← Nederland

ECLI:NL:PHR:2025:524

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer23/02725 Zitting 13 mei 2025 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956, hierna: de verdachte. Inleiding

  1. De verdachte is bij arrest van 13 juli 2023 door het gerechtshof Amsterdam (parketnummer 23-001246-20) vrijgesproken van het onder 5 ten laste gelegde en wegens onder 1 “oplichting, meermalen gepleegd”, onder 2, “opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd,” en “valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, onder 3 primair “feitelijke leiding geven aan en opdracht geven tot het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van oplichting”, onder 4 primair “feitelijke leiding geven aan en opdracht geven tot het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2:96, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, terwijl dit feit opzettelijk wordt begaan, meermalen gepleegd”, onder 6 “medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd”, onder 7 “opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd,” en “medeplegen van valsheid in geschrift”, onder 8 “als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr. Het hof heeft het Openbaar Ministerie ter zake van het onder 4 primair en 4 subsidiair ten laste gelegde niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging, voor zover het ten laste gelegde feiten betreft van vóór 14 juli
  2. Het hof heeft beslissingen genomen over de vorderingen van de benadeelde partijen en daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, alsmede 23 documentordners verbeurdverklaard.
  3. Er bestaat samenhang met de zaken tegen [medeverdachte 1] (23/02902) en [medeverdachte 2] (23/02872). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. De samenhangende zaak tegen [medeverdachte 3] (22/03454) is in cassatie afgesplitst.
  4. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben negen middelen van cassatie voorgesteld. De zaak
  5. De megazaak (‘onderzoek Zevenblad’) is door het hof (onder de strafmaatoverwegingen) als volgt samengevat: “[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting, dan wel het doen plegen van oplichting. Het gaat hierbij om vele beleggers in meerdere zaakdossiers. Bovendien heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift, het opzettelijk verlenen van beleggingsdiensten zonder de vereiste vergunning en deelneming aan een criminele organisatie. [verdachte] heeft zich structureel gedurende langere tijd schuldig gemaakt aan beleggingsfraude, ook wel boilerroom fraude genoemd. In een organisatie die circa zeven à acht jaren actief is geweest, heeft [verdachte] samen met anderen vele beleggers opgelicht. Daarbij werd op professionele en georganiseerde wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen van deze beleggers en werden aan hen producten verkocht die voor deze beleggers (doorgaans) niets opleverden, maar waarvan [verdachte] (en zijn mededaders), aanzienlijk hebben geprofiteerd. Bij deze oplichting is geraffineerd te werk gegaan. Zo werd gebruik gemaakt van fraaie – valse – brochures en websites om beleggers te bewegen tot een investering. In het zaakdossier IS/ [D] kregen beleggers daarnaast flessen wijn en, tijdens een voor hen georganiseerde golfdag, een kistje hout aangeboden om hen te interesseren voor de aandelen in [A] en [B] . Een ander aspect uit dit zaakdossier dat de geraffineerdheid van het handelen van verdachten aantoont, is het netwerk van internationale vennootschappen waarlangs de inleg van de beleggers werd door- en weggesluisd. Ook in de andere zaakdossiers zijn de verdachten doortrapt te werk gegaan. Als gevolg van het handelen van [verdachte] en zijn medeverdachten zijn vele beleggers ernstig gedupeerd. In sommige gevallen zijn zij daardoor al hun spaargeld of hun pensioenvoorziening kwijtgeraakt. De totale financiële schade loopt in de miljoenen euro’s. [verdachte] en zijn medeverdachten hebben aldus – uitsluitend gedreven door eigen financieel gewin – enorme schade aangericht. Verder heeft het handelen van [verdachte] en zijn medeverdachten ook diverse andere negatieve gevolgen gehad voor de slachtoffers en heeft het hun vertrouwen in de medemens geschaad. Bovendien hebben verdachten door hun handelen het vertrouwen geschonden dat men in het algemeen moet kunnen stellen in (verkopers van) financiële producten en het financiële handelsverkeer. [verdachte] is gedurende de volledige bestaansduur van de criminele organisatie van waaruit de fraudes werden gepleegd, daarbij betrokken geweest. Het betreft een periode van vele jaren. Het is ook veelal [verdachte] geweest die de strafbare feiten heeft geïnitieerd. Hij heeft steeds een leidinggevende rol in de criminele organisatie gehad en ook telkens in zeer aanzienlijke mate geprofiteerd van de strafbare feiten. Alles bij elkaar ontstaat het beeld dat [verdachte] een beroep heeft gemaakt van het oplichten van beleggers om daaruit een inkomen te verkrijgen.”
  6. De feiten onder 1 (oplichting) en 2 (valsheid in geschrift) hebben betrekking op beleggingen in [A] Inc. ( [A] ) en [B] Inc. ( [B] ), waarvoor medewerkers van de verdachte, handelend onder de vlag van successievelijk [C] GmbH ( [C] ) en [D] GmbH ( [D] , hierna tezamen ook: [C & D] ), beleggers wierven. Feit 3 gaat over feitelijke leidinggeven aan oplichting; het betreft beleggingen in [E] AG ( [E] ) en [F] AG ( [F] ) waarvoor de verdachte beleggers wierf door tussenkomst van [G] BV, waarvan hij directeur-grootaandeelhouder was. Feit 4 betreft het feitelijke leidinggeven aan [G] BV, dat in de periode van 7 oktober 2011 tot en met 30 juni 2013 zonder vergunning van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) een gewoonte heeft gemaakt om te handelen in aandelen van [E] en [F] . Feit 6 betreft oplichting, begaan doordat beleggers door mondelinge mededelingen en door valselijk opgemaakte brochures (feit 7) zijn bewogen te investeren in CO2-emissierechten, zulks door tussenkomst van [DD] Ltd. ( [H] ). Feit 8 betreft het leidinggeven aan een criminele organisatie die zich bezighield met de hiervoor omschreven delicten.
  7. De negen middelen behandelen de volgende thema’s:

(1). een tegenstrijdigheid tussen de bewezenverklaring en de bewijsmotivering van feit 2;
(2). de redengevendheid van het bewijs van feit 1, en dan met name de vraag of de beleggers door de bewezen verklaarde oplichtingsmiddelen tot beleggen in [A] en [B] waren ‘bewogen’;
(3). de redengevendheid van het bewijs van feit 3, en dan met name de vraag of de beleggers door de bewezen verklaarde oplichtingsmiddelen tot beleggen in [E] en [F] waren ‘bewogen’;
(4). de (partiële) verjaring van het onder 4 ten laste gelegde;
(5). de toepasselijkheid van een uitzondering op het specialiteitsbeginsel van artikel 27 lid 2 Kaderbesluit EAB;
(6). de redengevendheid van het bewijs van feit 6, en dan met name de vraag of de beleggers door de bewezen verklaarde oplichtingsmiddelen tot beleggen in de aangeboden CO2-emissierechten waren ‘bewogen’;
(7). de bewijsbeslissing van feit 8 ingeval het tweede, derde, vijfde en/of zesde middel slagen;
(8). de motivering van de toewijzing van vorderingen van vier benadeelde partijen;
(9). het toegestane aantal dagen gijzeling bij toepassing van de maatregel ex artikel 36f Sr. Het eerste middel: de bewijsmotivering van feit 2 (valsheid in geschrift) De klacht van het eerste middel 7. Met het eerste middel wordt geklaagd over een tegenstrijdigheid tussen de bewezenverklaring en de bewijsmotivering van feit 2. De bewezenverklaring en de bewijsmotivering van feit 2 8. Het hof heeft onder 2 ten laste van de verdachte bewezen verklaard (arrest p. 52-54, met onderstreping mijnerzijds) dat: “hij in de periode van 1 juli 2004 tot en met 25 juli 2006 in Nederland en in Duitsland, meermalen geschriften, te weten: = brochures van [A] Inc. en = een brochure van [B] Inc. en = nieuwsbrieven ‘ [naam] ' betreffende (aandelen
  1. in)[A] Inc. en = een nieuwsbrief ' [naam] ' betreffende (aandelen
  2. in)[B] Inc. en = brieven betreffende aandelen [A] Inc. aan [benadeelde 4] d.d. 5 januari 2005 en [benadeelde 5] , d.d. 2 december 2004 en [benadeelde 11] / [I] B.V. en [benadeelde 16] en [benadeelde 7] , alle brieven d.d. 19 augustus 2004 en = een brief betreffende aandelen in [B] Inc. aan [benadeelde 7] , zijnde, geschriften die bestemd waren tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of valselijk heeft doen opmaken immers, heeft de verdachte telkens valselijk - in strijd met de waarheid - in die geschriften - zakelijk weergegeven - vermeld en/of doen vermelden dat = de aandelen in [A] Inc. en/of [B] Inc. deel uitmaakten van aandelenemissies en/of = de inleg volledig of grotendeels zou worden besteed aan de aankoop van de aandelen en/of dat er (vrijwel) geen kosten en/of commissie bij de beleggers in mindering zou worden gebracht op de inleg en zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken; en hij in de periode van 1 juli 2004 tot en met 25 juli 2006 in Nederland en in Duitsland, meermalen opzettelijk gebruik heeft gemaakt en/of gebruik heeft doen maken van valse geschriften, te weten: = brochures van [A] Inc. en = een brochure van [B] Inc. en = nieuwsbrieven ' [naam] ’ betreffende (aandelen
  3. in)[A] Inc. en = een nieuwsbrief' [naam] ’ betreffende (aandelen
  4. in)[B] Inc. en = brieven betreffende aandelen [A] Inc.. aan [benadeelde 4] , d.d. 5 januari 2005 en [benadeelde 5] , d.d. 2 december 2004 en [benadeelde 11] / [I] B. V. en [benadeelde 16] en [benadeelde 7] , allen d.d. 19 augustus 2004; en = een brief betreffende aandelen in [B] Inc. aan [benadeelde 7] zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware die geschriften echt en onvervalst, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat valselijk - in strijd met de waarheid - in die geschriften - zakelijk weergegeven - stond vermeld dat = de aandelen in [A] Inc. en/of [B] Inc. deel uitmaakten van aandelenemissies en/of = de inleg volledig of grotendeels zou worden besteed aan de aankoop van de aandelen en/of dat er bij de aankoop (vrijwel) geen kosten en/of commissies bij de beleggers in mindering zouden worden gebracht op de inleg en/of en bestaande dat opzettelijk (doen) gebruikmaken van die geschriften hierin dat verdachte telkens die geschriften heeft verstrekt en/of verzonden, aan = [benadeelde 4] = [benadeelde 5] = [benadeelde 11] en = [benadeelde 14] en = [benadeelde 15] en = [benadeelde 16] en = [benadeelde 7] en = [benadeelde 13] en = andere potentiële geïnteresseerden in en/of kopers van aandelen in [A] Inc. en/of [B] Inc.;” 9. Ik geef de bewijsmotivering van de bewezenverklaring onder 2 meer uitgebreid weer dan voor de bespreking van het eerste middel nodig is, omdat de bewijsmotivering van de bewezenverklaring onder 1 (waartegen het tweede middel opkomt) voortbouwt op de bewijsmotivering van de bewezenverklaring onder 2. Het hof heeft de hiervoor aangehaalde bewezenverklaring van feit 2 als volgt gemotiveerd (arrest p. 16-23, ik volg de opmaak van het hof, maar de onderstrepingen zijn door mijzelf aangebracht): “ [A] en [B] (feiten 1 en 2) Aan [verdachte] en de [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) is ten laste gelegd in feit 1 - kort samengevat - dat zij meermalen al dan niet in vereniging beleggers hebben opgelicht door hen te laten investeren in aandelen [A] Inc. (hierna: [A] ) en/of [B] Inc. (hierna: [B] ), en in feit 2 - kort samengevat - het al dan niet in vereniging meermalen vervalsen van geschriften en/of gebruik maken van vervalste geschriften. Eerst zal worden ingegaan op het onder feit 2 ten laste gelegde vervalsen van stukken, dan op het gebruik maken van vervalste stukken en daarna zal de onder feit 1 ten laste gelegde oplichting worden behandeld. Feit 2. het vervalsen van stukken die een rol spelen bij het verkopen van aandelen [A] (brochures, brieven en nieuwsbrieven) Prospectus In verband met het aanbieden van de aandelen [A] is een prospectus opgesteld (D-2638). Deze in het Engels opgestelde prospectus is op 27 september 2004 bij de AFM ingediend. Eveneens op 27 september 2004 is de Nederlandse vertaling van het ‘ [naam] ’ (D-2639), hierna te noemen: het prospectus, ingediend bij de AFM. Op de websites van [C] en [D] was het prospectus te downloaden (AH-028ar, pag. 15/16). Het prospectus (Engelstalige versie) is voorzien van een goedkeurende verklaring van accountantskantoor [LL] . De in het prospectus opgenomen beschrijving van de overname van de wijngaard sluit aan bij hetgeen [betrokkene 3] daarover ten overstaan van het hof heeft verklaard (proces-verbaal 23 maart 2023, p. 5) en bij hetgeen over de verwerving van de aandelen in het dossier is opgenomen (AH-028ae). Het hof gaat uit van de juistheid van de in het prospectus opgenomen informatie. Valsheden In de tenlastelegging zijn met betrekking tot de brochures, brieven en nieuwsbrieven de navolgende valsheden opgenomen:
  5. a)de aandelen in [A] maken deel uit van een (nieuwe) aandelenemissie;
  6. b)de inleg zou volledig of grotendeels worden besteed aan de aankoop van de aandelen en/of er zou(den) (bij de aankoop) (vrijwel) geen kosten en/of commissie(
  7. s)(bij de beleggers) in mindering worden gebracht op de inleg;
  8. c)met de inleg zou een (toren)hoog/goed/groot rendement en/of winst behaald worden;
  9. d)het hoofddoel van [A] was om te investeren in wijn(goederen) met een hoog potentieel;
  10. e)de aandelen [A] hadden een notering aan de NASDAQ;
