meer verdiende dan de benadeelde partij, stelt het hof voorts vast dat [slachtoffer] voor een deel in het levensonderhoud van de benadeelde partij voorzag.” 2.57 Het hof heeft het betoog van verdachte dat [benadeelde 7] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering tot vergoeding van gederfd levensonderhoud, verworpen. Voor een niet-ontvankelijkverklaring zijn de ‘enkele kanttekeningen en bedenkingen’ die door de verdachte(
- n)zijn opgeworpen, ontoereikend. Bij gebreke van een voldoende gemotiveerde betwisting door de verdachte(
- n)heeft het hof de vordering van € 198.057 volledig toegewezen: “De verdediging heeft bepleit dat de benadeelde partij voor deze post niet-ontvankelijk wordt verklaard, waarbij een aantal van de gehanteerde uitgangspunten wordt betwist. De verdediging vindt dat gelet op deze aandachtspunten de overlijdensschade alleen is vast te stellen met een nadere onderbouwing of bewijslevering. Verdere behandeling levert een onevenredige belasting op van het strafproces. Dat de verdediging enkele kanttekeningen en bedenkingen heeft opgeworpen, maakt op zichzelf genomen niet dat daarom de vordering te ingewikkeld is en de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Dat zou het te makkelijk maken om op niet-ontvankelijkheid aan te sturen. Het hof stelt vast dat – gezien de onderbouwde en verifieerbare uitgangspunten van het rapport gemaakt met de rekentool van De Bureaus - Analyse & Rekenen – aan een deel van de kanttekeningen die de verdediging heeft opgeworpen is tegemoetgekomen door de benadeelde partij. Zo is vanaf 2023 gerekend met een rendementspercentage van 0,5% en is de fiscale component € 0,00 geworden. De verdediging heeft de vordering voor het overige inhoudelijk niet, althans niet voldoende gemotiveerd, betwist. Het rekenen met een termijn van tien jaren komt het hof, mede gelet op de levensfase van zowel de benadeelde partij als [slachtoffer] , niet onjuist en niet onredelijk voor. De argumenten van de verdediging die hiertegen zijn ingebracht, zijn niet dermate zwaarwegend dat het hof tot een andersluidend oordeel zou moeten komen. Aldus komt het hof tot de conclusie dat bij de benadeelde partij sprake is van gederfd levensonderhoud voor het bedrag van € 198.057,00. Het hof wijst de vordering dan ook toe.” 2.58 Het hof heeft ook de vordering van € 20.000 tot vergoeding van affectieschade toegewezen. Dit betekent dat het hof verdachte heeft veroordeeld tot betaling van € 218.057 aan [benadeelde 7] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2021 tot aan de dag der voldoening, onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 2.59 Het cassatieberoep van verdachte richt zich tegen de oordelen van het hof over de vestiging van aansprakelijkheid ex art. 6:166 jo. art. 6:162 BW (middel I), de vordering van de ouders van [slachtoffer] tot vergoeding van de door hun zoon geleden immateriële schade (middel II) en de vordering van de vriendin van [slachtoffer] tot vergoeding van gederfd levensonderhoud (middel III). 2.60 Paragraaf 3 bevat hierna eerst inleidende opmerkingen over de behandeling en beoordeling van de vordering van benadeelde partijen in het strafproces. In paragraaf 4 ga ik nader in op de smartengeldvordering van een comateus slachtoffer dat, zonder te ontwaken, is overleden. Hierbij komt ook aan bod onder welke voorwaarde(
- n)een smartengeldvordering vererft. In paragraaf 5 behandel ik de klachten van het cassatieberoep. 3. Inleidende opmerkingen over de vordering van de benadeelde partij in het strafproces 3.1 In deze paragraaf staan de behandeling en beoordeling van de vordering van benadeelde partijen in het strafproces centraal. Ik beperk mij bij deze bespreking zoveel mogelijk tot de aspecten van dit onderwerp die relevant zijn voor de onderhavige zaak. Daarom komt in deze paragraaf bijvoorbeeld niet aan bod wat ‘rechtstreekse schade’ in de zin van art. 51f lid 1 Sv en art. 361 lid 2, aanhef en onder b, Sv is en evenmin hoe een strafrechter moet beoordelen of causaal verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade waarvoor de benadeelde vergoeding vordert. 3.2 Na een algemene inleiding over schadevergoedingsvorderingen van benadeelde partijen in het strafproces (in randnummers 3.3-3.16) volgt een beschrijving van het materieelrechtelijke beoordelingskader voor zulke vorderingen (in randnummers 3.20-3.31) en daarna voor vorderingen tot vergoeding van gederfd levensonderhoud in het bijzonder (randnummers 3.32-3.40). De behandeling van vorderingen van benadeelde partijen in het strafproces – een inleiding 3.3 De voeging van benadeelde partijen in het strafproces heeft in de laatste jaren een hoge vlucht heeft genomen, omdat de strafprocedure voor de benadeelde partij vaak het enige reële perspectief op schadevergoeding is, althans wanneer het gaat om hoge bedragen. De verdachte kan een hoge schadevergoeding veelal niet zelf betalen (‘van een kikker kun je geen veren plukken’). Evenmin is de aanspraak gedekt onder diens aansprakelijkheidsverzekering vanwege de opzetuitsluiting. 3.4 De schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f Sr kan dan uitkomst bieden voor het slachtoffer. Art. 36f Sr bepaalt – kort gezegd – dat de strafrechter aan de verdachte de verplichting kan opleggen tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ten behoeve van het slachtoffer of de personen genoemd in art. 51f lid 2 Sv, indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. De rechter kan de schadevergoedingsmaatregel ook ambtshalve opleggen, dus los van een daarop gerichte vordering van de benadeelde partij. 3.5 Hiervoor in randnummer 2.23 kwam al kort aan de orde dat de schadevergoedingsmaatregel beoogt de positie van de benadeelde partij te versterken, doordat de Staat verantwoordelijk is voor de inning van de vordering en bovendien gijzeling als drukmiddel kan worden gebruikt om de betaling te verzekeren. Andere voordelen van deze maatregel voor het slachtoffer zijn dat de Staat de tenuitvoerlegging van de maatregel kan controleren en dat een directe confrontatie tussen slachtoffer en de veroordeelde wordt voorkomen, aangezien de veroordeelde het verschuldigde bedrag aan de Staat moet betalen. 3.6 Daarnaast is een belangrijk voordeel voor het slachtoffer gelegen in de zogeheten ‘voorschotregeling’ die met de schadevergoedingsmaatregel verband houdt. De voorschotregeling is (thans) neergelegd in art. 6:4:2 lid 7 Sv en luidt: (…) Indien de veroordeelde voor een strafbaar feit niet of niet volledig binnen acht maanden na de dag waarop het vonnis of arrest, waarbij deze maatregel is opgelegd, onherroepelijk is geworden, aan zijn verplichting heeft voldaan, keert de staat het resterende bedrag uit aan het slachtoffer of de personen genoemd in artikel 51f, tweede lid, die geen rechtspersoon zijn. De staat verhaalt het uitgekeerde bedrag, alsmede de krachtens het eerste lid ingetreden verhogingen, op de veroordeelde. 3.7 Door deze voorschotregeling neemt de Staat in feite het verhaalsrisico over van het slachtoffer (of diens nabestaanden). Zodra de Staat het door de veroordeelde nog verschuldigde schadevergoedingsbedrag heeft uitgekeerd aan de benadeelde partij, is het daarna aan de Staat om te proberen dat bedrag op de veroordeelde te verhalen. Lukt dat niet, dan komt het ‘verlies’ ten laste van de Staat. De voorschotregeling is ingegeven door de gedachte dat met de schadevergoedingsmaatregel is beoogd de strafrechtelijke positie van het slachtoffer te versterken. Daarmee staat op gespannen voet dat betaling door de veroordeelde in de praktijk vaak lang op zich laat wachten, al is het maar omdat aan die veroordeelde soms ook een vrijheidsontnemende sanctie is opgelegd. De voorschotregeling komt aan dit probleem tegemoet. Volgens art. 4:14 lid 2 Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: ‘Besluit USB’) geldt ten aanzien van het uit te keren bedrag een maximum van € 5.000; dit maximum geldt echter niet wanneer een bedrag wordt uitgekeerd na een veroordeling voor – kort gezegd – gewelds- en zedenmisdrijven. Zoals ook wel te verwachten valt, is juist bij hoge schadevergoedingsbedragen het niet-geïnde bedrag groot (en draait dus de Staat voor de schadevergoeding op). 3.8 Er worden niet alleen méér schadevergoedingsvorderingen aan de strafrechter voorgelegd, maar de vorderingen worden ook steeds hoger en complexer. De hoogste smartengeldbedragen worden inmiddels toegewezen door de strafrechter. De strafrechter wordt soms gevraagd te oordelen over substantiële en complexe schadevergoedingsvorderingen in verband met letsel, zoals vorderingen tot vergoeding van schade wegens verlies van verdienvermogen en gederfd levensonderhoud. 3.9 Tegenover de hiervoor genoemde voordelen van de mogelijkheid voor benadeelde partijen om zich te voegen in het strafproces staan nadelen voor de verdachte. Hij moet niet alleen verweer voeren tegen het Openbaar Ministerie, maar ook tegen de benadeelde partij. Voor die benadeelde partij draait de strafzaak alleen om haar schadevergoedingsvordering, terwijl die vordering voor de verdachte veelal bijzaak is ten opzichte van de strafoplegging die hem boven het hoofd hangt. Straf- en civielrechtelijke verdediging laten zich bovendien niet steeds goed met elkaar combineren, wat met name geldt in zaken waarin de verdachte zich op zijn zwijgrecht beroept. 