PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/00572 Zitting 17 juni 2025 CONCLUSIE V.M.A. Sinnige In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, hierna: de verdachte 1Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 31 januari 2023 door het gerechtshof Den Haag (parketnummer 22-004677-18) wegens “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 2, derde lid van de Wet toezicht trustkantoren, opzettelijk begaan” (dagvaarding I onder 2) en “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd” (dagvaarding II primair), veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van het voorarrest. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaak 23/00557. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen. 1.3 Namens de verdachte heeft W.J. Koops, destijds advocaat in 's‑Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld. 2De middelen 2.1 Het eerste middel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat art. 2 lid 3 Wet toezicht trustkantoren (hierna: Wtt) onverbindend moet worden verklaard wegens strijd met het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) en de verdachte dientengevolge moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor het bij dagvaarding I onder 2 tenlastegelegde feit. 2.2 Voorts bevat het eerste middel de klacht dat het hof niet is ingegaan op het verzoek van de verdediging om via een prejudiciële procedure aan het Hof van Justitie de vraag voor te leggen of art. 2 lid 3 Wtt een ontoelaatbare beperking van het vrije verkeer van diensten oplevert, nu de wetgever geen enkele lidstaat heeft aangewezen als in die bepaling bedoeld. Tot slot verzoekt de steller van het middel de Hoge Raad een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen. 2.3 Het tweede middel betreft de bewezenverklaring van het onder dagvaarding II primair tenlastegelegde feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting en behelst de klacht dat het hof het verweer dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op het onjuist/onvolledig doen van BTW-aangiften heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen. 2.4 Voordat ik deze middelen bespreek, beschrijf ik voor een goed begrip van de aan de orde zijnde materie de achtergrond van de zaak en geef ik delen van het bestreden arrest weer. Omdat deze materie, voor zover ik kan overzien, in strafzaken tot nu toe weinig aan de orde is gekomen, zal ik ook ingaan op het EU-recht. Ook zal ik stilstaan bij de Wtt, met inbegrip van de totstandkomingsgeschiedenis. 3De achtergrond van de zaak 3.1 Uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt het volgende. De verdachte was, samen met de medeverdachte [medeverdachte] , verbonden aan de vennootschapsstructuur [A] . Het doel van [A] was om trustdiensten te leveren aan geïnteresseerden/klanten. Daarmee verdiende [A] haar geld. [A] bestond onder meer uit de vennootschappen [B] en [C] . De verdachte trad formeel op als adviseur voor [A] , huurde een ruimte in het kantoor van [B] in Den Haag en stuurde facturen voor zijn werkzaamheden naar [B] en [D] Limited. De medeverdachte was onder meer directeur van [B] . Op Cyprus werden door [C] trustdiensten aangeboden en uitgevoerd. De rol van [B] was om potentiële geïnteresseerden te informeren en te adviseren over een truststructuur op Cyprus. Over de manier waarop dat ging heeft het hof het volgende overwogen (met weglating van voetnoten): “Het hof stelt vast dat de werkzaamheden die door [B] vanuit de vestiging in Den Haag werden verricht, voor een belangrijk deel bestonden uit het informeren en adviseren van geïnteresseerden in verband met op te zetten en te beheren vennootschapsstructuren door [C] , een trustkantoor op Cyprus. Daarvoor voerden [medeverdachte] en in mindere mate [verdachte] op de vestiging Den Haag tal van informatieve en adviserende gesprekken met de potentiële klanten. [verdachte] sprong regelmatig bij als daar een reden voor was, bijvoorbeeld bij de meer complexe situaties omdat zijn kennis hierbij van pas kon komen. Van alle contacten met de potentiële, klanten werden door [medeverdachte] , [verdachte] en een medewerker notities in een digitaal klantenbestand bijgehouden. Met een al dan niet ingevuld en ondertekend aanvraagformulier brachten [medeverdachte] en [verdachte] de geïnteresseerden vervolgens in contact met [C] om daar de vennootschappen op te laten zetten en de trustdiensten te laten verrichten. Vaststaat dat de op de vestiging Den Haag gevoerde gesprekken in de tenlastegelegde periode van 24 juni 2010 tot en met 28 januari 2014 ertoe hebben geleid dat door [C] vanuit Cyprus daadwerkelijk vennootschappen naar Engels recht, docht feitelijk gevestigd op Cyprus, zijn opgericht en dat aldaar de trustdiensten zijn verleend. Bij de actiedag op 28 juni 2014 is ten kantore van [B] een USB stick aangetroffen met daarop klantgegevens en notities over de periode medio 2010 tot eind januari 2014. Het betroffen ruim 1.100 records. Daarnaast staat vast dat er conceptmails door [medeverdachte] en/of [verdachte] werden opgesteld ter verdere verwerking en verzending vanuit Cyprus. Ook werd bij afwezigheid van medewerkers op Cyprus door een medewerkster in Den Haag facturen op naam van [C] of [D] Limited opgesteld en aan klanten verzonden, en werd door deze medewerkster in Den Haag in een enkel geval Engelse vennootschappen voor [C] opgericht. Ten slotte staat ook vast dat [verdachte] vanaf medio oktober 2013 tot eind januari 2014 op Cyprus bij [C] werkzaam is geweest, omdat het op Cyprus een chaos was.” 3.2 Naar aanleiding van een onderzoek op 9 november 2012 bij [B] in Den Haag heeft toezichthouder De Nederlandsche Bank (hierna: DNB) aangifte gedaan tegen [B] en [C] wegens overtreding van art. 2 lid 1 en 3 van de (thans vervallen) Wtt, dat – kort gezegd – verbood het zonder vergunning van een toezichthouder vanuit een vestiging in Nederland als trustkantoor werkzaam zijn en – sinds 1 juli 2012 ook – het zonder vergunning verrichten van werkzaamheden gericht op het verlenen van trustdiensten door een trustkantoor met een zetel in een niet-aangewezen staat. 3.3 Het hof heeft – in navolging van de rechtbank – bewezenverklaard dat [B] vanuit Den Haag in de periode van 1 juli 2012 tot en met 28 januari 2014 werkzaamheden heeft verricht gericht op het verlenen van trustdiensten door [C] , terwijl Cyprus een niet-aangewezen staat is en [C] niet beschikte over de vereiste trustvergunning van DNB in de zin van art. 2 lid 3 Wtt. Het hof heeft de verdachte en de medeverdachte aangemerkt als feitelijk leidinggevenden. 