PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/03269 Zitting 6 juni 2025 CONCLUSIE W.L. Valk In de zaak [verkoper] tegen [koper] Partijen worden hierna verkort aangeduid als [verkoper] respectievelijk [koper] . 1Inleiding en samenvatting 1.1 Deze zaak betreft de koop van een appartementsrecht. De verkoper heeft veroordeling van de koper gevorderd tot betaling van de kooprijs. De koper heeft in reconventie gevorderd een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst buitengerechtelijk is vernietigd op grond van dwaling, alsook veroordeling van de verkoper tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad. In conventie heeft de rechtbank de vordering van de verkoper afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de koopovereenkomst is vernietigd. De schadevergoedingsvordering heeft de rechtbank echter afgewezen. 1.2 Beide partijen hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het hof heeft het bestreden vonnis bekrachtigd, behalve wat betreft de afwijzing van de schadevergoedingsvordering. Het hof heeft die vordering alsnog gedeeltelijk toegewezen en in dat verband geoordeeld dat de verkoper onrechtmatig heeft gehandeld door aan de koper niet mee te delen dat de Vereniging voor Eigenaars (hierna: VvE) geen toestemming had gegeven voor de verbouwing van het appartement. 1.3 In cassatie klaagt de verkoper dat het hof de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend. Mijns inziens slagen de klachten niet en kan de zaak met toepassing van art. 81 RO worden afgedaan. 2Feiten en procesverloop 2.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: (
(4). 4.16 Volgens de rechtbank heeft [verkoper] zijn mededelingsplicht geschonden. [verkoper] is het niet eens met dat oordeel, maar hij bestrijdt niet alle oordelen waarop het is gebaseerd. Onder 4.4.4 tot en met 4.4.6 heeft de rechtbank uitvoerig overwogen dat [verkoper] als lid van de VvE geacht wordt op de hoogte te zijn van de bepalingen in de splitsingsakte en van de wijze waarop binnen de VvE besluiten worden genomen. Om die reden had hij moeten weten dat hij toestemming van de VvE nodig had voor de verbouwing en dat hij die toestemming niet had toen hij de woning van [koper] verkocht. 4.17 [verkoper] heeft – overigens terecht – geen (kenbare) grief gericht tegen deze overwegingen van de rechtbank, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan. Dat betekent dat vaststaat dat [verkoper] de juiste stand van zaken kende, althans in ieder geval behoorde te kennen. Aan het eerste vereiste voor schending van de spreekplicht is dan ook voldaan. 4.18 Ook aan het tweede vereiste is voldaan. Uit wat hiervoor is overwogen, met name over de objectief gezien voorzienbare gevolgen voor [koper] zoals overwogen in 4.11, volgt dat het voor [verkoper] bij het aangaan van de overeenkomst duidelijk moest zijn dat het ontbreken van toestemming van de VvE voor de verbouwing voor [koper] van cruciaal belang was. 4.19 [verkoper] heeft niet weersproken dat hij er rekening mee moest houden dat [koper] dwaalde op het punt van het ontbreken van toestemming van de VvE voor de verbouwing. In dit verband is mede van belang dat het ontbreken van toestemming voor de verbouwing niet gemakkelijk te achterhalen was voor [koper] , omdat het een interne kwestie tussen [verkoper] en de VvE betrof. Ook aan het derde vereiste is dus voldaan. 4.20 Het hof vindt ook dat [verkoper] [koper] naar verkeersopvattingen uit de droom had moeten helpen. Daartoe is allereerst van belang dat [koper] geen professionele belegger in of koper van vastgoed was. De overeenkomst met [verkoper] was zijn eerste poging om te beleggen in vastgoed. [verkoper] was ten tijde van het sluiten van de overeenkomst meer ervaren in het vastgoed dan [koper] . [koper] werd weliswaar bijgestaan door een makelaar, maar [verkoper] ook, zodat het verschil in ervaring niet (volledig) werd opgeheven door de bijstand van een makelaar. Vervolgens betrof de informatie waarom het ging voor [koper] lastig te traceren informatie, terwijl [verkoper] zonder nader onderzoek over die informatie kon beschikken. Het gaat dan ook om informatie die zich “in de sfeer” van [verkoper] bevond. [koper] zou de informatie alleen hebben kunnen verkrijgen indien hij gericht navraag zou hebben gedaan bij de VvE. Maar een potentiële koper van een net verbouwd deel van een appartementscomplex in een appartementencomplex mag er in beginsel vanuit gaan dat de verbouwing de goedkeuring heeft van de VvE. Dat is zeker het geval wanneer de bij de verbouwing gerealiseerde studio’s, zoals hier, verhuurd zijn. Ten slotte brengt ook het bij het verstrekken van de informatie betrokken belang mee dat [verkoper] [koper] uit de droom moest helpen. Indien niet alsnog toestemming zou worden gegeven voor de verbouwing, zou dat tot groot nadeel van [koper] kunnen leiden. 