3.10 De begroting van sommige schadeposten (met name schadeposten waarvan de omvang ‘concreet’ wordt begroot) is in hoge mate afhankelijk van informatie die zich in het domein van de benadeelde partij bevindt. Dit maakt het moeilijk voor de verdachte om goed verweer te voeren tegen de aangevoerde feiten en omstandigheden en tegen keuzes die bij de selectie daarvan zijn gemaakt. De beperkingen van het strafproces brengen mee dat de strafrechter bij de afronding van het onderzoek op de terechtzitting naar het tenlastegelegde strafbare feit veelal geen ruimte heeft om de einduitspraak op te schorten. Hij kan partijen dan niet de gelegenheid geven hun stellingen nader te onderbouwen of een onafhankelijk deskundigenonderzoek te gelasten, omdat daarmee het strafproces onevenredig zou worden belast. 3.11 Waar de benadeelde zich veelal kan voorzien van gefinancierde rechtsbijstand die mede is gespecialiseerd in de begroting en behandeling van schadevergoedingsvorderingen, heeft de verdachte die mogelijkheid veelal niet. Verweren die in civiele procedures over substantiële schadevergoedingsvorderingen standaard worden gevoerd (zoals causaliteitsverweren) worden in strafprocedures minder vaak gevoerd. Dit geldt met name in gevallen waarin de verdachte wordt bijgestaan door een strafrechtadvocaat die over te weinig kennis beschikt (en zich ook niet laat voorzien van voldoende kennis) over het civiele schadevergoedingsrecht. 3.12 Als ander nadeel van de huidige regeling kan worden genoemd het gevaar van willekeur. Uit het voorgaande blijkt dat er voor het slachtoffer veel van afhangt of de strafrechter oordeelt dat diens vordering kan worden behandeld in het strafproces, of juist dat de behandeling van die vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. In dat laatste geval kan het slachtoffer weliswaar zijn vordering voorleggen aan de civiele rechter, maar ondervindt het niet de voordelen van de schadevergoedingsmaatregel en de daarmee samenhangende voorschotregeling. Dit geldt ook wanneer het Openbaar Ministerie besluit de verdachte niet te vervolgen (of wanneer de dader onbekend blijft) en de strafrechter niet over de zaak oordeelt. De vraag is hoe rechtvaardig dit verschil in behandeling van slachtoffers van strafbare feiten is. Deze vraag heeft extra gewicht, vanwege de hiervoor genoemde rol van de Staat als (verhaals)risicodrager: wanneer vergelijkbare personenschadeslachtoffers verschillend worden behandeld, dreigt het gevaar van ‘selectieve staatssteun’. 3.13 Op wetgevingsniveau is in de afgelopen jaren aandacht geweest voor de vraag hoe kan worden gekomen tot een ‘afgewogen, consistent en betaalbaar stelsel voor vergoeding van en tegemoetkoming in schade van slachtoffers van strafbare feiten’. In juli 2020 heeft toenmalig minister voor Rechtsbescherming Weerwind een adviescollege ingesteld met de taak om over deze vraag advies uit te brengen. In maart 2021 is van dit adviescollege, de commissie-Donner, het rapport ‘Op verhaal komen’ verschenen. 3.14 Volgens de commissie-Donner moet het bestaande stelsel voor de compensatie van slachtoffers van een strafbaar feit op de schop, omdat dit stelsel “tegenspraken en inconsistenties in zich [bergt] die een evenwichtige verdere ontwikkeling in de weg staan en tot snel oplopende kosten zouden kunnen leiden”. Over de vordering van de benadeelde partij in het strafproces heeft de commissie-Donner geschreven dat de combinatie van een strafrechtelijk onderzoek en behandeling van een civiele vordering weliswaar tot veel frictie en kritiek leidt, maar toch gerechtvaardigd is. Wel heeft de commissie voorstellen gedaan voor een betere behandeling van die vordering. Zo heeft de commissie geadviseerd om
(1)een procesreglement op te stellen om equality of arms tussen slachtoffer en verdachte te waarborgen,
(2)meer standaardisering toe te passen bij de beoordeling van schadevergoedingsvorderingen en
(3)de beoordeling van complexe vorderingen door te verwijzen naar een aparte schadevergoedingskamer die in het kader van de schadevergoedingsmaatregel de hoogte van de schadevergoeding vaststelt. Ook wordt geadviseerd om de voorschotregeling aan te passen, in die zin dat bij alle schadevergoedingsmaatregelen een gegarandeerd voorschot wordt verstrekt tot het bedrag dat het CJIB verwacht daadwerkelijk te innen bij de verdachte: “De combinatie van strafrechtelijk onderzoek en behandeling van de civiele vordering leidt tot veel frictie en kritiek. Dat laat onverlet dat de keuze voor combinatie van beide nog steeds gerechtvaardigd is om redenen van adequate rechtspleging, erkenning van het slachtoffer en overwegingen van proceseconomie. Met de schadevergoedingsmaatregel heeft de wetgever de schadeaanspraak van het slachtoffer tot element gemaakt van de publiekrechtelijke reactie op een strafbaar feit. Tegelijk geldt evenwel dat de beoordeling geschiedt naar privaatrechtelijke maatstaven. Wanneer dit te belastend wordt voor het strafproces, onthoudt de strafrechter zich van een oordeel en moet het slachtoffer zijn vordering bij de burgerlijke rechter indienen. Praktisch betekent dit dat het slachtoffer dan met ‘lege handen’ staat, want ook als de burgerlijke rechter zijn vordering toewijst, moet hij het stellen zonder inning door het CJIB en de garantstelling van de voorschotregeling. De commissie adviseert daarom om een betere behandeling van de schadevergoedingsvordering binnen het strafproces mogelijk te maken. Daartoe zou behandeling van de vordering benadeelde partij nader geregeld moeten worden in een procesreglement, waarbij ook equality of arms tussen slachtoffer en verdachte gewaarborgd wordt. Voorts dient de beoordeling van de schade processueel beter hanteerbaar gemaakt te worden door middel van standaardisering. De beoordeling van (onderdelen van) vorderingen die daarvoor te complex zijn, zou dan doorverwezen moeten kunnen worden naar een aparte ‘schadevergoedingskamer’ welke binnen het kader van de schadevergoedingsmaatregel de hoogte daarvan vaststelt. Het slachtoffer weet op deze wijze vooraf beter wat het wel en niet kan verwachten van voeging in het strafproces en kan op grond daarvan ervoor kiezen de dader in een civiel proces aan te spreken. Wat het verhaal van schade op daders betreft zou de mogelijkheid verruimd moeten worden om daders tegen wie géén vordering benadeelde partij is ingediend een bijdrage in de vergoeding van schade op te leggen, in de vorm van een verplichte betaling aan het Schadefonds of andere instelling ten behoeve van slachtoffers. De voorschotregeling zou daarnaast moeten worden aangepast. De huidige vormgeving van de garantstelling leidt tot niet gerechtvaardigde verschillen in behandeling van slachtoffers. Die kunnen worden weggenomen door de bestaande ongemaximeerde garantstelling voor enkele strafbare feiten om te vormen tot een gegarandeerd voorschot bij alle schadevergoedingsmaatregelen tot het bedrag dat het CJIB verwacht daadwerkelijk te innen. Dat voorschot zou zo snel mogelijk na het onherroepelijk worden van het vonnis moeten worden uitgekeerd in plaats van pas na acht maanden.” 3.15 In een beleidsreactie op het rapport heeft Weerwind laten weten geen reden te zien om de huidige voorschotregeling te beperken, zoals geadviseerd door de commissie Donner: “Een dergelijke ingrijpende maatregel met een grote versobering voor deze groep slachtoffers [slachtoffers van gewelds- en zedendelicten, A-G] tot gevolg vind ik onwenselijk en past niet in mijn streven om de positie van slachtoffers te borgen en te versterken.” Hij zette zelfs in op een verruiming van de voorschotregeling door het aantal gewelds- en zedendelicten dat onder de ongemaximeerde voorschotregeling valt, uit te breiden. 3.16 In de nota naar aanleiding van de verslagen in het kader van de vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering hebben Weerwind en toenmalig minister van Justitie en Veiligheid Yesilgöz-Zegerius te kennen gegeven dat zij willen vasthouden aan het zo veel mogelijk behandelen van vorderingen van benadeelde partijen binnen het strafproces. In dit verband, schreven de ministers aan de Tweede Kamer, wordt onderzoek uitgevoerd naar een systeem van normering van schadevergoedingsbedragen. Ook schreven zij dat de mogelijkheid wordt verkend van een afzonderlijke procedure bij een aparte schadevergoedingskamer, al vereist dit laatste nog nadere verkenning en uitwerking en is er vooralsnog geen financiële dekking beschikbaar voor de verwachte extra kosten die dan vanwege de toepassing van de voorschotregeling zullen worden gemaakt. 3.17 Inmiddels is een deel van het zojuist genoemde onderzoek in opdracht van de (Raad voor