3.4 Voorts heeft het hof bewezenverklaard dat de verdachte en de medeverdachte feitelijk leidinggegeven hebben aan het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting. 4Het eerste middel Het verweer van de verdediging 4.1 Ter terechtzitting in hoger beroep van 16 en 17 januari 2023 heeft de verdachte blijkens het proces-verbaal van die zitting – voor zover hier van belang – het volgende verklaard: “Als al sprake zou zijn van overtreding van de Wet toezicht trustkantoren (hierna: Wtt), dan is de betreffende regel in strijd met het Europese recht omdat dit een ongerechtvaardigde belemmering van het vrije verkeer van diensten oplevert. (…) [B] heeft eerder een belangrijke rol gespeeld bij het uitlokken van een proces over de ontmoediging van het gebruik van buitenlandse vennootschappen. Die nieuwe wet was een aanslag op ons verdienmodel en uiteindelijk is deze in strijd met het EU recht verklaard. Naar aanleiding van die uitspraak is ook de wetgeving in andere landen aangepast en vriendelijker gemaakt voor de ondernemer. [B] had dus een goede reputatie. Het is jammer de advocaat-generaal het belang van een prejudiciële vraag in het kader van de Wtt niet inziet. Ik ben van mening dat strijd is met EU recht. (…)” 4.2 Op die zitting heeft de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota, die – voor zover hier van belang – het volgende inhoudt: “Het verweer voerde ik bij pleidooi in eerste aanleg op pagina 33-36 en ik verzoek u om het als herhaald en ingelast te beschouwen (en ik verzoek u dat in het pv van de zitting aan te laten tekenen, anders lees ik het nog een keer voor). De rechtbank heeft dit verweer verworpen met de algemene overweging onder 5, over strafbaarheid. De overweging waartegen [verdachte] opkomt, is het volgende gedeelte: Met betrekking tot het verbod van artikel 2, derde lid, Wtt geldt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een gerechtvaardigde beperking van het vrije verkeer van diensten binnen de Europese gemeenschap, nu deze beperking zijn rechtvaardiging vindt in het algemene belang, zoals dat hiervoor is verwoord in de memorie van toelichting bij de Wijzigingswet financiële markten. Wat de rechtbank dus niet heeft gedaan, is het wat mij betreft centrale argument bespreken: namelijk dat Nederland geen enkele Lidstaat heeft aangewezen die is uitgezonderd van de verbodsbepaling – ook Cyprus niet. Zou Nederland wel enige andere Lidstaat hebben aangewezen, dan zou daarmee een kader bestaan ter toetsing van de rechtvaardiging van de beperking die de bepaling oplevert. Dat is wat ik bedoel met: Naast de hierboven aangeven verdragsrechtelijke uitzonderingen kent het vrij dienstenverkeer ook de rule of reason: beperkende maatregelen, zoals een vergunningvereiste, zijn geoorloofd wanneer zij worden toegepast met het oog op dwingende redenen van algemeen belang. Volgens vaste rechtspraak kan een beperking van artikel 56 VWEU enkel worden gerechtvaardigd door regelingen die hun rechtvaardiging vinden in dwingende redenen van algemeen belang, die gelden voor iedere persoon of onderneming die op het grondgebied van de ontvangende lidstaat werkzaam is, voor zover dit belang niet wordt gewaarborgd door de regels waaraan de dienstverlener is onderworpen in de lidstaat waar hij is gevestigd en voor zover deze regelingen geschikt zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen en niet verder gaan dan voor het bereiken van dat doel noodzakelijk is ( zaak C-58/98 , Corsten , zaak C-433/04, Commissie/België , zaak C-490/04, Commissie/Duitsland ). Edelachtbaar college, ik stel mij op het standpunt dat het toepassen van artikel 2 lid 3 Wtt als strafbepaling een schending zou opleveren van het vrije verkeer van diensten zoals gewaarborgd binnen de EU. Wij hoeven hier niet lang over na te denken: de wetgever zelf is het daarmee eens. Immers, de Wetgever zegt: het Aanwijzen van Staten waarvoor het verbod niet geldt, is de enige manier van het waarborgen van dat vrije verkeer – en de Minister hééft geen Staten aangewezen! (korte mijmering over of Cyprus aangewezen zou zijn áls een Staat zou zijn aangewezen). Een simpel voorbeeld: Nederland had een Lidstaat zoals Duitsland kunnen aanwijzen, omdat Duitsland regels kent waaraan de dienstverleners (trustkantoren) aldaar zijn onderworpen. Die regels waarborgen (aldaar) precies het belang dat de onderhavige Nederlandse verbodsbepaling eveneens beoogt te waarborgen: namelijk het beschermen van de integriteit van de financiële markten in Nederland en het voorkomen van witwassen. De beperking die de Nederlandse verbodsbepaling oplevert, zou in dat geval voor een Duits trustkantoor niet toegestaan zijn. In de verwerping van het verweer namens [verdachte] , neerkomend op het feit dat de verbodsbepaling (als zodanig) waarop hij is veroordeeld onverbindend moet worden verklaard, is de rechtbank niet op dit specifieke punt ingegaan. Juist doordat Nederland geen enkele Lidstaat heeft aangewezen, anno nu nog steeds niet, respecteert Nederland niet het feit dat andere Lidstaten hun eigen regimes kennen om financiële markten te beschermen en witwassen te voorkomen: regimes die niet mogen worden uitgebreid of aangevuld zonder dat dat een inbreuk op het vrije verkeer van Diensten oplevert. Het is een onderwerp waar het Europese Hof van Justitie zich nog niet eerder over heeft uitgelaten, en de Nederlandse wetgever evenmin. Het komt de verdediging voor dat het verweer niet verworpen kán worden zonder dat de volgende vraag (losjes geformuleerd) wordt beantwoord: Levert de verbodsbepaling van artikel 2 lid 3 Wet Toezicht Trustkantoren (oud) een ontoelaatbare beperking op van het te waarborgen vrije verkeer van diensten indien geen enkele Lidstaat wordt Aangewezen zoals in die bepaling bedoeld? U bent de in laatste feitelijke aanleg oordelende instantie. Ik verzoek u dan ook deze vraag te stellen aan het Hof van Justitie indien u overweegt om het verweer te verwerpen dat strekt tot onverbindendheid van de verbodsbepaling.” De bestreden beslissing van het hof 4.3 Ten aanzien van de strafbaarheid van het onder dagvaarding I onder 2 bewezenverklaarde heeft het hof het volgende overwogen: “De verdediging heeft zich met betrekking tot bij dagvaarding I onder 2, tweede alternatief, tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat artikel 2 lid 3 Wtt een beperking oplevert van het vrije verkeer van diensten en derhalve in strijd is met het EU-werkingsverdrag. Dit geldt volgens de verdediging te meer nu Nederland geen enkele staat heeft aangewezen – ook heden ten dage niet – die is uitgezonderd van de verbodsbepaling zodat een kader ter toetsing van de rechtvaardiging van de beperking die de bepaling oplevert, ontbreekt en ontslag van rechtsvervolging zou dienen te volgen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat gelet op de wetsgeschiedenis sprake is van een gerechtvaardigde beperking van het vrije verkeer van diensten binnen de EU. De beperking vindt namelijk rechtvaardiging in het algemeen belang zoals dat is verwoord in de memorie van toelichting bij de Wijzigingswet financiële markten, te weten de bescherming van de integriteit van de financiële markten in Nederland. Het enkele feit dat Nederland – ook op dit moment – geen staat of staten heeft aangewezen in de zin van de Wtt levert geen strijd op met het EU-werkingsverdrag. Ten overvloede wijst het hof op de memorie van toelichting bij de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2017-2018, 34 910, nr. 3, p. 16): “Ook trustkantoren met een zetel in een andere lidstaat zonder bijkantoor in Nederland, die trustdiensten naar Nederland verrichten, moeten over een vergunning van DNB beschikken, tenzij zij over een vergunning in