ECLI:NL:PHR:2025:621
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer23/01193 Zitting 3 juni 2025 CONCLUSIE V.M.A. Sinnige In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001, hierna: de verdachte De verdachte is bij arrest van 13 maart 2023 door het gerechtshof Den Haag (parketnummer 22-001171-22) wegens 1. "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod" en 2. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, veroordeeld tot een taakstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis. Verder heeft het hof een personenauto verbeurd verklaard en de teruggave van een aantal voorwerpen aan de verdachte gelast, een en ander als nader in het arrest omschreven.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.A.J. Verploegh, advocaat in 's‑Gravenhage, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel bevat een bewijsklacht over feit 1. Het tweede middel klaagt over de verbeurdverklaring van de auto en de wijze waarop het hof deze heeft verdisconteerd in de opgelegde straf. Het derde middel klaagt over de bewezenverklaring van feit 3. Ik zal eerst de bewezenverklaring en bewijsvoering van het hof weergeven. Daarna zal ik de middelen bespreken en daarbij beginnen met de bewijsklachten van de middelen 1 en 3. Als laatste zal ik middel 2 bespreken.
Bewezenverklaring en bewijsvoering 4. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: “1. hij op 18 maart 2021 te [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 27,8 gram, materiaal bevattende cocaïne en 29,6 gram materiaal bevattende MDMA (3,4-methyleendioxy-methemfetamine), zijnde cocaïne en MDMA (3,4-methyleendioxy-methamfetamine) middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Op 18 maart 2021 bevonden wij ons te [plaats] .
Ik, [verbalisant 1] , zag dat de bestuurder de deur van zijn voertuig opende en vervolgens uitstapte. Ik zag dat er in het bestuurdersportier een zwarte staaf lag, die ik aan de vorm direct herkende als een vermoedelijke taser (stroomstootwapen).
Ik nam het stroomstootwapen in beslag (goednummer 2566135).
Op donderdag 18 maart 2021 hield ik, [verbalisant 2] , de verdachte aan op verdenking van het voorhanden hebben van een stroomstootwapen.
Ik, [verbalisant 1] , trok de lederen lap die om de versnellingspook zit, omhoog. Ik zag dat er meerdere pakketjes, in plastic gewikkeld, rondom de versnellingspook lagen. Ik zag dat er in een pakketje meerdere witte envelopjes zaten, die ik ambtshalve herken als ponypacks.
Ik zag dat er meerdere wikkels/bolletjes in de plastic verpakkingen zaten.
Ik zag dat er in het derde plastic zakje een bruin blok zat.
Ik deed onderzoek naar verdovende middelen.
De aangeboden partij bestond uit:
Ik, materiedeskundige wapens en explosieven, verklaar het volgende:
Op 21 april 2021 werd mij een wapen overhandigd. Ik heb een onderzoek ingesteld.
Soort wapen: stroomstootwapen Bijzonderheden:
Het wapen is voorzien van een oplaadbare accu en bestemd om een elektrische stroomstoot teweeg te brengen.
Dit wapen is een handwapen waarmee door middel van een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht.
Het wapen functioneerde naar behoren.
Het wapen heeft het uiterlijk van een zaklantaarn en functioneert ook als zodanig.
Het wapen heeft een lengte van 37 cm.
8a. Het voorblad van het proces-verbaal ZAAK POCO van de politie Eenheid Den Haag met zaakregistratienummer PL 1500-2021076672 (blad 1 e.v.) Incidenten [verdachte] :
Registratienr: [nummer] Feit: Bezit overige wapens Pleegdatum en -plaats: 18 maart. 2021, [plaats] 9. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 22 april 2022 verklaard – zakelijk weergegeven –:
Het was mijn auto. Ik had hem iets minder dan een jaar. Ik heb het stroomstootwapen van een vriend gekregen, maar hij had gezegd dat het een zaklamp was. Ik had het ongeveer een week.”
Het hof overweegt het volgende.
Het hof stelt voorop dat ieder geacht wordt te weten wat zich in de eigen auto bevindt. In het geval van de verdachte geldt dat hij al ongeveer een jaar de eigenaar van de auto was. Bovendien heeft hij tegenover de politie verklaard zelf af ten toe drugs te gebruiken. Mede tegen deze achtergrond acht het hof de verklaring van de verdachte dat de drugs al in de auto gelegen moeten hebben toen hij de auto kocht, niet aannemelijk. Immers, gelet op de hoeveelheid en niet onaanzienlijke waarde van de aangetroffen drugs is het niet voor de hand liggend en verre van aannemelijk dat de vorige eigenaar verzuimd zou hebben de drugs voor levering van de auto aan de verdachte uit de auto te halen, dan wel de drugs later alsnog te komen ophalen.