- de)rechtspraak afgerond. Begin april van dit jaar verscheen het rapport Doen wat kan. De centrale vraag in het rapport is hoe ‘normering’ – standaardisering en forfaitering inbegrepen – kan bijdragen aan betere behandeling van schadevergoedingsvorderingen in het strafproces. In het rapport, dat mede zijn aanleiding vindt in de adviezen van de commissie-Donner, wordt een elftal aanbevelingen gedaan, die onder meer betrekking hebben op verheldering van de materieelrechtelijke kaders, de noodzaak tot verbetering van de behandeling van schadevergoedingsvorderingen in het strafproces en de mogelijkheden in dat verband (bijvoorbeeld door het opstellen van een standaardwerkwijze, checklists en best practices), maar die soms juist ook beogen recht te doen aan de realiteit dat in het strafproces nu eenmaal niet alles kan. De aanbevelingen betreffen uiteenlopende thema’s (verheldering van het materiële recht, recht doen aan de beperkingen van de strafprocessuele omgeving, aan banden leggen van de voorschotregeling, inzetten op verbetering van de expertise van diegenen die betrokken zijn bij het indienen en het beoordelen van schadeclaims), zetten in op diverse instrumenten (meer benutten van de niet-ontvankelijkverklaring, toepassing van de voorschotregeling verbinden aan een maximum) en richten zich ook op verschillende actoren (behalve aan het ‘veld’ (letselschadebranche, rechterlijke overlegorganen) worden ook aanbevelingen gedaan aan de politiek en Uw Raad). 3.18 Als het aan de onderzoekers ligt, wordt de strafrechter geholpen door in het civiele recht aan te sturen op het opstellen van (indicatieve) oriëntatiepunten voor de schadevaststelling. Daarbij wordt onder meer gekeken naar De Letselschade Raad en naar rechterlijke overlegorganen. In het verlengde hiervan ligt de aanbeveling om de ‘Rotterdamse Schaal’, waar dezelfde onderzoekers aan werken en die ordening van smartengeldbedragen beoogt, een vaste inbedding te geven in de vorm van een periodiek te herziene rechtersregeling. Ingrijpender zijn de aanbevelingen op het vlak van wat in de voegingsprocedure eigenlijk niet goed kan (‘doen wat kan, laten wat niet kan’). Op dit vlak doen de onderzoekers een aantal stevige aanbevelingen: invoering van een kwantitatieve ontvankelijkheidsgrens over de gehele linie (niet-ontvankelijkheid van alle vorderingen boven € 25.000 euro bijvoorbeeld), gehele of gedeeltelijke uitsluiting van behandeling van (
- te)complexe schadeposten zoals verlies van verdienvermogen en gederfd levensonderhoud en beperking van de voorschotregeling tot maximumbedragen. Omdat juist zwaar getroffen slachtoffers door maatregelen als deze zouden worden getroffen, zou tegelijkertijd moeten worden voorzien in een royalere overheidstegemoetkoming, bijvoorbeeld in het kader van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Het zijn maatregelen die wat mij betreft serieuze overweging verdienen omdat zij kunnen bijdragen aan een evenwichtiger systeem. Tegelijkertijd is het ook duidelijk dat aanbevelingen als deze, die bijvoorbeeld wat betreft het bereik van de voorschotregeling verandering van beleid inhouden, politieke bemoeienis en uitwerking vragen en daarmee Uw Raad, laat staan de onderhavige zaak, dus niet raken. 3.19 Voor de problematiek die in de onderhavige zaak speelt, is wat mij betreft wel relevant dat de onderzoekers sterk benadrukken dat strafrechters niet moeten morrelen aan het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht en dus niet anders moeten optreden dan civiele rechters zouden doen. Dat betekent bijvoorbeeld dat schadeposten niet op een andere wijze moeten worden begroot dan civiele rechters (horen en daarom plegen
- te)doen en evenmin dat eerder tot schatting wordt overgegaan dan civiele rechters (horen en daarom plegen
- te)doen. Hier kan Uw Raad wel wat betekenen. Juist op dit punt plaatsen de onderzoekers bijvoorbeeld een kanttekening bij het, hierna besproken (randnummers 3.20 e.v.) Overzichtsarrest vordering benadeelde partij, omdat Uw Raad daarin in het strafproces meer ruimte lijkt te zien voor schatting van schade dan in een civiel proces bestaat (namelijk ook schatting vanwege de beperkingen van het strafproces). Volgens de onderzoekers is het de vraag of met een ruimere schattingsbevoegdheid in het strafproces nog wel ‘gewoon’ materieel civiel recht wordt toegepast. Bovendien brengt meer ruimte voor schatting een risico op willekeur met zich. Voor zover de strafrechter niet kan doen wat zijn civiele collega onder vergelijkbare omstandigheden zou hebben gedaan, ligt volgens de onderzoekers niet-ontvankelijkverklaring voor de hand. Het Overzichtsarrest vordering benadeelde partij 3.20 Zolang de kritiek op en adviezen over de ‘vormgeving’ van de vorderingen van benadeelde partijen in het strafproces niet zijn omgezet in wetgeving moeten we het doen met de huidige regels. In 2019 heeft Uw Raad in het Overzichtsarrest vordering benadeelde partij – de naam zegt het al – een overzicht gegeven van de regels die gelden voor de beoordeling van die vorderingen. Mede gelet op “het grote belang” dat benadeelde partijen erbij hebben op een eenvoudige wijze schadeloos gesteld te worden voor de schade die zij door een strafbaar feit hebben geleden, heeft Uw Raad met deze bespreking beoogd te voorkomen dat de strafrechter vaker dan nodig gebruikmaakt van de bevoegdheid uit art. 361 lid 3 Sv om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, op de grond dat de behandeling van die vordering naar zijn oordeel een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In dat laatste geval zou de benadeelde partij haar vordering moeten aanbrengen bij de civiele rechter en dus een nieuwe procedure moeten starten, terwijl in een civiele procedure geen schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd en de voorschotregeling niet geldt. Omwille van de leesbaarheid heb ik ervoor gekozen de inhoud van de relevante overwegingen uit het Overzichtsarrest benadeelde partij niet in citaatvorm, maar in de lopende tekst weer te geven. Op een enkel punt heb ik informatie ontleend aan andere rechtsbronnen dan het overzichtsarrest, maar dit blijkt dan uit de bronvermelding. 3.21 Art. 51f lid 1 Sv bepaalt dat degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces kan voegen. Als deze persoon is overleden ten gevolge van het strafbare feit, kunnen diens erfgenamen zich voegen ter zake van de vordering die zij onder algemene titel hebben verkregen net als de personen, bedoeld in art. 6:108 lid 1 tot en met 4 BW ter zake van de daarin genoemde vorderingen (art. 51f lid 2 Sv). 3.22 Met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering door benadeelde partijen heeft de wetgever beoogd binnen het strafproces te voorzien in een eenvoudige en laagdrempelige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld. Indien de rechter echter van oordeel is dat behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan hij (op verzoek van de verdachte, de officier van justitie of ambtshalve) bepalen dat de vordering in het geheel of ten dele niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering (of het niet-ontvankelijke deel daarvan) slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen, zo is bepaald in art. 361 lid 3 Sv. 3.23 De eenvoudige en laagdrempelige procedure waarin binnen het strafproces is voorzien, biedt aan de benadeelde partij en de verdachte niet dezelfde processuele waarborgen als een gewone civielrechtelijke procedure, onder meer omdat art. 334 lid 1 Sv eraan in de weg staat dat de benadeelde partij getuigen of deskundigen aanbrengt om de schade te bewijzen die zij als gevolg van het strafbare feit heeft geleden. De ruimte voor bewijslevering in een strafrechtelijke procedure is dus beperkt ten opzichte van de ruimte die daarvoor bestaat in een civielrechtelijke procedure. 3.24 Dit bezwaar wordt volgens Uw Raad echter in afdoende mate ondervangen door het hiervoor genoemde art. 361 lid 3 Sv. Die bepaling moet in het licht van het recht op een eerlijk proces uit art. 6 lid 1 EVRM zo worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen (de benadeelde partij en de verdachte) in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen wat zij ter staving van de vordering of het verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren. 3.25 Op de vordering van de benadeelde partij is het materiële burgerlijk recht van toepassing. Verder gelden voor de toewijsbaarheid van zulke vorderingen de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Dit betekent dat de benadeelde partij overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv de feiten en omstandigheden moet stellen en, in geval van een voldoende gemotiveerde betwisting daarvan, moet bewijzen die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. 3.26 Wanneer de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist, zal de strafrechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden, in voldoende mate zijn komen vast te staan. Wanneer de vordering niet (gemotiveerd) is betwist, zal hij uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (art. 149 Rv) en zal hij de vordering in de regel toewijzen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het hiervoor in randnummer 3.24 genoemde geval voordoet dat de rechter vanwege de beperkingen in het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om hun stellingen en onderbouwingen over de toewijsbaarheid van de vordering genoegzaam naar voren te brengen. In het laatstgenoemde geval ligt het in de rede dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering en dat de benadeelde diens vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. 