PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/00301 Zitting 27 mei 2025 CONCLUSIE P.M. Frielink In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997, hierna: de verdachte 1Het cassatieberoep 1.1 De verdachte is bij arrest van 25 januari 2023 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (20-000886-21) voor poging tot zware mishandeling van zijn echtgenoot veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft het hof aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in art. 38v Sr opgelegd, inhoudende een contactverbod, met bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid. Tot slot heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. 1.2 Het cassatieberoep is op 27 januari 2023 ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld. 1.3 Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. 2Het eerste middel 2.1 In het eerste middel wordt geklaagd dat het onderzoek ter terechtzitting en het naar aanleiding daarvan gewezen arrest nietig is, “(n)u in deze zaak het hof niet binnen 14 dagen na de inhoudelijke behandeling van de zaak uitspraak heeft gedaan en gebruik heeft gemaakt van een niet bij wet voorziene en gewenste constructie”. 2.2 Uit de gedingstukken volgt dat de zaak in hoger beroep inhoudelijk is behandeld op de terechtzitting van 23 december 2022. Op die zitting heeft een meervoudige kamer van het hof het onderzoek onderbroken tot 11 januari 2023. Daarbij heeft het hof bepaald dat op de zitting van 11 januari 2023 het onderzoek zal worden gesloten en zal worden bepaald dat de uitspraak zal plaatsvinden op 25 januari 2023. De advocaat-generaal en de raadsman hebben te kennen gegeven er geen bezwaar tegen te hebben dat het onderzoek op de nadere terechtzitting in een andere samenstelling wordt voortgezet. De verdachte heeft afstand gedaan van zijn recht om op beide nadere zittingen aanwezig te zijn. 2.3 Van de zittingen op 23 december 2022 en 11 januari 2023 is één proces-verbaal opgemaakt. Dat proces-verbaal houdt wat betreft de terechtzitting van 23 december 2022 in: “Op 23 december zijn tegenwoordig: mr. W.F. Koolen, voorzitter, mr. F. van Es en mr. E.E. van der Bijl, raadsheren, (…) Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. De verdachte verklaart daarbij als volgt. (…) De voorzitter deelt mede dat, in verband met de aankomende feestdagen, het onderzoek thans zal worden onderbroken tot de terechtzitting van het hof van 11 januari 2023 te 09:00 uur, op welke zitting het onderzoek zal worden gesloten en zal worden bepaald dat de uitspraak zal plaatsvinden op 25 januari 2023 te 09:00 uur. Desgevraagd geven de advocaat-generaal en de raadsman te kennen dat zij er geen bezwaar tegen hebben indien het hof op de nadere zitting het onderzoek zal voortzetten in een andere samenstelling dan heden. De verdachte doet desgevraagd afstand van zijn recht om op beide genoemde zittingen van het hof aanwezig te zijn. De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek tot 11 januari 2023 te 09:00 uur”. 2.4 Het proces-verbaal houdt wat betreft de terechtzitting van 11 januari 2023 in: “Op 11 januari 2023 omstreeks 09:00 uur wordt het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de onderbreking d.d. 23 december 2022. Tegenwoordig: mr. M.L.P. van Cruchten, voorzitter, mr. F.P.E. Wiemans en mr. G.J. Schiffers, raadsheren, (…) De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 25 januari 2023 te 9:00 uur. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend, ieder voor zover het zijn eigen waarnemingen en bevindingen betreft”. 2.5 Het bestreden arrest van 25 januari 2023 is gewezen door de raadsheren mr. W.F. Koolen, mr. F. van Es en mr. E.E. van der Bijl. 2.6 Het eerste middel is gestoeld op twee deelklachten, te weten dat 1) niet binnen veertien dagen na de inhoudelijke behandeling van de zaak uitspraak is gedaan en 2) het arrest mede is gewezen naar aanleiding van een terechtzitting waarop slechts één van de drie raadsheren aanwezig is geweest. Hoewel in de toelichting op het middel wordt gesteld dat de twee deelklachten ook in onderlinge samenhang moeten worden bezien, bespreek ik ze afzonderlijk omdat de juridische kaders verschillen. Eerste deelklacht: uitspraak binnen veertien dagen 2.7 In de zaak die heeft geleid tot HR 18 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:858 (art. 81 RO), is door dezelfde stellers van het middel als in de onderhavige zaak een identieke deelklacht voorgesteld. In mijn aan dat arrest voorafgaande conclusie van 9 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:399, heb ik onder de randnummers 2.5 tot en met 2.12 uiteengezet waarom die deelklacht faalde. De in de onderhavige zaak voorgestelde eerste deelklacht faalt op exact dezelfde gronden. Ik volsta kortheidshalve met een verwijzing naar mijn conclusie van 9 april 2024, temeer nu in beide zaken in cassatie dezelfde advocaten zijn betrokken. Tweede deelklacht: sluiting van het onderzoek ter terechtzitting in