hun eigen land beschikken en in dat land een gelijkwaardig beschermingsregime en toezicht daarop bestaat. In dat geval wordt het belang van een vergunning ondervangen en is het in het licht van het vrij verkeer van diensten niet gerechtvaardigd om een vergunning te eisen. Van belang is in dit verband dat op dit moment geen andere lidstaat een vergelijkbaar beschermingsregime kent.” Het hof voegt hier voorts aan toe dat ook nadat op Cyprus de vergunningsplicht voor trust kantoren is ingevoerd [C] niet over een vergunning beschikte om in Cyprus als trustkantoor werkzaam te zijn. Het hof verwerpt het verweer.” Het juridisch kader De relevante wettelijke bepalingen 4.4 Art. 56 VWEU luidt: “In het kader van de volgende bepalingen zijn de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Unie verboden ten aanzien van de onderdanen der lidstaten die in een andere lidstaat zijn gevestigd dan die, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht. Het Europees Parlement en de Raad kunnen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing verklaren ten gunste van de onderdanen van een derde staat die diensten verrichten en binnen de Unie zijn gevestigd.” 4.5 Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (hierna: Richtlijn 2005/60 of derde anti-witwasrichtlijn) luidt – voor zover hier relevant – : Art. 5 “De lidstaten kunnen op het door deze richtlijn bestreken gebied strengere bepalingen aannemen of handhaven om het witwassen van geld en financiering van terrorisme te voorkomen.” Art. 36 “1. De lidstaten bepalen dat wisselkantoren en aanbieders van trust- en bedrijfsdiensten over een vergunning moeten beschikken of in een register ingeschreven moeten zijn en dat casino's over een vergunning moeten beschikken om hun bedrijfsactiviteiten op wettige wijze te kunnen uitoefenen. Onverminderd de toekomstige communautaire regelgeving bepalen de lidstaten dat geldovermakingskantoren over een vergunning moeten beschikken of in een register ingeschreven moeten zijn om hun bedrijfsactiviteiten op wettige wijze te kunnen uitoefenen. 2. De lidstaten vereisen van de bevoegde autoriteiten dat deze weigeren de in lid 1 bedoelde entiteiten vergunning te verlenen of in een register in te schrijven indien zij er niet van overtuigd zijn dat de personen die het bedrijf van deze entiteiten feitelijk leiden of zullen leiden, dan wel de uiteindelijke begunstigden van deze entiteiten, betrouwbare en deskundige („fit and proper”) personen zijn.” Art. 39 “1. De lidstaten zien erop toe dat onder deze richtlijn vallende natuurlijke en rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor inbreuken op de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. (…)” 4.6 Art. 2 van Richtlijn 2005/60 houdt in dat de Richtlijn van toepassing is op – onder meer – aanbieders van trust- en bedrijfsdiensten. Art. 3 bevat een definitie van “aanbieders van trust- en bedrijfsdiensten”. 4.7 Art. 2 Wtt schreef ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen voor: “1. Het is verboden zonder vergunning van de toezichthouder vanuit een vestiging in Nederland als trustkantoor werkzaam te zijn. 2. Het is een ieder met zetel buiten Nederland verboden zonder vergunning van de toezichthouder als trustkantoor werkzaam te zijn door middel van het verrichten van diensten naar Nederland. 3. Het is verboden werkzaamheden te verrichten gericht op het verlenen van trustdiensten door een trustkantoor met zetel in een niet-aangewezen staat dat niet beschikt over een vergunning als bedoeld in het tweede lid. (…)5. Het tweede lid is niet van toepassing op trustkantoren met zetel in een door Onze Minister aan te wijzen staat waar toezicht op het verlenen van trustdiensten wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen. 6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het aanwijzen van staten. (…)” 4.8 Wat in de Wtt onder ‘trustkantoor’ en ‘trustkantoor met zetel in een niet-aangewezen staat’ werd verstaan, was gedefinieerd in art. 1: “In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. trustkantoor: een rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon die, al dan niet tezamen met andere rechtspersonen, vennootschappen of natuurlijke personen, beroeps- of bedrijfsmatig een of meer van de in onderdeel d genoemde diensten verleent; (…) k. trustkantoor met zetel in een niet-aangewezen staat: trustkantoor met zetel in een staat buiten Nederland die niet op grond van artikel 2, vijfde lid, is aangewezen als staat waar toezicht op trustkantoren wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen.” EU-recht, vrij verkeer van diensten en toegelaten beperkingen 4.9 Ingevolge art. 56 VWEU zijn beperkingen op het vrij verrichten van diensten tussen onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie (hierna: Unie) verboden. Het in art. 56 VWEU neergelegde beginsel van vrij dienstenverkeer is een van de fundamentele vrijheden waarop de Unie is gestoeld. Het Hof van Justitie legt deze bepaling zo uit dat deze zich verzet tegen iedere vorm van discriminatie van de in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter op grond van diens nationaliteit, maar tevens tegen iedere beperking – ook indien deze zonder onderscheid voor binnenlandse dienstverrichters en voor dienstverrichters uit andere lidstaten geldt – die de werkzaamheden van de dienstverrichter die in een andere lidstaat is gevestigd en aldaar rechtmatig gelijksoortige diensten verricht, verbiedt, belemmert of minder aantrekkelijk maakt. 4.10 Hoewel de voorgaande alinea anders zou kunnen doen vermoeden, zijn belemmeringen van het vrije verkeer wel mogelijk. Belemmeringen van het vrije verkeer van diensten kunnen worden gerechtvaardigd op grond van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid. Daarnaast kunnen volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dwingende redenen van algemeen belang een belemmering rechtvaardigen (de zogenoemde rule of reason): een nationale regeling op een gebied dat op het niveau van de Unie niet is geharmoniseerd, die zonder onderscheid geldt voor iedere persoon of onderneming die op het grondgebied van de betrokken lidstaat werkzaam is, kan – ondanks het feit dat zij tot een beperking van het vrij verrichten van diensten leidt – gerechtvaardigd zijn voor zover zij beantwoordt aan een dwingende reden van algemeen belang en dat belang niet reeds wordt gewaarborgd door de regels die voor de dienstverrichter gelden in de lidstaat waar deze is gevestigd, en zij geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen en niet verder gaat dan ter verwezenlijking van dat doel noodzakelijk is. Samengevat zijn belemmeringen van het vrije verkeer van diensten in verband met de rule of reason slechts dan toelaatbaar indien: - geen sprake is van harmonisatie; - zij hun rechtvaardiging vinden in dwingende redenen van algemeen belang; - zij evenredig zijn, dat wil zeggen geschikt en noodzakelijk zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen; - zij zonder discriminatie worden toegepast. 