3.27 Het staat de strafrechter vrij om in zijn oordeel over een vordering van een benadeelde partij gedeeltelijk een inhoudelijke beslissing te nemen in de vorm van een toe- of afwijzing, en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. Zo’n splitsing van de vordering maakt het de strafrechter mogelijk te beslissen over dat deel van de vordering waarvan de behandeling niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, terwijl de benadeelde partij het resterende deel van haar vordering aan de burgerlijke rechter kan voorleggen. Het voorgaande betekent echter niet dat de strafrechter op grond van zijn voorlopig oordeel een gevorderd (schadevergoedings)bedrag geheel of gedeeltelijk kan toewijzen bij wege van voorschot, in afwachting van een definitief oordeel van de civiele rechter. 3.28 De strafrechter dient tegelijk met de einduitspraak in de strafzaak ook op de vordering van de benadeelde partij te beslissen (art. 335 Sv), tenzij hij de benadeelde partij op grond van evidente omstandigheden kennelijk niet-ontvankelijk acht en hij haar zonder nadere behandeling van de vordering niet-ontvankelijk verklaart (art. 333 Sv). Aan een onherroepelijk geworden uitspraak van de strafrechter komt gezag van gewijsde toe op de voet van art. 236 lid 1 Rv, voor zover daarin de vordering van de benadeelde partij (gedeeltelijk) is toe- of afgewezen. 3.29 Art. 361 lid 4 Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen. 3.30 De (straf)rechter begroot de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is (art. 6:97 BW). Als de omvang van de schade zonder nader onderzoek dat een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, kan die omvang in veel gevallen worden geschat. De rechter dient in zijn motivering van de schatting zoveel mogelijk aan te sluiten bij de vaststaande feiten. Ook ten aanzien van schattingen geldt het grondbeginsel van een behoorlijke rechtspleging dat elke rechterlijke beslissing ten minste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtengang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden controleerbaar en aanvaardbaar te maken. 3.31 Indien voor dezelfde schade zowel de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen als de schadevergoedingsmaatregel in de zin van art. 36f Sr (zie hiervoor in randnummers 3.4en 3.5) wordt opgelegd, dient de rechter in de uitspraak te vermelden dat de verdachte is gekweten van zijn plicht tot schadeloosstelling van het slachtoffer indien en voor zover hij heeft voldaan aan één van de hem opgelegde wijzen van vergoeding van de door het slachtoffer geleden schade. Vordering tot vergoeding van gederfd levensonderhoud 3.32 Omdat het cassatieberoep in de onderhavige zaak zich onder meer richt tegen het oordeel van het hof over de vordering van de vriendin van [slachtoffer] tot vergoeding van gederfd levensonderhoud (zie hiervoor in randnummer 2.59), verdienen twee arresten van Uw Raad van 23 april 2024 (hierna: ‘de 23 april-arresten’) een afzonderlijke bespreking. In deze arresten heeft Uw Raad de relevante overwegingen uit het Overzichtsarrest benadeelde partij herhaald en nader uitgewerkt wat deze overwegingen betekenen voor de beoordeling van een vordering tot vergoeding van gederfd levensonderhoud in het strafproces. 3.33 Hiervoor in randnummer 3.24 bleek al dat de strafrechter zich ervan moet vergewissen dat beide partijen (de benadeelde partij en de verdachte) in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij genoegzaam naar voren te brengen. In de 23 april-arresten heeft Uw Raad hieraan toegevoegd dat deze verplichting doorgaans geen zelfstandige aandacht vraagt (in de motivering) van de strafrechter, gelet op de eigen verantwoordelijkheid van partijen om hun stellingen naar voren te brengen en te onderbouwen. Maar dit kan onder omstandigheden anders zijn, bijvoorbeeld als het gaat om een substantiële vordering van complexe aard waarvan de omvang zich niet eenvoudig laat vaststellen. 3.34 Uit het vervolg van deze arresten laat zich afleiden dat vorderingen tot vergoeding van gederfd levensonderhoud tot deze categorie behoren. Verschillende omstandigheden dragen eraan bij dat het voor de verdachte moeilijk kan zijn om verweer te voeren tegen dergelijke vorderingen: de schadebegroting wordt gekenmerkt door grote onzekerheden over de feiten en omstandigheden waarvan moet worden uitgegaan, de ‘input’ voor de begroting is in hoge mate afhankelijk van informatie die zich doorgaans geheel in het domein van de benadeelde partij bevindt, de ruimte voor nader onderzoek naar de schadeomvang is vanwege de beperkingen van het strafproces veelal gering en de verdachte kan zich – in tegenstelling tot de benadeelde partij – niet voorzien van gefinancierde en in schadebegroting gespecialiseerde rechtsbijstand, aldus Uw Raad: “3.3.3 Waar het gaat om een vordering van een nabestaande tot vergoeding van gederfd levensonderhoud als bedoeld in artikel 6:108 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek geldt dat de hoogte daarvan zal moeten worden begroot aan de hand van een aantal onzekere factoren, waaronder de verwachtingen omtrent de inkomsten die het slachtoffer en de nabestaande(
- n)in de toekomst zouden hebben genoten als het strafbare feit niet had plaatsgevonden en de verwachtingen omtrent de toekomstige inkomsten van de nabestaande in de door dit feit veroorzaakte situatie. Deze verwachtingen zijn doorgaans in hoge mate afhankelijk van inkomensgegevens en andere informatie, waaronder op dat moment bestaande vooruitzichten, betreffende het slachtoffer en de nabestaande in de periode voorafgaand aan het strafbare feit. Dit brengt mee dat de beantwoording van de vraag of en tot welk bedrag de benadeelde partij schade heeft geleden door gederfd levensonderhoud, in hoge mate afhankelijk is van een veelheid van – deels onzekere – feiten en omstandigheden waarvan het stellen en onderbouwen op de weg ligt van de benadeelde partij. Omdat het hierbij gaat om informatie die zich doorgaans geheel in het domein van de benadeelde partij bevindt, kan het voor de verdediging moeilijk zijn haar betwisting van deze feiten en omstandigheden en de bij de selectie daarvan gemaakte keuzes, te voorzien van een nadere inhoudelijke onderbouwing. Verder geldt ook in zaken over een vordering tot vergoeding van schade door gederfd levensonderhoud dat de (…) beperkingen van het strafproces doorgaans meebrengen dat de strafrechter – op het moment dat het onderzoek op de terechtzitting naar het tenlastegelegde strafbare feit is afgerond – geen ruimte ziet om zijn einduitspraak op te schorten, bijvoorbeeld om partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen over de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij nader te onderbouwen of daarover nader onderzoek door een onpartijdige deskundige te laten plaatsvinden, zonder daarmee het strafproces onevenredig te belasten. Ten slotte is in dit verband van belang dat de benadeelde partij zich bij het geldend maken van haar vordering tot vergoeding van gederfd levensonderhoud kan voorzien van (gefinancierde) rechtsbijstand die (mede) gespecialiseerd is in de begroting en behandeling van die aanspraak. Deze gespecialiseerde bijstand en een gelijkwaardige mogelijkheid tot financiering daarvan ontbreekt in veel gevallen aan de zijde van de verdediging.” 3.35 Gelet op deze moeilijke positie voor de verdachte bij het voeren van verweer tegen een schadevergoedingsvordering wegens gederfd levensonderhoud vraagt de hiervoor in randnummers 3.24 en 3.33 genoemde verplichting voor de strafrechter om zich ervan te vergewissen dat beide partijen – in mijn vrije vertaling – in toereikende mate hun stellingen en verweren naar voren hebben kunnen brengen, wél (zelfstandige) aandacht van de strafrechter: “3.3.4 Tegen deze achtergrond vraagt de (…) [hiervoor in randnummers 3.24 en 3.33 genoemde, A-G] verplichting van de strafrechter aandacht waar het gaat om schadevergoedingsvorderingen van nabestaanden voor gederfd levensonderhoud, mede omdat het in die gevallen kan gaan om zeer hoge vorderingen waarvan de toewijzing en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ingrijpende consequenties voor de verdachte kunnen hebben. In die gevallen mag van de strafrechter worden verwacht dat hij er blijk van geeft, rekening houdend met de onder 3.3.3 genoemde bijzonderheden van het partijdebat over zo’n vordering, te hebben beoordeeld of beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de (betwisting van