  11. f)[C] GmbH en/of [D] GmbH stonden onder toezicht van de Nederlandse Autoriteit Financiële Markten. Voor de beantwoording van de vraag of deze schriftelijke uitlatingen in strijd met de waarheid zijn, dienen deze te worden vergeleken met de inhoud van het prospectus, waarvan hierboven is vastgesteld dat deze juist is. In het prospectus is onder meer het navolgende opgenomen: “4.1 Toegestaan kapitaal: De Raad van Bestuur heeft in het totaal 150.000.000 gewone aandelen toegestaan. Momenteel blijven 45.937.163 gewone aandelen tegen een nominale waarde van 0,001 US dollar niet onderschreven. (…) 4.2 Omvang van onderschreven toegestaan kapitaal De Raad van Bestuur heeft 104.062.837 gewone aandelen uitgegeven (…). De Raad van Bestuur heeft het recht om aandelenuitgiftes te doen gevraagd en gekregen, maar de Raad van Bestuur heeft geen aandelen in het overige toegestane kapitaal uitgegeven. De Raad van Bestuur heeft een totaal van 100.000.000 gewone aandelen uitgegeven in ruil voor de 105 hectare wijngaard en Landgoed, bekend als [L] in [plaats] met [J] LLC. Deze gewone aandelen zijn aan restricties onderworpen onder ‘Rule 144’; een deel van deze aandelen maken het voorwerp uit van deze openbare aanbieding." (…) “4.10 Aandeelhoudersstructuur “Sinds de aandelenovereenkomst is [J] LLC de meerderheidsaandeelhouder van de vennootschap. De Bestuurder van [J] LLC is [betrokkene 3] (het hof begrijpt: [betrokkene 3] , hierna [betrokkene 3] te noemen). (…) [J] LLC, met hoofdzetel (…) Kaaimaneilanden RWI, bezit ongeveer 68.450.000 gewone aandelen. De leden van het Management van de onderneming hebben 26.510.000 gewone aandelen verkregen. Van deze 26.510.000 aandelen hebben [betrokkene 4] 24.960.000 en [betrokkene 5] 1.500.000 gewone aandelen gekregen. Ongeveer 25.6% van de aandelen worden gehouden door de leidinggevenden en bestuurders van de vennootschap. Ongeveer 8.7% van het maatschappelijk kapitaal wordt gehouden door een klein aantal aandeelhouders. In het verleden zijn enkel betalingen gedaan door middel van uitgifte van gewone aandelen.“ Hieruit blijkt dat de aandelen [A] die (met tussenkomst van [C] en [D] ) te koop werden aangeboden, geen deel uitmaakten van een (nieuwe) aandelenemissie door [A] , maar bestaande aandelen waren, die door de eigenaar of eigenaren werden verkocht. De opbrengst ging niet naar [A] , maar naar de verkopende eigenaar of eigenaren. In de (aanbiedings)brieven, brochures en nieuwsbrieven - die door [C] en/of [A] werden verzonden aan (potentiële) beleggers - stond echter: Aanbiedingsbrief: (…) Een dezer dagen neem ik contact met u op om van gedachten te wisselen over deze karakteristieke en veelbelovende emissie en in de brochure/folder die met de aanbiedingsbrief werd meegestuurd (D-094): investeren in het marktpotentieel van [MM] (…) Investeren in wijngoederen met hoog potentieel, daar draait het om bij [A] Inc. Deze aan de Nasdaq genoteerde holding … (…) VISIE EN DOEL Wat betreft het werkgebied Zuid-Afrika heeft [A] kortgezegd de volgende plannen. Binnen vijf jaar een onderneming opbouwen., … (…) EMISSIE EN INSCHRIJVING [A] is voornemens de kapitaalbehoefte af te dekken met een aandelen emissie. [A] Inc. is genoteerd aan de Nasdaq; Tickersymbol: ( [A] ) (…) EMISSIEKANTOOR: [C] GmbH (…).” In de brochures en de (nieuws)brieven is dus in strijd met de waarheid vermeld dat het ging om een emissie a). De mededelingen opgenomen achter b), c), d),
  12. e)en
  13. f)staan niet, of onvoldoende duidelijk, in een of meer van de in de tenlastelegging genoemde geschriften, dan wel zijn niet (met voldoende zekerheid) als vals aan te merken. Dit laatste geldt bijvoorbeeld voor de vermeldingen dat het hoofddoel van [A] was om te investeren in wijn(goederen) met een hoog potentieel (d). Dit is vermeld in de brochure, maar niet staat vast dat dit onjuist is. Min of meer het zelfde geldt voor de mededeling dat de aandelen in [A] een notering hadden aan de NASDAQ (e). De aandelen waren genoteerd aan het OTCBB (Over The Counter Bulletin Board) dat tot de verkoop in 2005 een onderdeel was van NASDAQ en daarna van The NASD. Deze onderdelen zijn dus niet bewezen. Na deze vaststelling komt de vraag aan de orde of [medeverdachte 2] en/of [verdachte] strafrechtelijk een verwijt te maken valt voor het opstellen van deze aanbiedingsbrief en de folder/brochure. De rol van [medeverdachte 2] (…). [medeverdachte 2] zal worden vrijgesproken van de in feit 2 tenlastegelegde valsheid in geschrift voor wat betreft de [A] -stukken. De rol van [verdachte] verklaart in hoger beroep, naar de kern samengevat, dat hij in [plaats] voor [betrokkene 6] een kantoor bemande waar aandelen verkocht werden, dat hij inhoudelijk niet bij het verkoopproces betrokken was, dat de inhoud van de brochure en de (nieuws-)brieven hem als officemanager niet kan worden verweten omdat de prospectussen, brochures en nieuwsbrieven tot stand kwamen door of dienden te worden goedgekeurd door [betrokkene 6] , dat hij niet op de hoogte was van de inhoud van het prospectus en ook dat hij zich daar niet mee bezig hield. Op zichzelf is juist dat [verdachte] in [plaats] een kantoor bemande waar aandelen (onder andere: aandelen [K] , [A] en [B] ) werden verkocht en dat hij zelf geen aandelen heeft verkocht. De rest van zijn verweer is echter ongeloofwaardig, aangezien dit verweer wordt weerlegd door de verklaringen van diverse getuigen in onderling verband bezien. Uit die door getuigen afgelegde verklaringen, die hierna, (kort samengevat) zijn opgenomen, blijkt immers dat [verdachte] de verkopers van de aandelen van informatie over de aandelen voorzag, dat hij betrokken was bij de totstandkoming van de inhoud van de brochures en (nieuws)brieven alsmede dat hij ervan op de hoogte was dat de inhoud van de brochure niet overeenkwam met de inhoud van het prospectus. Hij was daar door [medeverdachte 2] duidelijk op gewezen, gezien de door [medeverdachte 2] de terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring, proces-verbaal pagina 23/24 (welk proces-verbaal in het dossier van [verdachte] is gevoegd), inhoudende: “De informatie over [A] en [B] in de prospectussen en de brochures bevatte verschillen. In de prospectussen stond dat het ging om bestaande aandelen in [A] respectievelijk [B] , die nog niet aan de man waren gebracht en te koop werden aangeboden. In de brochures stond vermeld dat het ging om emissies. (…) De beleggers is op papier en door verkopers voorgehouden dat het emissies van nieuwe aandelen betrof, maar dat was niet het geval. (…) Het prospectus van zowel [A] als [B] vermeldde de juiste informatie …(…) Ik heb [verdachte] en [betrokkene 6] wel vragen gesteld over de verschillen. (…)” De door [verdachte] gebagatelliseerde rol, te weten dat hij slechts officemanager was en dat hij zich buiten het faciliteren nergens mee bemoeide past voorts evenmin bij de door hem in de periode [C & D] ontvangen betalingen (zie AH-028ac pag. 73/74, genoemd wordt een totaalbedrag van € 1.877.256,47), betalingen die - zonder nadere te verifiëren uitleg - niet kunnen worden geduid als een normale vergoeding voor iemand die slechts facilitair werk verricht. Voor wat betreft de betrokkenheid van [verdachte] bij de totstandkoming van de inhoud van de in de tenlastelegging genoemde stukken is de verklaring van de op 15 maart 2023 in hoger beroep gehoorde getuige [betrokkene 8] , tekstschrijver bij ' [N] ', van belang. Hij verklaarde: “(…) Het gaat om een zaak waarin mensen een aanbod werd gedaan te investeren in een wijngaard in Zuid-Afrika (…) Ik herinner me dat ik daar teksten voor heb geschreven. (…) Ik zal er ook wel eens met [verdachte] over gesproken hebben. [verdachte] kwam weleens langs in verband met dit project. De naam [betrokkene 37] kan ik me herinneren. Ik heb hem één keer gezien. We zijn alleen voorgesteld aan elkaar. (…) Het zal een emissie geweest zijn, als dat in de brochure staat. Ik heb er zelf geen ‘emissie’ van gemaakt, want dat is een verschil. Als je als tekstschrijver over dat soort dingen schrijft, moet je je daarin verdiepen. Het woord ‘emissie’ zal ik dan wel doorgekregen hebben in de briefing. (…) Naast dit project, hebben we ook andere projecten gedaan voor de [verdachte] . Het gaat dan om een kopermijn in Congo, investering in een Australisch bosbouwbedrijf en investeren in een bedrijf in Pachinko, een Japans spel. (…)” De [getuige 4] , eveneens van ‘ [N] ’, verklaarde ter terechtzitting in hoger beroep dat [betrokkene 8] de man van de inhoud is en dat aan [betrokkene 8] gevraagd moet worden of hij contact heeft gehad met [verdachte] . De verklaring van [betrokkene 8] wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 1] (V10-03, p. 6), die verklaarde: “De inhoud van de brochure en de nieuwsbrieven werd samengesteld door [verdachte] in samenwerking met een bedrijf in Nederland. (…)” Voor wat betreft de informatievoorziening door [verdachte] aan de verkopers van de aandelen, wordt gewezen op de verklaring van [getuige 3] die op 21 november 2022 ter terechtzitting in hoger beroep als getuige verklaarde: “Het management was [verdachte] (…) [verdachte] was mijn leidinggevende. Hij was bedrijfsleider. Hij had de dagelijkse leiding. Die bestond uit het verschaffen van informatie. Als we een aandeel kregen dan kwam er iemand langs of [verdachte] vertelde ons de informatie over het bedrijf of het aandeel. (…) Hij (hof: [betrokkene 6] ) verrichtte volgens mij geen werkzaamheden. (…) De informatie kwam meestal via [verdachte] bij compliance. (…) Met informatie over [A] werden wij geïnstrueerd. De informatie die over het product aan de klanten werd verstrekt kwam via compliance in de map terecht. Indirect kreeg ik de map vervolgens onder ogen en daarin stond wat er was verteld en welke informatie over het bedrijf was gegeven. (…) Ons is verteld, door [verdachte] , dat het om een aandelenemissie ging. (…) De informatievoorziening ging altijd via [verdachte] . (…)” Ook wordt gewezen op de verklaring van [getuige 1] (V-10) die, eveneens op 21 november 2022 als getuige in hoger beroep gehoord, verklaarde: “De aandelen [A] zijn zeker verkocht op basis van de informatie die [verdachte] ons heeft verteld. (…) Het staat voor mij vast dat ik de informatie van [verdachte] en [betrokkene 6] heb gekregen. (…) ” Dat [verdachte] de door ‘ [N] ’ aan hem toegezonden stukken niet zou hebben gelezen en dat hem geen verwijt treft omdat de stukken dienden te worden goedgekeurd door [betrokkene 6] , is in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen eveneens onaannemelijk. De [getuige 2] , zowel bij de FIOD als ter terechtzitting in hoger beroep als getuige gehoord, kan over de feitelijke gang van zaken met betrekking tot de in augustus 2004 verstuurde [A] brochure en aanbiedingsbrief niet uit eigen wetenschap verklaren. Hij heeft immers verklaard dat hij pas in 2005 is gaan werken voor [N] . Gezien het vorenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich in de tenlastegelegde periode schuldig heeft gemaakt aan het meermalen plegen van valsheid in geschrift met betrekking tot de in de tenlastelegging onder feit 2 genoemde - kort gezegd - [A] stukken door daarin het woord ‘emissie’ te laten opnemen. Feit 2. het vervalsen van stukken voor zover het om stukken gaat die een rol spelen bij het verkopen van aandelen [B] Met betrekking tot de valsheid zijn in de tenlastelegging, voor wat betreft [B] de navolgende mogelijke valsheden opgenomen: -
  14. a)de aandelen in [B] Inc. maken deel uit van een (nieuwe) aandelenemissie; -
  15. b)de inleg zou volledig of grotendeels worden besteed aan de aankoop van de aandelen en/of (bij de aankoop) zou(den) (vrijwel) geen kosten en/of commissie(
  16. s)(bij de beleggers) in mindering worden gebracht op de inleg; -
  17. c)met de inleg zou een (toren)hoog/goed/groot rendement en/of winst behaald worden; -
  18. d)[B] Inc. was een houtverwerkende onderneming met uitstekende toekomstperspectieven; -
  19. e)de aandelen [B] Inc. hadden een notering aan de NASDAQ; -
  20. f)[C] GmbH en/of [D] GmbH stonden onder toezicht van de Nederlandse Autoriteit Financiële Markten. Het hof volgt de rechtbank in haar oordeel dat de mededelingen opgenomen achter b),
  21. c)en
  22. f)niet, of onvoldoende duidelijk, in een of meer van de in de tenlastelegging genoemde geschriften staan. De onder
  23. d)opgenomen mededeling staat wel in de brochure, maar daarvan is niet vast te stellen dat deze onjuist is en dat [verdachte] en [medeverdachte 2] dat wisten. Voor wat betreft de onder
  24. e)opgenomen notering aan de NASDAQ geldt hetzelfde als hiervoor in verband met deze mededeling over de aandelen [A] is overwogen, waarbij in de [B] -brochure nog is vermeld: “is genoteerd aan de Nasdaq (OTCBB)”. Voor wat betreft de achter
  25. a)vermelde mededeling dat de aandelen [B] Inc. deel uit zouden maken van een aandelenemissie geldt het volgende. In de [B] -brochures (D-2315 en D-2350) staat - voor zover hier van belang - : de brochure (pag. 1015277 e.v.) “ HET AANBOD Om verdere expansie mogelijk te maken heeft [B] behoefte aan kapitaal. In het kapitaal dat hiervoor benodigd is wordt voorzien door middel van een aandelenemissie . Er worden in totaal 250 miljoen aandelen uitgegeven. [C] kan in totaal negen miljoen aandelen uitgeven tegen een vooraf vastgestelde koers van 1,25 dollar per aandeel. (Deze koers kan fluctueren als gevolg van veranderingen in de onderneming en op de markt).” Uit AH-028af (het proces-verbaal van ambtshandeling onderzoek naar herkomst en status van de aandelen [B] Inc. die zijn verkocht door [C] en/of [D] en zijn geleverd aan Nederlandse beleggers) blijkt dat aan Nederlandse beleggers aandelen zijn verkocht en geleverd die in bezit waren van een aandeelhouder, [betrokkene 3] . Er is (derhalve) geen emissie van (nieuwe) aandelen. Dit blijkt tevens uit het aan de hand van gepubliceerde jaarverslagen opgemaakte schema opgenomen op pagina 9 van voornoemd proces-verbaal, waaruit naar voren komt dat er na 2005 (behoudens een emissie voor diensten in 2005 van 200.000 aandelen) geen mutaties zijn geweest, terwijl in de periode van 3 mei 2005 en 24 juli 2006 aan Nederlandse beleggers door [C] en/of [D] ruim 5.000.000 aandelen [B] zijn verkocht. Voorts wordt duidelijk dat [betrokkene 3] op 22 oktober 2004 (het hof begrijpt: voor zijn diensten als adviseur) 17.000.000 aandelen [B] krijgt/ontvangt, waarvan 8.000.000 op 29 november 2005 worden geregistreerd als vrij verhandelbaar. De resterende 9.000.000 aandelen [B] die hij kreeg zijn ‘restricted’. Wat in de brochure staat, te weten dat het gaat om een aandelenemissie, is dus niet juist. [betrokkene 3] is de leverancier van de aandelen [B] die door IS en [D] aan de Nederlandse beleggers zijn verkocht. Dit laatste blijkt tevens uit de omstandigheid dat het geld dat de Nederlandse beleggers ten behoeve van de aankoop van de aandelen [B] storten op de derdenrekening van [P] zich mengt met het geld dat door - onder andere - beleggers in aandelen [A] op die rekening wordt gestort waarna het geld langs omwegen belandt bij onder andere [betrokkene 3] en [verdachte] (zie AH-028ac, pag. 3 en 73/74). Na deze vaststelling komt ook hier de vraag aan de orde of [medeverdachte 2] en/of [verdachte] strafrechtelijk een verwijt te maken valt voor het opstellen van deze aanbiedingsbrief en de folder/brochure. De rol van [medeverdachte 2] Ook hier is het hof van oordeel dat [medeverdachte 2] geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, aangezien van enige betrokkenheid bij de totstandkoming van voornoemde stukken niet is gebleken. De rol van [verdachte] In het dossier ontbreekt het [B] -prospectus. Mr. [betrokkene 7] , de raadsvrouw van [medeverdachte 2] , heeft ter terechtzitting van 21 april 2023 een informatiebrochure over [B] , gesteld in de Engelse taal, overgelegd, die ook in het dossier van [verdachte] is gevoegd. Op 9 mei 2023 heeft mr. [betrokkene 7] het hof een e-mailbericht gezonden, met daarbij een kopie van de aan [betrokkene 3] geadresseerde eindfactuur d.d. 3 mei 2005 van [M] , alsmede een kopie van het die factuur begeleidende e-mailbericht d.d. vrijdag 13 mei 2005 eveneens gericht aan [betrokkene 3] , betreffende “ [B] ” waarin staat: “As you know the prospectus was lodged with the AFM last week.” Deze brief is gevoegd in het dossier van [medeverdachte 2] , alsmede (op