4.21 De conclusie is dat [verkoper] zijn spreekplicht heeft geschonden.’ 3.4 De klachten van het onderdeel, uitgewerkt onder de randnummers 1.1, 1.2, 1.3 en 1.4, doen alle een beroep op (de positieve zijde van) de devolutieve werking van het hoger beroep. Volgens de steller van het middel heeft [verkoper] in eerste aanleg stellingen ingenomen en een bewijsaanbod gedaan, die door het hof ten onrechte niet in de beoordeling van het door [koper] ingestelde hoger beroep zijn betrokken. De strekking van de bedoelde stellingen is volgens de steller van het middel dat [koper] voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst door de makelaar van [verkoper] (de ‘verkoopmakelaar’) op de hoogte is gebracht van de discussie omtrent de splitsing van het appartementsrecht en dat daarom [verkoper] zijn mededelingsplicht niet heeft geschonden (procesinleiding in cassatie, p. 5 tweede alinea vanonder). Het aanbod om (onder meer) de verkoopmakelaar als getuige te doen horen, zag mede op deze stelling. Volgens het onderdeel had het hof de stellingen daarom moeten betrekken bij de beoordeling van de vraag of [verkoper] onrechtmatig jegens [koper] heeft gehandeld, althans had het hof niet aan het bewijsaanbod van [verkoper] voorbij mogen gaan. 3.5 Op zichzelf is juist het uitgangspunt van het onderdeel dat het hof op grond van de devolutieve werking in het door [koper] ingestelde hoger beroep, binnen het door de grieven ontsloten gebied, mede diende te letten op alle relevante stellingen, grondslagen en verweren die door [verkoper] in eerste aanleg waren aangevoerd, zelfs ook voor zover die stellingen, grondslagen en verweren door de rechtbank waren verworpen. Hetzelfde uitgangspunt geldt voor een in eerste aanleg door [verkoper] gedaan relevant bewijsaanbod. Het wordt eerst anders voor zover de desbetreffende stellingen, enzovoort, door [verkoper] ondubbelzinnig zouden zijn prijsgegeven. 3.6 Het voorgaande uitgangspunt geldt ook voor zover de desbetreffende stellingen, grondslagen en verweren zien op een kwestie die potentieel ook in het door [verkoper] ingestelde hoger beroep relevant had kunnen zijn, maar in dat beroep viel buiten het door de grieven ontsloten gebied. De omstandigheid dat [verkoper] in het door hemzelf instelde hoger beroep de kwestie liet liggen, is immers op zichzelf niet voldoende voor de conclusie dat die stellingen, grondslagen en verweren door [verkoper] – ook in de context van het door [koper] ingestelde hoger beroep – waren prijsgegeven. 3.7 Met het juridische uitgangspunt van de klachten, ontleend aan de inrichting van ons civiele appelprocesrecht, zit het dus mijns inziens goed, niettegenstaande wat de cassatieadvocaat van [koper] ons probeert te doen geloven. 3.8 Geldt dat echter ook voor de feitelijke grondslag van de klachten? Dat is de vraag die nu vervolgens onder ogen moet worden gezien. 3.9 Het oordeel van het hof dat [verkoper] een mededelingsplicht heeft geschonden, berust op het niet-meedelen door [verkoper] aan [koper] van het ontbreken van toestemming van de VvE voor de verbouwing van het appartement van [verkoper] . Zien de door het onderdeel bedoelde stellingen van [verkoper] omtrent hetgeen de verkoopmakelaar van [verkoper] aan [koper] heeft meegedeeld, daarop ook? Nee, die stellingen zien op vermeende kadastrale splitsing door [verkoper] van het aan hem toebehorende appartementsrecht. Ik citeer de plaatsen uit de conclusie van antwoord in reconventie waarnaar het onderdeel verwijst: ‘Mededelingsplicht (…)
- [verkoper] heeft [koper] en diens aankoopmakelaar wel degelijk tijdig en volledig ingelicht over de ten tijde van de onderhandelingen lopende kwestie met de VvE betreffende het misverstand omtrent de vermeende kadastrale appartementsrecht (onder)splitsing. Dit wordt evengoed door de verkoopmakelaar expliciet bevestigd (productie 38).