- de)toewijsbaarheid van die vordering genoegzaam naar voren te brengen, en, als dit aan de zijde van de verdachte niet zo is, of het eigen onderzoek van de rechter naar de toewijsbaarheid van de vordering daarvoor voldoende compensatie biedt.” 3.36 Uit de laatste volzin van deze rechtsoverweging (in het bijzonder de frase “mag van de strafrechter worden verwacht dat hij er blijk van geeft”) kan worden afgeleid dat de hiervoor bedoelde verplichting van de strafrechter meebrengt dat hogere eisen worden gesteld aan de motivering van zijn oordeel. Illustratief in dit verband is hoe Uw Raad in de 23 april-arresten heeft geoordeeld over de motivering die het hof in de betreffende zaak had gegeven voor zijn oordeel dat de vordering tot vergoeding van gederfd levensonderhoud volledig toewijsbaar is. In beide zaken achtte Uw Raad de motivering ontoereikend. Vanwege hun sterk vergelijkbare inhoud volsta ik met het citeren van één van de relevante rechtsoverwegingen: “3.4 In deze zaak heeft het hof de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van gederfd levensonderhoud integraal toegewezen en daarbij – kort gezegd – overwogen dat de benadeelde partij haar vordering heeft onderbouwd met een berekening van een fiscalist aan de hand van een geaccepteerde rekenmethode en gebruikelijke standaardbedragen, en dat de verdediging geen initiatief heeft genomen voor het laten verrichten van een tegenonderzoek. Verder heeft het hof overwogen dat de verdediging ter betwisting van de vordering slechts in het algemeen heeft gesteld dat het een omvangrijke post betreft, dat de berekening eenzijdig is opgesteld en dat er een vraagteken kan worden gezet bij het berekende jaarlijkse inkomen, nu het de laatste jaren slechter ging met het bedrijf. Mede gelet op wat hiervoor onder 3.3.4 is overwogen, en in aanmerking genomen dat de aanvaardbaarheid van een rekenmethode nog niet meebrengt dat ook de uitkomsten daarvan aanvaardbaar zijn als niet is vastgesteld dat de eenzijdig aan de berekening ten grondslag gelegde gegevens aanvaardbaar zijn, heeft het hof daarmee zijn oordeel dat de volledige vordering tot vergoeding van schade door gederfd levensonderhoud toewijsbaar is, ontoereikend gemotiveerd.” 3.37 Verder heeft Uw Raad het oordeel uit het Overzichtsarrest benadeelde partij herhaald dat de strafrechter de mogelijkheid heeft de vordering te splitsen, en dus een gedeelte van die vordering inhoudelijk te beoordelen en voor het resterende gedeelte de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. Die mogelijkheid bestaat ook in de gevallen waarin de strafrechter tot de conclusie komt dat de benadeelde partij aanspraak heeft op vergoeding van gederfd levensonderhoud, maar dat die schade vooralsnog slechts toewijsbaar is tot een lager bedrag dan waarvan vergoeding is gevorderd. 3.38 In de literatuur zijn inmiddels de eerste reacties op de 23 april-arresten verschenen. Volgens Smeehuijzen is het “niet verrassend” dat Uw Raad bij substantiële vorderingen van complexe aard bijzondere aandacht van de strafrechter vraagt voor de mogelijkheid van partijen hun stellingen voldoende naar voren te brengen: “Dit type vorderingen nadert, kan men zeggen, per definitie de grenzen van wat de strafprocedure aan civielrechtelijk debat kan faciliteren”. Volgens hem zal toekomstige rechtspraak een concreter beeld doen ontstaan van de eisen die worden gesteld aan de motiveringsplicht ten aanzien van de verplichting van de strafrechter om zich ervan te vergewissen dat beide partijen (benadeelde partij en verdachte) in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen naar voren te brengen. Van de Klashorst meent dat er met de 23 april-arresten meer oog lijkt te komen voor de positie van de verdachte en dat die positie “iets meer gelijk gesteld” wordt aan die van de aansprakelijke partij in een civiele procedure. Ook Meijer juicht toe dat de 23 april-arresten de aanzet vormen voor een gelijkwaardigere behandeling van de verdachte en de benadeelde partij. 3.39 Ook ik meen dat het signaal van de 23 april-arresten is dat de strafrechter meer oog moet hebben voor de positie van de verdachte bij de vordering van de benadeelde partij. De strafrechter moet kritischer zijn op de vordering van de benadeelde partij en de mogelijkheden van de verdachte om daartegen adequaat verweer te voeren. Per saldo zal dit erop neer komen dat de benadeelde partij vaker dan voorheen (geheel of gedeeltelijk) niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering, indien die vordering een substantiële omvang heeft en een complexe aard kent. En wanneer de strafrechter die vordering dan toch inhoudelijk beoordeelt, gelden hogere eisen voor de motivering van het ontvankelijkheidsoordeel. 3.40 Bij de bespreking van middel III van het cassatieberoep (hierna in randnummers 5.18 e.v.) zal ik voortbouwen op de lijnen die Uw Raad heeft geschetst in de 23 april-arresten. 4. Smartengeld voor een comateus slachtoffer dat, zonder nog te ontwaken, overlijdt 4.1 In deze zaak hebben de ouders van [slachtoffer] vergoeding gevorderd voor de immateriële schade die hun zoon heeft geleden in de vijf dagen waarin hij, tot het moment van zijn overlijden, in coma heeft gelegen. Het hof heeft deze vordering toegewezen. In cassatie wordt over de toewijzing geklaagd. De klachten raken aan twee relevante en lastige kwesties die betrekking hebben op de smartengeldvordering van een comateus slachtoffer dat als gevolg van toegebracht letsel, zonder te ‘ontwaken’ (waarmee ik bedoel: zonder dat enig bewustzijn bij de benadeelde is vastgesteld), overlijdt. Omdat beide kwesties een uitvoerige toelichting nodig hebben, heb ik ervoor gekozen hieraan een afzonderlijke paragraaf te wijden. 4.2 In de praktijk is art. 6:106 BW de belangrijkste wettelijke grondslag voor een recht op smartengeld. Ik bespreek allereerst de vraag of een comateus slachtoffer dat als gevolg van toegebracht letsel, zonder te ontwaken, overlijdt volgens art. 6:106 BW aanspraak kan maken op smartengeld. Omwille van de leesbaarheid spreek ik hierna ook wel over een overleden comateus slachtoffer. Daarna bespreek ik onder welke voorwaarde(
- n)een smartengeldvordering onder algemene titel overgaat op (in dit geval) de erfgenamen van het slachtoffer. In dit tweede deel van deze paragraaf staat het zogenaamde ‘mededelingsvereiste’ uit art. 6:95 lid 2 BW centraal. Volgens dit vereiste is voor overgang onder algemene titel van het recht op smartengeld vereist dat de gerechtigde aan de wederpartij mededeelt aanspraak te maken op smartengeld. Art. 6:95 lid 2 BW ziet op smartengeldvorderingen in het algemeen en heeft dus een breder toepassingsbereik dan het voorliggende geval. Tegelijkertijd dient zich juist in een dergelijk geval op beide fronten (is er een recht op smartengeld?; is dit recht, gelet op art. 6:95 lid 2 BW, feitelijk wel voor vererving vatbaar?) een probleem aan. Ik besteed bij de bespreking van het mededelingsvereiste ook uitvoerig aandacht aan het betoog van Verheij dat een beroep op het niet-vervuld zijn van het mededelingsvereiste naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (in de zin van art. 6:2 lid 2 BW) is in gevallen van verkrachting of ernstige mishandeling gevolgd door doodslag of moord, of (nog breder) in alle gevallen waarin het een gevolg is van de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis dat de benadeelde niet de vereiste mededeling heeft kunnen doen. 4.3 Het toeval wil dat beide kwesties (het bestaan en de vererving van een recht op smartengeld) in een recente conclusie van A-G Hofstee, in een zaak waarin Uw Raad nog geen uitspraak heeft gedaan, ook aan de orde zijn gekomen. Er bestaat dan ook onvermijdelijk een zekere overlap met die conclusie. Belangrijke verschillen zijn er echter ook. Zie ik het goed, dan heeft Hofstee ten aanzien van de bestaanskwestie zelf niet uitdrukkelijk standpunt bepaald, maar heeft hij zich beperkt tot een uitnodiging aan Uw Raad om over deze kwestie duidelijkheid te bieden. Aan de hand van de totstandkomingsgeschiedenis van art. 6:106 BW, de rechtspraak van Uw Raad en de literatuur betoog ik in deze conclusie dat er in beginsel geen grond is om smartengeld te betalen aan een slachtoffer dat in comateuze toestand heeft verkeerd en, zonder te ontwaken, is overleden. Wat de tweede kwestie betreft, heeft Hofstee zijn instemming betuigd met het betoog van Verheij (hij acht een geslaagd beroep op art. 6:2 lid 2 BW in de door Verheij genoemde gevallen ‘alleszins verdedigbaar’). Ik neem hierover het tegenovergestelde standpunt in. Omdat over de bestaanskwestie uiteenlopende opvattingen voorkomen in de literatuur en omdat mijn opvatting over de verervingskwestie afwijkt van de opvatting die in de literatuur het meest gangbaar is, hebben mijn opvattingen over beide kwesties een uitvoerige toelichting nodig. 4.4 Hoewel ik beide kwesties afzonderlijk bespreek, staan zij niet los van elkaar. De omstandigheid dat op grond van art. 6:95 lid 2 BW voor overgang onder algemene titel van het recht op smartengeld is vereist dat de benadeelde aan de aansprakelijke partij mededeelt dat hij aanspraak maakt op smartengeld, kan bijvoorbeeld worden beschouwd als een argument voor de opvatting dat een overleden comateus slachtoffer volgens het wettelijk stelsel geen recht heeft op smartengeld. Ook voor mijn eigen standpuntbepaling is de samenhang tussen beide kwesties niet zonder belang. Om te kunnen oordelen dat de erfgenamen van een overleden comateus slachtoffer aanspraak kunnen maken op smartengeld voor het immateriële nadeel dat dit slachtoffer heeft geleden, moet twee keer een mouw worden gepast aan een probleem dat toepassing van het normale aansprakelijkheidsrechtelijke regime in deze gevallen meebrengt: eerst bij de vraag of dat slachtoffer wel aanspraak heeft op smartengeld (daar zou per definitie een zekere abstractie nodig zijn) en daarna bij de vraag of is voldaan aan het vereiste voor overgang onder algemene titel van het recht op smartengeld (daar moet dan een beroep worden gedaan op art. 6:2 lid 2 BW om het mededelingsvereiste buiten toepassing te laten). Ik zal dit hierna per kwestie afzonderlijk toelichten, maar merk reeds op dat dit totaalplaatje, deze stapeling, mij niet aanspreekt. Heeft een benadeelde die als gevolg van toegebracht letsel in coma raakt en overlijdt, recht op smartengeld? 