verzoek van de raadsman van [verdachte] ) in het dossier in de zaak van [verdachte] . Uit deze stukken moet worden afgeleid dat een [B] -prospectus op enig moment in de week van maandag 2 mei 2005 tot en met vrijdag 6 mei 2005 bij de AFM is gedeponeerd. Dit kan evenwel niet de door mr. [betrokkene 7] op 21 april 2023 overgelegde informatiebrochure zijn geweest, want deze is in de Engelse taal opgesteld en hierin is op het oog niets terug te vinden over de specifieke aandelen die door de verdachten te koop zijn aangeboden. Voor de rol van [verdachte] is ook ten aanzien van [B] de hiervoor reeds weergegeven verklaring van [medeverdachte 2] over de verschillen tussen de prospectussen en brochures relevant, inhoudende: “De informatie over [A] en [B] in de prospectussen en de brochures bevatte verschillen. In de prospectussen stond dat het ging om bestaande aandelen in [A] respectievelijk [B] , die nog niet aan de man waren gebracht en ter koop werden aangeboden. In de brochures stond vermeld dat het ging om emissies. (…) De beleggers is op papier en door verkopers voorgehouden dat het emissies van nieuwe aandelen betrof, maar dat was niet het geval. (…) Het prospectus van zowel [A] als [B] vermeldde de juiste informatie …(…) Ik heb [verdachte] en [betrokkene 6] wel vragen gesteld over de verschillen. (…)”, Voor wat betreft de rol van [verdachte] bij de totstandkoming van de stukken verwijst het hof ook naar wat hiervoor is overwogen met betrekking tot [A] , waarbij [betrokkene 8] in hoger beroep heeft verklaard dat ‘ [N] ’ naast dit project, waarmee hij doelt op de [A] stukken, ook andere projecten voor [verdachte] heeft gedaan. [betrokkene 8] noemt als ander project onder andere een investering in een Australisch bosbouwbedrijf. Dat [verdachte] ervan op de hoogte is dat het niet ging om een emissie van nieuwe aandelen en hij, ondanks deze wetenschap, in de brochure heeft laten opnemen dat het om een emissie gaat, blijkt ook uit de verklaring van [medeverdachte 2] . Voorts heeft [getuige 1] ter terechtzitting in hoger beroep als getuige verklaard dat naar zijn weten [betrokkene 3] de aandelen regelde, dat dit aan hen was verteld en dat het zo algemeen bekend was. Ook voor wat de [B] -aandelen betreft heeft [verdachte] zich in de tenlastegelegde periode dus schuldig gemaakt aan het meermalen opstellen van valse geschriften. Zowel bij de [A] -stukken als bij de [B] -stukken is onvoldoende bewijs aanwezig dat [verdachte] het opstellen van valse geschriften tezamen en in vereniging met een of meer anderen heeft gepleegd. Feit 2. het gebruik maken van vervalste stukken door [medeverdachte 2] en [verdachte] bij het verkopen van aandelen [A] en aandelen [B] De rol van [medeverdachte 2] Niet gebleken is dat [medeverdachte 2] actief betrokken is geweest bij het verzenden van brochures en nieuwsbrieven. [medeverdachte 2] treft ter zake geen strafrechtelijk verwijt, zodat hij van dit onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken. De rol van [verdachte] In juni 2004 heeft [N] van [O] GmbH (de onderneming waarvan [verdachte] aandeelhouder en bestuurder
  26. is)de opdracht gekregen een brochure samen te stellen voor de introductie van het aandeel [A] , waarna in augustus 2004 de aanbiedingsbrief en de brochure zijn verstuurd naar meer dan 600 potentiële beleggers uit het adressenbestand van IS. (1-OPV-002, pagina 9 en 10, AH-028z pagina’s 13 tot 17). Duidelijk is dat de voornoemde beleggers hierdoor (op dat moment) onjuist zijn geïnformeerd. Anders dan door [verdachte] en [medeverdachte 2] gesteld werd het prospectus (slechts) toegestuurd als klanten daarom vroegen, aldus de verklaring van [getuige 3] (V22-03, pag. 2). Deze verklaring vindt bevestiging in de verklaringen van diverse beleggers die zeggen geen prospectus te hebben gekregen, waarbij komt dat bij de onder de beleggers in beslag genomen stukken het prospectus steeds ontbreekt. Gezien het vorenstaande mochten potentiële beleggers op de juistheid van de brochure(
  27. s)afgaan met betrekking tot het daarin vermelde woord ‘emissie’. [getuige 1] (verklaring V10-02) heeft verklaard dat [betrokkene 9] (hof: [betrokkene 9] ), een voormalige secretaresse van [verdachte] (hof: [verdachte] ), zich bezig hield met het verzenden van brochures van de fondsen. In de regel, aldus [getuige 1] , ging [verdachte] bij haar langs om de brochures en de postzegels af te leveren voor verzending en [betrokkene 9] te betalen. [betrokkene 9] (verklaring G65-01) heeft, samengevat, verklaard dat zij voor wat betreft [C] , [D] en [O] GmbH te maken heeft gehad met [verdachte] , dat hij vroeg of zij wat voor hem kon doen, dat de werkzaamheden die zij verrichtte bestonden uit het versturen van post, waaronder brochures aan potentiële klanten en dat [verdachte] haar betaalde. Gezien deze verklaringen is wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] meermalen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst. Dat hij dit samen en in vereniging met anderen heeft gedaan, is niet bewezen.” De bespreking van het eerste middel 10. Het hof heeft in de hierboven aangehaalde bewijsmotivering, telkens onder b, de volgende ten laste gelegde valsheid aan de orde gesteld (ik herhaal): “de inleg zou volledig of grotendeels worden besteed aan de aankoop van de aandelen en/of (bij de aankoop) zou(den) (vrijwel) geen kosten en/of commissie(
  28. s)(bij de beleggers) in mindering worden gebracht op de inleg”. Daaromtrent heeft het hof in de bewijsmotivering telkens overwogen dat die mededeling niet (althans onvoldoende duidelijk) is opgenomen in de brochures en (nieuws)brieven die in de tenlastelegging zijn opgesomd (dan wel niet met voldoende zekerheid als vals is aan te merken), en zodoende – aldus begrijp ik het hof – niet bewezen kan worden verklaard. 11. Met juistheid wijzen de stellers van het middel erop dat het hof (náást de tweemaal onder a genoemde valsheid, te weten de onjuiste mededeling dat de aangeboden aandelen deel uitmaken van een aandelenemissie) tweemaal de onder b genoemde valsheid bewezen heeft verklaard. In de bewezenverklaring is immers tweemaal opgenomen “dat valselijk - in strijd met de waarheid - in die geschriften - zakelijk weergegeven - stond vermeld dat (…) de inleg volledig of grotendeels zou worden besteed aan de aankoop van de aandelen en/of dat er (vrijwel) geen kosten en/of commissie bij de beleggers in mindering zou worden gebracht op de inleg”. 12. Vanwege deze twee inconsistenties tussen de bewijsmotivering en de bewezenverklaring is de klacht terecht voorgesteld. Voor zover de klacht veronderstelt dat ook de valsheid onder c (te weten de mededeling dat met de inleg een (toren)hoog/goed/groot rendement en/of winst behaald zou worden) bewezen is verklaard, mist de klacht echter feitelijke grondslag. 13. Voor zover de klacht terecht is voorgesteld hoeft zij niet tot cassatie te leiden. Zonder dat dit de aard en ernst van het bewezen verklaarde aantast, kunnen de onderdelen die het hof kennelijk abusievelijk bewezen heeft verklaard uit de bewezenverklaring worden weggedacht. 14. Het eerste middel is deels terecht voorgesteld, maar hoeft niet tot cassatie te leiden. Het tweede middel: de bewijsmotivering van feit 1 (oplichting) De twee deelklachten van het tweede middel 15. Het tweede middel behelst de klacht
(1)dat de bewijsmiddelen voor feit 1 op veel onderdelen niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring en
(2)dat de beleggers niet door de bedoelde geschriften of gesprekken zijn bewogen tot de aankoop van aandelen. De bewezenverklaring en de bewijsmotivering van feit 1 16. Het hof heeft onder 1 ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat: “hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2004 tot en met 25 juli 2006 in Nederland en in Duitsland, meermalen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door een samenweefsel van verdichtsels een groot aantal personen, waaronder de nagenoemde personen, heeft bewogen en/of heeft doen bewegen tot het aangaan van (een) schuld(en), te weten (een) overeenkomst(
  1. en)betreffende de investering/aankoop in/van aandelen in [A] Inc. en/of [B] Inc., en/of de afgifte van één of meer geldbedragen, te weten : = [benadeelde 16] , geldbedragen van in totaal Euro 1.499.875,- en = [benadeelde 7] , geldbedragen van in totaal Euro 101.548,- en = [benadeelde 5] , geldbedragen van in totaal Euro 225.000,- en = [benadeelde 11] , geldbedragen van in totaal ongeveer Euro 824.876,- en USD 50.000,- en = [benadeelde 2] , geldbedragen van in totaal Euro 41.380,- en = [benadeelde 4] , geldbedragen van in totaal ongeveer Euro 5.000,- en USD 130.090,- en = [benadeelde 14] , geldbedragen van in totaal Euro 47.800,- en = [benadeelde 6] , geldbedragen van in totaal Euro 36.300,- en = [benadeelde 15] , geldbedragen van in totaal Euro 449.931,- en = [benadeelde 3] , geldbedragen van in totaal Euro 20.000,- en = [benadeelde 17] , geldbedragen van in totaal Euro 97.158,- en = [benadeelde 18] , geldbedragen van in totaal USD 50.500,- en = [benadeelde 8] , geldbedragen van in totaal Euro 23.904,- en = [benadeelde 13] , geldbedragen van in totaal Euro 330.000,- en = [benadeelde 9] , een geldbedrag van in totaal Euro 48.500,-, door telkens met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en in strijd met de waarheid, in/aan de hand van brochures en nieuwsbrieven en orderbevestigingen en gesprekken, jegens voormelde personen te doen alsof ten aanzien van de aan hen voorgestelde investering/aankoop in/van aandelen in [A] Inc. en/of [B] Inc. sprake was van bonafide beleggingsproducten en ten aanzien van [C] GmbH en/of [D] Gmbh sprake was van bonafide beleggingsorganisaties en voor te wenden en/of mede te delen dat = de aandelen in [A] Inc. en [B] Inc. deel uitmaakten van (nieuwe) aandelenemissie(
  2. s)en = de inleg volledig of grotendeels zou worden besteed aan de aankoop van de aandelen en/of dat er bij de aankoop (vrijwel) geen kosten en/of commissie(
  3. s)bij hen in mindering zou(den) worden gebracht op de inleg en = met de inleg een goed rendement behaald zou worden;” 17. Het hof heeft de bewezenverklaring als volgt gemotiveerd (arrest p. 23-26): “Feit 1. het in vereniging meermalen medeplegen van oplichting bij het verkopen van aandelen [A] en aandelen [B] Het hof zal eerst beoordelen of sprake is van oplichting en van welke beleggers, waarna vervolgens zal worden gekeken welke verdachte(
  4. n)daarvoor verantwoordelijk is/zijn. Hiervoor is (reeds) vastgesteld dat in de brochures die betrekking hadden op de verkoop van aandelen [A] en op de verkoop van aandelen [B] (hierna: de [A] brochure en de [B] brochure) die aan potentiële beleggers werden gestuurd ten onrechte was vermeld dat het om een emissie van aandelen ging, waarbij de illusie werd gewekt dat het (ingelegde) geld van de beleggers zou worden geïnvesteerd in de respectievelijke bedrijven. Uit de verklaringen van aangevers die in deze aandelen hebben belegd moet, naar de kern samengevat, worden opgemaakt dat aan hen alleen een brochure werd toegestuurd en dat ze geen prospectus hebben ontvangen. Het verweer dat de aangevers het prospectus hadden moeten en kunnen lezen en daar ook voor hebben getekend wordt dan ook verworpen. Aan de aangevers werd door de verkopers ook verteld dat het een emissie van aandelen betrof, dus dat het geld dat zij voor de aandelen betaalden in de bedrijven werd geïnvesteerd. Voorts werd een (meer dan) goed rendement in het vooruitzicht gesteld. Wat betreft de aandelen [A] blijkt uit het prospectus dat de aandelen, die (in het begin) voor ongeveer 1 US dollar per stuk werden verkocht, kort daarvoor waren uitgegeven tegen de inbreng van de activa van de wijngaard [L] met bijbehorend vastgoed ter waarde van 0,035 US dollar per aandeel. Deze activa waren (vooralsnog) de enige activa van [A] . De vennootschap had nog geen winst gemaakt. Dit betekent dat de waarde van de aandelen tegen de prijs waarvoor ze werden aangeboden nagenoeg uitsluitend werd bepaald door verwachtingen omtrent toekomstige ontwikkelingen. De vermelding in het prospectus dat het bij de aangeboden aandelen sprake is van "speculatieve aandelen" (par. 1.8.2) is dan ook, mede gelet op de aard van de bedrijfsactiviteiten, bepaald een understatement. Mede nu het geld van de beleggers niet ten goede zou komen aan de onderneming zelf en dus niet gebruikt zou worden voor expansie, was het in het vooruitzicht stellen van een (meer dan) goed te behalen rendement niet verantwoord en bedrieglijk. Dat aan de potentiële beleggers ook werd verteld dat beleggen natuurlijk risico inhoudt en ook dat het hier ging om aandelen met een hoog risico en sommige beleggers ook hoog opgeleid zijn, zoals de verdediging heeft aangevoerd, doet hier niet aan af. Ook voor de aandelen [B] geldt dat anders dan werd voorgespiegeld er geen sprake was van een emissie en dat het geld dat beleggers inlegden niet naar het bedrijf ging. De conclusie is dat beleggers het in artikel 326 Sr genoemde samenweefsel van verdichtsels is voorgehouden. De volgende vraag is wie daardoor zijn bewogen tot aanschaf. Als daarvan sprake is moet de vraag beantwoord worden wat de rol van [verdachte] en [medeverdachte 2] hierbij was. De delictsomschrijving van oplichting houdt, kort samengevat, in dat iemand, derhalve een individu, door een oplichtingsmiddel moet zijn bewogen. Een en ander brengt mee dat niet snel tot een bewezenverklaring van een groep beleggers kan worden gekomen op basis van een algemene tenlastelegging. Dit kan slechts anders zijn als van een of meer in die tenlastelegging opgenomen bewezen verklaarde oplichtingsmiddelen (al dan niet in onderling verband beschouwd) zonder aarzeling kan worden aangenomen dat
  5. a)alle beleggers daarvan kennis hebben genomen en
  6. b)dat het niet anders kan dan dat zij zich daardoor ook allen hebben laten leiden aangezien zij de kern/de essentialia van de overeenkomsten bevatten. Dit (laatste) geldt in deze zaak voor wat in feit 1) onder de navolgende gedachtestreepjes is opgenomen, te weten: “te doen alsof (ten aanzien van de (aan hen voorgestelde investering/aankoop in/van) aandelen in [A] Inc. en/of [B] Inc.) sprake was van (een) bonafide (beleggings)product(