Ten aanzien van het stroomstootwapen overweegt het hof dat het, mede in aanmerking genomen het uiterlijk van het wapen, niet aannemelijk is dat de verdachte niet heeft gezien dat het een stroomstootwapen betrof. Daarbij betrekt het hof ook nog de omstandigheid dat de verdachte, desgevraagd, de naam van de vriend van wie hij de – in zijn ogen – zaklamp zou hebben gekregen niet wenst te noemen.”
Het eerste middel 7. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 1 onvoldoende is gemotiveerd in het licht van het namens de verdachte gevoerde verweer.
Bij veel auto ‘s kan er onder de versnellingspook een vuurwapen passen, het vak is meestal vrij groot onder de versnellingspook, vandaar dat ik daar keek. Er zit een soort leren lap omheen, die zit met klikpunten vast en als je dat omhoog trek gaat het vanzelf los.
U vraagt mij voordat ik de hoes van de versnellingspook had losgehaald of er iets was met de hoes. De enige reden dat ik daar keek was omdat ik wist dat daar mogelijk vuurwapens kunnen passen. Het zou daar kunnen liggen. Ik had er in dit specifieke geval geen aanleiding voor, maar er zouden wapens kunnen liggen.
Ik heb de hoes eerst opengetrokken en drugs gezien, vervolgens dichtgetrokken en foto ‘s gemaakt en daarna weer opengemaakt.
Uit zijn verklaring is op te maken dat er niets bijzonders was aan de hoes van de versnellingspook. De verbalisant heeft deze moeten demonteren om daaronder de verdovende middelen aan te treffen. Er is geen aanwijzing op basis van de situatie op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat de gebruiker deze ruimte regelmatig gebruikte of dat deze eenvoudig toegankelijk was. [verdachte] heeft de auto ongeveer een jaar voor dit voorval gekocht. Er is dan geen reden om een onderzoek te doen onder de hoes van de versnellingspook. Er is eigenlijk nooit een reden om een onderzoek te doen onder de hoes van de versnellingspook. Tenzij er iets bijzonders is. En dat was er volgens de verbalisant niet.
Er is geen aanwijzing dat [verdachte] wist van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de auto. Er is geen verder onderzoek gedaan naar sporen op de verdovende middelen.
Ik verzoek U de [verdachte] vrij te spreken.”
Daarbij heeft het hof onder meer overwogen dat het, gelet op de hoeveelheid drugs en de waarde hiervan, “niet voor de hand liggend en verre van aannemelijk” is dat de vorige eigenaar de auto (een jaar daarvoor) aan de verdachte zou hebben geleverd zonder de drugs uit de auto te halen en ook daarna niet alsnog zou hebben opgehaald. De verklaring van de verdachte is derhalve geen aanleiding geweest om af te stappen van het uitgangspunt dat de eigenaar van een auto wordt geacht te weten wat zich in zijn eigen auto bevindt – ook, zo begrijp ik het hof, als het voorwerp in kwestie niet aanstonds zichtbaar is. Gelet op het voorgaande, acht ik het oordeel van de rechtbank – ook in het licht van hetgeen is aangevoerd – toereikend en niet onbegrijpelijk gemotiveerd.
Het derde middel 12. Het derde middel richt zich tegen de bewezenverklaring van feit 2 en de kwalificatie van dat feit als strafbaar feit. Deze klacht wordt als volgt toegelicht: “Door niet bewezen te verklaren dat sprake was van een voorwerp waarmee personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht is geen sprake van een strafbaar feit en dient en ontslag van rechtsvervolging plaats te vinden.
Bovendien kan uit de bewijsmiddelen slechts volgen dat sprake is van een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht en kan het ten laste gelegde feit daarom niet bewezen worden verklaard en zou een vrijspraak moeten volgen.”
Het hof volgt de raadsman niet in zijn verweer, reeds omdat de tenlastegelegde datum 18 maart 2021 is, en ook die datum in het verleden is gelegen.”
Het tweede middel 16. Het tweede middel klaagt over de verbeurdverklaring van de personenauto en “de wijze waarop het Gerechtshof deze verdisconteerd heeft in de op te leggen straf”.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van cocaïne en MDMA. Harddrugs zijn een gevaar voor de volksgezondheid en kunnen ertoe leiden dat mensen verslaafd raken ten koste van hun gezondheid en welbevinden. Daarnaast leidt het gebruik van en de handel in harddrugs veelal tot criminaliteit, wat overlast veroorzaakt voor de samenleving. De verdachte heeft zich niet om deze ernstige gevolgen bekommerd.