een andere samenstelling 2.8 De tweede grond die door de stellers van het middel wordt aangevoerd voor de nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en het bestreden arrest is het gegeven dat het onderzoek ter terechtzitting op 11 januari 2023 is gesloten door een anders samengestelde meervoudige kamer. De stellers van het middel slaan de plank mis waar zij in de toelichting op het middel schrijven “dat 2 [cursivering door mij, A-G] raadsheren die het arrest mede zouden hebben gewezen” niet hebben deelgenomen aan de zitting waarop het onderzoek is gesloten. Uit de hiervoor aangehaalde gedingstukken blijkt immers dat geen van de drie raadsheren die de zaak op 23 december 2022 inhoudelijk hebben behandeld en het bestreden arrest van 25 januari 2023 hebben gewezen, op 11 januari 2023 deel hebben uitgemaakt van de combinatie die de zitting heeft gesloten. Het hof was op die ‘sluitingszitting’ compleet anders samengesteld. Bij de bespreking van de tweede deelklacht ga ik ervan uit dat de stellers van het middel bedoelen te klagen dat het arrest is gewezen door raadsheren die geen van allen hebben deelgenomen aan het onderzoek op de terechtzitting van 11 januari 2023. 2.9 Op grond van art. 415 Sv jo. art. 348 en 350 Sv moeten de rechters die het arrest wijzen, hebben deelgenomen aan het (gehele) onderzoek ter terechtzitting op basis waarvan het arrest wordt gewezen. In de onderhavige zaak is het bestreden arrest gewezen door raadsheren die aanwezig waren op de zitting waarop de zaak inhoudelijk is behandeld, maar niet op de zitting waarop het onderzoek is gesloten. Het Wetboek van Strafvordering voorziet niet in de mogelijkheid het onderzoek ter terechtzitting – na onderbreking daarvan – in een gewijzigde samenstelling te hervatten en vervolgens te sluiten. De wet bevat alleen een regeling voor het geval het onderzoek na schorsing van het onderzoek wordt voortgezet (art. 322 Sv). 2.10 In zoverre is de deelklacht terecht voorgesteld. Tot cassatie hoeft dit echter niet te leiden vanwege een gebrek aan belang. Op de zitting van 11 januari 2023 is immers enkel het onderzoek ter terechtzitting gesloten. De inhoudelijke behandeling van de zaak, inclusief het laatste woord, heeft plaatsgevonden op de terechtzitting van 23 december 2022. Op die zitting maakten de drie raadsheren die het arrest van 25 januari 2023 hebben gewezen onderdeel uit van de zittingscombinatie. Daar komt bij i. dat de raadsman aan het eind van de inhoudelijke behandeling op 23 december 2022 te kennen heeft gegeven geen bezwaar te hebben tegen sluiting van het onderzoek ter terechtzitting in een andere samenstelling en ii. dat de verdachte op die zitting afstand heeft gedaan van het recht om bij de sluiting van het onderzoek (en ook bij de uitspraak) aanwezig te zijn. Ik voeg daaraan toe dat in de cassatieschriftuur in het geheel niet wordt ingegaan op het belang dat de verdachte bij cassatie zou hebben. En dan houdt het wat mij betreft op. 2.11 Het eerste middel faalt (en dat wordt niet anders wanneer beide deelklachten in onderlinge samenhang worden bezien). 3Het tweede middel 3.1 Het tweede middel heeft betrekking op de door het hof opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in art. 38v Sr. Blijkens de toelichting valt het middel uiteen in drie deelklachten. Allereerst wordt geklaagd dat “de maatregel in strijd is met art. 8 EVRM”. De tweede deelklacht houdt in dat de oplegging van de maatregel niet proportioneel en noodzakelijk is, omdat aan de verdachte ook een deels voorwaardelijke straf is opgelegd. Tot slot wordt geklaagd dat de beslissing van het hof om de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel te bevelen niet gemotiveerd, en ook overigens, onbegrijpelijk is. 3.2 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “hij, op of omstreeks 26 januari 2021 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn, verdachtes, echtgenote (geregistreerd partner) [aangeefster] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - die [aangeefster] (met kracht) tegen haar hoofd heeft geslagen en - met kracht de keel/nek/hals van die [aangeefster] heeft vastgepakt en heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen heeft gehouden en - die [aangeefster] met kracht met haar hoofd en/of rug tegen een dressoir heeft geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.” 3.3 Het dictum van het hof houdt – voor zover van belang – het volgende in: “Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum] 1996. Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 (twee) weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (zes) maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op. Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.” 