4.5 Art. 6:95 lid 1 BW bepaalt dat de schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat in vermogensschade en ander nadeel, dit laatste voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft. Uit deze bepaling volgt dat voor een aanspraak op smartengeld een nadere wettelijke grondslag nodig is (naast de grondslag voor aansprakelijkheid). De wet bevat verschillende van zulke grondslagen, maar in de praktijk is art. 6:106 BW de belangrijkste (nadere) grondslag (zie hierna in randnummer 4.61 en voetnoot 220). Voor deze zaak is slechts art. 6:106, aanhef en onder b, BW relevant: Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding: (…) b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen (…). 4.6 In de formulering van de hier te beantwoorden vraag ligt al besloten dat de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen. In zoverre is dus onmiskenbaar voldaan aan de voorwaarden die art. 6:106, aanhef en onder b, BW stelt voor een aanspraak op smartengeld. Over de vraag of dit enkele gegeven al voldoende is om in het hier bedoelde type gevallen (een slachtoffer raakt door toegebracht letsel in coma en overlijdt, zonder te ontwaken) een recht op smartengeld te kunnen aannemen, lopen de opvattingen in de literatuur uiteen. De discussie ziet op vragen als: is wel sprake van ‘nadeel dat niet in vermogensschade bestaat’? Is voor een recht op smartengeld vereist dat het slachtoffer beseft (althans, ten minste op enig moment besef heeft van) wat hem/haar is overkomen? Of is dat besef alleen relevant voor de hoogte van het smartengeld? Zoals hierna zal blijken, hangen de uiteenlopende antwoorden die in de literatuur op deze vragen worden gegeven, sterk samen met de visie van de verschillende auteurs op de functies van smartengeld. 4.7 Voordat ik hierop verder inga, geef ik een leeswijzer. Ik behandel hierna in randnummers 4.8 e.v. eerst de vraag of het enkele feit dat een benadeelde is overleden, die benadeelde recht geeft op smartengeld. In randnummers 4.12 e.v. bespreek ik de vraag of een overleden comateus slachtoffer recht heeft op smartengeld in verband met de periode waarin hij in coma lag. De lezer die de bespreking van wet(sgeschiedenis), rechtspraak en literatuur wil overslaan, verwijs ik naar mijn eigen beantwoording van deze vraag in randnummers 4.50-4.58. Vanaf randnummer 4.59 staat de tweede kwestie over de overgang onder algemene titel van een recht op smartengeld centraal. Mijn standpunt daarover is te vinden in randnummers 4.127-4.141. Geeft het enkele feit van overlijden recht op smartengeld? 4.8 Ik richt mij eerst op het gedeelte van de vraag dat gaat over het overlijden van de benadeelde, omdat dit gedeelte van de vraag het eenvoudigst te beantwoorden is. Het overlijden van de (rechtstreeks getroffen) benadeelde fungeert in het schadevergoedingsrecht als een keerpunt: tot dat overlijden lijdt die benadeelde zelf schade, daarna rekent het recht enkel met bepaalde schadeposten van diens nabestaanden. In art. 6:108 BW is geregeld op welke vergoeding(
- en)nabestaanden aanspraak kunnen maken. Uit de Toelichting Meijers op art. 6:108 BW kan worden afgeleid dat de rechtstreeks getroffen benadeelde zelf geen schade kan lijden door het overlijden: “Hiermee is tot uitdrukking gebracht dat de krenking van een rechtsgoed van de overledene de grondslag van de vordering is. De omstandigheid dat de drager van dit rechtsgoed door het verlies daarvan geen schade kan lijden, rechtvaardigt, dat degenen wier lot van het behoud van dit rechtsgoed in belangrijke mate afhankelijk was, schadevergoeding kunnen vorderen van degene die voor het tenietgaan daarvan aansprakelijk is.” 4.9 De totstandkomingsgeschiedenis van art. 6:106 lid 2 BW (oud) (dat onder meer het mededelingsvereiste bevatte als vereiste voor overgang onder algemene titel van het recht op smartengeld) bevat echter ook een schijnbare aanwijzing in andere richting. Onder verwijzing naar het destijds geldende stelsel waarin nabestaanden van een overleden benadeelde geen aanspraak konden maken op vergoeding van affectieschade (althans, van ideële of immateriële schade) is tijdens de parlementaire behandeling overwogen: “In het daar gekozen stelsel waarin aan deze nabestaanden geen vordering ter zake van ideële schade toekomt, zou het slecht passen om de vordering ter zake van ideële schade van de overledene vrijelijk op diens erfgenamen of op anderen te doen overgaan. Te bedenken valt immers dat ieder die tengevolge van een gebeurtenis als hier bedoeld overlijdt, steeds een zeer belangrijk niet in vermogensschade bestaand nadeel lijdt op grond van het enkele feit van dit overlijden, zelfs wanneer men nog niet eens spreekt van de pijn, het verdriet etc., die voor het slachtoffer aan dit overlijden vooraf zijn gegaan. Wanneer men de nabestaanden een vordering ter zake van hun eigen ideële schade onthoudt, dan dienen de erfgenamen niet een wellicht nog veel hoger te stellen vordering ter zake van de ideële schade van de overledene zelf te verkrijgen.” 4.10 Omdat de vraag of het enkele feit van overlijden al recht zou moeten geven op smartengeld, echter nooit voorwerp van discussie is geweest tijdens de parlementaire behandeling en omdat het mededelingsvereiste zich niet goed verhoudt tot het standpunt dat het enkele overlijden al aanspraak geeft op smartengeld, pleegt in de literatuur toch te worden aangenomen dat het overlijden als zodanig geen grond vormt voor de toekenning van smartengeld en dat het verlies van het leven als zodanig geen ‘ander nadeel’ is. 4.11 Het relevante ‘andere nadeel’ (althans, het relevante ‘nadeel dat niet in vermogensschade bestaat’) waarvoor een overleden comateus slachtoffer volgens art. 6:106 BW aanspraak zou kunnen hebben op smartengeld, betreft dus volgens de heersende leer hooguit het nadeel in verband met de periode waarin hij in comateuze toestand heeft verkeerd. Het antwoord op de vraag of een overleden comateus slachtoffer voor dát nadeel recht heeft op smartengeld, is (in de woorden van Lindenbergh) “een klassiek twistpunt”. Over dit twistpunt kom ik nu te spreken. Heeft een overleden comateus slachtoffer recht op smartengeld? 4.12 Zoals gezegd, hangt het antwoord op deze vraag (en de hieraan gerelateerde vragen die hiervoor in randnummer 4.6 al even werden genoemd) samen met de functies die men aan smartengeld toedicht. Wie de nadruk legt op de functie van smartengeld om leed van de benadeelde te compenseren, zal er bijvoorbeeld sneller belang aan hechten dat de benadeelde beseft dat hem leed is overkomen dan wie het accent legt op de functie van smartengeld om op een abstracter niveau genoegdoening of erkenning te verschaffen. 4.13 Uit de totstandkomingsgeschiedenis van het huidige art. 6:106 BW volgt dat smartengeld op deze rechtsgrondslag in ieder geval een dubbele functie heeft, die in de literatuur wordt aangeduid als de compensatiefunctie en de genoegdoeningsfunctie (voetnoot in origineel weggelaten): “De vergoeding heeft een dubbele functie: enerzijds dient zij om, zij het ook op onvolmaakte wijze, het door de getroffene ondergane leed goed te maken, anderzijds kan het geschokte rechtsgevoel van de getroffene worden bevredigd doordat van de wederpartij een opoffering wordt verlangd.” 4.14 Over dat onvolmaakte ‘goedmaken’ of ‘compenseren’ van leed door middel van smartengeld heeft de toenmalige minister van Justitie Van Agt gezegd: “Het ware zoveel beter indien in het verkeer tussen mensen toegebracht leed kon worden goedgemaakt door het aandragen van vreugde. Aangezien dat echter in veel, zo niet de meeste gevallen niet kan, vallen wij terug op het substituut van de materiële schadeloosstelling. Hieraan is wellicht nog deze justificatie te geven. Die materiële schadeloosstelling is de enige methode om de gelaedeerde – die men rechtstreeks geen vreugde kan verschaffen – in staat te stellen zelf vreugde te vinden door wat hij zoal met die schadevergoeding kan doen.” 4.15 Smartengeld past goed bij het ‘compensatiedenken’ van het aansprakelijkheidsrecht, aangezien smartengeld een financiële compensatie is voor wat niet meer kan worden hersteld. Juist voor smartengeld wordt evenwel aangenomen dat het ook andere functies kan vervullen dan de compensatiefunctie, zoals de al genoemde genoegdoeningsfunctie, een erkenningsfunctie (de functie om leed te erkennen) of rechtshandhavingsfunctie (de functie om inhoud of betekenis te geven aan (geschonden) rechten). Het accent in de functies van smartengeld kan per type geval verschillen: bij de introductie van een recht op vergoeding van affectieschade woog de erkenningsfunctie zwaarder, terwijl in gevallen waarin de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde is geschonden, de rechtshandhavingsfunctie zwaarder weegt. In gevallen waarin de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, pleegt te worden aangenomen dat de compensatiefunctie van smartengeld de boventoon voert. Over de functies van smartengeld valt nog veel meer te zeggen, maar ik meen dat dat in deze zaak niet nodig is. 4.16 Ik maak nu de sprong naar de onderhavige zaak waarin smartengeld wordt gevorderd voor de periode waarin het overleden slachtoffer in comateuze toestand heeft verkeerd. Uw Raad heeft nog niet eerder geoordeeld over de vraag of recht op smartengeld bestaat in een geval waarin de benadeelde door toegebracht letsel in comateuze toestand belandt en, zonder daaruit te ontwaken, overlijdt. Wel heeft Uw Raad het hierna te bespreken, welbekende Coma-arrest gewezen, maar in die zaak waren de omstandigheden anders: de benadeelde was na het hem overkomen arbeidsongeval eerst enige tijd bewusteloos, verkeerde vervolgens in ‘soporeuze toestand’ (wat inhield dat hij veel sliep, maar enige woorden kon spreken, gebaren kon maken en mensen kon herkennen) en was in de periode kort voor het overlijden opnieuw bewusteloos. Dit arrest heeft aanleiding gegeven tot verschillende interpretaties in de literatuur en is kritisch ontvangen. Ik zal dit arrest en de reacties daarop in de literatuur nu op hoofdlijnen bespreken. Het Coma-arrest en de receptie in de literatuur 4.17 Het Coma-arrest ging over een benadeelde die bij de uitvoering van de werkzaamheden op een bouwlift zijn evenwicht was verloren en negen meter naar beneden was gevallen. Als gevolg hiervan was hij – als gezegd – in coma geraakt, maar de rechtbank had (als appelrechter in die zaak) geoordeeld dat de benadeelde in de periode tussen het ongeval en het overlijden enige tijd (namelijk toen hij in soporeuze toestand verkeerde) in enige mate het besef had gehad van wat hem was overkomen. Dit oordeel, dat is verweven met waarderingen van feitelijke aard, was in cassatie niet in geschil. De erven van de benadeelde stelden in de procedure de werkgever aansprakelijk voor onder meer de door de benadeelde geleden immateriële schade. 