ECLI:NL:PHR:2025:529
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/02902 Zitting 13 mei 2025 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, hierna: de verdachte De Inleiding 1. De verdachte is bij arrest van 13 juli 2023 door het gerechtshof Amsterdam (parketnummer 23-001110-20) wegens onder 1 “medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd”, onder 2 “medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”, en onder 3 “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr. Het hof heeft de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard en verscheidene goederen verbeurdverklaard, een en ander als nader in het arrest bepaald.
De zaak 5. De zaak is door het hof in de strafmaatoverwegingen als volgt samengevat: “[verdachte] heeft zich bij de verkoop van vrijwillige CO2 emissierechten schuldig gemaakt aan oplichting van meerdere beleggers. Hierbij werd ook meermalen gebruik gemaakt van een vals geschrift en zijn deze strafbare feiten door hem gepleegd in een criminele organisatie waarin hij een belangrijke rol had, een en ander gedurende een periode van bijna anderhalf jaar. Het gaat hierbij om beleggingsfraude, ook wel boilerroomfraude genoemd. In voornoemd samenwerkingsverband heeft hij samen met medeverdachten een behoorlijk aantal beleggers opgelicht waarvan [verdachte] en andere verdachten aanzienlijk hebben geprofiteerd. Bij deze oplichting is geraffineerd te werk gegaan en werd bijvoorbeeld gebruik gemaakt van een fraaie – valse – brochure en een website om beleggers te bewegen tot een investering. Als gevolg van het handelen van [verdachte] en zijn medeverdachten zijn de beleggers gedupeerd. (…). [verdachte] heeft een cruciale rol gehad in de hiervoor beschreven strafbare feiten. Hij heeft samen met [medeverdachte 1] de verkoop van de vrijwillige emissierechten geïnitieerd en dit investeringsobject vanuit Engeland naar Nederland gebracht. [verdachte] had een belangrijke rol in het verkoopproces en binnen de criminele organisatie. In enkele gevallen heeft hij zelf de verkoop gesloten.”
Aan [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] is ten aanzien van [A] Ltd. (hierna [A] Ltd) tenlastegelegd dat zij beleggers hebben opgelicht en dat zij ten opzichte van beleggers gebruik hebben gemaakt van een vals geschrift. Het hof zal eerst het gebruik van een vals geschrift bespreken, daarna de vraag of de beleggers zijn opgelicht en tenslotte ten aanzien van beide feiten de vraag of en in hoeverre [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] voor deze feiten strafrechtelijk verantwoordelijk moeten worden gehouden.
Is er bij de brochure ‘ [naam 1] ’ (D-527) sprake van een vals geschrift? [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] wordt verweten dat zij van 1 juli 2012 tot en met 5 november 2013 opzettelijk gebruik hebben gemaakt van een vals geschrift, te weten de brochure ‘ [naam 1] ’ (D-527). Allereerst zal het hof nagaan of er in de brochure onjuistheden staan die als valsheden kunnen worden geduid. Deze vraag zal deels bevestigend worden beantwoord, waarna later in het arrest de vraag zal worden beantwoord of [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] te dier zake een strafrechtelijk verwijt valt te maken.
In de brochure zou in strijd met de waarheid staan dat:
Partiële vrijspraak ten aanzien van het onder b, c en d vermelde In de brochure staat dat [A] Ltd vrijwillige emissierechten aanbood met een uitstekend verwacht rendement (b, eerste gedeelte). Binnen de organisatie van [A] Ltd werd echter het overgrote deel van de door beleggers geïnvesteerde gelden niet aan de inkoop van deze emissierechten besteed.
De beleggers betaalden € 8,- à € 9,- per emissierecht, terwijl deze emissierechten door [A] Ltd voor circa € 2,- werden ingekocht. Om alsnog tot een goed, volgens de brochure uitstekend, rendement op de belegging te komen, zouden de emissierechten derhalve eerst moeten verviervoudigen in waarde, waarna uit een nog verdere waardestijging het voorgespiegelde rendement zou kunnen worden gerealiseerd. Uit niets blijkt dat hierop een concreet vooruitzicht bestond en dit werd de beleggers niet meegedeeld. Aan de andere kant ging het hier om een speculatieve belegging, waarbij een grote waardestijging in de toekomst ook bepaald niet uitgesloten was en een ‘uitstekend’ rendement weliswaar niet waarschijnlijk, maar toch wel mogelijk was.
Ter illustratie, uit openbare bronnen (de veilingmonitor 2019 en 2022 van de Nederlandse emissieautoriteit) blijkt dat de veilingprijs van een verplicht emissierecht is de afgelopen jaren is gestegen van € 5 in 2013 naar gemiddeld € 79,67 in 2022, oftewel een waardestijging van 1.600% in negen jaar. Verder worden op de site fairclimatefund.nl vrijwillige CO2-rechten inmiddels (2023) voor € 18 per ton verkocht aan bedrijven en particulieren.
Onder deze omstandigheden zullen de verdachten worden vrijgesproken van het onder b, eerste gedeelte vermelde.
Het hof acht evenmin wettig en overtuigend bewezen dat de in de tenlastelegging genoemde mededeling dat de rendementen van verhandelbare, vrijwillige emissierechten in potentie hoog konden zijn (b, tweede deel), een valsheid betreft. Deze mededeling is daarvoor te algemeen.
Ook van dit deel van het onder b vermelde moeten de verdachten worden vrijgesproken.
Dat de focus (c) van [A] Ltd was gericht op het optimaliseren van rendement op emissierechten voor investeerders (in plaats van het optimaliseren van het eigen rendement) is welbeschouwd niet meer dan een doorzichtige reclame-uiting. Er zijn weinig bedrijven die publiekelijk zeggen dat niet hun product of dienstverlening (de vliegervaring van-, de fijne vakantie van- of bij beleggingen, het rendement van de klant) centraal staat bij het handelen van het bedrijf, maar de door het bedrijf te boeken winst.
Ten aanzien van het onder (d) vermelde wordt in de brochure weliswaar (ten onrechte) de suggestie gewekt dat de verwachte (wereldwijde) markt- en/of prijsontwikkelingen en/of rendementen die golden voor (de handel in) verplichte emissierechten ook golden voor de handel in vrijwillige emissierechten, maar deze mededeling staat niet met zoveel woorden, in elk geval onvoldoende uitdrukkelijk, in dit geschrift. Ook ten aanzien van het onder (d) vermelde komt het hof tot een vrijspraak.
