PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/03062 Zitting 6 juni 2025 CONCLUSIE B.F. Assink In de zaak [eiser] (hierna: [eiser]) tegen 1Techfront Ventures B.V. (hierna: Techfront) 2. B.V. Bouwmaatschappij “Watergraafsmeer” (hierna: Watergraafsmeer) 3. N.V. “De Duckenburg” (hierna: De Duckenburg) (hierna gezamenlijk: Techfront c.s.) Inleiding Techfront c.s. is door onder anderen [eiser] misleid tot het doen van een investering in een bedrijf dat warmtepanelen zou produceren volgens een - naar later bleek niet bestaande - unieke en geheime receptuur, aldus het hof. Het hof oordeelt dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Techfront c.s. In het principaal cassatieberoep wordt onder meer geklaagd dat het hof ten onrechte niet de bij bestuurdersaansprakelijkheid toepasselijke ernstigverwijtmaatstaf toepast op het handelen van [eiser] . Verder bestaat het principaal cassatieberoep hoofdzakelijk uit motiveringsklachten. Het incidenteel cassatieberoep klaagt over de afwijzing van de vordering tot betaling van de werkelijke proceskosten door [eiser] . M.i. kan het bestreden arrest in stand blijven. Deze zaak hangt samen met 24/03074, waarin ik vandaag eveneens concludeer (ook strekkende tot verwerping). 1Feiten 1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan, ontleend aan rov. 4.1-4.18 van het bestreden arrest (hierna: het arrest). 1.2 [eiser] , [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]), [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]), [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4]), [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5]) en [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6]) zijn familie van elkaar. [eiser] is oprichter en eigenaar van meerdere vennootschappen in België. Deze vennootschappen worden (indirect) door hem en/of familieleden bestuurd. In de voor deze zaak relevante periode werd: - [de N.V.] bestuurd door [eiser] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , - Safami Delta Investments N.V. (hierna: Safami) door [eiser] en [de N.V.] , - Narwal B.V.B.A. (hierna: Narwal) door [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , - Lumia B.V.B.A. (hierna: Lumia) door [betrokkene 5] en [betrokkene 6] , en - Group A N.V. (hierna: Group A) door Narwal, Lumia en [eiser] . 1.3 Begin 2016 kwam [eiser] in contact met [betrokkene 7] (hierna: [betrokkene 7]). [betrokkene 7] hield zich met [betrokkene 8] (hierna: [betrokkene 8]) binnen het bedrijf Tomorrow Green Solutions B.V. (hierna: TGS) van [betrokkene 9] (hierna: [betrokkene 9]) bezig met de ontwikkeling van infrarood verwarmingspanelen. Deze panelen waren geen commercieel succes en TGS beschikte niet over de financiële middelen die nodig waren voor een verdere ontwikkeling van die panelen. [betrokkene 7] zag wel mogelijkheden en zocht daarom een externe investeerder. 1.4 [eiser] besloot om via zijn Belgische vennootschap Riantis N.V. (hierna: Riantis), waarvan hij indirect bestuurder is, in de verdere ontwikkeling van de panelen te investeren. Riantis richtte daarvoor in mei 2016 Degree-n B.V. (hierna: Degree-
(1)haar investering in DGRN Holding, welke volgens eigen zeggen mede was bedoeld voor het verkrijgen van 50% van de aandelen in die vennootschap, betreft feitelijk een vordering van de afgeleide schade die Techfront c.s. stelt te lijden als aandeelhouder/financier van DGRN Holding. Immers, de redenering is dat DGRN Holding de gelden heeft aangewend voor de aankoop van de activa van Degree-n, doch welke na vernietiging van de Koopovereenkomst niet door Degree-n aan DGRN Holding kan worden terugbetaald. Het is aldus in eigenlijke zin DGRN Holding die schade pretendeert te lijden. In het ABP/ […] -arrest heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat de aandeelhouder van de vennootschap in het geval van afgeleide schade in beginsel geen aanspraak op schadevergoeding jegens de schadeveroorzaker toekomt. Dit is namelijk een vordering die aan de vennootschap zelf toekomt”. [zonder overige verwijzing in het origineel, A-G] 3.91.2 In het arrest ligt besloten dat het hof dit verweer betrekt en gemotiveerd verwerpt. Zie in het bijzonder rov. 5.36. Daarin wijst het hof erop dat het bij de onderhavige schadepost gaat om de door Techfront c.s. gedane “investering van € 1.000.000” (“het bedrag dat zij aan DGRN Holding heeft geleend”). En brengt het hof in herinnering dat vaststaat dat Techfront c.s. dit bedrag heeft geleend aan Holding, alsmede dat het hof - gelijk de rechtbank - al heeft geoordeeld dat Techfront c.s. “niet tot die investering [zou] zijn overgegaan” als zij “niet [was] misleid door [eiser] ”. Hieruit volgt mede dat naar ’s hofs oordeel Techfront c.s. degene is die ter zake schade lijdt, welke schade niet kwalificeert als afgeleide schade als onder meer bedoeld in het […] /ABP-arrest van de Hoge Raad. 3.91.3 Het hof verzuimt dus niet in te gaan op voornoemde verweer. In zoverre strandt de klacht reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Evenmin miskent het hof aldus oordelend het […] /ABP-arrest van de Hoge Raad. Ook daaraan ziet het subonderdeel voorbij. 3.92 Subonderdeel 4.2 (“Het overbruggingskrediet”), het tweede subonderdeel met deze nummering, is genummerd van 4.4 t/m 4.7. 3.93 Subonderdeel 4.4 parafraseert het oordeel in rov. 4.27 van het vonnis dat vaststaat dat Techfront c.s. ten gevolge van “voormeld onrechtmatig handelen” een bedrag van € 228.127 aan overbruggingskrediet aan Degree-n heeft verstrekt en dat zij dat niet zou hebben gedaan zonder dat handelen. Het subonderdeel bevat geen klacht. 3.94 Subonderdeel 4.5 stelt onder verwijzing naar grief VI in de MvA/MvG, meer specifiek nrs. 190-197 aldaar, dat door [eiser] /Safami tegen voornoemd oordeel is aangevoerd dat de investeringsbeslissing is genomen op basis van de LOI en aldus voorafgaand aan het due diligence-onderzoek. Niet is geoordeeld dat Techfront c.s. zou zijn misleid ten aanzien van de LOI. Techfront c.s. heeft de LOI ook niet vernietigd. Daarom ontbreekt het causaal verband tussen het aangaan van het overbruggingskrediet en de gestelde misleiding, aldus nr. 192 van de MvA/MvG. Het subonderdeel bevat geen klacht. 3.95 Subonderdeel 4.6 stelt dat het hof voornoemde grief niet heeft besproken in rov. 5.31, 5.33 en 5.36 ad c van het arrest. Het hof zou slechts hebben overwogen dat Techfront c.s. het overbruggingskrediet niet zou hebben verstrekt als zij niet was misleid. Het subonderdeel bevat geen klacht. 3.96 Subonderdeel 4.7 stelt dat het hof de zojuist weergegeven essentiële stelling van [eiser] /Safami had moeten bespreken, en dan niet (zonder nadere motivering) in rov. 5.36 ad c van het arrest had kunnen concluderen dat sprake is van causaal verband. Voor zover het hof die stelling heeft verworpen, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over causaal verband, althans zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd. Behandeling 3.97 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende. 3.97.1 Het subonderdeel doelt met “causaal verband” op het c.s.q.n.-verband tussen het verstrekken van het overbruggingskrediet (door Techfront c.s.), waarop het hof doelt in rov. 4.9-4.10 van het arrest, en de misleiding (mede door [eiser] ). Het subonderdeel veronderstelt dat deze misleiding eerst speelde ná het sluiten van de LOI, specifiek bij het due diligence-onderzoek. 