3.4 Het hof heeft de oplegging van deze maatregel als volgt gemotiveerd: “Daarnaast zal het hof, ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten, aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38v, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht opleggen voor de duur van 3 jaren, te weten een contactverbod met [aangeefster] . Het hof zal daarbij bepalen dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, hechtenis voor de duur van 2 weken, met een maximum van 6 maanden, zal worden toegepast. Toepassing van de hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de maatregel niet op.” 3.5 Voor de beoordeling van het middel zijn art. 38v Sr en art. 8 EVRM van belang. Art. 38v luidt: “1. Ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten kan een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid worden opgelegd bij de rechterlijke uitspraak: 1°. waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld; 2°. waarbij overeenkomstig artikel 9a wordt bepaald dat geen straf zal worden opgelegd. 2. De maatregel kan inhouden dat de verdachte wordt bevolen: a. zich niet op te houden in een bepaald gebied, b. zich te onthouden van contact met een bepaalde persoon of bepaalde personen, c. op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn, d. zich op bepaalde tijdstippen te melden bij de daartoe aangewezen opsporingsambtenaar. 3. De maatregel kan voor een periode van ten hoogste vijf jaren worden opgelegd. 4. De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van de officier van justitie, bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of personen. 5. Het bevel, bedoeld in het vierde lid, kan door de rechter die kennisneemt van het hoger beroep, ambtshalve, of verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie, worden opgegeven. 6. De maatregel kan tezamen met straffen en andere maatregelen worden opgelegd.” Art. 8 EVRM luidt: “1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.” 3.6 Bij de beoordeling van dit middel stel ik het volgende voorop. Een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in art. 38v Sr kan slechts worden opgelegd indien deze strekt tot beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van het – opnieuw – begaan van strafbare feiten. De wet bevat geen bijzondere voorschriften voor de motivering van de oplegging van de maatregel. De wetgever heeft de maatregel niet willen beperken tot bepaalde in de wet omschreven gevallen, maar deze algemeen mogelijk willen maken, waarbij het aan de strafrechter wordt overgelaten te oordelen in welke concrete gevallen een maatregel passend wordt geacht. Inherent aan de oplegging van de maatregel is dat de verdachte in zijn rechten en vrijheden wordt beperkt. De rechter zal zich daarom rekenschap moeten geven van de proportionaliteit en de subsidiariteit van de maatregel. Eerste deelklacht 3.7 Ik begrijp de eerste deelklacht zo dat daarin wordt geklaagd dat het hof, met de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een contactverbod met [aangeefster] (hierna: de aangeefster), ten onrechte of op een ontoelaatbare wijze een inbreuk heeft gemaakt op het door art. 8 EVRM gewaarborgde recht op familieleven van de verdachte. In de toelichting op het middel wordt in dit verband aangevoerd dat het bij die maatregel opgelegde contactverbod erop neerkomt “dat het voor de verdachte feitelijk onmogelijk is om contact te houden met zijn zeer jonge dochter, nu hij daarvan afhankelijk is van de medewerking van de benadeelde partij [A-G: tevens aangeefster]”. Omdat het verbod eveneens ziet op indirect contact, zou volgens de stellers van het middel ook contact met bijvoorbeeld de Raad voor de Kinderbescherming of een mediator in verband met een mogelijke omgangsregeling tot gevolg hebben dat het verbod wordt geschonden. 3.8 Het aan de verdachte opgelegde contactverbod heeft – blijkens de formulering – uitsluitend betrekking op de aangeefster. In zoverre verschilt de onderhavige zaak van HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1806, NJ 2019/469. In die zaak was de verdachte veroordeeld voor bedreiging van zijn ex-vrouw en was aan hem een contactverbod opgelegd dat zowel betrekking had op zijn ex-vrouw als op zijn minderjarige kinderen. De Hoge Raad oordeelde dat van een ontoelaatbare inbreuk op art. 8 EVRM geen sprake was: contact met de kinderen was gedurende de periode dat de maatregel van kracht was nog wel mogelijk vanwege de uitzondering die was gemaakt voor contact in het kader van een omgangsregeling en voor zover de gezinsvoogd daarbij was betrokken. 3.9 De kernvraag die in de onderhavige zaak voorligt is of met het opgelegde contactverbod ten onrechte of op een ontoelaatbare wijze inbreuk wordt gemaakt op het in art. 8 EVRM gewaarborgde recht op familieleven, doordat het als gevolg van dat verbod voor de verdachte feitelijk onmogelijk is om contact met zijn minderjarige dochter te initiëren. Om die vraag te kunnen beantwoorden dient het bekende toetsingsschema dat door het EHRM wordt gebruikt bij de beoordeling van een op art. 8 EVRM gebaseerde klacht te worden doorlopen. Dat schema bestaat uit de volgende stappen: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.