Verdere beoordeling van het onder a en e vermelde Wel acht het hof bewezen dat de in de tenlastelegging vermelde mededelingen dat (a) [A] Ltd klein was gestart in 2002 en uitgegroeid was tot een wereldspeler en (e) dat de aangeschafte carbon credits werden bewaard onder de hoofdrekening van een beheerder, die onder het toezicht viel van (de Zwitserse toezichthouder) Verein zur Qualitätssicherung von Finanzdienstleistungen, bij een door de Verenigde Naties (VN) goedgekeurd internationaal Carbon Credit Register, vals en in strijd met de waarheid waren.
Deze mededelingen stonden in de brochure ‘ [naam 1] ’ (D-527), maar stemmen niet overeen met de werkelijkheid.
In de eerste plaats is [A] Ltd (a) niet in 2002 begonnen. Deze Engelse vennootschap is pas op 25 juli 2012 opgericht en ingeschreven (D-559, p. 7) in het Engelse handelsregister. Op de tweede plaats valt [A] Ltd niet te kwalificeren als wereldspeler. Zij richtte zich, naast de activiteiten van [betrokkene 5] in Engeland, alleen op de Nederlandse markt en verkeerde daarmee nog in een aanvangsfase.
Tot slot is de mededeling dat de aangeschafte carbon credits werden bewaard onder de hoofdrekening van een beheerder, die onder het toezicht viel van de genoemde Zwitserse toezichthouder, bij een door de VN goedgekeurd internationaal Carbon Credit Register, eveneens vals en in strijd met de waarheid. Uit de bij de FIOD afgelegde verklaring van getuige [getuige] (G-51-01, pag. 6), coördinator registratie emissiehandel bij de Nederlandse Emissieautoriteit, blijkt dat de VN registers goedkeurt voor het verplichte systeem van emissiehandel tussen landen (op basis van het Kyoto-protocol).
De VN keurt niet een register goed waarin zich vrijwillige CO2 emissierechten kunnen bevinden en vrijwillige CO2 emissierechten kunnen bijgevolg niet worden gehouden in een register dat door de VN is goedgekeurd. Ook door deze mededeling is de werkelijkheid geweld aan gedaan.
Al met al is bewezen dat de brochure ten aanzien van het achter a en e vermelde valselijk is opgemaakt, waarbij het - gelet op de aard van de mededelingen - gaat om mededelingen die bestemd zijn tot bewijs van enig feit te dienen.
Opzettelijk gebruik van de brochure ’ [naam 1] ’ (D-527) De brochure is door de door [A] Ltd ingeschakelde verkopers gebruikt bij de verkoop van de vrijwillige CO2 emissierechten en daartoe aan potentiële beleggers verstrekt. Op de vraag of [medeverdachte 1] , [verdachte] en/of [medeverdachte 2] gebruik hebben gemaakt van dit valse geschrift zal - als reeds overwogen - later worden ingegaan. Eerst zal worden beoordeeld of zij als medeplegers betrokken waren bij oplichting van beleggers in vrijwillige CO2 emissierechten.
Medeplegen van oplichting middels [A] Ltd. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] wordt verweten dat zij als medeplegers betrokken waren bij de oplichting van een groot aantal personen. In totaal is er middels [A] Ltd door 15 Nederlandse en drie Belgische beleggers, deels in meerdere aankopen, € 365.937,85 ingelegd.
Van deze personen zijn in hoger beroep alleen beleggers [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 6] , [benadeelde 4] , [benadeelde 7] , [benadeelde 8] , [benadeelde 9] en [benadeelde 10] nog aan de orde voor de drie verdachten. Voor [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn daarnaast ook de beleggers [benadeelde 11] en [benadeelde 12] nog aan de orde.
De verdachten wordt verweten dat zij de beleggers door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een samenweefsel van verdichtsels hebben bewogen tot afgifte van geldbedragen.
Hoedanigheid van ervaren succesvolle beleggingsorganisatie Bij het oplichtingsmiddel dat bestaat uit het aannemen van een valse hoedanigheid, gaat het er in de kern om dat het handelen van de verdachte(n) ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de 'persoon' van de verdachte, wat betreft diens hoedanigheid, waarbij die onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken. De valse hoedanigheid hield bij [A] Ltd in dat werd voorgewend dat sprake was een ervaren en succesvolle beleggingsorganisatie. [A] Ltd schetst in de brochure (D-527) het beeld van een zeer succesvol bedrijf met tien jaar ervaring in de handel in emissierechten. Het bedrijf was zo succesvol dat het, ‘klein gestart’ in 2002, is uitgegroeid tot een ‘wereldspeler’. Bij de firma werkt een ‘bevlogen team van professionals’.
Deze presentatie als succesvolle (potentiële) wederpartij is er klaarblijkelijk op gericht bij het beoogde slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen teneinde daarvan misbruik te maken. [A] Ltd is in werkelijkheid helemaal geen succesvol bedrijf dat in tien jaar tijd is uitgegroeid tot een wereldspeler. [A] Ltd is pas sinds 25 juli 2012 opgericht en ingeschreven (D-559, p. 7) bij [B] in [plaats 1] , Engeland (D-559) door de agent ‘ [C] Ltd.’, derhalve nog geen vier maanden voordat de eerste belegger in oktober 2012 zijn emissierechten koopt.
Als directeur en enig aandeelhouder van [A] Ltd werd ingeschreven [betrokkene 2] (D-559, pag. 2 en 3). [betrokkene 2] is taxichauffeur en ontvangt een vergoeding voor het op zijn naam zetten van het bedrijf. [betrokkene 2] werd slechts gebruikt als stroman, onder andere bij het op zijn naam openen van de ING-bankrekening van [A] Ltd. in Nederland. Uit het feit dat deze katvanger [betrokkene 2] tevens eigenaar was van [A] Ltd moet worden afgeleid dat het ook niet de bedoeling was dat [A] Ltd zich zou ontwikkelen tot echte waardevolle beleggingsorganisatie, maar slechts diende als oplichtingsvehikel. [medeverdachte 1] en [verdachte] waren op de hoogte van de valse hoedanigheid van [A] Ltd. Uit de afgeluisterde telecommunicatie tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] , in combinatie met e-mailcorrespondentie, blijkt dat [medeverdachte 1] en [verdachte] wisten dat [betrokkene 2] slechts op papier directeur was van [A] Ltd.