4.18 De rechtbank oordeelde op hoofdlijnen als volgt. De rechtbank achtte aannemelijk dat de benadeelde zich in diens soporeuze toestand hulpeloos moest hebben gevoeld over zijn situatie en het verdriet van zijn familie. Dit leed moest volgens de rechtbank worden aangemerkt als immateriële schade als bedoeld in art. 6:106 BW. De rechtbank stelde het smartengeld voor deze periode naar billijkheid vast op f 5.000, waarbij de rechtbank onder meer acht sloeg op de omstandigheid dat de benadeelde een relatief lage graad van bewustzijn had. Ten aanzien van de periode waarin bewustzijn bij de benadeelde geheel ontbrak, oordeelde de rechtbank dat het besef van de benadeelde (zo dit er al was) onvoldoende was om met grond te kunnen zeggen dat in enige mate sprake was van gederfde levensvreugde en/of een geschokt rechtsgevoel. De rechtbank oordeelde daarom dat de erven van de benadeelde geen aanspraak konden maken op smartengeld voor deze periode. 4.19 In cassatie werd dit oordeel bestreden. Uw Raad oordeelde dat de omstandigheid dat de benadeelde gedurende een bepaalde periode bewusteloos was geweest, op zichzelf nog niet voldoende was om aan te nemen dat over deze periode geen voor overgang onder algemene titel vatbare aanspraak bestond op vergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat: “3.4.1 De onderdelen 1-5 stellen vooreerst de vraag aan de orde of de omstandigheid dat [betrokkene] gedurende een bepaalde periode bewusteloos is geweest, op zichzelf al voldoende is om aan te nemen dat over deze periode geen, voor overgang op de erfgenamen vatbare, aanspraak bestaat op vergoeding ter zake van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. Het antwoord op deze vraag moet ontkennend luiden. Op grond van het te dezen toepasselijke art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW komt aan de benadeelde ter zake van bedoeld nadeel een naar billijkheid vast te stellen vergoeding toe indien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dit betekent dat aan [betrokkene] die bij het hem overkomen ongeval ernstig letsel heeft opgelopen, dus in beginsel een recht op vergoeding van immateriële schade toekwam. 3.4.2 In dit verband verdient opmerking dat het recht op vergoeding van immateriële schade een hoogstpersoonlijk recht is in dier voege dat de benadeelde zelf moet laten blijken dat hij genoegdoening voor ander nadeel dan vermogensschade wenst. In het onderhavige geval moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat is voldaan aan het in het tweede lid van artikel 6:106 [thans art. 6:95 lid 2 BW, A-G] met betrekking tot de overgang onder algemene titel bepaalde. 3.4.3 Uit het voorafgaande volgt dat [betrokkene] een voor overgang onder algemene titel vatbaar recht had op vergoeding van immateriële schade zoals die door hem in de periode vanaf het hem overkomen ongeval tot zijn overlijden persoonlijk is geleden, dat dit recht thans aan de erven (...) toekomt en dat in dit verband de omstandigheid dat [betrokkene] in die periode gedurende enige tijd in staat van bewusteloosheid heeft verkeerd, niet van belang is.” 4.20 De omstandigheid dat de benadeelde gedurende enige tijd in bewusteloosheid had verkeerd, achtte Uw Raad daarentegen wél van belang voor de vraag “of, en zo ja, in welke mate” de benadeelde als gevolg van de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis nadeel had geleden dat voor vergoeding in aanmerking kwam. Ook was die omstandigheid volgens Uw Raad van belang voor de begroting van de schade: “3.5 Bij de begroting van dergelijk nadeel moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden, waarbij in een geval als het onderhavige kan worden gedacht enerzijds aan de aard van de aansprakelijkheid en anderzijds aan de aard van het letsel, de duur en de intensiteit van het verdriet en de gederfde levensvreugde die voor het slachtoffer het gevolg is van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust. De rechter zal bij deze begroting ook rekening moeten houden met de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel van de benadeelde. Bij de bepaling van de omvang van de vergoeding zullen de persoonlijke omstandigheden van de benadeelde een rol spelen, doch de rechter zal de zwaarte van het verdriet, de ernst van de pijn, het gemis aan levensvreugde en het geschokte rechtsgevoel met name moeten afleiden uit min of meer objectieve factoren en concrete aanwijzingen, zoals de aard van het letsel en de gevolgen daarvan voor de benadeelde. De wijze waarop en de intensiteit waarmee het derven van levensvreugde door de benadeelde is of zal worden beleefd, zullen in rechte vaak niet, of niet anders dan zeer globaal, kunnen worden vastgesteld, zodat bij de begroting van het nadeel zal moeten worden geabstraheerd van de concrete beleving en in meer objectieve zin moet worden vastgesteld in welke mate van nadeel als hier bedoeld sprake is geweest. De omstandigheid dat de benadeelde gedurende een bepaalde periode bewusteloos is geweest, zal in het algemeen en behoudens aanwijzingen van het tegendeel, tot het oordeel kunnen leiden dat hij wat betreft die periode geen nadeel heeft geleden in de vorm van pijn en/of verdriet, doch deze omstandigheid rechtvaardigt niet zonder meer de conclusie dat in het geheel geen sprake is geweest van gederfde levensvreugde. Aangenomen moet immers worden dat de staat van bewusteloosheid in elk geval tot gevolg heeft gehad dat aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontbroken van zijn leven te genieten. 3.6 De rechter zal in een geval als het onderhavige waarin moet worden aangenomen dat de benadeelde zich (achteraf en in zekere mate) heeft gerealiseerd dat hij gedurende een bepaalde periode bewusteloos is geweest en niet (meer) zijn gewone leven heeft kunnen leiden, in beginsel in aanmerking moeten nemen dat de benadeelde als gevolg van het door hem opgelopen letsel gedurende deze periode in de geobjectiveerde zin als hiervoor is overwogen, levensvreugde heeft gederfd. Anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld kan dus ook voor deze periode sprake zijn van, naar zijn aard slechts in de vorm van een zekere genoegdoening te vergoeden, nadeel waarmee bij het begroten van de schade rekening dient te worden gehouden.” 4.21 Verder werd geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat het besef van de benadeelde in de periode van bewusteloosheid “onvoldoende was om met grond te kunnen zeggen dat tevens van gederfde levensvreugde/leed (…) in enige mate sprake was”. Volgens de klacht was het – kort weergegeven – glashelder dat een bewusteloos slachtoffer (ook zonder enig besef) levensvreugde misloopt die hij wel genoten zou hebben zonder het ongeval. Ook dit onderdeel trof naar het oordeel van Uw Raad doel: “(…) Niet uitgesloten is dat bij [betrokkene] als gevolg van het hem overkomen ongeval in de hiervoor in 3.5 bedoelde objectieve zin sprake is geweest van nadeel in de vorm van gederfde levensvreugde in de periode dat hij in bewusteloze toestand heeft verkeerd. De Rechtbank heeft te dier zake blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.” 4.22 De overige inhoud van het arrest ligt in het verlengde van de hiervoor weergegeven oordelen. Ik vermeld slechts nog dat Uw Raad, in het kader van de klacht dat het rechtbankoordeel niet verenigbaar is met respect voor de menselijke waardigheid en de integriteit van de menselijke persoon, heeft geoordeeld dat die klacht “in zoverre gegrond [is] dat aan iemand die als gevolg van het letsel dat hij heeft opgelopen, in staat van bewusteloosheid is komen te verkeren, niet op grond van deze enkele omstandigheid een aanspraak op vergoeding mag worden onthouden.” 