  7. en)en (aldus) voor te wenden en/of mede te delen dat - met hun inleg een (toren)hoog/goed/groot rendement en/of winst behaald zou worden.” Dat dit als vaststaand kan worden aangenomen - ook zonder dat de afzonderlijke beleggers daarover zijn gehoord - wordt gebaseerd op de inhoud van de voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomsten aan de potentiële beleggers toegezonden aanbiedingsbrieven, brochures en nieuwsbrieven en gelet op hetgeen de verkopers van de aandelen hebben verklaard over de door hen met de potentiële beleggers gevoerde verkoopgesprekken. In het licht van het vorenstaande zijn niet alleen van de in de tenlastelegging met name genoemde personen opgelicht, maar daarnaast ook een groot aantal niet met name genoemde personen. Het hof merkt - ten overvloede - nog op dat een belegger alleen op het moment van de inleg kan zijn bewogen (en daarmee opgelicht). Een belegger die al is ingestapt kan niet door stukken die hij later ontvangt zijn bewogen tot zijn inleg. In de onderhavige zaak geldt dit voor nieuwsbrieven die door beleggers zijn ontvangen nadat koopovereenkomsten met betrekking tot aandelen [A] en aandelen [B] waren gesloten. Resteert de vraag wat de rol van [verdachte] en [medeverdachte 2] hierbij was. De rol van [verdachte] [getuige 3] , een van de personen die betrokken was bij de verkoop van de aandelen [A] en [B] heeft, samengevat, verklaard dat [verdachte] zijn leidinggevende was en dat hij de informatie, die hij in gesprekken deelde met potentiële beleggers over de onderneming en de aandelen kreeg van [verdachte] , de leidinggevende. Ter terechtzitting in hoger beroep op 21 november 2022 als getuige gehoord verklaarde hij: “ [verdachte] was mijn leidinggevende. Hij was de bedrijfsleider. Hij had de dagelijkse leiding die bestond uit het verschaffen van informatie. (…) Wij verkochten bestaande aandelen. Dat wist ik niet. Ik ben altijd overtuigd geweest van hetgeen ons verteld is en dat is dat wij emissies verkochten. (…) Wij vertelden de beleggers dat er een aandelenemissie was, … Het geld zou ten goede van het bedrijf komen. Dat lijkt mij ook logisch als je zegt dat er sprake is van een aandelenemissie. (…) Bij een emissie komt het geld ten goede aan het bedrijf. (…) Ons is verteld, door [verdachte] , dat het om een aandelenemissie ging. Ik was er niet van op de hoogte dat wij bestaande aandelen verkochten. Ik kende de verschillen toen ook niet zo goed. De informatievoorziening ging altijd via [verdachte] . Tegen klanten vertelde ik dat er sprake was van een emissie en dat het geld naar het bedrijf zou gaan. (…) Ik dacht dat het geld van de verkochte aandelen naar het bedrijf ging. Ik heb dat ook verteld tegen klanten. Zo is het ons ook altijd gezegd.(…)” [getuige 1] , eveneens betrokken bij de verkoop van de aandelen [A] en [B] heeft, samengevat, verklaard dat hij is aangenomen door [verdachte] , dat [verdachte] zich bezig hield met de inhoud (V10-02, pag. 4), dat hij de aandelen verkocht op basis van informatie die hem door [verdachte] en [betrokkene 37] werd verteld, dat achteraf gezien de beleggers geen enkele kans hadden op koerswinst (V10-03, pag. 5), dat de aandelen verkocht werden namens de uitgevende bedrijven en het dus een nieuwe emissie en geen verkoop van aandelen van bestaande aandeelhouders betrof (V10-05, pag. 4). [getuige 1] verklaarde in hoger beroep op 21 november 2022: “Als een nieuwe klant zich meldde dan werd deze gebeld. Dat gebeurde bij mijn verkoopafdeling. (…) Ze werden vervolgens gebeld en kregen een brochure opgestuurd. Mensen werden geënthousiasmeerd … Als een deal was gesloten dan kregen die klanten per e-mail of fax een contract. (…)” Gezien deze verklaringen van [getuige 3] en [getuige 1] is wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan het (doen) oplichten van beleggers, door de onjuiste informatie die hij gaf aan de verkopers in de wetenschap dat de verkopers deze zouden gebruiken om de beleggers te informeren over de aandelen. Het medeplegen van oplichting is niet bewezen. Daarvoor ontbreekt, gelet op de door de Hoge Raad gestelde criteria, en de hierna volgende overweging over de rol van [medeverdachte 2] (voldoende) wettig en overtuigend bewijs. De rol van [medeverdachte 2] (…).” 18. In de bijlage bij het verkorte arrest heeft het hof als bewijsmiddelen onder meer de verklaringen opgenomen van beleggers en de inhoud weergegeven van documentatie die de FIOD van hen in ontvangst heeft genomen. Dat betreft [benadeelde 16] (p. 3-4), [benadeelde 7] (p. 5-7), [benadeelde 5] (p. 8-10), [benadeelde 11] (p. 10-13), [benadeelde 2] (13-14), [benadeelde 4] (p. 14-15), [benadeelde 14] (p. 15-16), [benadeelde 6] (p. 16-17), [benadeelde 15] (p. 17-18), [benadeelde 3] (p. 18-19), [benadeelde 17] (p. 19-20), [benadeelde 18] (p. 20-21), [benadeelde 8] (p. 21-22), [benadeelde 13] (p. 22-24), [benadeelde 9] (p. 24-25), [benadeelde 12] (p. 25-26), [benadeelde 10] (p. 26), [benadeelde 19] (p. 26-27). Zie voor passages uit de (nieuws)brieven en de brochures omtrent [A] en [B] : p. 28-31. Voor verklaringen van (potentiële) medewerkers van de verdachte, verwijs ik naar p. 35-39. Ik volsta met te verwijzen naar de aanvulling op het verkorte arrest. De uitwerking van de klachten van het tweede middel 19. De stellers van het middel wijzen op drie bestanddelen van de ten laste gelegde oplichting, te weten dat het moet gaan om
(1)een samenweefsel van verdichtsels,
(2)dat bestaat uit onware mededelingen, namelijk kort gezegd dat de aandelen bonafide beleggingen betroffen, en
(3)dat beleggers daardoor zijn bewogen om in te leggen. Vervolgens bespreken de stellers van het middel (zie p. 17-36 van de schriftuur) alle hierboven opgesomde getuigenverklaringen van beleggers en betogen zij voor iedere verklaring afzonderlijk dat daaruit niet het bewijs van de oplichting van de betreffende belegger kan worden afgeleid. De grootste gemene deler in deze besprekingen is steeds de stelling dat de betreffende verklaring onvoldoende uitwijst dat de betreffende belegger door de in de bewezenverklaring opgenomen mededelingen is bewogen om tot aankoop van aandelen [A] en/of [B] over te gaan. De bespreking van het tweede middel 20. Het hof heeft in de kern genomen vastgesteld dat de aandelen in [A] en [B] die door de verdachte (naar ik begrijp: als functioneel pleger) aan de man werden gebracht niet – zoals in gesprekken, brochures en (nieuws)brieven wél werd voorgespiegeld – afkomstig waren uit een emissie van aandelen door een vennootschap die beoogde haar kapitaalbehoefte af te dekken. Het ging in werkelijkheid om de herplaatsing van bestaande, reeds uitgegeven aandelen. De beleggers financierden dan ook niet de vennootschap, de voorgenomen investeringen en de uitbreiding van de door de vennootschap ondernomen bedrijfsactiviteiten, maar kochten rechtstreeks van een aandeelhouder ( [betrokkene 3] ). Onvermeld bleef bovendien dat de aangeboden aandelen (in het geval van ANWA) eerder waren uitgegeven tegen de inbreng van activa ter waarde van 0,035 US dollar per aandeel, terwijl de aandelen kort daarna door de verdachte werden aangeboden voor 1 US dollar per stuk. Deze activa betroffen (vooralsnog) de enige activa (van [A] ). De vennootschap had nog geen winst gemaakt. Dit betekent dat de waarde van de aandelen tegen de prijs waarvoor ze werden aangeboden nagenoeg uitsluitend werd bepaald door verwachtingen omtrent toekomstige ontwikkelingen. De vermelding in het prospectus dat het bij de aangeboden aandelen gaat om "speculatieve aandelen" acht het hof dan ook, mede gelet op de aard van de bedrijfsactiviteiten, “bepaald een understatement”. Eén van de medewerkers van de verdachte merkte hierover op “dat achteraf gezien de beleggers geen enkele kans hadden op koerswinst.” Het hof overweegt in het verlengde hiervan: “Mede nu het geld van de beleggers niet ten goede zou komen aan de onderneming zelf en dus niet gebruikt zou worden voor expansie, was het in het vooruitzicht stellen van een (meer dan) goed te behalen rendement niet verantwoord en bedrieglijk.” Het hof oordeelt dat de beleggers – in gesprekken, brochures en (nieuws)brieven – steeds een samenweefsel van verdichtsels is voorgehouden, te weten dat het ging om een bonafide beleggingsproduct met te verwachten hoge rendementen. Het hof acht vaststaan dat de in de bewezenverklaring genoemde beleggers van dit samenweefsel kennis hebben genomen en dat zij zich daardoor bij de aanschaf van de betreffende aandelen hebben laten leiden. 21. Ik geef de stellers van het middel toe dat niet uit alle in de aanvulling op het verkorte arrest weergegeven verklaringen steeds met zoveel woorden valt op te maken welke (schriftelijke of mondelinge) mededelingen de betreffende belegger exact tot zijn inleg hebben bewogen. De stellers van het middel gaan er evenwel aan voorbij dat het hof deze bewijsproblematiek ook onder ogen heeft gezien. Het hof heeft immers overwogen dat het alleen tot de bewezenverklaring van oplichting is overgegaan (ik herhaal): “als van een of meer in die tenlastelegging opgenomen bewezen verklaarde oplichtingsmiddelen (al dan niet in onderling verband beschouwd) zonder aarzeling kan worden aangenomen dat
  1. a)alle beleggers daarvan kennis hebben genomen en
  2. b)dat het niet anders kan dan dat zij zich daardoor ook allen hebben laten leiden aangezien zij de kern/de essentialia van de overeenkomsten bevatten. Dit (laatste) geldt in deze zaak voor wat in feit 1) onder de navolgende gedachtestreepjes is opgenomen, te weten: “te doen alsof (ten aanzien van de (aan hen voorgestelde investering/aankoop in/van) aandelen in [A] Inc. en/of [B] Inc.) sprake was van (een) bonafide (beleggings)product(
  3. en)en (aldus) voor te wenden en/of mede te delen dat met hun inleg een (toren)hoog/goed/groot rendement en/of winst behaald zou worden.” Dat dit als vaststaand kan worden aangenomen - ook zonder dat de afzonderlijke beleggers daarover zijn gehoord - wordt gebaseerd op de inhoud van de voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomsten aan de potentiële beleggers toegezonden aanbiedingsbrieven, brochures en nieuwsbrieven en gelet op hetgeen de verkopers van de aandelen hebben verklaard over de door hen met de potentiële beleggers gevoerde verkoopgesprekken.” 22. Met andere woorden, het hof heeft bij de vaststelling van hetgeen de beleggers tot inleg heeft bewogen niet alleen acht geslagen op iedere getuigenverklaring afzonderlijk, maar tevens (
  4. i)op de samenhang met de inhoud van de in de bewezenverklaring genoemde geschriften én (
  5. ii)op hetgeen de medewerkers van de verdachte hebben verklaard over de inhoud van hun contacten met de beleggers. Daarbij heeft het hof m.i. bovendien acht mogen slaan op de samenhang tussen de verklaringen van de beleggers onderling en hetgeen daaruit unisono valt op te maken, te weten dat de medewerkers van de verdachte in hun contacten met beleggers – al dan niet gebruikmakend van opgewekt vertrouwen – ronduit lyrisch waren over het beleggingsproduct, maar informatie die de verwachtingen zouden kunnen temperen onvermeld lieten. 23. De klachten van het middel miskennen dat de beoordeling of de betrokken beleggers door oplichtingsmiddelen tot de aanschaf van aandelen zijn bewogen, in belangrijke mate afhankelijk is van de aan de feitenrechter voorbehouden selectie en waardering van bewijsmiddelen. Het hof heeft het bewijs van essentiële bestanddelen van oplichting m.i. middels gevolgtrekkingen uit de inhoud van deze bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang beschouwd – kunnen afleiden. Tot een verdergaande toets reikt de procedure in cassatie niet. 24. Het tweede middel faalt. Het derde middel: de bewijsmotivering van feit 3 (feitelijke leidinggeven aan oplichting) De klachten van het derde middel 25. Het derde middel behelst de klacht
(1)dat de bewijsmiddelen voor de bewezenverklaring van feit 3 op veel onderdelen niet redengevend zijn en
(2)“dat de in de bewezenverklaring van feit 3 opgenomen personen niet bewogen zijn om geld te investeren door de feitelijke omschrijving in die bewezenverklaring”. De bewezenverklaring en de bewijsmotivering van feit 3 26. Met verbetering van een verschrijving (zie de aanvulling op het verkorte arrest, p. 1; verbetering hier in vet afgedrukt) heeft het hof onder 3. primair bewezen verklaard dat: “[G] B.V. in de periode van 1 mei 2009 tot en met 1 oktober 2009 in Nederland en in Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen meermalen, met het oogmerk zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door een samenweefsel van verdichtsels de nagenoemde personen, heeft bewogen tot het aangaan van een schuld, te weten een overeenkomst betreffende de investering/aankoop in/van aandelen in [E] AG, en de afgifte van één geldbedragen, te weten: = [getuige 5] , een geldbedrag van Euro 50.000,-en = [getuige 6] , een geldbedrag van Euro 50.000,- en = [getuige 7] , een geldbedrag van Euro 50 .000,- en = [getuige 8] , een geldbedrag van Euro 100.000,- en = [getuige 9] , een geldbedrag van Euro 1.000.000,-, door telkens met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en in strijd met de waarheid, in/aan de hand van brochures en e-mails en orderbevestigingen en gesprekken, jegens voormelde personen voor te wenden en/of mede te delen dat = de aandelen in [E] AG deel uitmaakten van een aandelenemissie en = de inleg volledig of grotendeels zou worden besteed aan de aankoop van de aandelen en/of dat er (vrijwel) geen kosten en/of commissie in mindering zou worden gebracht op de inleg en/of = met de inleg een goed rendement (van 50%) behaald zou worden en/of tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feiten hij, verdachte telkens opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedragingen hij, verdachte, telkens feitelijke leiding heeft gegeven; en [G] B.V. in de periode van 7 oktober 2009 tot en met 30 juni 2013 in Nederland en in Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, met het oogmerk zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door een samenweefsel van verdichtsels een aantal personen, waaronder de nagenoemde personen, heeft bewogen tot het aangaan van (een) schuld(en), te weten (een) overeenkomst(
  1. en)betreffende de investering/aankoop in/van aandelen in [F] AG, en de afgifte van één of meer geldbedragen, te weten: = [betrokkene 10] , geldbedragen van in totaal Euro 150.000,- en = [betrokkene 11] , geldbedragen van Euro 200.000,-, door met voren omschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en in strijd met de waarheid, in gesprekken, jegens voormelde personen voor te wenen en/of mede te delen dat = de aandelen [F] AG deel uitmaakten van aandelenemissies en/of = de inleg volledig of grotendeels zou worden besteed aan de aankoop van de aandelen en/of dat er bij de aankoop (vrijwel) geen kosten en/of commissie(