Uit een telefoongesprek [0002] tussen [verdachte] en [betrokkene 2] blijkt dat [betrokkene 2] diezelfde dag nog 1.500 pond wil zien om zijn huur te betalen anders stopt hij er gelijk mee. Verder volgt uit e-mailcorrespondentie dat [verdachte] met [betrokkene 5] communiceert (met [medeverdachte 1] in de cc) via het e-mailadres [e-mailadres 1] . [verdachte] stuurt op 22 november 2012 een bericht naar dit adres, met [medeverdachte 1] in de cc, welk bericht hij aanvangt met “Dear [betrokkene 5] ” en waarin hij een aantal vragen stelt met onder andere vermelding van de namen “ [naam 2] ” en “ [naam 3] ”. Op diezelfde datum wordt vanaf dit e-mailadres gereageerd met onder meer de mededeling: “I am meeting with [betrokkene 2] to collect post etc” (D-1306). Voorts wijst het hof op een e-mailbericht vanaf dit adres van 2 januari 2013, gericht aan [verdachte] en [medeverdachte 1] , waarin onder meer wordt gezegd: “ [betrokkene 2] opened the letter for me today” en “need to attend the bank with [betrokkene 2] , who I shall also see tomorrow” (D-1307).
Door het gebruik van [betrokkene 2] als stroman moest kennelijk voor de buitenwereld verborgen blijven dat in werkelijkheid [betrokkene 5] de leiding had over [A] Ltd in Engeland. Uit het hierboven genoemde tapgesprek (blz. 3/5) blijkt verder dat [verdachte] niet wil dat [betrokkene 2] 100 of 200 k in handen krijgt via de ING-rekening en uit andere tapgesprekken blijkt dat [betrokkene 2] direct 1.500 pond wil ontvangen omdat hij er anders - naar de kern samengevat - uitstapt. In een afgetapt telefoongesprek tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] wordt besproken dat ze van ‘hem’ af willen ([0001], pag. 2).
Ook van een ‘bevlogen team van professionals’ bij [A] Ltd is geen sprake. [verdachte] was de gevolmachtigde van de bankrekening van [A] en verzorgde de inkoop van de emissierechten bij de firma’s [D] en [E] . Hij voerde de administratie van de verkopen aan de beleggers en probeerde volgens zijn eigen verklaring afnemers te vinden voor vrijwillige CO2-rechten, hetgeen echter (nog) niet zou zijn gelukt. [verdachte] is geen ‘professional’ op het terrein van beleggingen of CO2-rechten. Hij is pas medio 2012 begonnen met [A] Ltd en werkte daarvoor bij een bedrijf dat rubberboten verkocht (V16-02, p. 3).
De werkelijkheid met betrekking tot de 'persoon' van [A] Ltd, wat betreft haar hoedanigheid, was daarmee heel anders dan aan de beleggers is voorgespiegeld. [A] Ltd was geen beleggingsbedrijf, maar een oplichtingsvehikel, zonder geschiedenis, zonder bewezen trackrecord, zonder daadwerkelijke eigenaren en met een katvanger aan het hoofd.
Samenweefsel van verdichtsels Het samenweefsel van verdichtsels zou hebben bestaan uit het valselijk en in strijd met de waarheid, in/aan de hand van brochures, e-mails, orderbevestigingen en/of gesprekken, jegens de beleggers ten aanzien van de aan hen voorgestelde aankoop vrijwillige emissierechten voorhouden dat: a. [A] Ltd een groot verkoopkantoor in emissierechten was en/of al geruime tijd bestond en/of b. de inleg volledig of grotendeels zou worden besteed aan de aankoop van vrijwillige CO2 emissierechten en/of dat er (vrijwel) geen kosten en/of commissie(s) (bij de beleggers) in mindering zou(den) worden gebracht op de inleg en/of c. vrijwillige CO2 emissierechten een goede investeringsmogelijkheid waren voor particulieren en/of d. over het algemeen altijd hun waarde behielden en/of schaars waren en steeds schaarser werden waardoor (verkoop)prijzen zouden stijgen en/of (hoge) rendementen te behalen waren en/of e. [A] Ltd zich bezighield met het offsetten van emissierechten bij bedrijven en/of over een eigen offsetafdeling beschikte en/of structureel rendement realiseerde op basis van offset en/of f. [A] Ltd vrijwillige CO2 emissierechten inkocht voor een prijs rond de euro 8,00/euro 9,00 en/of voldoende emissierechten in voorraad had en/of emissierechten uit voorraad verkocht en/of g. de prijs van vrijwillige CO2 emissierechten als investeringsobject zoals die door andere aanbieders in rekening werd gebracht boven de euro 12,00 lag en/of h. [A] Ltd onder toezicht stond van de Nederlandse Autoriteit Financiële Markten.
De hierboven vermelde mededelingen zouden in gesprekken met de beleggers en ook in de aan hen toegezonden/uitgereikte brochure ‘ [naam 1] ’ zijn gedaan.
Vrijspraak van hetgeen onder c, d, e eerste deel, f, g en h staat vermeld Niet is gebleken dat vrijwillige CO2 emissierechten geen goede investeringsmogelijkheid waren voor particulieren (c), of dat de mededelingen dat vrijwillige CO2 rechten over het algemeen altijd hun waarde behielden en/of schaars waren en steeds schaarser werden waardoor (verkoop)prijzen zouden stijgen en/of (hoge) rendementen te behalen waren (d) onjuist waren. Dat geldt ook voor de mededeling dat [A] zich bezighield met het offsetten van emissierechten bij bedrijven. [verdachte] heeft pogingen gewaagd emissierechten aan bedrijven te verkopen (e, eerste deel).
Voorts is van de in de tenlastelegging genoemde mededelingen f, g en h niet gebleken dat zij de genoemde beleggers hebben bewogen tot het aangaan van de overeenkomsten voor de aankoop van de vrijwillige CO2 emissierechten en de afgifte van geldbedragen daarvoor. [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] zullen hiervan worden vrijgesproken.
Valsheid van het onder a, b en e, tweede deel vermelde.
Dat [A] Ltd een groot verkoopkantoor in emissierechten was en al geruime tijd bestond (a) is zoals eerder vermeld onjuist. [medeverdachte 1] en [verdachte] wisten dat [A] Ltd geen groot verkoopkantoor was en dat het bedrijf geleid werd door een stroman.