Daarnaast heeft de verdachte een stroomstootwapen voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van dergelijke voorwerpen brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee. Ook daar heeft de verdachte geen oog voor gehad.
De verdachte gaat daarnaast elke verantwoordelijkheid voor de bewezen feiten uit de weg.
Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 februari 2023, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van enig misdrijf.
Het hof is gelet op het bovenstaande van oordeel dat in beginsel een geheel onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uren een passende en geboden reactie vormt.
Het hof beslist dat de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven personenauto (volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend) vatbaar is voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 1 en 2 bewezenverklaarde is begaan. Het hof zal daarom dit voorwerp verbeurd verklaren.
Het hof houdt hierbij rekening met de draagkracht van verdachte en zal de op te leggen taakstraf – in plaats van een door de raadsman van de verdachte verzochte geldelijke tegemoetkoming – daarom met 20 uren verminderen van 80 naar 60 uren. Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis een passende en geboden reactie is.”
Op vragen legt de verdachte een verklaring af:
Ik heb anderhalf jaar geleden mijn stage in de logistiek afgerond. Ik het stage gelopen ik ben daar blijven werken. Ik heb een nul-uren contract maar ik werk zo’n 25 uur per week. Ik daarnaast een opleiding in de zorg gaan doen.
Ik woon bij mijn moeder, met mijn broertje. Ik heb geen schulden. Behalve mijn zorgverzekering en fitnessabonnement heb ik geen vaste lasten. Ik heb geen auto meer.
De raadsman voert het woord ter verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota.
Hij vult daarbij aan: (…) Tot slot: ik heb stukken overgelegd betreffende de waarde van de auto. Als de auto is verbeurdverklaard, moet mijn cliënt daar een vergoeding voor krijgen, of moet het worden verdisconteerd in de straf.”
De geldelijke compensatie zoals bedoeld in art. 33c lid 2 Sr kan bestaan uit een vergoeding (zoals bedoeld in art. 33c lid 1 Sr) of in een ter zitting vastgestelde geldelijke tegemoetkoming. Eerstgenoemde optie biedt uitkomst indien op voorhand niet duidelijk is hoeveel het verbeurd te verklaren voorwerp waard is. De rechter kan dan een maximumbedrag vaststellen en bepalen dat een eventueel surplus bij verkoop van het voorwerp (na verrekening van kosten) aan de veroordeelde toevalt. De tweede optie, een ter zitting vastgestelde tegemoetkoming, ligt in de rede wanneer de waarde van het voorwerp reeds ter zitting (voldoende) vaststaat.
Het hof heeft blijkens zijn arrest geen toepassing gegeven aan art. 33c lid 2 Sr. Het hof heeft kennelijk niet gemeend dat aan de verdachte een vergoeding diende te worden toegekend om te voorkomen dat hij door de verbeurdverklaring onevenredig zou worden getroffen. Ook dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij wijs ik erop, in aanvulling op hetgeen ik hiervoor heb opgemerkt over de begrijpelijkheid van de strafoplegging, dat beide bewezen verklaarde feiten (art. 10 lid 3 Opiumwet en art. 55 lid 3 Wet wapens en munitie) worden bedreigd met een geldboete van ten hoogste de 5e categorie (in 2021: € 87.000) en dat de door de raadsman in hoger beroep gestelde waarde van de auto € 2.000 betrof. Het oordeel van het hof behoefde ook in dit opzicht geen nadere motivering.
Slotsom 32. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden plv. AG HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945, NJ 2022/95 m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 3.4.2.
Zie onder meer Conclusie AG Keulen 19 februari 2019, ECLI:NL:PHR:2019:357 (HR: 81 RO); Conclusie AG Knigge 24 mei 2016, ECLI:NL:PHR:2016:683 (HR: 81 RO).