4.11 Ik licht de eerste drie voorwaarden nader toe. Allereerst moet worden vastgesteld of al dan niet sprake is van harmonisatie. Er is slechts ruimte voor toepassing van de rule of reason als het gaat om een (belemmerende) regeling die (nog) geen deel uitmaakt voor harmonisatie op het niveau van de Unie. Zo valt het dienstenverkeer in sommige sectoren onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2006/123/EG betreffende diensten in de interne markt (hierna: Dienstenrichtlijn), waarin nadere voorwaarden zijn uitgewerkt waaronder het vrije verkeer van diensten mag worden ingeperkt door nationale maatregelen. Ook bepaalt de Dienstenrichtlijn aan welke voorwaarden een vergunningstelsel – dat op zichzelf dus niet verboden is – moet voldoen. Verschillende economische activiteiten zijn in art. 2 evenwel uitgesloten van de werkingssfeer van de Dienstenrichtlijn, waaronder “financiële diensten, zoals bankdiensten, kredietverstrekking, verzekering en herverzekering, individuele en bedrijfspensioenen, effecten, beleggingsfondsen, betalingen en beleggingsadviezen, met inbegrip van de diensten die zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 2006/48/EG” (art. 2 lid 2 onder b Dienstenrichtlijn), zoals advisering op het gebied van kapitaalstructuur, bedrijfsstrategie en daarmee samenhangende aangelegenheden, alsmede advisering en dienstverrichtingen op het gebeid van fusie en overname van ondernemingen en vermogensbeheer en -advisering. Het komt mij voor dat de in de onderhavige zaak verrichte werkzaamheden uitgezonderde diensten betreffen en aldus niet onder de werking van de Dienstenrichtlijn vallen. 4.12 Er is geen sprake van geharmoniseerde trustregelgeving binnen de Unie. Wel is sprake van EU-regelgeving op het gebied van witwassen, die ook van toepassing is op aanbieders van trust- en bedrijfsdiensten. De bestrijding van het witwassen van geld is op het niveau van de Unie echter niet volledig geharmoniseerd. De – ten tijde van het bewezenverklaarde geldende – derde anti-witwasrichtlijn (Richtlijn 2005/60/EG) voorziet immers in een minimale harmonisatie. In het bijzonder biedt art. 5 ervan de lidstaten de mogelijkheid om strengere bepalingen aan te nemen, indien met deze bepalingen wordt beoogd de bestrijding van het witwassen van geld of de financiering van terrorisme te versterken. Op deze Richtlijn kom ik nog terug. 4.13 Voorts is in het kader van de rule of reason van belang of de doelstelling die met de nationale maatregel wordt nagestreefd kan worden aangemerkt als een dwingende reden van algemeen belang. Het Hof van Justitie heeft in de loop der jaren allerlei gronden aangenomen als dwingende redenen van algemeen belang, zoals de bestrijding van (sociale) fraude en voorkoming van misbruik, de bescherming van de consument, de bescherming van het vertrouwen in de nationale financiële markten, de eerlijkheid van de handelstransacties, de bescherming van de maatschappelijke orde, fraudebestrijding en het voorkomen van belastingontwijking. Ook de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme zijn aangemerkt als legitieme doelstellingen die een rechtvaardiging kunnen vormen voor een belemmering van het vrij verkeer van diensten. 4.14 De derde voorwaarde van de rule of reason geeft uitdrukking aan het vereiste dat de maatregel evenredig is aan het nagestreefde doel. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie is een maatregel die het vrije dienstenverkeer beperkt, slechts evenredig wanneer hij geschikt is om de verwezenlijking van de nagestreefde doelstellingen te waarborgen en niet verder gaat dan voor de bereiking van deze doelstellingen noodzakelijk is. Een nationale regeling is, aldus het Hof van Justitie, slechts geschikt om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen, wanneer de verwezenlijking ervan daadwerkelijk op coherente en systematische wijze wordt nagestreefd. Voor de beoordeling van de vraag of de maatregel niet verder gaat dan nodig is voor het bereiken van de doelstelling, kan meespelen of het beoogde doel gehaald kan worden met andere, minder restrictieve maatregelen en of de dienstverlener onderworpen is aan soortgelijke regelgeving in de betrokken lidstaat. Een nationale regel wordt evenwel niet als onevenredig beschouwd op grond van het enkele feit dat deze strenger is dan de regels die van toepassing zijn in andere lidstaten. Het is – volgens het Hof van Justitie – in beginsel aan de nationale rechter om te beoordelen of de bewuste maatregel, rekening houdend met alle relevante elementen, evenredig is ten opzichte van de verwezenlijking van de doelstellingen. Richtlijn 2005/60 - de derde anti-witwasrichtlijn 4.15 Richtlijn 2005/60/EG is in de plaats gekomen van Richtlijn 91/308/EEG en had – aldus het Hof van Justitie – hoofdzakelijk tot doel te voorkomen dat het financiële stelsel wordt gebruikt voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, zoals blijkt uit zowel de titel en de considerans van deze richtlijn als het feit dat zij, zoals haar voorgangster, richtlijn 91/308, is vastgesteld in een internationale context om de aanbevelingen van de Financial Action Task Force (hierna: FATF), het belangrijkste internationale orgaan voor de bestrijding van het witwassen van geld, ten uitvoer te leggen en bindend te maken in de Unie. 4.16 In eerste instantie was de bestrijding van de financiële criminaliteit in de Unie gericht op de criminalisering van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme in het nationale recht van de lidstaten. Deze gedragingen zijn in verschillende internationale en Europese overeenkomsten gedefinieerd. Ook de Uniewetgever geeft in art. 1 van Richtlijn 2005/60 een definitie van deze gedragingen en eist van de lidstaten erop toe te zien dat witwassen van geld en financiering van terrorisme worden verboden. Richtlijn 2005/60 voorziet vervolgens in de bestrijding van het witwassen van geld en de terrorismefinanciering. De Richtlijn stelt daartoe bepalingen vast met betrekking tot het toezicht op financiële transacties van onder de richtlijn vallende instellingen personen en met betrekking tot de opsporing van financiële delicten. Het doel is het voorkomen van bedreigingen die de integriteit en de goede werking van het financiële stelsel kunnen aantasten, doordat vermogen van criminele herkomst het stelsel wordt binnen gesluisd en geld voor terroristische doeleinden wordt gebruikt. De Richtlijn voorziet daartoe in een stelsel van preventieve controle, dat op nationaal niveau ten uitvoer wordt gelegd. De lidstaten moeten aan de instellingen en personen die onder deze richtlijn vallen, twee verplichtingen opleggen. De eerste, in hoofdstuk II van de Richtlijn geregelde verplichting betreft het klantenonderzoek. De tweede verplichting betreft het melden van verdachte financiële transacties. De aard en omvang van deze verplichting is geregeld in hoofdstuk III van de Richtlijn. Om de naleving van deze verplichtingen te verzekeren, heeft de Uniewetgever in de artikelen 36 en 37 van de Richtlijn versterkte bevoegdheden op het vlak van toezicht en controle toegekend aan de nationale bevoegde autoriteiten. Deze verplichtingen worden aangevuld door de aan de lidstaten gestelde eis om op de niet-nakoming van deze verplichtingen sancties te stellen, die volgens artikel 39, lid 1, van deze richtlijn niet alleen doeltreffend en evenredig, maar tevens afschrikkend moeten zijn. Al deze maatregelen samen, ongeacht of het gaat om de op de kredietinstellingen rustende verplichtingen of de aan de nationale autoriteiten verleende bevoegdheden inzake toezicht en bestraffing, dienen zowel ter voorkoming als ter afschrikking en moeten, wanneer zij door alle lidstaten op doeltreffende wijze worden uitgevoerd, het mogelijk maken het witwassen van geld en de financiering van terrorisme op doeltreffende wijze te bestrijden en de soliditeit en integriteit van het financiële stelsel te waarborgen. Hoewel dit verstrekkend klinkt, roep ik in herinnering dat hiermee slechts minimumharmonisatie is beoogd en art. 5 van Richtlijn 2005/60/EG lidstaten de mogelijkheid laat om strengere bepalingen aan te nemen of te handhaven ter opsporing en voorkoming van de risico’s van financiële criminaliteit. 