Ook is onjuist dat (b) de inleg volledig of grotendeels zou worden besteed aan de aankoop van vrijwillige CO2 emissierechten en/of dat er (vrijwel) geen kosten en/of commissie(s) (bij de beleggers) in mindering zou(den) worden gebracht op de inleg. De verkopers hebben aan de beleggers - die een aantal emissierechten kochten tegen een van te voren overeengekomen aankoopprijs - verteld dat de inleg volledig of grotendeels zou worden besteed aan de aankoop van de vrijwillige CO2 emissierechten en dat er (vrijwel) geen kosten en/of commissies in mindering zouden worden gebracht. In totaal zijn aan de Nederlandse en Belgische beleggers 43.721 emissierechten verkocht voor € 365.937,85. De inkoopprijs van deze emissierechten was € 90.839,76. Dit betekent dat slechts 24,82% van de door kopers ingelegde gelden is besteed aan de inkoop van de emissierechten. [medeverdachte 1] en [verdachte] wisten dat de inleg niet volledig of grotendeels zou worden besteed aan de aankoop van vrijwillige emissierechten, reeds gelet op hun wetenschap van de inkoopprijs van deze rechten voor [A] en de verkoopprijs aan de beleggers. Uit de inhoud van onder [verdachte] in beslag genomen gegevensdragers blijkt verder dat door [medeverdachte 1] en [verdachte] een overzicht is opgesteld (‘Overleg [...] ’ genoemd, naar de voornamen van verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] ), waarin per belegger is aangegeven welke (aanzienlijke) bedragen uit diens inleg dienden te worden uitbetaald aan [verdachte] en [medeverdachte 1] , hun medeverdachten en eventuele anderen die bij de verkoop aan de betreffende belegger waren betrokken. [medeverdachte 1] en [verdachte] wisten dat het grootste deel van de door de beleggers ingelegde gelden, in strijd met de mededelingen daarover aan de beleggers, niet werd besteed aan de aankoop van vrijwillige CO2 emissierechten, maar door hen en hun medeverdachten werd opgestreken.
Voorts was alleen [verdachte] de persoon binnen [A] Ltd die zou hebben geprobeerd emissierechten te verkopen aan bedrijven (offset), maar hij zou daar nog niet in zijn geslaagd. Daarom is in elk geval onjuist de mededeling dat [A] Ltd over een eigen offsetafdeling beschikte en een structureel rendement realiseerde op basis van de offset (e, tweede gedeelte).
Als de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de aan de beleggers gedane (deels dus leugenachtige) mededelingen in onderling verband en samenhang worden bezien, is duidelijk dat bij de beleggers door dat samenweefsel een onjuiste voorstelling van zaken in het leven is geroepen.
Zoals uit de verklaringen van de beleggers blijkt zijn de beleggers [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 6] , [benadeelde 4] , [benadeelde 7] , [benadeelde 9] , [benadeelde 10] , [benadeelde 11] en [benadeelde 12] door de oplichtingsmiddelen bewogen tot de aankoop van de emissierechten.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verklaring van de getuige [benadeelde 3] bij de FIOD van het bewijs moet worden uitgesloten, omdat de getuige is overleden en daarom niet door de verdediging kan worden gehoord.
Dit verweer wordt verworpen. De verklaring van [benadeelde 3] wordt in belangrijke mate ondersteund door de verklaring van de (gewezen) medeverdachte [medeverdachte 4] en er is geen reden aan de juistheid te twijfelen.
Voor wat betreft het oplichten van de belegger [benadeelde 8] wordt het navolgende overwogen. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben verzocht de belegger [benadeelde 8] te horen. Op het naar Zuid-Afrika uitgestuurde rechtshulpverzoek [benadeelde 8] te horen als getuige is geen reactie gekomen. Voor de vraag of [benadeelde 8] is opgelicht is haar eerder afgelegde verklaring van groot belang. Aangezien de verdediging die verklaring niet heeft kunnen toetsen is voor haar oplichting onvoldoende wettig bewijs hetgeen leidt tot vrijspraak op dit onderdeel.
Medeplegen [verdachte] heeft in de ten laste gelegde periode werkzaamheden verricht voor de in juli 2012 opgerichte Engelse vennootschap [A] Ltd. Het doel van [A] Ltd was het verkopen van vrijwillige CO2 emissierechten aan beleggers. In Engeland waren bij [A] Ltd onder meer betrokken [betrokkene 5] en [betrokkene 6] . Als directeur van [A] Ltd was ingeschreven [betrokkene 2] . heeft verklaard dat [betrokkene 5] en [betrokkene 6] hem hebben gevraagd de verkoop van de vrijwillige CO2 emissierechten in Nederland te organiseren. [verdachte] heeft hierover besprekingen gevoerd met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , waarna het verkoopkantoor van [medeverdachte 2] in Duitsland bij wijze van ‘pilot’ is begonnen met de verkoop van vrijwillige CO2 emissierechten aan Nederlandse beleggers. Vervolgens hebben [verdachte] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] personen benaderd om de emissierechten in Nederland te verkopen. Dit heeft geresulteerd in twee aanvullende verkoopkanalen, aangeduid als ‘kantoor [F] ’ en ‘kantoor [G] ’ ( [plaats 3] ). Voor het opzetten van het verkoopkantoor in [plaats 2] zijn [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] benaderd, die een kantoorruimte hebben gehuurd en personeel hebben aangetrokken om de emissierechten te verkopen. Voor kantoor [G] is [betrokkene 4] benaderd, die zijn contacten [medeverdachte 4] en [betrokkene 3] heeft aangezocht om de emissierechten aan beleggers aan te bieden. Vanuit al deze drie verkoopkanalen zijn (potentiële) klanten door verkopers benaderd en zijn de vrijwillige CO2 emissierechten verkocht aan onder meer de bovengenoemde beleggers. [verdachte] heeft met [medeverdachte 1] in meerdere opzichten de regie gehouden over de informatievoorziening aan en de bedrijfsvoering van de verkoopkanalen.
Ten aanzien van de verkoop oefenden [verdachte] en [medeverdachte 1] bij kantoor [F] en kantoor [G] controle uit over de productinformatie en de inhoud van de verkoopgesprekken. Zij gingen meermalen op bezoek op het kantoor [F] om de verkopers te voorzien van informatie. Tevens voerden zij (telefonisch of in persoon) overleg met de leiding van dit kantoor ( [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] ), maakten zij afspraken over de voortgang van de werkzaamheden en lieten zij zich van de vorderingen ten aanzien van de verkoop steeds op de hoogte brengen. Ook met het kantoor [G] , in de persoon van [betrokkene 4] , heeft [verdachte] intensief contact onderhouden. [verdachte] heeft de aan dit kantoor verbonden verkopers [medeverdachte 4] en [betrokkene 3] voorzien van de productinformatie. [verdachte] is bovendien persoonlijk met [medeverdachte 4] meegegaan naar het verkoopgesprek met de belegger [benadeelde 3] om, naar hij zelf heeft verklaard, zeker te zijn dat de productinformatie goed zou worden overgebracht.
Voorts zijn de website van [A] Ltd en de brochure ‘ [naam 1] ’, die op de website was geplaatst en aan potentiële beleggers is verstrekt, onder verantwoordelijkheid van [verdachte] tot stand gekomen. [verdachte] heeft ook verklaard dat hij de inhoud van de brochure tot zich heeft genomen.