Vgl. HR 25 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9587 (niet gepubliceerd), NJ 1987/493, waarin als algemene ervaringsregel werd aangemerkt dat de bestuurder, tevens enig inzittende, van een auto waarin heroïne werd aangetroffen, met de aanwezigheid daarvan bekend pleegt te zijn. De Hoge Raad verstond de overwegingen van het hof zo dat het de verklaring van de verdachte als ongeloofwaardig heeft aangemerkt, zodat er geen grond was om de algemene ervaringsregel uitzondering te doen lijden. Vgl. ook de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot in de woning van de verdachte aangetroffen drugs. Deze kan voor het aanwezig hebben worden veroordeeld wanneer hij geen (aannemelijke) verklaring aflegt over hetgeen in zijn pand is aangetroffen en niet blijkt van (mogelijke) andere betrokkenen. Zie daarvoor onder meer de conclusie van voormalig AG Hofstee voor HR 2 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1459 (onder 42 en 43) en de noot van Vellinga bij HR 15 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:852, NJ 2021/348 en de aldaar genoemde vindplaatsen.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd: “Ik heb ook moeite met de wijze van ten laste leggen. De tenlastelegging is in de verleden tijd opgesteld en levert dan geen strafbaar feit op. Ik vraag u mijn cliënt te ontslaan van alle rechtsvervolging.”
HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, NJ 2023/129 m.nt. J.M. Ten Voorde, rov. 3.4.
F.W. Bleichrodt en P.C. Vegter, Sanctierecht, derde druk, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 376.
Of een derde. Hierbij kan worden gedacht aan verbeurdverklaring van voorwerpen die toebehoren aan een derde te kwader trouw (art. 33 lid 2 Sr) of aan mede-eigenaren.
De tekst van art. 33c lid Sr koppelt de bepaling niet expliciet aan het draagkrachtbeginsel (anders dan in art. 24 Sr wordt niet verwezen naar het inkomen of vermogen van de verdachte). De wetgever lijkt op grond van de parlementaire geschiedenis het oog te hebben gehad op onevenredigheid van de straf an sich (niet per definitie vanwege het draagkrachtbeginsel): “Er doen zich vaak gevallen voor, dat de justitie gegronde redenen heeft bepaalde voorwerpen liever niet in handen van de delinquent te zien blijven, terwijl anderzijds het verlies van de vermogenswaarde dier zaken een onevenredig hoge straf ware voor zijn vergrijp. Met het oog op deze gevallen wordt in artikel 33c voorgesteld, de mogelijkheid te openen van verbeurdverklaring met gehele of gedeeltelijke vergoeding der waarde.” Kamerstukken II 1954-1955, 4034, nr. 3, p. 10.
AG Keulen stelt in zijn conclusie van 28 september 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1016 (onder verwijzing naar een conclusie van voormalig AG Knigge) dat een geldelijke tegemoetkoming ook kan worden toegekend met het oog op het draagkrachtbeginsel. Zie in vergelijkbare zin ook F.W. Bleichrodt en P.C. Vegter, Sanctierecht, derde druk, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 389, die stellen dat in art. 33c lid 2 Sr niet de waarde van het voorwerp de maatstaf is, maar een gefixeerd bedrag “dat in overeenstemming is met de ernst van het feit en de draagkracht van degene aan wie het voorwerp toebehoort.” Dit is volgens de auteurs “een logisch gevolg van de toepasselijkheid van art. 24 Sr (draagkrachtbeginsel) op de verbeurdverklaring en het strafkarakter van deze sanctie.” Bleichrodt en Vegter vermelden HR 13 juni 1989, ECLI:NL:HR:1989:AJ5657 (niet gepubliceerd), NJ 1990/138, als “illustratie dat verbeurdverklaring van waardevolle goederen in geval van relatief lichte delicten niet is uitgesloten, maar dat het draagkrachtbeginsel kan vergen dat art. 33c, tweede lid, Sr wordt toegepast teneinde onevenredige bestraffing te voorkomen.
Voormalig AG Hofstee meent in zijn conclusie van 8 februari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:108 (HR: 81 RO) op dat art. 33c lid 2 Sr in de kern bezien iets anders betreft dan het draagkrachtbeginsel als bedoeld in art. 33 lid 2 Sr j° art. 24 Sr. “Een beperkte draagkracht kan onder omstandigheden worden meegewogen in de beoordeling van de vraag of aan art. 33c, tweede lid, Sr toepassing zal worden gegeven, maar het is niet zo dat de toepasselijkheid van art. 33c, tweede lid, Sr uitsluitend en alleen afhangt van de draagkracht van de verdachte en daarop moet worden afgestemd.”
Voor een bespreking van jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt verwijs ik naar de conclusie van AG Keulen van 28 september 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1016 (HR: 81 RO), randnummers 11 t/m 16. Daarnaast merk ik op dat 33c lid 2 Sr bij de maatregel van onttrekking aan het verkeer van overeenkomstige toepassing is. Voor die gevallen heeft de Hoge Raad een specifiek beoordelingskader gegeven. Zie HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1156, NJ 2019/328 en HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:196, NJ 2019/329, beide met noot Kooijmans.
HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, rov. 3.1.3.