4.23 In de literatuur is het Coma-arrest kritisch ontvangen. Voor een deel betreft die kritiek de onduidelijkheid van het arrest: in de literatuur is tamelijk algemeen aanvaard dat de overwegingen van het arrest voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Zo is van sommige overwegingen onduidelijk of zij betrekking hebben op het recht op smartengeld van de rechtstreeks getroffen benadeelde zelf of veeleer op het vereiste voor overgang van dit recht onder algemene titel. Deze twee kwesties worden niet steeds duidelijk van elkaar onderscheiden. Ook heeft Uw Raad enerzijds (in rov. 3.4.3) geoordeeld dat voor de vraag of de benadeelde een voor overgang onder algemene titel vatbaar recht op vergoeding van immateriële schade heeft, de omstandigheid dat hij enige tijd in staat van bewusteloosheid heeft verkeerd, niet van belang is, om direct daarna te overwegen (in rov. 3.4.4) dat diezelfde omstandigheid wel van belang is voor onder meer de vraag "of" (!) de benadeelde nadeel heeft geleden dat voor vergoeding in aanmerking komt. In de literatuur is ook gewezen op de spanning die bestaat tussen overwegingen met een algemeen karakter (‘een periode van bewusteloosheid staat niet in de weg aan het aannemen van ander nadeel dan vermogensschade’) en de mate waarin het arrest is toegespitst op de specifieke omstandigheden van het concrete geval (de benadeelde heeft zich achteraf en in zekere mate gerealiseerd wat hem is overkomen, enzovoorts). Ook de structuur van het arrest roept vragen op: is de inhoud van rov. 3.5 alleen relevant voor de begroting van het smartengeld of ook voor de beantwoording van de daaraan voorafgaande vraag of een recht op smartengeld bestaat? 4.24 Een ander deel van de kritiek betreft de inhoudelijke lijn van het arrest (zoals die door de betreffende auteur is geïnterpreteerd, uiteraard). Zo heeft Vranken in zijn noot bij het arrest betreurd dat iedere principiële overweging voor of tegen het aannemen van een recht op smartengeld voor (tijdelijk) bewustelozen ontbreekt. Volgens hem heeft Uw Raad de oplossing voor deze problematiek niet in het principe, maar in de uitwerking gezocht, namelijk in een objectivering van de factoren die bij de begroting van het smartengeld in aanmerking moeten worden genomen: “5 Ik constateer dat de Hoge Raad zich in het onderhavige arrest niet ten principale heeft uitgesproken over de vraag of bewustelozen recht hebben op smartengeld. Voor zover het gaat om bewustelozen die niet meer bij kennis komen, hoefde hij dit ook niet te doen, omdat, als gezegd, art. 6:106 lid 2 [als gezegd: het huidige art. 6:95 lid 2 BW, A-G] de discussie daarover in Nederland tot een louter academische maakt. Voor zover het gaat om bewustelozen die wel bij kennis zijn gekomen en voldaan hebben aan art. 6:106 lid 2, valt op dat hij hun aanspraak op smartengeld als onvermijdelijk voorstelt: omdat de benadeelde lichamelijk letsel heeft geleden, heeft hij er in ons systeem in beginsel recht op (rov. 3.4.1). Bewusteloosheid gedurende zekere tijd doet daaraan niet af (rov. 3.4.2). 6 Deze benadering herinnert mij aan het wrongful birth-arrest. Ook daarin begon de Hoge Raad met de vaststelling dat, omdat de arts een fout had gemaakt, hij in beginsel tot schadevergoeding verplicht was, daaronder begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Het systeem van de wet biedt geen grondslag dit soort schade af te wijzen, aldus de Hoge Raad toen. Vervolgens echter ging hij uitvoerig in op enkele principiële bezwaren die tegen toekenning van dergelijke schade in de literatuur en in de rechtspraak van andere landen waren opgeworpen. In de onderhavige uitspraak gebeurt dit laatste niet. Iedere principiële overweging ontbreekt. Dat is des te opmerkelijk[er], omdat net als in de wrongful birth-zaak veel (rechtsvergelijkende) gegevens waren aangedragen, zowel door de advocaten van de benadeelde in appèl en cassatie als door A‑G Spier. Bovendien was er in de twee recente dissertaties van Lindenbergh en Verheij ampel aandacht aan besteed. Ik verwijs daarnaar. Uit dit alles blijkt niet alleen hoe verschillend over de problematiek gedacht wordt, maar ook welke argumenten pro en contra worden gehanteerd (menselijke waardigheid en integriteit; persoonlijkheidsrecht; functies van smartengeld). De Hoge Raad doet er, voor zover kenbaar, niets mee. Hij zoekt de oplossing niet in het principe, maar in de uitwerking, dit wil zeggen in een objectivering van de bij de begroting van het smartengeld in aanmerking te nemen factoren.” 4.25 Ook Tjittes heeft gewezen op het ontbreken van een “normatieve fundering” in het arrest. Verder hinkt het arrest volgens hem op twee gedachten die moeilijk met elkaar te verenigen zijn, namelijk enerzijds de wens om vast te houden aan een subjectieve invulling van de compensatiefunctie van smartengeld (smartengeld strekt ertoe het leed van de benadeelde te verzachten, maar dan moet de benadeelde dat leed wel ervaren) en anderzijds op een objectieve invulling van ‘ander nadeel dan vermogensschade’ (een bewusteloos slachtoffer dat ontwaakt, heeft voor de periode van bewusteloosheid recht op vergoeding voor gederfde levensvreugde die uit min of meer objectieve factoren kan worden afgeleid): “De Hoge Raad gaat in overweging 3.5 uit van een subjectief ingekleurd begrip geschokt rechtsgevoel; zonder bewustzijn van de benadeelde is genoegdoening van zijn geschokte rechtsgevoel niet mogelijk. Die uitleg van de Hoge Raad brengt met zich dat de genoegdoeningsfunctie een variant is van de compensatiefunctie. In de daarop volgende overweging (3.6), waar de Hoge Raad rept van genoegdoening over de periode dat het slachtoffer bewusteloos is geweest, lijkt de Hoge Raad echter uit te gaan van een objectieve uitleg van de genoegdoeningsfunctie. Bij die objectieve uitleg is de bewustheid van het slachtoffer of zijn rechtsgevoel in het concrete geval is geschaad niet of minder relevant en dat opent de poort om om die reden aan de bewusteloze smartengeld te kunnen toekennen wegens een geschokt[e] rechtsgevoel of – zoals de Hoge Raad het eerder heeft uitgedrukt – erkenning van zijn leed. Het vooropstellen van de compensatiefunctie van smartengeld door de Hoge Raad en de daarmee onlosmakelijk gedachte subjectieve uitleg van ‘ander nadeel dan vermogensschade’ zou het voor bewustelozen onmogelijk maken om smartengeld te vorderen. De Hoge Raad heeft dit resultaat kennelijk niet billijk geoordeeld. Welke motieven de Hoge Raad daarvoor heeft, blijft verborgen. Het arrest kent, anders dan uitspraken van buitenlandse hoogste rechters als de Duitse en de Franse, die reppen van menselijke waardigheid en persoonlijke integriteit van het bewusteloze slachtoffer, geen beschouwingen daarover. Dat is jammer, want waar je in een geval als het onderhavige met de juristerij alle kanten op kan, is alleen een normatieve fundering overtuigend. De oplossing die de Hoge Raad in het arrest aanhangt om te ontkomen aan de kennelijk onredelijk geachte gevolgen van een volledig subjectieve uitleg van ‘ander nadeel dan vermogensschade’ is het toevoegen van objectieve elementen aan die subjectieve uitleg. Het arrest van de Hoge Raad hinkt daarmee op twee gedachten die moeilijk zijn te verenigen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de rechter bij de vaststelling van de omvang van het toe te kennen smartengeld de zwaarte van het verdriet, de ernst van de pijn, het gemis aan levensvreugde en het geschokte rechtsgevoel met name moeten afleiden uit min of meer objectieve factoren en concrete aanwijzingen, zoals de aard van het letsel en de gevolgen daarvan voor de benadeelde. (…) Maar de door de Hoge Raad voorgestane objectivering kent haar grenzen. De Hoge Raad heeft immers aan het vorenstaande toegevoegd dat het feit dat een slachtoffer gedurende een periode bewusteloos is geweest in het algemeen en behoudens aanwijzingen van het tegendeel tot het oordeel kan leiden dat hij in die periode geen nadeel heeft geleden in de vorm van pijn en verdriet. Wel heeft het bewusteloze slachtoffer volgens de Hoge Raad in die periode levensvreugde gederfd. Hij heeft beslist dat de staat van bewusteloosheid in elk geval tot gevolg heeft gehad dat aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontbroken van zijn leven te genieten. Evengoed had de Hoge Raad – evenals bij pijn en verdriet – kunnen redeneren dat wie geen bewustzijn heeft geen levensvreugde kan derven. En omgekeerd had de Hoge Raad ten aanzien van pijn en verdriet – in dezelfde zin als bij gederfde levensvreugde – kunnen redeneren dat de schadeveroorzaker het slachtoffer de mogelijkheid heeft ontnomen om bewust deel te nemen aan het leven, waaronder pijn en verdriet te lijden bij zijn ongeval, waarvoor het slachtoffer vergoed moet worden. De Hoge Raad staat niet alleen in het door hem gemaakte onderscheid tussen de subjectieve uitleg van pijn, verdriet en geschokt rechtsgevoel enerzijds en de objectieve uitleg van gederfde levensvreugde anderzijds. Het door hem gemaakte onderscheid komt overeen met het Engelse recht. (…) Dat genoemd onderscheid naar Engels recht wordt gemaakt, brengt nog niet met zich dat het onderscheid redelijk of begrijpelijk is. De deels subjectieve, deels objectieve invulling van ‘ander nadeel dan vermogensrecht’ en de begroting daarvan is moeilijk verenigbaar, zo blijkt uit het arrest. Dat is de prijs die de Hoge Raad moet betalen voor het zowel vasthouden aan de subjectief ingekleurde compensatiefunctie van smartengeld als aan de wens bewusteloze slachtoffer smartengeld niet geheel te onthouden.” 4.26 Een meerderheidsopvatting in de literatuur lijkt te zijn dat uit Coma volgt dat het feit d