3.97.2 Daarmee ziet het subonderdeel eraan voorbij dat het hof in het arrest ervan uitgaat dat die misleiding al plaatsvond voorafgaand aan het sluiten van de LOI, en dat Techfront c.s. zonder die misleiding onder meer niet zou zijn overgegaan tot het sluiten van de LOI. Illustratief zijn: - rov. 5.10-5.11; - rov. 5.19; - rov. 5.26; - rov. 5.31; - rov. 5.33. 3.97.3 Bij deze stand van zaken is onjuist noch onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd dat het hof in rov. 5.36 ad c oordeelt dat ook ten aanzien van het overbruggingskrediet van € 228.127 geldt dat Techfront c.s. dit niet aan Degree-n zou hebben verstrekt als zij niet was misleid. 3.97.4 Iets anders is dat het hof in het arrest niet (ook) komt tot veroordeling van [eiser] tot vergoeding aan Techfront c.s. van schade in verband met dit overbruggingskrediet, om de redenen uiteengezet in rov. 5.37-5.39. Zoals ook blijkt uit het dictum (onder 6.3 en 6.10) heeft de veroordeling van [eiser] tot betaling aan Techfront c.s. van een bedrag van € 500.000 als feitelijke grondslag vergoeding van door Techfront c.s. geleden schade in verband met verlies van haar aan Holding geleende gelden (de achtergestelde geldleningen) als bedoeld in rov. 5.36 ad a. Zie ook onder 3.89.3 hiervoor. 3.97.5 Hieruit volgt dat het subonderdeel strandt. Uit het arrest is kenbaar dat en waarom het hof de door het subonderdeel bedoelde stellingname van [eiser] /Safami betrekt en verwerpt. Het onder 3.97.3 hiervoor bedoelde oordeel behoefde dan ook geen nadere motivering. Dat deze verwerping blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting valt niet in te zien. Overigens werkt het subonderdeel ook niet uit, laat staan conform de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv, waarom die verwerping daarvan wel blijk zou geven. 3.98 Subonderdeel 4.3 (“De extra financiering”), het tweede subonderdeel met deze nummering, is genummerd van 4.3.1 t/m 4.3.4 aangevuld met een randnummer 4.8 (dit lijkt een verschrijving, kennelijk is bedoeld: 4.3.5). 3.99 Subonderdeel 4.3.1 stelt, onder verwijzing naar nr. 96 van de MvA/MvG, dat door [eiser] /Safami in reactie op grief 2 van Techfront c.s. onder andere een causaliteitsverweer is gevoerd. Gelet op de geciteerde tekst uit dit nr. 96 ziet dit verweer op de schadevergoeding die Techfront c.s. vordert op basis van het aanvullende krediet van € 210.000 dat zij heeft verstrekt aan Holding, waarover ook rov. 5.36 ad b van het arrest. Het subonderdeel bevat geen klacht. 3.100 Subonderdeel 4.3.2 stelt dat [eiser] op 3 april 2019 de enveloppen heeft overhandigd (rov. 5.16 van het arrest), dus vóór “eind april 2019 en eind juni 2019” (dit betreft voornoemde citaat, tevens de data waarop Techfront c.s. het aanvullende krediet van € 210.000 zou hebben overgemaakt). Het subonderdeel bevat geen klacht. 3.101 Subonderdeel 4.3.3 stelt dat het hof het grievenstelsel dan wel de regels voor verwijzing naar de schadestaatprocedure heeft miskend, althans dat zijn oordeel onbegrijpelijk is, omdat het “deze essentiële stelling (lees: verweer en dus grief)” niet heeft betrokken bij rov. 5.36-5.38 van het arrest. 3.102 Subonderdeel 4.3.4 stelt, daarop aansluitend, dat als het hof het causaliteitsverweer had besproken, het tot de slotsom had moeten komen dat “csqn-verband tussen het verwijt het deze schadepost ontbreekt”. Behandeling 3.103 Subonderdeel 4.3.3 en subonderdeel 4.3.4 lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Zij falen, gelet op het volgende. 3.103.1 In het citaat uit nr. 96 van de MvA/MvG waarop subonderdeel 4.3.3 is gestoeld, wordt door [eiser] /Safami gedoeld op het ontbreken van “causaal verband” (c.s.q.n.-verband) tussen enig doen/laten zijdens “ [eiser] en Safami” en “de beslissing van Techfront c.s.” het aanvullend krediet van € 210.000 te verstrekken aan Holding. 