- Alle overige informatie en aantijgingen jegens [verkoper] zijdens VvE is zowel voor [verkoper] als voor [koper] pas op 13 (resp. 18) april en 22 april 2022 bekend geworden, nadat de eigenaresse van [a-straat 3a] de verbouwing van [verkoper] als agendapunt heeft ingebracht en na ontvangst van de email van de VvE (en [betrokkene 2] van VvE Actief). (…)
- [koper] was exact op de hoogte van de openstaande kwesties binnen de VvE en heeft desalniettemin ervoor gekozen om er geen nader onderzoek naar (laten) te doen, maar de situatie te accepteren, ervan uitgaande dat de informele toestemming en de omgevingsvergunningen die aan [verkoper] zijn verleend ruimschoots voldoende waren en geen aanleiding gaven om te vermoeden dat de VvE de reeds eerder verleende toestemming (op verzoek van één VvE lid) zou kunnen heroverwegen.’ 3.10 Ik citeer ook de schriftelijke verklaring waarnaar de stellingen verwijzen, de door [verkoper] overgelegde productie
- De verklaring richt zich tot [verkoper] (met mijn toevoegingen tussen blokhaken): ‘Hierbij nog een korte bevestiging van hoe de kwestie m.b.t. de splitsing van de woning met [aankoopmakelaar] [aankoopmakelaar] en [koper] is besproken. De bespreking heeft plaatsgevonden op 25 februari 2022 om 16:30 uur, in de benedenwoning (eerste etage) van het pand aan de [a-straat 3b] . Tijdens deze ontmoeting heb jij aan [aankoopmakelaar] en [koper] duidelijk medegedeeld dat er nog steeds een discussie gaande is met het VVE-bestuur over het wel of niet kadastraal hebben gesplitst van het appartementsrecht van jouw woning tijdens de verbouwing. Daarbij heb jij wederom duidelijk aangegeven dat het VVE-bestuur zich op het standpunt stelt, op basis van de informatie vanuit de BAG-viewer, dat jij het appartementsrecht kadastraal zou hebben gesplitst. Vervolgens heb jij aangegeven dat deze stelling onjuist is en dat je dat kan onderbouwen middels beschikbare documenten en dat het VVE bestuur deze informatie tevens door een onafhankelijk notaris bevestigd kan krijgen. [aankoopmakelaar] reageerde bevestigend op jouw verhaal. Hij gaf aan hiervan al op de hoogte te zijn (hij had deze melding ook al in de BAG viewer gezien) en kon bevestigen dat het appartementsrecht van jouw appartement niet gesplitst was omdat geen appartementsrecht splitsing bij het Kadaster was ingeschreven. Ter onderbouwing van zijn onderzoeksdossier verzocht [aankoopmakelaar] op 1 maart 2022 aan mij om hem te voorzien van eigendomsinformatie en de splitsingsakte van het pand. De gevraagde stukken heb ik onmiddellijk aan hem gemaild. Tot slot gaf hij aan ervan overtuigd zijn dat deze discussie, op basis van de reeds bekende feiten, in goed overleg tot een goed einde gebracht zal moeten worden, en daarom vond hij deze informatie verder niet relevant voor het ondertekenen van de koopovereenkomst.’ 3.11 Het hof heeft onder 3.1 van zijn arrest (overeenkomend met wat hiervoor 2.1 onder (i) is opgenomen) vastgesteld dat [verkoper] zijn appartement heeft verbouwd tot drie zelfstandige appartementen, studio’s, die door [verkoper] vervolgens zijn voorzien van de adressen [a-straat 3b] , [a-straat 3c] en [a-straat 3d] . Het betreft volgens die vaststelling een bouwkundige splitsing. Het appartementsrecht is volgens het hof niet gesplitst. 3.12 Kortom, de mededelingen van de aankoopmakelaar waarop de klachten van het onderdeel zich beroepen, zien op een kwestie die in hoger beroep geen rol meer speelt. Ook de rechtbank ten tijde van het eindvonnis van 11 januari 2023 beschouwde die kwestie trouwens reeds als opgehelderd, want ook de rechtbank heeft als vaststaand aangenomen dat sprake was een bouwkundige splitsing en dat het appartementsrecht als zodanig niet was gesplitst. 3.13 Het ligt voor de hand om ook het aanbod van [verkoper] om de verkoopmakelaar als getuige te doen horen op de kwestie van een eventuele kadastrale splitsing te betrekken, want de schriftelijke verklaring van de getuige gaat immers daarover. Ik citeer het bewijsaanbod uit de conclusie van antwoord in reconventie (met mijn toevoeging tussen blokhaken): ‘Bewijsaanbod