  2. s)in mindering zou(den) worden gebracht op de inleg en/of = een overname en/of beursgang ophanden is waardoor de aandelen in waarde gaan stijgen, tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feiten hij, verdachte, telkens opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedragingen hij, verdachte, telkens feitelijke leiding heeft gegeven;” 27. Het hof heeft deze bewezenverklaring als volgt gemotiveerd (p. 26-39, ik laat de opmaak van het hof intact, voetnoten zijn van het hof): “ [E] AG Onder feit 3 is aan [verdachte] ten aanzien van [E] AG (hierna: [E] ) tenlastegelegd dat hij beleggers heeft opgelicht en daarbij gebruik heeft gemaakt van de valse geschriften die onder feit 5 in de tenlastelegging zijn opgenomen. [verdachte] wordt ook verweten onder feit 4 dat hij de aandelen zonder vergunning heeft aangeboden. Het hof zal daarom eerst enkele feiten vaststellen, vervolgens, de valsheid in geschrift en oplichting bespreken en afsluiten met bespreking van het handelen zonder vergunning. Inleiding Op 5 december 2008 is het Zwitserse bedrijf [E] opgericht als onderdeel van [E] AG (hierna: [E] ) te [benadeelde 4] . [E] hield zich bezig met het exploiteren van bedrijven in de modebranche. De eigenaren waren [betrokkene 12] en [betrokkene 13] . Zij hebben beiden hun aandelen in [E] , te weten 50.000 aandelen ter waarde van € 50.000,-, hiervoor ingebracht bij [E] . De ondernemingen in [E] , de daarmee verbonden onderneming [E] en de daaraan gelieerde modebedrijfjes hebben slecht een korte periode bestaan. Sinds februari 2009 staan de aandelen [E] op de open markt van de beurs in Frankfurt genoteerd. De aandelen waren vrijwel volledig in handen van vier aandeelhouders. Er was een beursnotering, maar geen feitelijk aanbod van deze aandelen op de markt. De aandelen zijn door een individuele aandeelhouder alleen te verkopen als hij zelf een nieuwe koper vindt. [verdachte] heeft op 19 juni 2009 een overeenkomst gesloten met [betrokkene 12] , inhoudende dat [verdachte] de verkoop van de aandelen [E] aan derden zou gaan verzorgen. Deze overeenkomst is [verdachte] aangegaan namens [G] B.V., waarvan hij enig aandeelhouder en bestuurder is. Blijkens een e-mailbericht van [betrokkene 12] aan [verdachte] zijn zij met [R] AG overeengekomen in totaal 1.250.000 aandelen [E] te zullen verkopen voor € 5.000.000,-. [betrokkene 12] , [S]en [T] tekenden elk een overeenkomst met [E] waarin zij afspreken dat zij een deel van hun aandelen voor de periode van 30 juni 2009 tot en met 31 maart 2010 zullen uitlenen aan [E] . In totaal lenen zij 1.249.999 aandelen uit aan [E] : [betrokkene 12] 464.970 aandelen, [S] 433.758 aandelen en [T] 351.271 aandelen. [E] verkoopt vervolgens, via [verdachte] , een deel van de aandelen aan de Nederlandse beleggers als ‘eigen aandelen van de onderneming’. In de aandeel-leenovereenkomsten is de verplichting opgenomen dat [E] na afloop van de leenperiode verplicht is tot terug levering van aandelen van dezelfde soort en hetzelfde aantal. [E] treedt feitelijk op als bemiddelaar bij de verkoop van de aandelen van de oude aandeelhouders. In juli en augustus 2009 zijn vier Nederlandse en één Belgische belegger telefonisch benaderd om te investeren in aandelen [E] . Gezamenlijk hebben deze beleggers 562.500 aandelen gekocht voor € 1.250.000,-. Deze beleggers zijn benaderd door [alias medeverdachte 4] en [alias medeverdachte 4] , het alias van [medeverdachte 4] . [betrokkene 13] , directeur van [E] en [U] vertelt later aan belegger [getuige 8] dat vanaf september 2009 de boekhouding van [V] al niet meer werd gevoerd omdat er geen geld was de boekhouder te betalen. De beleggers hebben het geld voor de aankoop van de aandelen gestort op rekening van het notariskantoor [W] in [benadeelde 4] . Een groot deel van dat geld is doorgestort naar [E] , dus niet aan [E] en 50% is uitbetaald aan [verdachte] . Zijn vennootschap [G] B.V. factureerde hiervoor aan [E] een commissie van 50% van de inleg van de beleggers. Deze facturen zijn ondertekend door [verdachte] . Feit 5. Opdracht geven tot, dan wel feitelijk leiding geven aan, medeplegen van valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruik maken van valse geschriften, begaan door een rechtspersoon [verdachte] wordt onder feit 5 - voor zover in hoger beroep nog aan de orde - verweten dat hij (primair: als opdrachtgever en/of feitelijk leidinggever, subsidiair: zonder die hoedanigheden) was betrokken bij het medeplegen van het valselijk opmaken en/of het opzettelijk gebruik maken van twee valse geschriften, namelijk een e-mailbericht (D-178) en een brochure (D-178a). Deze geschriften zijn aan potentiële beleggers verstrekt om hen te informeren over en te bewegen tot de aankoop van aandelen [E] . (…). Niet wettig en overtuigend is dan ook bewezen wat [verdachte] ten aanzien van D-178 is tenlastegelegd. Het hof zal [verdachte] daarom integraal vrijspreken van het onder 5 tenlastegelegde. Feit 3. [E] AG, oplichting van de beleggers [verdachte] is in eerste aanleg (alleen) veroordeeld voor het feitelijk leidinggeven aan de door [G] B.V. gepleegde oplichting van de beleggers [getuige 5] (een geldbedrag van € 50.000,-), [getuige 6] (€ 50.000,-), [getuige 7] (€ 50.000,-), [getuige 8] (€ 100.000,-) en [getuige 9] (€ 1.000.000,-). Nu namens het openbaar ministerie geen hoger beroep is ingesteld zijn alleen deze vijf beleggers in hoger beroep nog aan de orde. [G] B.V. wordt verweten dat de beleggers door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgr(e)ep(
  3. en)en/of door een samenweefsel van verdichtsels zijn bewogen tot afgifte van geldbedragen. Het samenweefsel van verdichtsels zou hebben bestaan uit het valselijk en in strijd met de waarheid, in/aan de hand van brochures, de e-mailberichten, orderbevestigingen en/of gesprekken, jegens de beleggers ten aanzien van de aan hen voorgestelde aankoop van aandelen [E] voorhouden dat: a. sprake was van een bonafide beleggingsproduct, en voor te wenden en/of mede te delen dat b. de aandelen in [E] AG deel uitmaakten van een aandelenemissie en/of c. de inleg volledig of grotendeels zou worden besteed aan de aankoop van de aandelen en geen commissies in rekening zouden worden gebracht en/of d. met de inleg een goed rendement (van 50%) behaald zou worden en/of e. een overname of fusie ophanden is waardoor de aandelen in waarde gaan stijgen en/of f. op het moment van aankoop de werkelijke waarde van een aandeel [E] € 4,00 was en/of g. de inleg ten behoeve van de aandelen in betrouwbare handen is omdat de inleg overgemaakt moet worden naar een bankrekeningnummer van een notariskantoor. Tenlastegelegde mededelingen in strijd met de waarheid? Uit de vaststelling van de hierboven opgenomen feiten blijkt dat de aangeboden aandelen [E] geen deel uitmaakten van een aandelenemissie (
  4. b)en dat de inleg ook niet volledig of grotendeels werd besteed aan de aanschaf van aandelen (c). [G] B.V. wist ook dat deze mededelingen in strijd met de waarheid waren omdat [verdachte] namens [G] B.V. met [betrokkene 12] een overeenkomst had gesloten waarbij [betrokkene 12] , [S]en [T] als de leveranciers van de aandelen optraden en [G] B.V. 50% van de inleg direct als commissie kreeg uitbetaald. Deze twee mededelingen waren daarmee in strijd en uit de door [verdachte] namens [G] B.V. ondertekende overeenkomst blijkt ook dat [G] B.V./ [verdachte] daar wetenschap van had. De mededeling dat het zou gaan om een aandelenemissie heeft ook tot gevolg dat beleggers zich niet af gaan vragen waarom de bestaande aandeelhouders - in het zicht van zoveel mooi nieuws - alsnog afscheid willen nemen van hun aandelen. Een rendement van 50% op korte termijn is misschien theoretisch mogelijk (d.), maar niet reëel te verwachten als al gelijk de helft van de inleg aan commissie moet worden afgedragen. Om een 50% rendement op de inleg te behalen zou de waarde van de daadwerkelijk aangeschafte aandelen dan moeten verdrievoudigen. Dat is niet realistisch en niet valt in te zien dat een verkoper - in dit geval zeer nauw betrokken bij de onderneming - die over deze kennis zou beschikken de aandelen dan nog van de hand zou doen. Gelet daarop is de mededeling dat met de inleg een goed rendement (50%) zou worden behaald in strijd met de waarheid. Dat er overnamegesprekken liepen is niet aannemelijk nu hiervoor geen objectieve aanwijzing bestaat en ook hier de vraag kan worden gesteld of bestaande aandeelhouders - die zo dicht bij het vuur zitten - dan nog tot verkoop zouden overgaan voor een prijs ver onder de overnameprijs. Het hof kan echter niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat er geen overnamegesprekken liepen en deze mededeling daarom vals en in strijd met de waarheid was. Dat op het moment van aankoop de werkelijke waarde van een aandeel [E] geen € 4,00 was (
  5. f)blijkt onvoldoende. Daarbij speelt onder meer een rol dat het begrip ‘waarde’ bij incourante aandelen een diffuus begrip is. Ook is niet bewezen dat ten aanzien van de aandelen [E] geen sprake zou zijn van een bonafide beleggingsproduct. Dat de inleg ten behoeve van de aandelen in betrouwbare handen is omdat de inleg overgemaakt moet worden naar een bankrekeningnummer van een notariskantoor (g), is wellicht niet zonder meer logisch, maar nu het geld door de beleggers daadwerkelijk is overgemaakt naar het bankrekeningnummer van het notariskantoor, is deze mededeling in zoverre niet valselijk en/of in strijd met de waarheid gedaan. Anders dan de rechtbank zal het hof [verdachte] vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging. Beleggers [getuige 5] , [getuige 6] , [getuige 7] , [getuige 8] en [getuige 9] ‘bewogen’ door de mededelingen? Bewezen is dat deze vijf beleggers in de aandelen [E] door een samenweefsel van verdichtsels zijn bewogen tot het aangaan van één of meer overeenkomsten voor de aankoop van deze aandelen en de afgifte van geldbedragen daarvoor. [medeverdachte 4] heeft verklaard (V05-03, p. 2) dat hij personen opbelde en aan hen vroeg of ze informatie wilden ontvangen over de aandelenemissie van [V] . [medeverdachte 4] legde dan uit dat [V] een modebedrijf was dat beursgenoteerd was en een nieuwe aandelenemissie ging doen. De [getuige 5] heeft verklaard dat de aandelen op 1 december 2009 op de markt zouden komen en dat hem verteld werd dat hij binnen een week een winst zou maken van 50% (G01-01, p. 2 en 3). De aandelen [E] zijn hem aangeboden als een nieuwe emissie (G01-02, p. 2). Dat [getuige 5] na lang aarzelen voornamelijk zou zijn ingestapt omdat hij een vertrouwensrelatie met [medeverdachte 4] had (G-1-01, p. 2), wil niet zeggen dat hij niet mede is bewogen door de inhoud van de aanbieding zelf. De [getuige 6] heeft verklaard dat hem is verteld dat hij op de aandelen binnen een halfjaar een rendement van 50% zou kunnen maken (G02-01, p. 2). [verdachte] is bij [getuige 6] langs geweest en stelde zich voor als hoofd-broker (G02-01, p 3). De [getuige 7] heeft verklaard dat hem door [medeverdachte 4] is verteld dat er een uitgifte van nieuwe aandelen (het hof begrijpt een aandelenemissie) aan zat te komen, aangezien [E] vermogen nodig had om allerlei mode lijnen in de markt te zetten (G03-01, p. 2). Dat [getuige 7] mede zou zijn bewogen door de mededeling van de ABN AMRO dat ‘het goede aandelen zijn’ (G03-01, p.3) doet niet af aan het feit dat [getuige 7] (mede) is bewogen door de inhoud van het voorstel dat hem door [medeverdachte 4] werd gedaan. De [getuige 8] heeft met [medeverdachte 4] en [alias medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ) gesproken (G05-01, p. 3 en 4). [alias medeverdachte 4] vertelde hem dat een Italiaanse partij bereid was een merk van [E] over te nemen en dat daardoor de aandelen [E] binnenkort veel meer waard zouden worden (G05-01, p. 2). [alias medeverdachte 4] zou hoofd van de emissie (het hof begrijpt: emissie van aandelen) zijn. De aandelen zijn [getuige 8] aangeboden als nieuw te emitteren aandelen (G05-02, p. 3). Met de opbrengst van de aandelen zou [E] de uitbreiding van haar bedrijfsactiviteiten financieren. Als hij, [getuige 8] , had geweten dat 50% van zijn inleg aan commissie zou worden uitbetaald, dan zou hij nooit de aandelen hebben gekocht. Hij heeft de aandelen gekocht om op korte termijn een aanzienlijke koerswinst te realiseren. De [getuige 9] heeft verklaard dat [medeverdachte 4] hem had verteld dat de aandelen in principe al voor een vaste prijs waren verkocht aan een Italiaans modebedrijf dat een belang in [V] wilde nemen. [getuige 9] wilde met de aandelen een kortdurende belegging doen, met volgens [medeverdachte 4] de garantie van een forse winst. De aandelen zouden deel uitmaken van een emissie van € 6.000.000,-. Het doel was de inbreng van kapitaal in de vennootschap [E] (G04-01, p. 4). Het samenweefsel van verdichtsels bestond uit – kort en zakelijk weergegeven – de mededelingen dat sprake was van een aandelenemissie en met de inleg na de beursgang of overname een goed rendement (van 50%) behaald zou worden. Dat is beleggers ook voorgehouden. De Hoge Raad heeft overwogen dat voor het aannemen van een samenweefsel van verdichtsels sprake moet zijn van "meer dan een enkele leugenachtige mededeling". Van “meer dan een enkele leugenachtige mededeling” is niet slechts sprake indien meerdere duidelijk van elkaar te scheiden leugens kunnen worden aangewezen, maar ook indien sprake is van een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht, in combinatie met andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden die tot misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden (HR 3 februari 2015, ECLI:NL:2015:200). Als zodanig valt aan te merken het misbruik van de tussen [medeverdachte 4] en de slachtoffers bestaande vertrouwensrelatie. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de hierboven bewezen geachte mededelingen tegenover de beleggers zijn gebruikt. De beleggers [getuige 5] , [getuige 6] , [getuige 7] , [getuige 8] en [getuige 9] zijn naar aanleiding van aan hen gedane, deels onjuiste, leugenachtige, mededelingen (zoals de mededeling dat het ging om een emissie van aandelen) bewogen tot de aankoop van de genoemde aandelen en, in verband daarmee, de afgifte van geldbedragen ter investering in [E] . [verdachte] via [G] B.V. betrokken bij de oplichting? De volgende vraag die het hof moet beantwoorden is, of, en zo ja in hoeverre, [verdachte] - al dan niet via [G] B.V. - betrokken is geweest bij de hiervoor vastgestelde oplichting van de beleggers [getuige 5] , [getuige 6] , [getuige 7] , [getuige 8] en [getuige 9] . [verdachte] heeft op 19 juni 2009 een overeenkomst gesloten met [betrokkene 12] , inhoudende dat [verdachte] de verkoop van aandelen in [E] zou gaan verzorgen. [verdachte] is deze overeenkomst aangegaan namens [G] B.V., waarvan hij enig aandeelhouder en bestuurder is. [G] B.V. zou voor haar werkzaamheden volgens afspraak vijftig procent van de door beleggers voor de aandelen betaalde koopsom krijgen. Om de aandelen te kunnen verkopen heeft [verdachte] een aantal personen benaderd om voor hem (verkoop)werkzaamheden te verrichten, zoals de (gewezen) medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] . Verder heeft [verdachte] een adressenbestand met potentiële klanten (beleggers) gekocht en ten behoeve van de verkoop van aandelen [E] aan deze medewerkers beschikbaar gesteld. [verdachte] was ook inhoudelijk betrokken bij de verkoop van aandelen in [E] . Zo was hij verantwoordelijk voor de informatie die aan potentiële beleggers werd verstrekt. De inhoud van de brochure (die aan alle beleggers is verstrekt) kwam onder zijn verantwoordelijkheid tot stand. [verdachte] leverde daartoe teksten aan ter vertaling en gaf zijn goedkeuring voor de inhoud van de brochure, alvorens deze, doorgaans door zogenoemde brochurebellers, aan beleggers werd verstrekt. Dit gebeurde in opdracht van [verdachte] . Eenmaal is [verdachte] zelf aanwezig geweest bij een bezoek aan een belegger, waarbij hij zich heeft voorgesteld als hoofdbroker. Aan de beleggers is door medewerkers van [verdachte] voorgehouden dat sprake was van een aandelenemissie. Deze informatie was vals en in strijd met de waarheid. [verdachte] wist ook dat gesproken werd van een emissie. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het e-mailbericht van [verdachte] aan [getuige 2] van 16 augustus 2009 (D-409) waarin [verdachte] een e-mailbericht doorstuurt van [medeverdachte 4] met het verzoek daar een wervende tekst van te maken. Het bijgevoegde e-mailbericht van [medeverdachte 4] heeft als onderwerp ‘ [E] – Aandelen Emissie’ en ook in de korte tekst van het e-mailbericht wordt over emissie gesproken. Ook [medeverdachte 5] (V06-02) heeft verklaard dat [verdachte] over een aandelenemissie heeft gesproken. De aandelen [E] waren in werkelijkheid herplaatste (en dus bestaande) aandelen (van onder andere [betrokkene 12] ). Aan de beleggers is voorgespiegeld dat de inleg als kapitaalinjectie ten goede zou komen aan [E] . Dat [verdachte] , en daarmee [G] B.V., het oogmerk had van wederrechtelijke bevoordeling volgt verder uit de omstandigheid dat, op grond van de door [verdachte] namens [G] B.V. gemaakte afspraak, 50% van de inleg van de beleggers door [G] B.V., [verdachte] en zijn medeverdachten is opgestreken. [verdachte] en zijn medeverdachten hebben daarbij een groot gedeelte van het geld uitbetaald gekregen vanaf de bankrekening van [E] . Uit de verklaringen van de medewerkers van [verdachte] , in elk geval die van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] , komt het beeld naar voren van een leidinggevende rol van [verdachte] bij het hiervoor omschreven verkoopproces. [verdachte] nam de medewerkers aan, verstrekte hen informatie over de aandelen [E] ten behoeve van de verkoopactiviteiten, factureerde voor de verkopen aan [E] en betaalde het salaris/de commissie van medewerkers. Gelet op het voorgaande moet [verdachte] worden aangemerkt als leidinggevende over het verkoopproces van de aandelen [E] , dat in opdracht van [G] B.V. werd gedaan. [verdachte] heeft (via [G] B.V.) voor zijn werkzaamheden een hoge vergoeding ontvangen. Het hof komt gelet op het voorgaande – en indachtig de in de jurisprudentie gestelde eisen voor strafbaarheid van de rechtspersoon – tot de conclusie dat [G] B.V. in nauwe en bewuste samenwerking met anderen de aandelen [E] heeft verkocht en daarbij een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd om te kunnen spreken van medeplegen ten aanzien van de oplichting van de in de tenlastelegging vermelde beleggers die hiervoor zijn genoemd. [verdachte] was enig aandeelhouder en bestuurder van [G] B.V. en heeft ter terechtzitting in eerste aanleg treffend verklaard: “Ik ben [G] ”. De gedragingen van [verdachte] kunnen dan ook aan [G] B.V. worden toegerekend. [G] B.V. en (indirect) [verdachte] hebben in betekenende mate geprofiteerd van de geldbedragen die de beleggers onder invloed van de valse voorstelling van zaken (het samenweefsel van verdichtsels) hebben afgegeven. Het hof acht daarom bewezen dat [G] B.V. bij het medeplegen van het oplichten van de beleggers heeft gehandeld met het voor een bewezenverklaring vereiste oogmerk zichzelf en anderen wederrechtelijk te bevoordelen en dat [verdachte] daarbij als opdrachtgever dan wel feitelijk leidinggever in de zin van artikel 51 lid 2 sub 2 Sr is opgetreden. Dit alles leidt ertoe dat feit 3 primair betreffende de verkoop van de aandelen [E] is bewezen, voor zover dit ziet op de oplichting van de beleggers [getuige 5] , [getuige 6] , [getuige 7] , [getuige 8] en [getuige 9] . Feit 3. Oplichting beleggers [F] AG [verdachte] is ter zake van [F] AG (hierna: [F] ) door de rechtbank veroordeeld voor, zakelijk weergegeven, de oplichting van de beleggers [betrokkene 10] , [betrokkene 14] , [betrokkene 11] en [betrokkene 15] . Aangezien namens het openbaar ministerie geen appél is ingesteld, zijn in hoger beroep alleen deze vier beleggers nog aan de orde. Ten aanzien van de andere beleggers zal het hof [verdachte] niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep. Inleiding [verdachte] heeft - namens [G] B.V. - op 7 oktober 2009 een overeenkomst gesloten met [Y] , inhoudende dat hij een verkoopapparaat zou opzetten in Nederland voor de verkoop van aandelen [F] die op dat moment door [Y] werden gehouden. [G] B.V. zou hiervoor als tegenprestatie een vergoeding van 50% van de verkoopopbrengst ontvangen. Met het advocatenkantoor [X] werd overeengekomen dat het kantoor de door beleggers voor de aandelen betaalde bedragen, na ontvangst op zijn rekening, voor 50% diende uit te betalen aan [G] B.V. en voor 49% aan [Y] . De resterende 1% kwam aan het advocatenkantoor [X] toe als vergoeding voor zijn dienstverlening. Om de aandelen [F] aan Nederlandse beleggers te kunnen verkopen heeft [verdachte] (voormalig) medewerkers van hem benaderd, onder wie medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en (in een later stadium) [medeverdachte 2] . Met [medeverdachte 2] heeft [verdachte] op 8 november 2010 een bespreking gehad die zag op de verkoop van aandelen [F] . Uit een e-mailbericht van 2 februari 2013 van de aan [Y] gelieerde [II] , gericht aan [verdachte] en [medeverdachte 2] , blijkt dat er nieuwe afspraken zijn gemaakt met betrekking tot het honorarium voor de verkoop van de aandelen [F] , in welke regeling naast [G] B.V. ( [verdachte] ) [medeverdachte 2] nu ook was opgenomen. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] hebben daadwerkelijk aandelen [F] verkocht aan Nederlandse beleggers. Ook [verdachte] was inhoudelijk betrokken bij de verkoop van aandelen [F] . [verdachte] onderhield in een aantal gevallen contact met beleggers, zowel telefonisch als in persoon, en verschafte hen informatie over de aandelen [F] , teneinde te komen tot een (definitieve) verkoop van deze aandelen. In deze gevallen is [verdachte] zelf als verkoper opgetreden. Na ontvangst van de vergoeding van 50% van de verkoopopbrengst door [G] B.V. betaalde [verdachte] - enig aandeelhouder en bestuurder van deze rechtspersoon - vervolgens aan zichzelf en zijn medeverdachten vergoedingen uit. Uit deze feiten en omstandigheden volgt dat [verdachte] een leidinggevende rol heeft gehad bij het hiervoor omschreven verkoopproces van de aandelen [F] . Belegger [betrokkene 14] (…). Dat betekent dat niet bewezen is dat [betrokkene 14] door een van de tenlastegelegde oplichtingsmiddelen is bewogen tot aankoop van de aandelen [F] en dat [verdachte] van de oplichting van [betrokkene 14] moet worden vrijgesproken. Belegger [betrokkene 15] (…). Daarmee is niet komen vast te staan dat [betrokkene 15] tot de aankoop van de aandelen [F] is bewogen door een van de tenlastegelegde oplichtingsmiddelen en dient [verdachte] daarom te worden vrijgesproken van de oplichting van [betrokkene 15] . Belegger [betrokkene 11] De belegger [betrokkene 11] (hierna: [betrokkene 11] ) verklaarde (G107-1) bij de FIOD dat hij in het vierde kwartaal van 2009 het aanbod kreeg aandelen [F] over te nemen van een bestaande aandeelhouder, die de opbrengst via een lening weer in [F] zou investeren. [F] zou op het punt staan overgenomen te worden. Na drie telefonische gesprekken met een persoon wiens naam [betrokkene 11] niet meer weet, kwam [medeverdachte 5] bij hem langs. Hij vertelde over twee opties, te weten dat [F] begin volgend jaar (ergo 2010) óf naar de beurs zou gaan, óf voor die tijd overgenomen zou gaan worden. Voor die overname liepen al besprekingen die in een vergevorderd stadium waren. [medeverdachte 5] zei dat bij een beursgang de aandelen genoteerd zouden worden tussen de € 50,00 en € 60,00. Bij een overname zou een koers genoteerd worden van € 40,00 a € 50,00. [medeverdachte 5] zei dat [betrokkene 11] de aandelen [F] kon kopen voor € 27,00. Daarnaast is [betrokkene 11] gebeld door [alias medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ). [alias medeverdachte 4] zei dat hij samen was met zijn compagnon [verdachte] . Ze zaten op dat moment fysiek in dezelfde ruimte. Tijdens dit gesprek zei [alias medeverdachte 4] dat hij of [verdachte] , dit weet [betrokkene 11] niet meer, bij de besprekingen over de op handen zijnde overname van [F] zat. Op 16 december 2009 is [alias medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ) bij [betrokkene 11] thuis geweest en is [betrokkene 11] privé voor € 50.000,00 ingestapt. Naderhand werd [betrokkene 11] weer gebeld door [alias medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ). [alias medeverdachte 4] zei dat [NN] nu [F] ging overnemen. Er zou alleen nog gediscussieerd worden over de overnameprijs die tussen de € 42,00 en € 46,00 zou moeten liggen. [betrokkene 11] heeft vervolgens met zijn holding ' [JJ] BV' voor € 150.000,00 aandelen [F] gekocht. Hij kreeg de aandelen nu aangeboden voor een ‘speciale prijs’ van € 25,00. In mei 2010 kreeg [betrokkene 11] een brief met betrekking tot [F] . Ze hadden geld nodig voor gas- en stroomaansluitingen en niet zoals hem voorgehouden was over telefoonaansluitingen. Hierop heeft [betrokkene 11] geprobeerd telefonisch contact te krijgen met [alias medeverdachte 4] . Deze [alias medeverdachte 4] kon hij niet meer te pakken krijgen. Vervolgens heeft [betrokkene 11] via het kantoor in [plaats] contact gekregen met [verdachte] . [verdachte] gaf aan dat de verkoop niet gelukt was en alles goed zou komen. [betrokkene 11] verklaarde ten overstaan van het hof over de rol van [verdachte] : [verdachte] kwam in beeld tijdens de gesprekken. Het was een charme offensief. Een gesprek met de baas. Die kon het beter uitleggen. Hij zat immers aan tafel bij de gesprekken van [F] met [NN] . Als de overname niet door zou gaan, zou een beursgang plaatsvinden. Hij belde zogenaamd uit Duitsland en wilde mij wel te woord staan. [verdachte] kon mij een en ander beter uitleggen. Het werd gebracht alsof hij er bovenop zat. Alsof het informatie uit de eerste hand was. [verdachte] vertelde mij dat het in orde was. Er zou of een beursgang plaatsvinden, maar waarschijnlijker was dat er een overname zou plaatsvinden. De gesprekken waren gaande. [F] zelf had een speciale manier van telemarketing. Zij benaderde mensen en haalde zo een technisch platform binnen waardoor ze efficiënt kon werken. Ze kon op een goedkope manier snel uitbreiden. [NN] had daar interesse in. [betrokkene 11] is meegedeeld dat het om aandelen van een bestaande aandeelhouder ging en hem is dan ook niet verteld dat het om een emissie ging. [betrokkene 11] heeft niets verklaard over dat de inleg volledig of grotendeels zou worden besteed aan de aankoop van de aandelen en dat er bij de aankoop (vrijwel) geen kosten en/of commissies in mindering zouden worden gebracht of dat op het moment van aankoop de werkelijke waarde van een aandeel [F] € 27,00 was. Ook op deze punten komt het hof tot een vrijspraak. [verdachte] heeft ontkend bij de verkoop aan [betrokkene 11] betrokken te zijn geweest. In eerste aanleg verklaarde [verdachte] dat er misschien een overname zou komen, maar hij ontkende met [betrokkene 10] - een van de andere beleggers - te hebben gesproken over een grote overname door een telecombedrijf, bijvoorbeeld KPN. [verdachte] kan zich herinneren dat [II] vertelde dat ze bezig waren met een overname. Hij heeft niemand verteld dat [F] AG zou worden overgenomen. Deze verklaring van [verdachte] is ongeloofwaardig. De betrokkenheid van [verdachte] bij de verkoop aan [betrokkene 11] wordt ondersteund door de hierna te noemen verklaring van [betrokkene 10] , dat [verdachte] hem heeft meegedeeld dat er op korte termijn een groot rendement te behalen viel en dat [verdachte] hem toen ook een intern e-mailbericht heeft laten zien, dat hij eigenlijk niet naar buiten mocht brengen. De essentie van dat e-mailbericht betrof interne communicatie waarin benaderd werd welke kansen deze transactie voor beleggers bood. Het staat dan ook vast dat [medeverdachte 5] , [alias medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ) en ook [verdachte] zelf [betrokkene 11] hebben geïnformeerd over een op handen zijnde overname en/of beursgang. Deze informatie was in strijd met de waarheid. Overname en/of beursgang is weliswaar altijd het doel voor de lange termijn geweest van [F] AG, maar concrete overnamegesprekken zijn er (na de overname en beursganggesprekken van 2006-2007) niet geweest, zo heeft [medeverdachte 5] , directeur van [F] , verklaard. [betrokkene 11] is in strijd met de waarheid meegedeeld dat een overname en/of beursgang ophanden was waardoor de aandelen in waarde zouden gaan stijgen en met de inleg een hoge winst behaald zou worden. [G] B.V. heeft, in de persoon van [verdachte] , dooreen samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 11] bewogen tot het aangaan van de overeenkomsten en de afgifte van de geldbedragen. Bij het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels gaat het in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. Van een 'meer dan een enkele leugenachtige mededeling' is niet slechts sprake indien meerdere duidelijk van elkaar te scheiden leugens kunnen worden aangewezen, maar ook indien sprake is van een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht, in combinatie met andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden die tot misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden, zoals het misbruik van een tussen de verdachte en het beoogde slachtoffer bestaande vertrouwensrelatie. [medeverdachte 5] , [alias medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ) en [verdachte] hebben meermaals met [betrokkene 11] gebeld. Daarnaast heeft [medeverdachte 5] een visitekaartje aan [betrokkene 11] overhandigd waarop stond dat hij werkzaam was bij ‘ [KK] ’ en zijn drie huisbezoeken afgelegd. Belegger [betrokkene 10] De belegger [betrokkene 10] (hierna: [betrokkene 10] ) verklaarde op 17 december 2013 dat hij werd gebeld en daarna op zijn kantoor door twee mannen is bezocht. De ene persoon vertelde dat hij op de [a-straat 1] te [plaats] woonde (het hof begrijpt [verdachte] ). De twee mannen deelden mee dat een nieuwe emissie van [F] aandelen werd uitgegeven waarop [betrokkene 10] kon inschrijven. Met de nieuwe emissie zou [F] haar kapitaal vergroten om haar activiteiten te kunnen uitbreiden (G87-01, p. 2). [verdachte] heeft hem meegedeeld dat er op korte termijn een groot rendement te behalen viel. De aandelen zouden flink stijgen als er een partij zou komen die [F] zou overnemen. [verdachte] heeft hem toen ook een intern e-mailbericht laten zien, dat hij naar zijn zeggen eigenlijk niet naar buiten mocht