3.103.2 Dit laatste deed Techfront c.s. blijkens rov. 5.36 ad b van het arrest “in de periode april tot en met juli 2019”, dus nadat zij al was overgegaan tot, en derhalve in het verlengde van, de onder 3.91.2 hiervoor bedoelde investering van € 1.000.000 (rov. 4.12) en verschaffing van het onder 3.97.3 hiervoor bedoelde overbruggingskrediet van € 228.127 (rov. 4.10). Het gaat ook niet voor niets om een “aanvullend” krediet. 3.103.3 Waar het hof oordeelt dat Techfront c.s. niet tot die investering van € 1.000.000 was overgegaan en evenmin dat overbruggingskrediet van € 228.127 had verstrekt als zij niet was misleid door [eiser] , oordeelt het hof logischerwijs - zij het impliciet, in rov. 5.36-5.38 - in gelijke zin ten aanzien van die verstrekking door Techfront c.s. van het “aanvullend” krediet van € 210.000. Voor die laatste stap in de door Techfront c.s. verschafte financiering geldt immers a fortiori dat als zij had geweten hoe de vork in de steel zat, zij überhaupt niet met [eiser] in zee was gegaan en dus evenmin was toegekomen aan die laatste stap. 3.103.4 Iets anders is dat het hof, naar het uiteenzet in rov. 5.38, niet kan vaststellen of dit bedrag van € 210.000 “zonder meer” is aan te merken als “schade” van Techfront c.s. Dit nu het overgrote deel van dit bedrag (dat bedoeld was “om de onderneming draaiende te kunnen houden”) is overgemaakt in juli 2019, dus nadat Degree-n International al was opgericht (op 4 juli 2019), zodat het de vraag is of deze gelden (mede) zijn aangewend ten behoeve van Degree-n International, welke vennootschap nog steeds actief is. 3.103.5 Iets anders is ook dat het hof in het arrest niet (ook) komt tot veroordeling van [eiser] tot vergoeding aan Techfront c.s. van schade in verband met dit aanvullende krediet, om de redenen uiteengezet in rov. 5.37-5.39. Zie nader onder 3.97.4 hiervoor. 3.103.6 Hieruit volgt dat, anders dan de subonderdelen tot uitgangspunt nemen, het hof de in de subonderdelen bedoelde stellingname van [eiser] /Safami wel degelijk betrekt en gemotiveerd verwerpt in rov. 5.36-5.38. Niet valt in te zien dat als het hof dit laatste expliciet had gedaan, het had moeten aannemen dat voornoemd causaal verband wel ontbreekt. Daarmee is het lot van de subonderdelen al bezegeld, nog los van de vraag hoe zij zich verhouden tot de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv. 3.104 Subonderdeel “4.8” (ik lees dus: 4.3.5) bevat een reprise van het eerste subonderdeel 4.3, toegespitst op de onderhavige “schadepost” (dus: het aanvullend krediet van € 210.000). Behandeling 3.105 Het subonderdeel faalt, in lijn met het eerste subonderdeel 4.3. Zie onder 3.90-3.91.3 hiervoor. Wat ik daar schreef, geldt overeenkomstig voor het onderhavige subonderdeel. Daarbij zij ook bedacht wat ik uiteenzette naar aanleiding van subonderdelen 4.3.3-4.3.4, onder 3.101-3.103.6 hiervoor. 3.106 Subonderdeel 4.4 (“De overige schade”), het tweede subonderdeel met deze nummering, is genummerd van 4.4.1 t/m 4.4.3. 3.107 Subonderdeel 4.4.1 stelt, onder verwijzing naar nr. 107 (en nr. 102) van de MvA/MvG, dat door [eiser] /Safami tevens een causaliteitsverweer is gevoerd met betrekking tot de overige schade, waarover ook rov. 5.36 ad d van het arrest. Het subonderdeel citeert daarbij uit dit nr. 107. Het subonderdeel bevat geen klacht. 3.108 Subonderdeel 4.4.2 stelt dat Techfront c.s. niet heeft gereageerd op dit causaliteitsverweer bij de mondelinge behandeling in hoger beroep. Het subonderdeel bevat geen klacht. 