4.17 Met de Richtlijn 2005/60 is niet alleen voorzien in een stelsel van preventieve controle, ook is de kring van instellingen en personen die onder de anti-witwasregelgeving vallen uitgebreid. In de considerans wordt erop gewezen dat Richtlijn 91/308/EEG heeft geleid tot verscherpte controle in de financiële sector, hetgeen witwassers en financiers van terrorisme ertoe heeft aangezet uit te kijken naar alternatieve methoden om de herkomst van de opbrengsten van misdrijven te verhelen. Daarom zijn de verplichtingen op het gebied van de bestrijding van witwassen en financiering van terrorisme uitgebreid tot – onder meer – aanbieders van trust- en bedrijfsdiensten (art. 2 van Richtlijn 2005/60). De totstandkomingsgeschiedenis van de Wtt 4.18 Vanaf ongeveer het begin van deze eeuw vestigen internationale organisaties als de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (hierna: OESO) en de FATF de aandacht op risico’s die zijn verbonden aan het verrichten van trustdiensten. In de kern genomen houden deze in dat de door trustkantoren beheerde entiteiten al dan niet onbedoeld een schakel zouden kunnen vormen bij geldstromen met een illegale herkomst en/of bestemming. Na de aanslagen van 11 september 2001 wordt – naast de kwetsbaarheid van de sector voor witwassen en belastingontduiking – tevens de kwetsbaarheid van de sector voor terrorismefinanciering genoemd. De internationale standaarden van de OESO en de FATF zijn van directe invloed geweest op de vormgeving van de Wtt. Ook Europese richtlijnen, waaronder de hiervoor genoemde Richtlijn 2005/60/EG, zijn van invloed op onze nationale wetgeving. 4.19 De Wtt is op 1 maart 2004 in werking getreden. Deze wet beoogt de integriteit van het financiële stelsel in Nederland te waarborgen. Sinds de inwerkingtreding van de Wtt is het werkzaam zijn als trustkantoor in Nederland een vergunningplichtige activiteit. Nadat de vergunning is verleend, staat een trustkantoor onder toezicht van DNB. Dit toezicht is integriteittoezicht, gericht op de doelstelling van de wet. 4.20 In 2009 heeft een evaluatie van de Wtt plaatsgevonden. Deze evaluatie stond met name in het teken van de vraag of de Wtt haar doel, het bevorderen van de integriteit van het financiële stelsel door middel van de regulering van de trustsector, heeft bereikt. Daaruit kwam als voornaamste punt van zorg naar voren de in de Wtt gehanteerde definitie van het begrip trustkantoor en het daarmee samenhangende (beperkte) toepassingsbereik van de Wtt. Om dat beter te begrijpen een korte toelichting. 4.21 De dienstverlening door de (gereguleerde) trustsector in Nederland bestaat grof gezegd uit het beheer van vennootschappen, die om verschillende redenen (waaronder fiscale) in Nederland zijn gevestigd, in opdracht van buitenlandse aandeelhouders van deze vennootschappen. Uit onderzoek van Van der Wulp en de hiervoor genoemde evaluatie bleek dat in Nederland daarnaast een relatief klein (onbekend) aantal aanbieders van trustdiensten actief is dat niet vanuit een vestiging in Nederland opereert en daarom niet over een vergunning van DNB beschikt. In tegenstelling tot de vergunninghoudende (Nederlandse) trustkantoren richten deze trustkantoren zich op Nederlandse (in plaats van buitenlandse) cliënten. De werkwijze van deze aanbieders is dat zij op hoofdlijnen adviseren over bijvoorbeeld een fiscale structuur, gericht op het ontwijken van belasting en mogelijk zelfs het afschermen van vermogen voor de Belastingdienst, waarna zijn hun cliënt in contact brengen met een buitenlandse trustkantoor dat vervolgens het advies nader uitwerkt. Daarbij wordt gebruik gemaakt van fiscale regimes buiten Nederland, bijvoorbeeld in Cyprus. 4.22 De wetgever wenste de Wtt te wijzigen zodat ook dergelijke dienstverlening in Nederland vanuit het buitenland onder de reikwijdte van die wet zou vallen. 4.23 In zijn advies bij dit wetsvoorstel wees de Afdeling advisering van de Raad van State op het feit dat de voorgenomen uitbreiding – voor zover het gaat om trustkantoren die gevestigd zijn in een Unie-lidstaat – een beperking van het vrije verkeer van diensten zoals bedoeld in art. 56 VWEU vormt en dat een beroep zal moeten worden gedaan op de uitzondering voor het algemeen belang, met de daarbij behorende eisen van noodzakelijkheid en evenredigheid, wil deze beperking gerechtvaardigd zijn. Voorts werd in het advies opgemerkt dat in het voorstel geen rekening wordt gehouden met de regels die in voorkomende gevallen in andere Unie-lidstaten ten aanzien van trustkantoren gelden en met het toezicht dat in die Unie-lidstaten op de aldaar gevestigde trustkantoren wordt uitgeoefend. 4.24 Naar aanleiding van dit advies is in de memorie van toelichting nader toegelicht waarom een beperking van het vrij verkeer van diensten gerechtvaardigd is. Daarin wordt benadrukt dat er een reëel risico bestaat op witwassen door de dienstverlening in Nederland van ongereguleerde trustkantoren in het buitenland en dat de bedoelde vergunningplicht dient ter bescherming van de integriteit van de financiële markten in Nederland en het voorkomen van witwassen. 4.25 Een en ander leidde in de eerste plaats tot de invoering van art. 2 lid 2 Wtt, waarmee ook het buiten Nederland werkzaam zijn als trustkantoor door middel van het verrichten van diensten naar Nederland onder het reeds bestaande vergunningstelsel wordt gebracht. Naar aanleiding van voormeld advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is in art. 2 lid 5 Wtt bepaald dat deze vergunningplicht niet geldt voor dienstverrichting door een trustkantoor met een zetel in een door de Minister van Financiën aangewezen staat. Deze aanvulling waarborgt dat het vrij verkeer van dienstverlening door trustkantoren onbelemmerd blijft zolang het trustkantoor een zetel heeft in een staat waar het toezicht op trustkantoren van gelijkwaardig niveau is, aldus het nader rapport bij het wetsvoorstel. In de nota naar aanleiding van het verslag merkt de toenmalig minister van Financiën De Jager op dat Nederland (op dat moment) het enige land is met een wet voor toezicht op trustkantoren: “Andere landen stellen prudentiële vereisten aan trustkantoren, maar op anti-witwasgebied is doorgaans alleen de nationale implementatie van de Derde Witwasrichtlijn van toepassing. De Wtt gaat echter verder dan de Derde Witwasrichtlijn vereist en vraagt onder meer dat trustkantoren een vergunning aanvragen en aanvullende maatregelen treffen om vast te stellen dat de doelvennootschappen die zij besturen niet worden misbruikt in een vennootschapsstructuur om de herkomst van geldstromen te verduisteren.” 