brengen. Maar hij heeft het [betrokkene 10] toch laten zien, kennelijk, zo vermoedt [betrokkene 10] , om hem een steuntje in de rug te geven. De essentie van het e-mailbericht was interne communicatie waarin benaderd werd welke kansen deze transactie voor beleggers bood. [verdachte] heeft herhaaldelijk gezegd dat een overname binnen een halfjaar te verwachten viel. [F] zou worden overgenomen door een groot Nederlands telecommunicatiebedrijf. [betrokkene 10] heeft expliciet gevraagd naar de opbouw van de waarde van de aandelen (G87-02, p. 2) . Hij wenste alleen de werkelijke waarde van de aandelen te betalen en niet een waarde verhoogd met de provisie van de betrokken partijen. [verdachte] deelde mee dat zij betaald werden door [F] en de waarde van het aandeel dat [betrokkene 10] zou kopen de werkelijke waarde van het aandeel was zonder opcenten. [betrokkene 10] is op 16 november 2022 bij het hof gehoord en heeft zijn verklaring - ongeveer negen jaar later - op hoofdlijnen bevestigd. Bewezen is dat [betrokkene 10] is bewogen door de mededelingen dat sprake was van een aandelenemissie, een overname ophanden was, de inleg volledig of grotendeels zou worden besteed aan de aankoop van de aandelen en dat er bij de aankoop (vrijwel) geen kosten en/of commissies in mindering zouden worden gebracht. Het ging echter niet om een emissie van nieuwe aandelen, er werden geen concrete gesprekken over een overname gevoerd en er werd een commissie van 50% betaald aan [G] B.V. De mededelingen waren daarmee in strijd met de waarheid. Conclusie beleggers [betrokkene 10] en [betrokkene 11] De beleggers [betrokkene 10] en [betrokkene 11] zijn naar aanleiding van aan hen gedane, deels onjuiste, leugenachtige, mededelingen bewogen tot de aankoop van de genoemde aandelen en, in verband daarmee, de afgifte van geldbedragen ter investering in [F] . Uit de door de beleggers overgemaakte geldbedragen zijn uiteindelijk aanzienlijke betalingen verricht aan [verdachte] en zijn medeverdachten. Het voorgaande dwingt tot de conclusie dat [G] B.V. in nauwe en bewuste samenwerking met anderen de aandelen [F] heeft verkocht en daaraan een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd om te kunnen spreken van medeplegen ten aanzien van de oplichting van de beleggers [betrokkene 10] en [betrokkene 11] . Wat betreft de vereenzelviging van [verdachte] en [G] B.V. verwijst het hof naar hetgeen het hiervoor, met betrekking tot de verkoop van de aandelen in [E] , heeft overwogen.” 28. In de aanvulling op het verkorte arrest heeft het hof ter motivering van de bewezenverklaring van de feiten onder 3, 4 en 8 onder meer opgenomen de verklaringen van de beleggers in kwestie en de inhoud van door hen aan de FIOD overhandigde documentatie. Dit betreft ten aanzien van [E] : [getuige 5] (p. 45-46), [getuige 6] (p. 46-47), [getuige 7] (p. 47), [getuige 8] (p. 48), [getuige 9] (p. 48-50). Bovendien heeft het hof de verklaringen opgenomen van medewerkers van de verdachte, te weten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Ten aanzien van [F] zijn van de volgende beleggers de verklaringen als bewijsmiddel opgenomen: [betrokkene 10] (p. 57-59) en [betrokkene 11] (p. 59-61). De bespreking van de klachten van het derde middel 29. In de toelichting op het middel ontvouwt zich hetzelfde patroon van klachten als bij het tweede middel. De stellers van het middel bespreken alle hierboven opgesomde getuigenverklaringen van beleggers separaat en betogen voor iedere verklaring afzonderlijk dat daaruit niet het bewijs van de oplichting van die belegger kan worden afgeleid. De grootste gemene deler daarin is steeds de stelling dat de betreffende verklaring onvoldoende uitwijst dat de betreffende belegger door de in de bewezenverklaring opgenomen mededelingen is bewogen om tot aankoop van aandelen [E] , respectievelijk [F] over te gaan. 30. Ook ten aanzien van feit 3 heeft het hof bij de vaststelling van hetgeen de beleggers tot inleg heeft bewogen niet alleen acht geslagen op iedere getuigenverklaring afzonderlijk, maar tevens op hetgeen de medewerkers van de verdachte ( [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] ) hebben verklaard over de inhoud van hun contacten met de beleggers en over de informatie waarmee zij op instructie van de verdachte de boer op moesten. Daarbij heeft het hof m.i. bovendien acht mogen slaan op de samenhang tussen de verklaringen van de beleggers onderling en hetgeen daaruit valt op te maken, te weten dat de medewerkers van de verdachte in hun contacten met beleggers – al dan niet gebruikmakend van opgewekt vertrouwen – ronduit lyrisch waren over het beleggingsproduct, maar informatie die de verwachtingen zouden kunnen temperen onvermeld lieten. 31. De klachten miskennen dat de beoordeling of de betrokken beleggers door een samenweefsel van verdichtsels tot de aanschaf van aandelen zijn bewogen, in belangrijke mate afhankelijk is van de aan de feitenrechter voorbehouden selectie en waardering van bewijsmiddelen. Het hof heeft het bewijs van essentiële bestanddelen van oplichting m.i. middels gevolgtrekkingen uit de inhoud van deze bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang beschouwd – kunnen afleiden. Tot een verdergaande toets reikt de procedure in cassatie niet. 32. Het derde middel faalt. Het vierde middel: verjaring van feit 4 De klacht 33. Het vierde middel bevat de klacht dat het recht tot strafvordering voor wat betreft de transacties van feit 4, voor zover meer dan twaalf jaar vóór indiening van de schriftuur gepleegd, inmiddels door verjaring is vervallen. Het oordeel van het hof 34. Over de verjaring van het onder 4 ten laste gelegde heeft het hof overwogen (arrest p. 3): “Verjaring feit 4 Wet op het financieel toezicht (Wft) In de periode waarop de tenlastelegging ziet, stond op overtreding van het bepaalde in artikel 2:96 Wft een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. Dit brengt mee dat op grond van het bepaalde in artikel 70 Sr een verjaringstermijn van zes jaren geldt. Uit artikel 72, tweede lid Sr volgt dat het recht tot strafvervolging, ondanks stuiting, vervalt na het verstrijken van een periode die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn. Dat betekent in dit geval een absolute verjaring na twaalf jaren, te rekenen vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen. Dit heeft tot gevolg dat slechts voor de feiten die zich na twaalf jaren voorafgaand aan de dag van de uitspraak van dit arrest hebben voorgedaan, dus vanaf 14 juli 2011, het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging. Het openbaar ministerie zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging van onder 4. primair en subsidiair ten laste gelegde feiten die zich voorafgaand aan die datum hebben voorgedaan.” 35. Dienovereenkomstig heeft het hof het Openbaar Ministerie ter zake van het onder 4 primair en 4 subsidiair ten laste gelegde niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging, voor zover het ten laste gelegde feiten betreft van vóór 14 juli 2011. 36. Onder 4. primair heeft het hof bewezen verklaard dat: “[G] B.V. in de periode van 7 oktober 2011 tot en met 30 juni 2013 in Nederland en in Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen opzettelijk, zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning, in Nederland beleggingsdiensten heeft verleend, door het verkopen en aanbieden van aandelen in [E] AG en [F] AG aan [betrokkene 16] en [betrokkene 14] en andere beleggers/personen, terwijl genoemde rechtspersoon en haar mededaders van het plegen van het vorenbedoeld misdrijf een gewoonte hebben gemaakt, tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feiten hij, verdachte, telkens opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedragingen hij, verdachte, telkens feitelijke leiding heeft gegeven;” 37. Ter motivering van de bewezenverklaring heeft het hof onder meer het volgende overwogen (p. 39-40, met weglating van één voetnoot): “Gelet op het hierboven overwogene over de verjaring van dit feit, is bij het onder 4 ten laste gelegde feit alleen nog aan de orde het opzettelijk zonder vergunning aanbieden van beleggingsdiensten aan de volgende (met name en niet met name in de tenlastelegging) genoemde personen: [betrokkene 16] op 25 mei 2012 [betrokkene 17] op 15 november 2011 en 10 mei 2012 [betrokkene 18] op 3 november 2011, 2 december 2011, 30 januari 2012 en 14 mei 2012 [betrokkene 19] op 5 april 2012 en 2 juni 2012 [betrokkene 14] op 7 oktober 2011 [betrokkene 20] op 6 maart 2012 en [betrokkene 21] op 30 juni 2013 Hoewel de oudere ten laste gelegde feiten zijn verjaard, zal hier toch op worden ingegaan, omdat zij van belang zijn voor de later in dit arrest te bespreken deelname van [verdachte] aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van de in artikel 2:96 Wft bedoelde misdrijven. [G] B.V. heeft [medeverdachte 2] en andere verkopers aangetrokken om beleggers te benaderen en hen te adviseren aandelen [E] en [F] te kopen. Zij hebben dit gedaan en vervolgens bemiddeld bij de aankoop van de aandelen door de beleggers van [Y] . Daarmee hebben zij beleggingsdiensten of beleggingsactiviteiten verricht in de zin van het bepaalde in artikel 2:96 Wft.” 38. Ter motivering van de opgelegde straf heeft het hof voor zover relevant overwogen (arrest p. 58-59): “Voor wat betreft het bewezenverklaarde onder feit 4 primair, het Wft-feit, geldt als bijzonderheid dat de nog aan de orde zijnde feiten binnenkort zullen verjaren. Indien [verdachte] beroep in cassatie zou instellen, zou de Hoge Raad moeten concluderen dat de bewezenverklaarde feiten (dan wel een gedeelte daarvan) zijn verjaard en zou hij de zaak moeten terugwijzen naar het hof. Om dit te voorkomen, en te bevorderen dat de Hoge Raad in voorkomend geval de zaak zelf kan afdoen, en in het voordeel van [verdachte] , zal het hof om redenen van doelmatigheid bij de strafoplegging geen rekening houden met het onder 4 primair bewezenverklaarde. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit geldt voor het onder 4 primair bewezenverklaarde, maar niet voor het onder 8 bewezenverklaarde.” De verjaringsregeling, voor zover toepasselijk 39. Artikel 2:96 lid 1 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) luidt sedert 1 november 2007: “Het is verboden in Nederland zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning beleggingsdiensten te verlenen of beleggingsactiviteiten te verrichten.” Artikel 1 onder 2° van de Wet op de economische delicten (WED) bepaalde ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde delicten (en ook thans nog) dat als economisch delict heeft te gelden: overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens (onder meer) artikel 2:96 Wft. Artikel 2 lid 1 WED, zoals dat sedert 16 maart 2005 geldt, bepaalt dat de economische delicten die zijn bedoeld in artikel 1 onder 2° misdrijven betreffen voor zover zij opzettelijk zijn begaan. Artikel 6 lid 1 onder 2° bepaalde ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde delicten (en ook thans nog) dat in geval van ‘een ander misdrijf’ (dan bedoeld in artikel 1 onder 1° of in artikel 1a onder 1° WED; dus onder meer in geval van opzettelijk begane overtredingen van het voorschrift van artikel 2:96 lid 1 Wft) een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren kon worden opgelegd. 40. Artikel 70 lid 1 Sr bepaalt (zoals ook ten tijde van het bewezen verklaarde) dat het recht tot strafvordering voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld door verjaring in zes jaren vervalt. Artikel 72 lid 1 Sr bepaalt sedert 1 januari 2006 dat elke daad van vervolging de verjaring stuit, ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde, en dat na de stuiting een nieuwe verjaringstermijn aanvangt. Het recht tot strafvordering vervalt evenwel ten aanzien van misdrijven – zo vervolgt lid 2 van artikel 72 Sr – indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan tweemaal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn. In geval van de opzettelijke overtreding van artikel 2:96 lid 1 Wft, begaan in de periode van 7 oktober 2011 tot en met 30 juni 2013, bedraagt de zogeheten ‘absolute verjaringstermijn’ dus twaalf jaren. Het is uitsluitend déze verjaringstermijn waarop de stellers van het middel zich beroepen. Ingevolge artikel 72 lid 2 jo artikel 71 Sr vangt deze verjaringstermijn (evenals de oorspronkelijke verjaringstermijn) aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd. De bespreking van het middel 41. Naar mede uit de kwalificatie van het onder 4. primair bewezen verklaarde valt op te maken, heeft het hof het onder 4 ten laste gelegde aangemerkt als een geval van meerdaadse samenloop (en dus niet als één voortdurend delict). Tegen dit oordeel wordt in cassatie niet opgekomen, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan. Dit betekent dat voor ieder afzonderlijk deelfeit waaruit het ten laste gelegde is samengesteld de ‘absolute verjaringstermijn’ is aangevangen op de dag na die waarop het betreffende deelfeit is gepleegd. 42. Het voorgaande brengt mee dat het middel – voor wat betreft de periode tussen de uitspraakdatum van ’s hofs arrest en de indiening van de cassatieschriftuur – terecht en op goede gronden is voorgesteld. Voor zover de onder 4 ten laste gelegde feiten méér dan twaalf jaren vóór de indiening van de cassatieschriftuur op 14 mei 2024 zijn begaan (dus vóór 14 mei 2012), kan de Hoge Raad naar aanleiding van het middel vaststellen dat de verjaring is ingetreden en in zoverre zelf het Openbaar Ministerie in de strafvervolging van de feiten onder 4 niet-ontvankelijk verklaren. Bovendien kan de Hoge Raad ambtshalve de verjaring constateren van de onder 4 ten laste gelegde feiten voor zover zij twaalf jaren vóór de datum waarop de Hoge Raad uitspraak doet zijn begaan en het Openbaar Ministerie dienovereenkomstig niet-ontvankelijk verklaren. 43. Gelet op ’s hofs hierboven onder 38 weergegeven strafmaatoverweging (die het belang van de verdachte bij het succes van dit middel in hoge mate relativeert) is er bovendien geen reden voor terugwijzing van de zaak. 44. Het middel is op zichzelf terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren voor zover de onder 4 ten laste gelegde feiten méér dan twaalf jaren vóór de datum waarop de Hoge Raad uitspraak doet, zijn begaan. Het vijfde middel: de vervolging van feit 4 is in strijd met het specialiteitsbeginsel van artikel 27 lid 2 Kaderbesluit EAB De klacht en de beslissing waartegen die is gericht 45. Voor het geval de Hoge Raad uitspraak doet vóór 1 juli 2025, bespreek ik ook het vijfde middel. Het middel bevat klachten over de verwerping van het verweer dat het Openbaar Ministerie wegens de schending van het specialiteitsbeginsel van artikel 27 Kaderbesluit EAB niet-ontvankelijk is in de strafvervolging wegens feit 4. 