3.109 Subonderdeel 4.4.3 stelt dat het hof het grievenstelsel dan wel de regels voor verwijzing naar de schadestaatprocedure heeft miskend, althans dat zijn oordeel onbegrijpelijk is, omdat het “deze essentiële stelling (verweer en dus grief)” niet heeft betrokken bij rov. 5.36-5.38 van het arrest. Als het hof het causaliteitsverweer had besproken, had het tot de slotsom moeten komen dat “csqn-verband tussen het verwijt het deze schadepost ontbreekt”. Behandeling 3.110 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende. 3.110.1 Ook hier koerst het onderdeel op een beweerd ontbreken van causaal verband (in de zin van “csqn”) tussen gedragingen zijdens [eiser] /Safami en de desbetreffende schadepost, oftewel de “kosten voor de juridische en financiële afwikkeling van de joint-venture samenwerking tussen [eiser] /Safami en Techfront c.s.” als bedoeld in rov. 5.36 ad d van het arrest. 3.110.2 Het subonderdeel faalt, in lijn met subonderdelen 4.3.3-4.3.4. Zie in het bijzonder onder 3.101-3.103.3 en 3.103.6 hiervoor. Wat ik daar schreef, geldt overeenkomstig voor het onderhavige subonderdeel. Daarbij zij bedacht dat het gaat om voornoemde afwikkelingskosten: ook daarvoor geldt a fortiori dat als Techfront c.s. had geweten hoe de vork in de steel zat, zij überhaupt niet met [eiser] in zee was gegaan (geen “joint-venture samenwerking” met “ [eiser] /Safami” was aangegaan) en dus evenmin was toegekomen aan het maken van die afwikkelingskosten. 3.110.3 Iets anders is dat Techfront c.s. - naar het hof onderkent in rov. 5.36 ad d - ter zake heeft gesteld dat “de omvang” van die afwikkelingskosten nog niet kan worden vastgesteld, en ter vaststelling daarvan verwijzing naar de schadestaatprocedure heeft gevorderd. Daarin gaat het hof mee, gezien ook rov. 5.37-5.39 en het dictum. 3.111 Daarmee is gegeven dat onderdeel 4 faalt. Onderdeel 5 (“De toegewezen schadevergoeding”) 3.112 Dit onderdeel bevat een subonderdeel, met klachten (5.1). 3.113 Subonderdeel 5.1 (“Voortzetting van het bedrijf door Techfront c.s.”) is genummerd van 5.1.1 t/m 5.1.5. 3.114 Subonderdeel 5.1.1 stelt dat door [eiser] /Safami is uiteengezet dat Techfront c.s. ervoor heeft gekozen de door Holding van Degree-n gekochte activa te verhangen en te exploiteren vanuit Degree-n International. Daaruit zou blijken dat door [eiser] /Safami is gesteld: (
- a)dat en waaruit blijkt dat Degree-n International een voortzetting is van de onderneming van Degree-n; (
- b)dat het volgens de informatie op de website en sociale media om een succesbedrijf gaat; en (
- c)dat Degree-n International ondanks haar oprichting in 2019 geen jaarrekeningen heeft gepubliceerd en het alle schijn ervan heeft dat Techfront c.s. wil voorkomen dat het zakelijke succes van Degree-n International inzichtelijk wordt voor derden betrokken in deze procedure. De prognoses gaan evenwel uit van brutomarges in 2019 en 2020 gezamenlijk van ruim € 10,5 miljoen. Het subonderdeel bevat geen klacht. 3.115 Subonderdeel 5.1.2 stelt dat, gelet op de zojuist aangehaalde omstandigheden, door [eiser] /Safami is betwist dat Techfront c.s. schade lijdt. Het subonderdeel citeert een stelling uit nr. 97 van de MvA/MvG, met de strekking dat “ [eiser] en Safami het ervoor houden” dat indien Holding de onderneming van Degree-n zou hebben voortgezet in plaats van Degree-n International, Holding “zonder meer in staat zou zijn geweest om de achtergestelde lening(
- en)aan Techfront c.s. én Safami terug te betalen”. Door [eiser] /Safami zou “op basis van deze stelling” primair zijn betoogd dat causaal verband ontbreekt in de zin van art. 6:162 lid 1 BW (“csqn-verband”) en art. 6:98 BW (“toerekenbaarheid”), en subsidiair dat sprake is van voordeelstoerekening (art. 6:100 BW) en/of eigen schuld (art. 6:101 BW). Techfront c.s. heeft in haar memorie van antwoord in incidenteel appel deze stelling betwist en partijen hebben op de mondelinge behandeling in hoger beroep een toelichting gegeven. Het subonderdeel bevat geen klacht. 3.116 Subonderdeel 5.1.3 geeft overwegingen van het hof in rov. 5.37-5.38 van het arrest weer. Het subonderdeel bevat geen klacht. 