De website is in opdracht van [verdachte] gebouwd. Zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] hebben zich intensief met de inhoud van deze website bemoeid. Voor de brochure heeft [verdachte] de teksten aangeleverd.
Wanneer een belegger besloot over te gaan tot aankoop van de vrijwillige CO2 emissierechten, werd de administratieve afhandeling daarvan door [verdachte] gedaan. Hij verzond de contracten, ontving deze ondertekend retour en controleerde de inhoud. Als de verkoop van de vrijwillige CO2 emissierechten was voltooid, boekte de belegger, volgens het contract, de aankoopsom over naar in de regel de ING-bankrekening van [A] die door [verdachte] werd beheerd. [verdachte] heeft met een gering gedeelte van het aldus ontvangen geldbedrag vervolgens emissierechten ingekocht bij de beheerdersfirma’s [D] en [E] . Per emissierecht bedroeg de door [A] Ltd gehanteerde aankoopprijs voor de belegger namelijk € 8,- à € 9,-, terwijl de inkoopprijs voor [A] circa € 2,- bedroeg. De rest van het ontvangen bedrag werd al dan niet met tussenkomst van de Deense firma [H] uitbetaald aan [verdachte] zelf, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en eventuele andere betrokkenen bij de verkoop aan de betreffende belegger. Over de verdeling van het geld hebben [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gezamenlijk afspraken gemaakt.
Verkopers van [A] hebben [verdachte] omschreven als de persoon waaraan zij verantwoording aflegden. Uit voornoemde feiten en omstandigheden volgt dat [verdachte] een leidinggevende rol heeft gehad bij het hiervoor omschreven verkoopproces van de vrijwillige CO2 emissierechten. [verdachte] heeft voor zijn werkzaamheden voor [A] Ltd een aanzienlijke vergoeding ontvangen.
Het voorgaande dwingt tot de conclusie dat [verdachte] in nauwe en bewuste samenwerking met anderen de vrijwillige CO2 emissierechten heeft verkocht en daarbij een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd voor het medeplegen ten aanzien van de oplichting van de beleggers die hiervoor zijn genoemd.
Deelneming aan een “criminele organisatie” (feit 3) (…).
Hiervoor is overwogen dat [verdachte] en [medeverdachte 1] - via zijn vennootschap [I] B.V. - een leidende rol hebben gespeeld in de organisatie, die onder de vlag van [A] Ltd CO2 vrijwillige emissierechten aan beleggers heeft verkocht door middel van valsheid in geschrift en oplichting. Zij hebben de verkoop van vrijwillige CO2 emissierechten geïnitieerd, de verkooporganisaties in [plaats 2] en [plaats 3] opgezet en geleid en zij hebben een brochure laten maken. Zij voorzagen de verkopers van productinformatie, hebben de website opgezet en onderhielden contact met de lokale leiders van de verkooporganisaties in [plaats 2] en [plaats 3] . Van de verkoopopbrengst van deze emissierechten heeft [verdachte] een aanzienlijk gedeelte opgestreken. Bewezen is daarom dat [verdachte] van 1 juli 2012 tot en met 5 november 2013 heeft deelgenomen aan de criminele organisatie, [die] op dat moment werd gevormd door hem, [medeverdachte 1] , [A] Ltd. en anderen.”
Het eerste middel De klacht 8. Het eerste middel bevat – kort gezegd – de klacht dat het hof de verklaring van [benadeelde 3] voor het bewijs van medeplegen van oplichting (feit 1) heeft gebruikt, terwijl de verdediging ten aanzien van die getuige geen effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen.
De processuele gang van zaken 9. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 april 2022 heeft het hof het verzoek om [benadeelde 3] als getuige op te roepen toegewezen en bepaald dat deze getuige ter terechtzitting zal worden gehoord. Op de terechtzitting van 20 april 2023 heeft de verdediging blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal in aanvulling op de pleitnota het volgende aangevoerd: “Niemand kan vertellen waarom de beleggers zijn bewogen tot de aankoop van de emissierechten. De verklaringen van verschillende beleggers en getuigen kunnen ook niet worden gebruikt om bijvoorbeeld de oplichting van [benadeelde 3] te gebruiken. De verklaringen van [benadeelde 3] bij de FIOD moet van het bewijs worden uitgesloten. Zij kan niet meer worden bevraagd, want zij is overleden. Ook de getuige [benadeelde 8] kon niet binnen de gestelde termijn worden bevraagd. Gelet daarop vraag ik u de verdachte van deze beleggers vrij te spreken. De verklaring van [medeverdachte 4] is niet ondersteunend en niet betrouwbaar.”
Dit verweer wordt verworpen. De verklaring van [benadeelde 3] wordt in belangrijke mate ondersteund door de verklaring van de (gewezen) medeverdachte [medeverdachte 4] en er is geen reden om aan de juistheid te twijfelen.”
Als ik terugkijk op het gesprek met [medeverdachte 4] en [verdachte] kan ik niet zeggen wie er nu eigenlijk precies de verkoper is geweest. [verdachte] deed net zo zijn best als [medeverdachte 4] . Ik kreeg het idee dat [medeverdachte 4] [verdachte] de man vond. Misschien zou je kunnen zeggen dat [medeverdachte 4] tegen [verdachte] opkeek.
Het viel me wel op dat [verdachte] wilde dat ik zoveel mogelijk zou investeren. Hij keek om zich heen en zei dingen als: maar u zit hier toch goed en u bent toch niet van plan om te verbouwen, u heeft toch niet zoveel geld meer nodig.
Uiteindelijk is op 15 mei van mijn bankrekening [rekeningnummer 2] een bedrag van € 74.995,20 overgeschreven naar bankrekening [rekeningnummer 1] van [A] .
Ik ging er vanuit dat het gehele bedrag dat ik had gestort volledig besteed zou worden aan emissierechten. Er is niet gesproken over onkosten die [A] bij mij in rekening zou brengen. Ik heb volgens het contract 8.929 C02 certificaten ( [...] ) aangeschaft. [A] zou een internationaal opererend bedrijf zijn, met onder andere een vestiging in Londen. (hof: Voorgehouden wordt - naar de kern - dat de helft van het bedrag dat door [benadeelde 3] is overgemaakt is opgegaan aan commissies. Haar wordt gevraagd wat zij ervan vindt) Schandalig, wat moet ik daarvan zeggen. De vraag of ik het bedrag ook zou hebben gegeven als ik geweten zou hebben dat 50% van mijn inleg uitbetaald zou worden als commissie is haar beantwoorden. Natuurlijk zou ik dat niet hebben gedaan.