46. Het hof heeft voor zover relevant overwogen (arrest, p. 2-3): “Specialiteitsbeginsel De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van het onder 4 ten laste gelegde handelen zonder vergunning van de Autoriteit Financiële Markten (AFM). [verdachte] is immers krachtens een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) aangehouden in Spanje en alleen voor andere feiten overgeleverd aan Nederland, zonder dat hij van zijn rechten op grond van het specialiteitsbeginsel afstand heeft gedaan. De advocaat-generaal acht het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van dit feit. [verdachte] is op 5 november 2013 krachtens een EAB van 31 oktober 2013 aangehouden in [plaats] , Spanje. In dit EAB zijn de feiten, waarvoor de overlevering wordt verzocht, als volgt omschreven: "Uit onderzoek is naar voren gekomen dat de verdachten, waaronder [verdachte] over een zeer lange periode (…) gedupeerden hebben bewogen tot de afgifte van gelden. Aan gedupeerden werd voorgespiegeld dat hoge rendementen te behalen zouden zijn met aandelen en/of emissierechten. In werkelijkheid bleken de aandelen en/of emissierechten echter helemaal van geen waarde te zijn en is de koers voor de aandelen vermoedelijk door manipulatie kunstmatig hoog gehouden tot de aandelen verkocht waren. Ook werd aan gedupeerden voorgehouden dat het om een emissie van aandelen zou gaan, waardoor de gedupeerden er van uit zouden mogen gaan dat het geld in de onderneming zou vloeien,, terwijl het geld in werkelijkheid in het bezit van de verdachten werd gebracht." Als aard en wettelijke kwalificatie zijn in het EAB vermeld, kort samengevat: 1. Oplichting (art. 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), c.q. verduistering (art. 321 Sr) 2. Het verlenen van beleggingsdiensten zonder vergunning (art. 2:96 Wft jo. art. 1 lid 2 en art. 2 lid 1 WED) 3. Witwassen (art. 420bis Sr) 4. Gewoontewitwassen (art. 420ter Sr). [verdachte] is krachtens een beslissing van de Spaanse rechter van 13 november 2013 overgeleverd aan de Nederlandse autoriteiten. In de beslissing is vermeld dat de overlevering is toegestaan voor de delicten witwassen ('blanqueo') en oplichting ('estafa'). De toestemming is voor andere feiten niet uitdrukkelijk geweigerd en bij de beoordeling van de vraag welke feiten de reden van de overlevering zijn geweest moet de inhoud van het EAB worden betrokken (vgl. HR 27 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3994). Nu echter de beslissing van de Spaanse rechter het verlenen van beleggingsdiensten zonder vergunning niet noemt en de overige feiten waarvoor de overlevering is verzocht wel, zal het hof, in aansluiting op wat de verdediging heeft betoogd, aannemen dat de overlevering slechts is toegestaan voor de in de beslissing genoemde feiten. Op grond van artikel 27 lid 2 van het Kaderbesluit mag de opgeëiste persoon niet vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd worden wegens enig ander feit vóór de overlevering begaan dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest. Dit verbod is krachtens het derde lid van dat artikel in een aantal gevallen niet van toepassing, onder meer indien (
  6. a)de gezochte persoon, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had, niet binnen 45 dagen na zijn definitieve invrijheidstelling het grondgebied van de lidstaat waaraan hij was overgeleverd, heeft verlaten, of indien hij na dit gebied verlaten te hebben daarnaar is teruggekeerd. Aangezien [verdachte] definitief in vrijheid is gesteld en hij zich metterwoon in Nederland heeft gevestigd, doet de onder (
  7. a)vermelde uitzondering zich voor, zodat het verweer faalt.” 47. De stellers van het middel brengen naar voren dat het hof een onjuiste betekenis heeft gegeven aan het begrip ‘definitieve invrijheidsstelling’ van artikel 27 lid 3 onder a Kaderbesluit EAB. Zij wijzen erop dat de verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel is aangehouden en overgebracht naar Nederland, alwaar hij in voorlopige hechtenis heeft verbleven tot de schorsing daarvan op 19 maart 2014 onder de voorwaarde dat hij op een bepaald adres zou verblijven. Bij het vonnis van de rechtbank is het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven en is hij tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf veroordeeld. Gelet hierop is nog geen sprake van een ‘definitieve invrijheidstelling’, aldus de stellers van het middel. Ook nadien heeft de procedure in hoger beroep hem ertoe bewogen in Nederland te verblijven, alleen al omdat de verdachte in zijn aanwezigheid wenste te worden berecht. ‘s Hofs oordeel dat de verdachte de mogelijkheid had terug te keren naar het land waaruit hij werd overgeleverd, is dan ook onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd, zo besluiten de stellers van het middel. Beoordelingskader: de uitleg van artikel 27 lid 3 onder a Kaderbesluit Inleiding: de toepassing van het specialiteitsbeginsel in de voorliggende zaak 48. Op grond van artikel 48 Overleveringswet (OLW) in samenhang met artikel 27 lid 2 Kaderbesluit EAB kan een aan Nederland overgeleverde persoon niet worden vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid worden beroofd wegens een of meer andere vóór de overlevering begane feiten dan de feiten die de reden tot de overlevering zijn geweest. Uitzonderingen op de hier geformuleerde regel zijn de gevallen genoemd in artikel 27 leden 1 en 3 Kaderbesluit. Zo bepaalt artikel 27 lid 3 onder a Kaderbesluit dat de regel niet van toepassing is wanneer “de gezochte persoon, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had, niet binnen 45 dagen na zijn definitieve invrijheidstelling het grondgebied van de lidstaat waaraan hij was overgeleverd, heeft verlaten, of indien hij na dit gebied verlaten te hebben daarnaar is teruggekeerd” (onderstrepingen mijnerzijds). 49. Het hof heeft in deze zaak geoordeeld (“aangenomen”) dat de overlevering van de verdachte door de Spaanse autoriteiten slechts is toegestaan voor de feiten die in de beslissing tot overlevering zijn genoemd, te weten witwassen en oplichting, en dus niet voor het verlenen van beleggingsdiensten zonder vergunning (artikel 2:96 Wft). Tegen dit oordeel wordt in cassatie niet opgekomen, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan. Niettemin oordeelde het hof tevens dat de verdachte “definitief in vrijheid is gesteld en hij zich metterwoon in Nederland heeft gevestigd”, zodat het beroep op het specialiteitsbeginsel – wegens de hiervoor vermelde uitzonderingsgrond – niet opgaat. 50. De vraag die door het middel wordt opgeroepen is die naar de betekenis van de begrippen ‘mogelijkheid om het grondgebied van de lidstaat waaraan hij was overgeleverd te verlaten’ en ‘definitieve invrijheidstelling’ in artikel 27 lid 3 onder a Kaderbesluit. De betekenis van de uitzondering van artikel 27 lid 3 onder a Kaderbesluit 51. Ik heb omtrent de uitzondering van artikel 27 lid 3 onder a Kaderbesluit tevergeefs gezocht naar een nadere toelichting bij het Kaderbesluit zelf. Het Hof van Justitie omschrijft deze uitzondering als “een eenvoudige impliciete toestemming van de betrokkene” (voor zijn overlevering). Meer toelichting van het Hof van Justitie heb ik niet aangetroffen. De Hoge Raad heeft zich over de betekenis van begrippen als ‘mogelijkheid’ en ‘definitieve invrijheidstelling’ in artikel 27 lid 3 onder a Kaderbesluit nog niet uitgelaten. Ik meen evenwel dat uit subsidiaire rechtsbronnen betrekkelijk eenduidig – en daardoor ‘helder’ – kan worden afgeleid wat van deze begrippen de betekenis is. Naar mijn mening volgt daaruit dat ’s hofs oordeel in deze zaak in elk geval niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Ik licht dat toe aan de hand van verschillende bronnen. De Overleveringswet 52. Voor wat betreft overleveringen aan Nederland heeft het specialiteitsbeginsel in de Overleveringswet (die tot implementatie van het Kaderbesluit strekt) géén separate regeling gekregen. Artikel 48 OLW bepaalt slechts in het algemeen dat de voorwaarden die door de buitenlandse uitvoerende justitiële autoriteit in overeenstemming met het Kaderbesluit worden gesteld bij de overlevering van de opgeëiste persoon aan Nederland, verbindend zijn voor iedere persoon of instantie die in Nederland is belast met een publieke taak. Bij de in het Kaderbesluit bedoelde voorwaarden moet onder andere worden gedacht aan de bescherming van het specialiteitsbeginsel, aldus de memorie van toelichting. 53. In geval van overleveringen door Nederland zoekt de Overleveringswet aansluiting bij de bewoordingen van artikel 27 Kaderbesluit. Voor zover relevant luidt artikel 14 lid 1 OLW: “Overlevering wordt niet toegestaan dan onder het algemene beding, dat de opgeëiste persoon niet zal worden vervolgd, gestraft of op enige andere wijze in zijn persoonlijke vrijheid beperkt, ter zake van feiten die vóór het tijdstip van zijn overlevering zijn begaan en waarvoor hij niet is overgeleverd, tenzij: a. de opgeëiste persoon, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had, niet binnen 45 dagen na zijn definitieve invrijheidstelling het grondgebied van de lidstaat waaraan hij is overgeleverd, heeft verlaten of indien hij na dit gebied verlaten te hebben daarnaar is teruggekeerd; (…).” Uit de memorie van toelichting valt niet veel meer op te maken dan dat voor artikel 27 Kaderbesluit dat met deze bepaling wordt uitgevoerd een uitleveringsverdrag model heeft gestaan. Het Europees uitleveringsverdrag 54. Meer specifiek voor artikel 27 lid 3 onder a Kaderbesluit geldt dat de daarin opgenomen uitzondering op het specialiteitsbeginsel nagenoeg woordelijk overeenstemt met artikel 14 lid 1 aanhef en onder b van het Europees uitleveringsverdrag (EUV) van 13 december 1957. Artikel 14 lid 1 aanhef en onder b EUV luidt (onderstrepingen mijnerzijds): “A person who has been extradited shall not be proceeded against, sentenced or detained with a view to the carrying out of a sentence or detention order for any offence committed prior to his surrender other than that for which he was extradited, nor shall he be for any other reason restricted in his personal freedom, except (…) (
  8. b)when that person, having had an opportunity to leave the territory of the Party to which he has been surrendered, has not done so within 45 days of his final discharge, or has returned to that territory after leaving it.”, 55. Vanwege de kennelijke verwantschap tussen artikel 27 Kaderbesluit en artikel 14 EUV acht ik het aangewezen om voor de betekenis van de uitzondering van artikel 27 lid 3 onder a Kaderbesluit te rade te gaan bij de uitleg van artikel 14 lid 1 aanhef en onder b EUV., In het Explanatory Report to the European Convention on Extradition is hierover opgenomen (p. 10): “Paragraph 1 of this article establishes the principle that an extradited person may not be proceeded against or sentenced or detained for an offence other than that which furnished the grounds for his extradition. Sub-paragraphs (
  9. a)and (
  10. b)of this paragraph set out the following exceptions to this principle: (…) Sub-paragraph (
  11. b)lays down that the rule of speciality shall not apply if the person extradited has not left, having had the opportunity to do so, the territory of the Party to which he was delivered within 45 days after his final discharge or if he has returned to that territory after leaving it. The words "had the opportunity" in sub-paragraph (
  12. b)have been substituted for "been free" originally used, because of their more general and therefore less restrictive sense. In effect the person must not only have been free to leave the territory, but must also have had the opportunity to do so (this covers illness or lack of money). Moreover, the provision contains two conditions that the person has been finally discharged and has had the opportunity to leave the territory.” 56. De memorie van toelichting bij (het ontwerp van) de goedkeuringswet van het EUV houdt bij artikel 14 het volgende in: “De toestemming van de aangezochte staat is ingevolge het bepaalde in het eerste lid, onder b, onder meer niet nodig wanneer de uitgeleverde persoon gedurende 45 dagen na zijn definitieve invrijheidstelling de mogelijkheid heeft gehad het grondgebied van de staat aan welke hij was uitgeleverd te verlaten en hij van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. Onder "mogelijkheid" dient niet alleen te worden verstaan de vrijheid om het land te verlaten (aldus ook de beschikkingen van de rechter-commissaris voor strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 11 februari 1963 en 25 februari 1963, N.J. 1964, nr. 17), maar tevens andere feitelijke voorwaarden die de uitgeleverde daartoe in staat stellen.” Andere verdragen dan het EUV 57. Artikel VII van de (uitleverings-)Overeenkomst van Wittem, dat in de betrekkingen met de Bondsrepubliek Duitsland geldt als aanvulling op het EUV, luidt: “De voorwaardelijke veroordeling of invrijheidstelling zonder oplegging van een maatregel die de bewegingsvrijheid van de uitgeleverde persoon beperkt staat gelijk met zijn definitieve invrijheidstelling.” 58. In de toelichtende nota is opgemerkt over artikel VII: “Het eerste lid bevat een interpretatie van het specialiteitsbeginsel. Het verdrag bepaalt dat een uitgeleverde persoon alleen voor andere feiten, dan waarvoor hij uitgeleverd werd, mag worden vervolgd of bestraft (...) (
  13. b)wanneer hij, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had, niet binnen de 45 dagen die op zijn definitieve invrijheidstelling volgden, het grondgebied van de verzoekende staat heeft verlaten. Het gaat thans om de interpretatie van het begrip «definitief». Daarmede wordt voor de toepassing van de bepaling gelijk gesteld de voorwaardelijke veroordeling of voorwaardelijke invrijheidstelling (en de Duitse figuur van Aussetzung (i.e. van een vrijheidsstraf) zur Bewahrung), zonder verdere vrijheidsbeperkende voorwaarden, zoals een meldingsplicht of het inleveren van een paspoort. Het gaat erom dat de aldus in vrijheid gestelde de vrijheid heeft het land te verlaten, zonder dat dit leidt tot overtreding van de voorwaarden die aan zijn invrijheidstelling zijn verbonden.” 59. Ook elders dan in kwesties van uitlevering speelt het specialiteitsbeginsel een rol van betekenis. Zo ook bij de tenuitvoerlegging van buitenlandse veroordelingen. Artikel 3 lid 4 van het Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (VOGP) luidt voor zover relevant: “Een krachtens de bepalingen van dit artikel overgebrachte persoon wordt noch vervolgd, noch veroordeeld, noch in hechtenis gesteld met het oog op de tenuitvoerlegging van een veroordeling of een bevel tot aanhouding noch aan enige andere beperking van zijn vrijheid onderworpen voor enig ander voor de overbrenging gepleegd feit dan dat waarvoor de ten uitvoer te leggen veroordeling werd uitgesproken, behalve in de volgende gevallen: (…). b. wanneer de gevonniste

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.