4.26 Daarnaast heeft de wetgever in art. 2 lid 3 Wtt het verbod neergelegd op het verrichten van werkzaamheden die zijn gericht op het verlenen van trustdiensten door een trustkantoor met zetel in een niet-aangewezen staat dat niet beschikt over een vergunning als bedoeld in art. 2 lid 2 Wtt. 4.27 Over de potentiële belemmering van het vrije verkeer van diensten wordt in de nota naar aanleiding van het verslag verder gewezen op de bepaling van art. 2a Wtt, die de toezichthouder de mogelijkheid biedt om een trustkantoor vrijstelling te verlenen, indien de specifieke situatie van een trustkantoor dat rechtvaardigt, bijvoorbeeld als het toezicht van het land waarin het trustkantoor gevestigd is van voldoende niveau is. Art. 2a Wtt luidde: “1. Onze Minister kan vrijstelling verlenen van de bij of krachtens de artikelen 2, eerste, tweede en derde lid, en 10, eerste lid, gestelde regels, indien de situatie van een onderscheiden categorie trustkantoren dat rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Aan een vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld. 2. De toezichthouder kan, op verzoek, ontheffing verlenen van de bij of krachtens de artikelen 2, eerste, tweede en derde lid, en 10, eerste lid, gestelde regels, indien de specifieke situatie van een trustkantoor dat rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld. 3. Een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste, tweede of derde lid kan, onder door de toezichthouder te stellen voorschriften en beperkingen, aan een groep van trustkantoren worden verleend. Tenzij in de vergunning anders is bepaald, geldt de vergunning, alsmede de daaraan verbonden voorschriften of gestelde beperkingen, in gelijke zin voor alle trustkantoren die onderdeel uitmaken van de groep.” 4.28 Vrijstelling van de vergunningplicht is volgens toenmalig Minister van Financiën De Jager verder alleen denkbaar indien de dienstverlening zich naar aard en inhoud niet leent voor witwassen dan wel het versluieren van de herkomst van vermogen voor de Belastingdienst. De specifieke situatie van een trustkantoor moet in ieder geval van dien aard zijn dat haar onbelemmerde dienstverlening niet in strijd is met de belangen die de Wtt beoogt te beschermen. 4.29 Tot slot noem ik art. 3 Wtt, waarin de vereisten waaraan de vergunningsaanvraag moet voldoen staan vermeld en art. 4 Wtt, dat bepaalt in welke gevallen de toezichthouder niet een vergunning verleent. 4.30 De Wtt is met ingang van 1 januari 2019 ingetrokken en vervangen door de Wet toezicht trustkantoren 2018 (hierna: Wtt 2018), waarmee de normen waaraan trustkantoren moeten voldoen verder werden aangescherpt en het instrumentarium van DNB als toezichthouder werd uitgebreid. Aanleiding voor deze herziening waren – naast gewijzigde internationale en Europese kaders zoals de vierde anti-witwasrichtlijn (Richtlijn EU/2015/849) – inzichten vanuit de toezichtpraktijk dat de Wtt de inherente integriteitsrisico’s van de trustsector onvoldoende mitigeerde. Uit onderzoeken van DNB in de periode 2012-2015 blijkt dat trustkantoren de regelgeving onvoldoende naleven en dat bij vrijwel alle onderzochte trustkantoren handhavend optreden noodzakelijk was. De wetgever heeft bij het opstellen van de nieuwe wetgeving eveneens de bevindingen van de parlementaire ondervragingscommissie fiscale constructies betrokken. Ook door die commissie is gesignaleerd dat de trustsector wordt gekenmerkt door hoge risico’s voor de financiële integriteit en dat uit onderzoeken van DNB blijkt dat onderzochte trustkantoren telkens (al dan niet ernstige) tekortkomingen vertoonden. 4.31 Het verbod op trustdienstverlening zonder vergunning is thans neergelegd in art. 3 Wtt 2018: “1. Het is een ieder met zetel in Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning beroeps- of bedrijfsmatig trustdiensten te verlenen. 2. Het is een ieder met zetel in een andere lidstaat verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning beroeps- of bedrijfsmatig trustdiensten te verlenen naar Nederland, dan wel vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor beroeps- of bedrijfsmatig trustdiensten te verlenen. 3 Het is een ieder met zetel in een staat die geen lidstaat is verboden beroeps- of bedrijfsmatig naar Nederland trustdiensten te verlenen, dan wel vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor beroeps- of bedrijfsmatig trustdiensten te verlenen. 4. Het is een ieder verboden: a. werkzaamheden te verrichten gericht op activiteiten die in strijd zijn met de verboden in het eerste tot en met derde lid; of b. zonder vergunning op grond van deze wet werkzaamheden te verrichten gericht op zowel het ter beschikking stellen van een postadres of bezoekadres als bedoeld in onderdeel b van de begripsomschrijving van trustdienst, als het verrichten van aanvullende werkzaamheden als bedoeld in dat onderdeel, ten behoeve van een en dezelfde natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap of ten behoeve van een tot dezelfde groep als die rechtspersoon of vennootschap behorende, natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap. (…) 6. Het tweede lid is niet van toepassing op trustkantoren, zonder bijkantoor in Nederland, die beschikken over een vergelijkbare vergunning in een andere lidstaat en waarop toezicht wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen.” 4.32 Ook thans geldt het dat het verbod op het verlenen van trustdiensten niet van toepassing is op trustkantoren, zonder bijkantoor in Nederland, die beschikken over een vergelijkbare vergunning in een andere lidstaat en waarop toezicht wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen (art. 3 lid 6 Wtt 2018). In zo’n geval is het belang van een vergunning ondervangen en is het in het licht van het vrij verkeer van diensten niet gerechtvaardigd om een vergunning te eisen. In de memorie van toelichting bij de nieuwe trustwetgeving is in dat kader opgemerkt dat deze aanvullende regels bevat ten opzichte van de inmiddels in werking getreden vierde anti-witwasrichtlijn en dat vooralsnog geen andere lidstaat een vergelijkbaar beschermingsregime kent: “In het zesde lid is in verband met het vrij verkeer van diensten wederzijdse erkenning van vergunningen geregeld voor trustkantoren met zetel in een andere lidstaat zonder bijkantoor in Nederland. Op grond van artikel 47 van de vierde anti-witwasrichtlijn moet elke lidstaat beschikken over een vergunning- of registratieplicht voor trustkantoren. Deze plicht geldt voor trustkantoren met zetel of bijkantoor in Nederland. Voor trustkantoren met zetel in een andere lidstaat zonder bijkantoor in Nederland is de vergunningplicht alleen gerechtvaardigd als het belang dat de vergunning beoogt te