Wat kunt u zich herinneren met betrekking tot het gesprek waar [verdachte] bij aanwezig is geweest. Wat was zijn rol? [verdachte] ging zeker mee voor de verkoop. Hij is echt wel betrokken geweest bij de verkoop. Hij liegt dus als hij zegt dat hij niet betrokken was bij de verkoop. [medeverdachte 4] heeft wel alles voor mij geregeld, maar mijn indruk was dat dit onder leiding van [verdachte] ging.”
Ik kreeg een percentage van 12,5% van de transacties die ik realiseerde. Ik kreeg mijn commissie van [betrokkene 4] . Ik heb mijn commissie aan [betrokkene 4] gefactureerd. Ik heb 2 klanten gefactureerd en betaald gekregen. Mijn eerste twee klanten waren [benadeelde 3] en [benadeelde 7] .
Als de helft van het geld naar [A] Ltd, gegaan is, is mij niet de juiste informatie verstrekt.
Bent u bekend met de inkoopprijs van ongeveer 2 euro?
Dat is een heel ander bedrag dan rond de € 7,50 wat mij door [verdachte] steeds is verteld.
Ik heb aan [verdachte] gevraagd om mee te gaan naar [benadeelde 3] .
Ik ben het gesprek begonnen waarbij ik [verdachte] heb geïntroduceerd en de emissierechten kort heb besproken en al vrij snel heeft [verdachte] het gesprek van mij overgenomen. Ik herinner mij dat [verdachte] door bleef praten totdat [benadeelde 3] bereid was € 75.000,- te investeren. Het verkoopverhaal is door [verdachte] gehouden. Na het gesprek zijn we naar mijn huis gegaan en daar heeft [verdachte] de gegevens van [benadeelde 3] in het systeem ingevuld en het contract uitgeprint. Ik ben met het contract naar [benadeelde 3] terug gegaan om het te laten tekenen. Op het verkoopcontract heb ook ik mijn handtekening gezet. Na de ondertekening heb ik het contract opgestuurd naar [verdachte] . Volgens mij vertellen [benadeelde 3] en ik hetzelfde. Volgens mij is [verdachte] wel degelijk mee geweest om te verkopen.
Wat is er verteld over [A] Ltd. activiteiten in de offset van emissierechten? [A] Ltd was dat aan het opzetten en als zich daar nieuwe klanten zouden aanmelden, zouden die de emissierechten kunnen overnemen van de klanten. Volgens mij is offset de verkoop van emissierechten van bestaande klanten, zoals [benadeelde 3] . Emissierechten zouden in de toekomst verkocht kunnen worden aan klanten van [A] voor een dan te bepalen prijs. [benadeelde 3] zou zelf ook een koper mogen vinden.
Kwam het door het verhaal en zo ja, wat precies in het verhaal was het dan dat het zo geloofwaardig maakte?
Ja, het verhaal en een mooie map en mooie brochure en mooie website, dat zag er allemaal goed uit.
Op 8 oktober 2013 factureert [betrokkene 4] middels zijn bedrijf [J] Ltd. Een bedrag van € 999,00 voor marketing fee in de verkoop aan [benadeelde 7] . Wat kunt u ons vertellen over de rol van [betrokkene 4] in de verkoop, van emissierechten aan [benadeelde 7] ?
Ik herken nu de naam van het bedrijf van [betrokkene 4] . [betrokkene 4] heeft een aanstelling bij [A] Ltd, of bij [verdachte] , dat weet ik niet precies. [betrokkene 4] factureert dus bij [A] Ltd of bij [verdachte] en ik factureer normaal bij [betrokkene 4] .
Ik weet nog heel zeker dat [betrokkene 4] en ik 50/50 zouden doen. Als ik 12,5% zou krijgen is het provisiebedrag kennelijk 25% geweest. Het klopt dat ik van [verdachte] een map over CO2 emissierechten heb gekregen. Dat was een presentatiemap. Op de vraag of ik daar ook informatie uit haalde, antwoord ik: Ja, althans die kon ik gebruiken in mijn sales. [betrokkene 7] vraagt wat er in die map zat. Er zat een gelikte brochure in met prijzen en een aantal mooie plaatjes en daarnaast de aanvullende informatie van [verdachte] .
Nu ik u dit hoor dicteren zeg ik u dat [verdachte] zelf ook al had aangeboden om mee te gaan naar klanten. [betrokkene 7] vraagt mij hoeveel commissie ik voor de transactie van 75.000 euro met [benadeelde 3] heb gekregen. Dat was 12,5%. Het zou goed kunnen dat dat 9375 euro is geweest, dat zou ik moeten uitrekenen.”
De toelichting op de klacht 13. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat de verklaring van [benadeelde 3] niet in belangrijke mate wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 4] omdat die verklaring geen informatie bevat over de vraag of jegens [benadeelde 3] oplichtingsmiddelen zijn aangewend en over de vraag waardoor [benadeelde 3] is bewogen tot de aankoop van emissierechten.
Het beoordelingskader 15. De algemene lijnen van de rechtspraak over het gebruik van getuigenverklaringen voor het bewijs in het geval de verdediging deze getuige niet heeft kunnen ondervragen, zijn zeer recent door de Hoge Raad in het arrest van 4 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:181, als volgt onder woorden gebracht: “2.9.1 In gevallen waarin de rechter voor het bewijs gebruik wil maken van een door een getuige afgelegde verklaring, terwijl de verdediging – ondanks het nodige initiatief – niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om ten aanzien van die getuige het ondervragingsrecht uit te oefenen, moet de rechter nagaan of het proces als geheel eerlijk is verlopen. Hierbij zijn – met het oog op de beoordeling of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces – van belang (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.
2.9.2 Voor de beoordeling of wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, is het gewicht van de verklaring van de betreffende getuige in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor. Dat doet er echter niet aan af dat ook de aanwezigheid van een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van de getuige en het bestaan van compenserende factoren in die beoordeling moeten worden betrokken, waarbij al deze beoordelingsfactoren in onderling verband moeten worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring van de getuige groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. (Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:2021:576, rechtsoverwegingen 2.12.2 en 2.12.3, en HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418, rechtsoverweging 2.4.2.).”