3.117 Subonderdeel 5.1.4 stelt dat rov. 5.38 van het arrest zich op verschillende wijzen laat lezen wat betreft het verweer van [eiser] /Safami. Relevant voor de nog te voeren schadestaatprocedure is dat voor [eiser] duidelijk is welke beslissingen het hof al heeft genomen en welke beslissingen nog moeten worden genomen door de schadestaatrechter. Het subonderdeel bevat geen klacht. 3.118 Subonderdeel 5.1.5 stelt dat een verwerping van het verweer van [eiser] /Safami wat betreft de helft van de schadepost als bedoeld in rov. 5.36 ad a van het arrest, meer specifiek: het bedrag van € 500.000 dat is overgeboekt door [eiser] , mogelijk besloten ligt in rov. 5.38, voorlaatste alinea, laatste zin. Als dat zo is, is het hof alsnog ongemotiveerd voorbij gegaan aan voornoemde beroep van [eiser] /Safami op voordeelstoerekening en eigen schuld. [eiser] vreest dat de schadestaatrechter het beroep op voordeelstoerekening en eigen schuld niet meer zal behandelen, omdat het hof het bedrag van € 500.000 niet als voorschot op de schadevergoeding heeft toegewezen. Tegen die achtergrond heeft het hof ofwel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over art. 612 e.v. Rv dan wel over art. 6:100 en 6:101 BW, ofwel diens beslissing onvoldoende gemotiveerd. Voor zover een verwerping van het beroep op art. 6:100 en 6:101 BW besloten zou liggen in rov. 5.38, is die verwerping onvoldoende gemotiveerd. Behandeling 3.119 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende. 3.119.1 Het daarin beweerde verweer van [eiser] /Safami inzake voordeelstoerekening en eigen schuld neemt tot uitgangspunt - zie subonderdeel 5.1.2 - dat indien Holding de onderneming van Degree-n zou hebben voortgezet in plaats van Degree-n International, Holding “zonder meer in staat zou zijn geweest om de achtergestelde lening(
- en)aan Techfront c.s. én Safami terug te betalen”. 3.119.2 Dit laatste is evenwel in het geheel niet (kenbaar) onderbouwd door [eiser] /Safami op de genoemde vindplaats, dus nr. 97 van de MvA/MvG. Daar staat niet meer dan dat “ [eiser] en Safami het ervoor houden”, etc. Iedere uitwerking ontbreekt, ook langs indirecte weg (via enige kenbare verwijzing naar een andere vindplaats). 3.119.3 Daarbij komt dat voornoemde verweer inzake voordeelstoerekening en eigen schuld (dus: in nrs. 99-100 van de MvA/MvG) door [eiser] /Safami niet kenbaar in verband is gebracht met wat is opgemerkt in dit nr. 97, specifiek de daarin vervatte stelling waarop het subonderdeel doelt. Die nrs. 99-100 bevatten immers, anders dan het subonderdeel suggereert, een daarvan te onderscheiden redenering. - Bij het beroep op voordeelstoerekening (in dit nr. 99) ging het [eiser] /Safami erom dat Techfront c.s. de door Holding gekochte onderneming feitelijk heeft voortgezet in Degree-n International en dat Techfront c.s. daarvan thans ook de economische vruchten plukt, reden waarom door [eiser] /Safami wordt betwist dat er na voordeelstoerekening überhaupt nog schade resteert die voor vergoeding in aanmerking zou komen. - Het beroep op eigen schuld (in dit nr. 100) ligt in het verlengde daarvan. Dit beroep draait ook om “keuzes van Techfront c.s.” gemaakt na overdracht van de activa aan Holding “en de consequenties daarvan”, niet om een hypothetisch scenario (laat staan concreet gemaakt) waarin Holding de onderneming van Degree-n zou hebben voortgezet in plaats van Degree-n International. Bovendien blijft hier duister om welke “keuzes” het eigenlijk gaat, want daarop werpt dit nr. 100 geen licht met slechts “De hiervoor genoemde keuzes van Techfront c.s.”, etc. 3.119.4 Het strookt met het voorgaande dat op de vindplaatsen die het subonderdeel noemt niet te lezen valt dat Techfront c.s. bij memorie van antwoord in incidenteel appel verweer heeft gevoerd tegen de in nr. 97 van de MvA/MvG vervatte stelling waarop het subonderdeel doelt, laat staan tegen een op die stelling gebaseerd beroep van [eiser] /Safami op voordeelstoerekening en/of eigen schuld. Op p. 5 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, waarop het subonderdeel nog wijst, staat zoiets evenmin. 