beschermen niet al in die lidstaat wordt bewerkstelligd. Dit betekent dat een vergunning van DNB niet nodig is als in die lidstaat gelijkwaardige eisen aan de vergunning worden gesteld en zodanig toezicht wordt uitgeoefend dat de belangen die deze wet beoogd te beschermen voldoende worden gewaarborgd. In Nederland bestaan aanvullende regels voor trustkantoren ten opzichte van de vierde anti-witwasrichtlijn. Het beschermingsniveau dat in dit wetsvoorstel wordt geregeld, bestaat vooralsnog niet in andere lidstaten. Elke partij die vanuit een andere lidstaat naar Nederland trustdiensten verricht moet derhalve op dit moment over een vergunning van DNB beschikken. Als een andere lidstaat vergelijkbare eisen zou gaan stellen, dan ontslaat dit het trustkantoor alleen van de vergunningplicht. De overige verplichtingen in dit wetsvoorstel blijven onverkort van toepassing als het trustkantoor trustdiensten naar Nederland verricht. De vierde anti-witwasrichtlijn regelt minimumharmonisatie. Dit betekent dat op nationaal niveau verdergaande regels gesteld kunnen worden. Dit is het geval voor trustkantoren. De eisen aan zowel de organisatie van trustkantoren zelf als aan het cliëntenonderzoek dat zij moeten verrichten, gaan op onderdelen verder dan de richtlijn eist. Deze verdergaande regels zijn gerechtvaardigd gezien de omvangrijke trustsector in Nederland en de inherent hoge risico’s op witwassen en het financieren van terrorisme, die aan de dienstverlening zijn verbonden. Het voorkomen van het gebruik van het financieel stelsel voor witwassen en financieren van terrorisme is te kwalificeren als een dwingende reden van algemeen belang. De nadere regels maken verder geen onderscheid naar plaats van vestiging. Bij enkele voorschriften waar dit wel het geval zou zijn, is een uitzondering gemaakt voor trustkantoren met zetel in een andere lidstaat (rechtsvorm van trustkantoor en beleidsbepalers die in Nederland moeten werken). (…)” 4.33 Ook in het advies bij deze nieuwe trustwetgeving heeft de Afdeling advisering van de Raad van State aandacht gevraagd voor eventuele beperkingen van het vrije verkeer van diensten. 4.34 In de afgelopen jaren zijn vervolgens in opdracht van de Minister van Financiën twee rapporten van SEO Economisch Onderzoek over de trustsector verschenen en naar de Tweede Kamer zijn gestuurd: het rapport van 2021 en het rapport van 2022. In het in 2021 verschenen rapport ‘Illegale trustdienstverlening’ staan de bevindingen van een onderzoek naar de aard en de omvang van de illegale trustsector in Nederland. Deze bevindingen hebben aanleiding gegeven tot aanvullende wetgeving gericht op het tegengaan van ontduiking van de vergunningplicht, op versterking van het toezicht, op een intensievere gezamenlijke aanpak van illegale trustdienstverlening en op de effectiviteit van de strafmaat. 4.35 Dit rapport vormde tevens de aanleiding voor een breder onderzoek door SEO Economisch Onderzoek naar de toekomst van de trustsector in Nederland, dat resulteerde in het in 2022 verschenen rapport ‘De toekomst van de trustsector’. In dit onderzoek stond de vraag centraal of de integriteit bij trustdienstverlening voldoende te waarborgen is. In het rapport wordt onder meer geconcludeerd dat integriteitsrisico’s inherent zijn aan de trustsector, maar wordt tegelijkertijd vastgesteld dat integriteitsrisico’s, zoals witwasrisico’s, niet uniek zijn voor de trustsector en dat trustkantoren wel degelijk een maatschappelijke (meer)waarde hebben, nu zij door de strenge eisen uit de Wtt 2018, zoals het signaleren van ongebruikelijke transacties en cliëntenonderzoek, fungeren als belangrijke poortwachter in het voorkomen van het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen en terrorismefinanciering. Voorts is onderzocht wat de mogelijke effecten zijn van aanvullende regulering en een (al dan niet algeheel) verbod op trustdiensten. Uit dat onderzoek komt naar voren dat een (algeheel) verbod op trustdienstverlening met als doel de beheersing van integriteitsrisico’s niet doeltreffend en niet doelmatig is. De onderzoekers hebben daarbij ook stilgestaan bij de vraag of een dergelijk verbod verenigbaar is met het vrije verkeer van diensten van art. 56 VWEU. Naar aanleiding van dit rapport heeft toenmalig Minister van Financiën Kaag de Tweede Kamer laten weten geen verbod op trustdienstverlening voor te stellen en met wettelijke maatregelen de risico’s beter te beheersen. De bespreking van het middel 4.36 Ik stel in de eerste plaats voorop dat in de voorliggende zaak – naar ik meen – geen punt van discussie is dat art. 56 VWEU van toepassing is. Van een louter interne aangelegenheid is hier geen sprake, nu de verweten gedragingen waren op het leveren van trustdiensten vanuit Cyprus. Dat maakt dat de betreffende gedragingen onder de werkingssfeer van art. 56 VWEU vallen. 4.37 Het hof heeft hetgeen is aangevoerd zo opgevat dat betoogd is dat het vergunningvoorschrift van art. 2 Wtt een niet toegestane beperking op het vrije verkeer van diensten oplevert. Volgens het hof is in het onderhavige geval sprake van een gerechtvaardigde beperking. Het hof heeft overwogen dat deze beperking zijn rechtvaardiging vindt in het algemeen belang zoals dat is verwoord in de wetsgeschiedenis, te weten de bescherming van de integriteit van de financiële markten in Nederland. Het enkele feit dat Nederland – tot op heden – geen lidstaten heeft aangewezen in de zin van art. 2 lid 3 Wtt maakt dat volgens het hof niet anders. Het hof heeft ten overvloede verwezen naar de memorie van toelichting bij de Wtt 2018, waaruit onder meer volgt dat op dat moment geen andere lidstaat een vergelijkbaar beschermingsregime kende. Het hof heeft hier tot slot nog aan toegevoegd dat ook nadat op Cyprus de vergunningplicht voor trustkantoren is ingevoerd, [C] niet over een vergunning beschikte om in Cyprus als trustkantoor werkzaam te zijn. Dat laatste is in hoger beroep niet bestreden en ook in cassatie wordt dat niet betwist. 4.38 Het middel voert in de eerste plaats aan dat het hof het verweer van de verdediging onjuist heeft samengevat, door te overwegen dat het standpunt van de verdediging dat art. 2 lid 3 Wtt een beperking oplevert van het vrije verkeer van diensten “te meer” geldt, nu Nederland geen enkele staat heeft aangewezen die is uitgezonderd van deze verbodsbepaling. In het gebruik van de woorden “te meer” ligt volgens de steller van het middel een miskenning van het hof besloten dat de verdediging de omstandigheid dat de wetgever geen enkele (Unie-lid)staat heeft aangewezen juist centraal stelde in haar verweer. 4.39 Naar mijn inzicht wordt met deze klacht semantiek bedreven die hier niet van betekenis is voor de vraag die thans in cassatie voorligt, namelijk of het hof het gevoerde verweer al dan niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. Het hof heeft – blijkens zijn hiervoor aangehaalde overwegingen – bij de beoordeling van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde onder meer stilgestaan bij het door de verdediging benadrukte feit dat Nederland geen staten heeft aangewezen in de zin van art. 2 lid 3 Wtt. Voor zover het middel voorstaat dat het hof het gevoerde verweer op dat punt heeft miskend, ontbeert het mitsdien feitelijke grondslag. 