De bespreking van het middel 16. De hierboven weergegeven processuele gang van zaken houdt in dat het hof op verzoek van de verdediging heeft bevolen dat [benadeelde 3] ter terechtzitting zal worden opgeroepen om als getuige te worden gehoord. Bovendien valt uit de stukken op te maken dat deze getuige op enig moment is komen te overlijden. De verdediging heeft vervolgens betoogd dat de (politie)verklaring van [benadeelde 3] niet tot het bewijs kan worden gebruikt op de grond dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om deze getuige te ondervragen. Het hof heeft de door [benadeelde 3] afgelegde verklaring niettemin voor het bewijs gebruikt en heeft in reactie op het verweer geoordeeld dat “de verklaring van [benadeelde 3] in belangrijke mate wordt ondersteund door de verklaring van de (gewezen) medeverdachte [medeverdachte 4] en er geen reden is om aan de juistheid te twijfelen”.
Het tweede middel: feit 2 26. In het tweede middel zijn twee deelklachten omtrent het bewijs van feit 2 (medeplegen opzettelijk gebruikmaken van vals geschrift) geformuleerd. De eerste deelklacht komt op tegen het oordeel dat de door de verdachte gebruikte valse brochure van [A] (‘ [naam 1] ’) een geschrift is ‘dat bestemd is tot bewijs van enig feit’. De tweede deelklacht houdt in dat het hof niet heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging.
De eerste deelklacht van het tweede middel: is de brochure bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen?
De eerste deelklacht 27. Het oordeel van het hof dat de brochure een geschrift als bedoeld in artikel 225 Sr oplevert, getuigt volgens de stellers van het middel van een onjuiste rechtsopvatting omdat het er immers niet om gaat of ‘mededelingen die bestemd zijn tot bewijs van enig feit te dienen’ zijn gedaan, maar of het geschrift waarin deze mededelingen zijn gedaan een dergelijke bewijsbestemming heeft. Dat is bij de brochure in kwestie niet het geval, aldus de stellers van het middel.
Het oordeel van het hof 28. Het hof heeft omtrent de voornoemde brochure als volgt geoordeeld (ik herhaal, onderstreping mijnerzijds): “Is er bij de brochure ‘ [naam 1] ’ (D-527) sprake van een vals geschrift? [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] wordt verweten dat zij van 1 juli 2012 tot en met 5 november 2013 opzettelijk gebruik hebben gemaakt van een vals geschrift, te weten de brochure ‘ [naam 1] ’ (D-527). Allereerst zal het hof nagaan of er in de brochure onjuistheden staan die als valsheden kunnen worden aangeduid. Deze vraag zal deels bevestigend worden beantwoordt, waarna later in het arrest de vraag zal worden beantwoord of [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] te dier zake een strafrechtelijk verwijt valt te maken. (…) Verdere beoordeling van het onder a en e vermelde Wel acht het hof bewezen dat de in de tenlastelegging vermelde mededelingen dat (a) [A] Ltd klein was gestart in 2002 en uitgegroeid was tot een wereldspeler en dat de aangeschafte carbon credits werden bewaard onder de hoofdrekening van een beheerder, die onder het toezicht viel van (de Zwitserse toezichthouder) Verein zur Qualitätssicherung von Finanzdienstleistungen, bij een door de Verenigde Naties (VN) goedgekeurd internationaal Carbon Credit Register, vals en in strijd met de waarheid waren.
Deze mededelingen stonden in de brochure ‘ [naam 1] ’ (D-527), maar stemmen niet overeen met de werkelijkheid.
In de eerste plaats is [A] Ltd (a) niet in 2002 begonnen. Deze Engelse vennootschap is pas op 25 juli 2012 opgericht en ingeschreven (D-559, p. 7) in het Engelse handelsregister. Op de tweede plaats valt [A] Ltd niet te kwalificeren als wereldspeler. Zij richtte zich, naast de activiteiten van [betrokkene 5] in Engeland, alleen op de Nederlandse markt en verkeerde daarmee nog in een aanvangsfase.
Tot slot is de mededeling dat de aangeschafte carbon credits werden bewaard onder de hoofdrekening van een beheerder, die onder het toezicht viel van de genoemde Zwitserse toezichthouder, bij een door VN goedgekeurd internationaal Carbon Credit Register, eveneens vals en in strijd met de waarheid. Uit de bij de FIOD afgelegde verklaring van getuige [getuige] (G-51-01, pag. 6), coördinator registratie emissiehandel bij de Nederlandse Emissieautoriteit, blijkt dat de VN registers goedkeurt voor het verplichte systeem van emissiehandel tussen landen (op basis van het Kyoto-protocol).
De VN keurt niet een register goed waarin zich vrijwillige CO2 emissierechten kunnen bevinden en vrijwillige CO2 emissierechten bijgevolg niet worden gehouden in een register dat door de VN is goedgekeurd. Ook door deze mededeling is de werkelijkheid geweld aan gedaan.
Al met al is bewezen dat de brochure ten aanzien van het achter a en e vermelde valselijk is opgemaakt, waarbij het – gelet op de aard van de mededelingen – gaat om mededelingen die bestemd zijn tot bewijs van enig feit te dienen. (…)”
Het beoordelingskader: de eis dat het geschrift bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen 29. De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op de leden 1 en 2 van artikel 225 Sr. Om die reden moet worden aangenomen dat de in de bewezenverklaring voorkomende term ‘bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen’ is gebruikt in de betekenis die deze heeft in artikel 225 lid 1 Sr.
Zonder nadere motivering, welke ontbreekt, kan uit die enkele vaststelling niet worden afgeleid dat deze prospectussen/brochures kunnen worden aangemerkt als een geschrift waaraan voor het bewijs van de daarin gestelde onafhankelijkheid van en controle door de vermelde Stichting in het maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis pleegt te worden toegekend, dat er sprake is van een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen in de zin van art. 225 Sr.”
De bespreking van de eerste deelklacht van het tweede middel 35. Het hof heeft twee in de brochure opgenomen mededelingen als vals en in strijd met de waarheid aangemerkt, te weten (1) dat [A] in 2002 klein is gestart en is uitgegroeid tot een wereldspeler en (2) dat de aangeschafte carbon credits worden bewaard onder de hoofdrekening van een beheerder die onder het toezicht valt van (de Zwitserse toezichthouder) Verein zur Qualitätssicherung von Finanzdienstleistungen, bij een door de Verenigde Naties (VN) goedgekeurd internationaal Carbon Credit Register. Het hof acht bewezen dat de brochure zodoende valselijk is opgemaakt. Daarbij gaat het naar ’s hofs oordeel “gelet op de aard van de mededelingen (…) om mededelingen die bestemd zijn tot bewijs van enig feit te dienen.”
De tweede deelklacht van het tweede middel 38. Voor zover nog nodig bespreek ik ook de tweede deelklacht. Deze houdt in dat het hof niet heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging.