3.119.5 Gezien het voorgaande en rov. 5.36-5.39 van het arrest is het hof m.i., anders dan het subonderdeel wil, niet ongemotiveerd voorbijgegaan aan het verweer van [eiser] /Safami inzake voordeelstoerekening en eigen schuld zoals het subonderdeel dat voor ogen heeft. Het hof leest (ook) in de vindplaatsen waarop het subonderdeel zich beroept niet een dergelijk verweer, wat dus niet onbegrijpelijk is. Dat is iets anders. Daarmee ontvalt reeds de bodem aan het subonderdeel. 3.119.6 Overigens nog dit. Het hof oordeelt in rov. 5.38 dat de schade van Techfront c.s. ten minste € 500.000 bedraagt. Dit steunt blijkens de voorlaatste en laatste alinea aldaar op twee pijlers. (
- i)Dit bedrag is door [eiser] onmiddellijk nadat Techfront c.s. het bedrag van € 1.000.000 aan Degree-n had overgemaakt, overgeboekt naar Group A en vervolgens aangewend ter voldoening van een schuld van het [eiser] concern; dit bedrag is daardoor nimmer ten goede gekomen van de door Techfront c.s. en [eiser] gezamenlijk vanuit Holding te drijven onderneming Degree-n NL. Aldus verwerpt het hof ten aanzien van die € 500.000 het in rov. 5.37, eerste alinea bedoelde betoog van [eiser] /Safami inzake de betwisting dat Techfront c.s. schade lijdt ter hoogte van de door haar gevorderde bedragen (“In de eerste plaats”, etc.). Kort en goed: dienaangaande kan, door het aldus wegvloeien van die € 500.000, geen sprake zijn van “voortzetting” van de onderneming door Techfront c.s. (
- ii)Het hof acht het aannemelijk dat de schade van Techfront c.s., ook na een eventuele uitkering uit het faillissement van Degree-n, hoger zal blijken te zijn dan het bedrag van € 500.000 (tot betaling waarvan het hof [eiser] nu al zal veroordelen). Aldus verwerpt het hof ten aanzien van die € 500.000 het in rov. 5.37, tweede alinea bedoelde betoog van [eiser] /Safami inzake voornoemde betwisting (“In de tweede plaats”, etc.). Kort en goed: het valt aan te nemen dat het voor Techfront c.s. niet tot een zodanige uitkering uit het faillissement van Degree-n komt dat haar schade € 500.000 of minder bedraagt. 3.119.7 Dat het onder 3.119.6 hiervoor bedoelde oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting (over art. 612 e.v. Rv, dan wel art. 6:100 en 6:101 BW) of onvoldoende is gemotiveerd, valt zonder méér niet in te zien. Uit hetgeen het subonderdeel aanvoert, volgt het tegendeel niet. 3.120 Subonderdeel 5.1.6 stelt dat bovendien onbegrijpelijk is hoe het hof, in het licht van de stellingen van [eiser] /Safami in nrs. 181-182 van de MvA/MvG, tot de overweging komt dat de koopprijs ten goede zou komen aan de door Techfront c.s. en [eiser] gezamenlijk vanuit Holding te drijven onderneming van Degree-n. Het bedrag van de koopprijs was bedoeld om “tot liquidatie over te gaan van Degree-n (oud)”, aldus die nrs. 181-182. Mocht uit rov. 5.38 van het arrest moeten worden afgeleid dat het hof de stellingen van [eiser] /Safami als bedoeld in subonderdelen 5.1.1-5.1.2 zo heeft geïnterpreteerd dat het verweer alleen betrekking heeft “op schadepost
- b)of
- c)als bedoeld in rov. 5.36”, dan is sprake van een onbegrijpelijke uitleg van die stellingen. Het subonderdeel wijst daartoe op de wijze waarop Techfront c.s. het verweer heeft begrepen. Behandeling 3.121 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende. 3.121.1 In nrs. 181-182 van de MvA/MvG staat niet wat het subonderdeel ervan maakt. Door [eiser] /Safami is daar aangevoerd onder “Ad