4.40 Het oordeel van het hof dat het feit dat (vooralsnog) geen staten zijn aangewezen niet maakt dat art. 2 lid 3 Wtt in strijd is met art. 56 VWEU getuigt verder niet van een onjuiste rechtsopvatting en komt mij niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd voor. Dat licht ik graag nader toe. 4.41 Allereerst merk ik op dat het hier toepasselijke art. 2 lid 3 Wtt moet worden gelezen in verbinding met de overige leden van art. 2 Wtt, in het bijzonder lid 2 en 5. De belemmering van het vrije verkeer van diensten is in de onderhavige zaak primair gelegen in de vergunningplicht van art. 2 lid 2 Wtt. Door het stellen van een vergunningplicht wordt het verlenen van trustdiensten in Nederland door een in een ander land gevestigde dienstverrichter immers minder aantrekkelijk. Die bepaling maakt zodoende inbreuk op de door art. 56 VWEU gewaarborgde vrijheid van diensten, althans voor zover het gaat om het leveren van trustdiensten vanuit een Unie-lidstaat. Een en ander ligt ook als oordeel van het hof besloten in zijn bestreden overwegingen. 4.42 Het standpunt van de verdediging in hoger beroep en van de steller van het middel dat er ‘te meer’ strijd zou zijn met art. 56 VWEU omdat Nederland geen enkele staat heeft aangewezen die is uitgezonderd van de vergunningplicht, kan ik niet volgen. Uit het systeem van art. 2 Wtt volgt immers dat ieder trustkantoor dat werkzaam is in (lid 1) of naar (lid 2) Nederland een vergunning nodig heeft. Het vijfde lid biedt een uitzondering voor trustkantoren met zetel in een door de minister aan te wijzen staat waar toezicht op het verlenen van trustdiensten wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Uit de hiervoor weergegeven totstandkomingsgeschiedenis blijkt dat het vijfde lid is toegevoegd om – kort gezegd – dubbel toezicht te voorkomen. Voor een specifiek trustkantoor zou hetzelfde kunnen worden bereikt door het aanvragen van vrijstelling ex art. 2a Wtt. 4.43 Art. 2 lid 3 Wtt doet vervolgens niet meer dan het verbieden van werkzaamheden die zijn gericht op dienstverlening door een trustkantoor in een niet-aangewezen staat dat niet over een in art. 2 lid 2 Wtt bedoelde vergunning beschikt. Het “niet-aangewezen” zijn van een staat als bedoeld in art. 2 lid 3 Wtt levert dus geen nadere, op zichzelf staande belemmering op, maar het “aangewezen zijn” als bedoeld in lid 5 heft de belemmering die uit de vergunningplicht van art. 2 Wtt voortvloeit juist in bepaalde gevallen op. 4.44 Tegen deze achtergrond zie ik ook aanleiding stil te staan bij de vraag of die belemmering van het vrije dienstenverkeer is toegestaan in het licht van de rule of reason. Voor zover ik kan overzien wordt de belemmering van art. 2 Wtt zonder discriminatie toegepast. Het als trustkantoor werkzaam zijn vanuit een vestiging in Nederland, alsook het met een zetel buiten Nederland als trustkantoor werkzaam zijn door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, was ingevolge art. 2 lid 1 en 2 Wtt destijds aan dezelfde vergunningplicht gebonden. Noch door de steller van het middel, noch door de verdediging in hoger beroep, is overigens het standpunt ingenomen dat het voorschrift van art. 2 Wtt een discriminerende werking heeft. 4.45 Dan de voorwaarde dat de belemmering haar rechtvaardiging vindt in dwingende redenen van algemeen belang. De Wtt moet DNB – onder meer door een vergunningplicht – in staat stellen toezicht te houden op aanbieders van trustdiensten en aldus bij te dragen aan de bescherming van de integriteit van de financiële markten in Nederland en het voorkomen van witwassen. De vergunningplicht van de nationale regeling dient ter voldoening aan een eis van Unierecht, te weten de bestrijding van de financiële criminaliteit en het behoud van de integriteit van het financiële stelsel. Het Hof van Justitie heeft meermaals uitgemaakt dat het voorkomen en bestrijden van witwassen een legitieme doelstelling is die een beperking van het vrije dienstenverkeer kan rechtvaardigen. Datzelfde geldt mijns inziens voor de – daarmee samenhangende – bescherming van de integriteit van de financiële markten. 4.46 Dat brengt me bij de vraag of de belemmering evenredig is aan het nagestreefde doel. Daarvoor is in de eerste plaats van belang of de maatregel geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen. Zoals gezegd kan daarvan slechts sprake zijn wanneer de verwezenlijking van de doelstelling daadwerkelijk op coherente en systematische wijze wordt nagestreefd. Naar mijn mening voldoet de bewuste vergunningplicht aan deze eisen. Daarmee kan immers worden voorkomen dat trustdienstverleners ten aanzien waarvan mogelijke integriteitsrisico’s worden gesignaleerd de markt kunnen betreden. De vergunningplicht en de daarmee samenhangende regulering van trustdienstverlening geldt gelijkelijk voor alle trustdienstverleners die op Nederlands grondgebied actief zijn. Doordat DNB een register bijhoudt van de vergunninghoudende trustkantoren (art. 7 Wtt; thans art. 9 Wtt 2018), verschaft dit vergunningenstelsel een overzicht van en inzicht in de trustdienstverlening in Nederland. Dat biedt aanknopingspunten voor toezicht en eventueel handhavend optreden. In de artikelen 2a tot en met 4 Wtt werd geregeld waaraan een vergunningsaanvraag moet voldoen, in welke gevallen een vrijstelling van de vergunningplicht wordt verleend, wanneer DNB een vergunning niet verleent en op welke gronden DNB een verstrekte vergunning kan intrekken. Uit evaluaties blijkt dat DNB het toezicht risicogebaseerd, doelmatig en kostenefficiënt uitvoert en daarbij oog heeft voor een proportionele verhouding tussen toezicht op illegale en vergunninghoudende partijen. Aanwijzingen dat de behandeling van vergunningaanvragen en de handhaving op de naleving van deze vereisten niet op een coherente of systematische wijze zou gebeuren zijn mij aldus niet bekend (geworden). Al met al draagt de vergunningplicht mijns inziens op doeltreffende en coherente wijze bij aan een versterking van de integriteit van de trustsector. Daaraan doet niet af dat – blijkens evaluaties – integriteitsrisico’s blijven bestaan in de trustsector en onverminderd sprake is van illegale trustdienstverlening. Dergelijke risico’s zijn inherent aan de aard van de trustdienstverlening, hetgeen mijns inziens juist de noodzaak van regulering, waaronder een vergunningplicht, onderstreept. 4.47 Tot slot moet worden nagegaan of de maatregel niet verder gaat dan nodig is voor het bereiken van het nagestreefde doel. Allereerst zie ik niet voor me dat het nagestreefde doel met minder verstrekkende maatregelen zou kunnen worden gerealiseerd. Daarnaast zou ik menen dat het vereiste van het aanvragen van een vergunning voor het verlenen van trustdiensten in de kern een weinig belastende maatregel is, zeker bezien in het licht van het doel dat daarmee wordt nagestreefd. Daarbij neem ik in aanmerking dat een vergunning op grond van art. 4 Wtt slechts dan niet werd verleend indien kort gezegd (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.