Slotsom 42. Het eerste middel faalt en kan naar mijn inzicht worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 15-OPV-001, p. 10 [0002] 15-OPV-001, 26 V16-01 In de pleitnota van 20 april 2023 heeft de verdediging hetzelfde naar voren gebracht. Daarnaast werd subsidiair aangevoerd, mocht het hof niet overgaan tot bewijsuitsluiting en vrijspraak, dat uit het dossier niet blijkt dat getuige [benadeelde 3] is bewogen om tot aankoop van vrijwillige CO2-emissierechten over te gaan door één van de op de tenlastelegging genoemde oplichtingsmiddelen of een combinatie daarvan.
Vgl. EHRM 6 februari 2024, nr. 56440/15 (Snijders/Nederland), § 64. Daarbij verwees het EHRM naar EHRM (GK) 15 december 2015, nr. 9154/10, NJ 2017/294 m.nt. Myjer (Schatschaschwili/Duitsland), § 116. Daarin overwoog het EHRM reeds (onderstrepingen mijnerzijds): “Given that the Court’s concern is to ascertain whether the proceedings as a whole were fair, it must review the existence of sufficient counterbalancing factors not only in cases in which the evidence given by an absent witness was the sole or the decisive basis for the applicant’s conviction. It must also do so in those cases where, (…), it finds it unclear whether the evidence in question was the sole or decisive basis but is nevertheless satisfied that it carried significant weight and that its admission may have handicapped the defence. The extent of the counterbalancing factors necessary in order for a trial to be considered fair will depend on the weight of the evidence of the absent witness. The more important that evidence, the more weight the counterbalancing factors will have to carry in order for the proceedings as a whole to be considered fair.”
Zie tevens EHRM 31 maart 2016, nr. 55287/10 (Seton/Verenigd Koninkrijk), § 59, en vervolgens toegepast in § 63; EHRM 28 juni 2016, nr. 24463/11 (Dimovic/Servië), § 38-40; EHRM 15 september 2016, nr. 15602/07 (Price/Verenigd Koninkrijk), § 116 en § 127, en EHRM 12 januari 2017, nr. 36705/12 (Štulír/Tsjechië), § 56 en § 67.
Vgl. o.a. HR 3 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1349, rov. 2.5.2; HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:402, NJ 2022/209 m.nt. Jörg, rov. 2.5.
Ontvankelijkheidsbeslissing (klacht manifestly ill-founded) in: EHRM 5 april 2005, nr. 39209/02, NJ 2005/551 m.nt. Schalken (Scheper/Nederland), waarin geen van de slachtoffers van verkrachting A, B en C door de verdediging kon worden gehoord. Het EHRM overwoog: “Indeed, the Court observes that the applicant's conviction of the rape of Ms A., Ms B. and Ms C. did not rest solely on the statements made by them to the police. A number of leads, with which these witnesses had provided the police, had been followed up and had resulted in supporting evidence. Bearing in mind that it concerned three nearly identical incidents with a similar modus operandi by the perpetrator and which occurred within a relatively short time span in three different towns, and having regard to all the material used in evidence against the applicant, including his own statements made before the police and the trial courts, the Court holds that the applicant's conviction cannot be said to have been based only or to a decisive extent on the statements given by Ms A., Ms B. and Ms C. to the police.” Vervolg op: HR 11 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2099, NJ 2002/459.
Zie ook EHRM 31 augustus 1999, nr. 35253/97 (Verdam/Nederland), in vervolg op HR 7 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:AB9819, NJ 1996/573, waarin het bewijs uitsluitend berustte op de verklaringen van twee niet-ondervraagde slachtoffers van verkrachting die op slechts enkele onderdelen overeenstemden met de verklaring van de verdachte over tatoeages en het gebruik van een grote Amerikaanse auto.
Ook in een ander verband slaat het EHRM acht op de aanwezigheid van schakelbewijs (bij een overeenstemmende modus operandi), zoals bij een toetsing van de ‘fairness of the proceedings as a whole’ in een geval waarin de toegang tot een raadsman was beperkt en de rechter niettemin gebruikmaakte van de verklaring die zonder bijstand van een raadsman tot stand was gekomen. Zie EHRM 7 juni 2022, nr. 66616/10 (Kohen e.a./Turkije), § 60.
Ik verwijs hierbij naar het recente arrest van 1 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1351, waarin de Hoge Raad een vergelijkbare zaak met art. 81 RO afdeed en waaraan voorafgaand mijn voormalige ambtgenoot Harteveld tot eenzelfde conclusie kwam (ECLI:NL:PHR:2024:592).
Ten overvloede wijs ik erop dat de oplichting van [benadeelde 3] slechts één geval betreft uit de reeks van gevallen die bij wijze van meerdaadse samenloop onder de tenlastelegging en bewezenverklaring van feit 1 zijn geschaard. De aard en ernst van het bewezen verklaarde blijft nagenoeg intact indien het geval van [benadeelde 3] – bij succes van de klacht – uit de bewezenverklaring zou moeten worden weggedacht. Ook als de klacht terecht zou zijn voorgesteld, is er voor cassatie geen reden. Daaraan doet m.i. niet af dat [benadeelde 3] de grootste klant was.
HR 14 mei 1957, NJ 1957/472; HR 30 september 1980, NJ 1981/70; HR 20 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9379, NJ 2004/681; HR 13 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF3286, NJ 2009/56. Zie voor een meer recente uitspraak: HR 21 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2958, NJ 2018/36, rov. 2.4.2: “In dat verband is vereist dat het gaat om een geschrift dat kan worden aangemerkt als een geschrift waaraan in het maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis pleegt te worden toegekend dat sprake is van een geschrift dat bestemd is tot bewijs van enig feit te dienen als bedoeld in art. 225 Sr (vgl. HR 13 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF3286, NJ 2009/56).”
Zie uitgebreid: Hofstee in Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 225 Sr, aant. 3 (bewijsbestemming), (online, bijgewerkt tot 14 januari 2017).
F.C. Bakker, Valsheid in geschrift (diss. Groningen), Arnhem: Gouda Quint 1985, p. 54.
HR 18 maart 1940, NJ 1940/781.
HR 24 juni 1852, NJ 1952/676.
HR 12 mei 1992, DD 1992/317.
HR 22 april 1986, DD 1986/384.
HR 21 maart 1989, DD 1989/340. Voorgaande voorbeelden zijn ontleend aan de conclusie van Knigge vóór HR 21 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2958, NJ 2018/36, HR 27 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD250, NJ 1996/558.
HR 17 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1847, rov 2.4.2. Vgl. HR 3 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2542.
HR 20 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9379, NJ 2004/681 m.nt. Reijntjes.
ECLI:NL:PHR:2017:1184, onder randnummer 3.9.