- Eiser [ [verkoper] ] wil aan zijn eigen eventuele bewijsplicht voldoen onder meer door de reeds overgelegde producties, het overleggen van nadere producties, alsmede door het onder ede (doen) horen van getuigen waaronder, maar niet uitsluitend hemzelf en de in de processtukken van eiser, waaronder de aankoop- en verkoopmakelaar, genoemde personen.’ 3.14 Na het voorgaande zal waarschijnlijk al duidelijk zijn wat mijns inziens het lot van de klachten van het onderdeel dient te zijn. Die klachten missen doel bij gebrek aan feitelijke grondslag. Voor de beantwoording van de vraag of sprake was van schending van een mededelingsplicht bestaande in het niet-meedelen van het ontbreken van toestemming van de VvE voor de verbouwing van het appartement, is niet relevant of het bestaan van een andere discussie met de VvE (kadastrale splitsing) wél aan [koper] is meegedeeld. Anders gezegd, in het verband van wat het hof in de aangevallen overwegingen heeft beslist, waren de stellingen waarnaar de klachten verwijzen géén essentiële stellingen. 3.15 In het verlengde van het voorgaande faalt ook de klacht over het passeren van het bewijsaanbod. Dat aanbod betrof het bewijs van feiten die in het verband van wat het hof in de aangevallen overwegingen heeft beslist, niet van belang waren. 3.16 Zou de steller van het middel een andere lezing van de bedoelde stellingen respectievelijk van het bewijsaanbod op het oog hebben, dan geldt dat die lezing door hem niet (begrijpelijk) is toegelicht. 3.17 Onderdeel 2 bevat alleen een voortbouwklacht. Deze klacht faalt in het verlengde van het eerste onderdeel. 4Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Zie Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) 28 mei 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3596, onder 3.1 t/m 3.
- Conform het arrest, en ook conform de tekst van de overeenkomst. Opm. AG. Rb. Noord-Nederland (zittingsplaats Groningen) 11 januari 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:
- Grief I van [koper] faalt. Voetnoot conform het origineel. Grief II van [koper] slaagt. Voetnoot conform het origineel. Grief 2 van [verkoper] faalt. Voetnoot conform origineel. Zie de rechtspraak vermeld bij: Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/125; H.E. Ras & A. Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2017/41, 74-
- HR 21 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5360, NJ 2016/394 m.nt. E. Verhulp, onder 4.2; HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:566, NJ 2017/166, onder 3.4; Concl. A-G E.M. Wesseling-van Gent, ECLI:NL:PHR:2019:871, onder 2.14; F.P.J. Lock, ‘Kroniek hoger beroep’, TCR 2015/2, p. 27; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/
- H.E. Ras onder HR 13 oktober 1995, NJ 1996/430; H.J. Snijders & A. Wendels, Civiel appel, 2009/219; H.E. Ras & A. Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in burgerlijke zaken, 2017/79; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/136; J.J. van der Helm, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 347 Rv, aan.
- Aan een en ander kan ook niet afdoen dat aldus een risico ontstaat op tegenstrijdige beslissingen, namelijk – toegepast op wat volgens de klachten van het onderdeel zich hier voordoet – in de zin dat in het door [koper] ingestelde hoger beroep zou kunnen worden beslist dat [verkoper] géén mededelingsplicht had geschonden in verband met de informatievoorziening door de verkoopmakelaar, terwijl in het door [verkoper] ingestelde hoger beroep overeind blijft de beslissing van de rechtbank dat [verkoper] wél een mededelingsplicht had geschonden, omdat [verkoper] – bewust of onbewust – in dat beroep heeft nagelaten de kwestie van die informatievoorziening met een grief aan de orde te stellen. Zie HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:784, JBPr 2023/58 m.nt. G.C.C. Lewin, onder 3.1.3, daarmee terugkomend van HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8514 (F/KSN), onder 3.3.
- Schriftelijke toelichting van de zijde van [koper] , onder
- Vonnis van 11 januari 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:52, onder 2.1.