PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/03733 Zitting 20 juni 2025 CONCLUSIE S.D. Lindenbergh In de zaak 1. Culimer Europe B.V. 2. Culimer Holding B.V. 3. Beijing Culimer Seafood Im- Exporting Co. Ltd. tegen [verweerster] Partijen worden hierna verkort aangeduid als Culimer c.s. respectievelijk [verweerster] . 1Inleiding 1.1 De Culimer-groep houdt zich bezig met de internationale handel in zeevruchten. [verweerster] , die de Chinese taal goed beheerst, is sinds 2006 in dienst van de Culimer-groep (eerst bij Culimer B.V., daarna bij Culimer Europe). Zij voerde (vanuit Nederland) het algemene dagelijkse management van Culimer China en handelde voor die onderneming in garnalen en king crab. 1.2 Omstreeks 2019/2020 hebben Culimer c.s. vernomen dat [verweerster] samen met haar vader het bedrijf Ocean Doyen heeft opgericht, waarmee zij ook handelde in garnalen en king crab. [verweerster] is daarop op staande voet ontslagen. Haar is verweten dat zij klanten van Culimer heeft afgesnoept. In deze procedure gaat het (niet om de arbeidsrechtelijke afwikkeling maar) om de vordering tot schadevergoeding van Culimer c.s., die voor het ene deel ziet op misgelopen marges bij garnalentransacties, en voor het andere deel ziet op misgelopen marges bij king crabtransacties. 1.3 Het hof heeft geoordeeld dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming van [verweerster] en dat [verweerster] gehouden is de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden. Het hof heeft de vordering van Culimer c.s. met betrekking tot misgelopen marges bij garnalentransacties evenwel afgewezen, omdat er geen condicio-sine-qua-non-verband is tussen de tekortkoming van [verweerster] en de schade die Culimer c.s. stellen te hebben geleden. Het hof heeft de stelling van [verweerster] gevolgd dat zij vanaf 2013/2014, na een koerswijziging binnen de Culimer-groep, te maken kreeg met beperkingen in het verkopen van partijen garnalen aan klanten, dat die beperkingen er bij Ocean Doyen niet waren, en dat Culimer China niet handel had kunnen drijven zoals Ocean Doyen handel dreef, omdat de financiële positie van Culimer China dat niet toeliet. Culimer China had in 2014 een schuld van USD 1,3 miljoen op haar balans. 1.4 De vordering tot schadevergoeding verband houdend met misgelopen marges bij king crabtransacties heeft het hof wel toegewezen. [verweerster] is door het hof veroordeeld tot betaling van USD 145.635,- aan Culimer Europe. Het hof heeft geoordeeld, sterk samengevat, dat [verweerster] de stelling van Culimer c.s., dat zij de handel die zij voor Ocean Doyen dreef ook voor Culimer China had kunnen drijven, onvoldoende heeft betwist. 1.5 Culimer c.s. hebben principaal beroep in cassatie ingesteld. Zij bestrijden het oordeel van het hof dat er geen condicio-sine-qua-non-verband is tussen de tekortkoming van [verweerster] en de gestelde schade bestaande uit misgelopen marges bij garnalentransacties. Ook voeren zij aan dat het hof het causaal verband per afgenomen container had moeten onderzoeken. 1.6 [verweerster] heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Zij bestrijdt het oordeel van het hof dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming en ook het oordeel dat zij aansprakelijk is voor de schade van Culimer c.s. bestaande uit misgelopen marges bij king crabtransacties. 2Feiten 2.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. 2.2 De Culimer-groep bestaat uit verschillende vennootschappen die zich onder meer bezighouden met de internationale handel in zeevruchten. 2.3 Culimer Europe stuurt vanuit Nederland de handel centraal aan. [betrokkene 1] is gevolmachtigde van Culimer Europe (ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep is [betrokkene 1] directeur). 2.4 Culimer China is een tussenkantoor van de groep in China. Culimer China koopt voor de Culimer-groep onder meer garnalen in uit Vietnam en zalm en king crab uit Chili. 2.5 Culimer Holding houdt (geheel of ten dele) de aandelen in Culimer Europe en Culimer China. 2.6 Tot 22 juni 2020 werden de aandelen in Culimer China (geheel of ten dele) gehouden door het op 1 oktober 2018 gefailleerde Culimer B.V. Per 22 juni 2020 heeft de curator van Culimer B.V. die aandelen in Culimer China overgedragen aan Culimer Holding. 2.7 Indirect aandeelhouder van Culimer Holding en bestuurder van Culimer China is [betrokkene 2] (ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep is [betrokkene 2] adviseur). 2.8 [verweerster] was sinds 2006 in dienst van een vennootschap van de Culimer-groep, aanvankelijk Culimer B.V. Per 14 november 2018 is [verweerster] in dienst getreden van Culimer Europe. Uit hoofde van deze dienstbetrekking(
(38)en een relatief groot deel daarvan (39,5%) aan één klant is uitgeleverd. Om dezelfde reden kan ik de overweging van het hof in eveneens r.o. 5.18 dat de omstandigheid dat Ocean Doyen ook garnalen leverde aan enkele grote klanten voor de beoordeling van het hoger beroep niet van belang is, niet goed plaatsen. Niet uit te sluiten valt dat, als het hof wel op de stelling van Culimer over 15 van de 38 containers was ingegaan, zijn oordeel over het causale verband (deels) anders zou hebben geluid. Slotsom 4.36 Subonderdeel 3.1 treft doel. In zoverre slaagt het principale cassatieberoep. 5Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel 5.1 Het incidenteel cassatiemiddel houdt vijf met Romeinse cijfers aangeduide onderdelen in, die verder zijn onderverdeeld in sub(sub)onderdelen. Onderdeel I – Over de vraag of aan Culimer Europe een vorderingsrecht toekomt 5.2 Onderdeel I klaagt over de verwerping door het hof van grieven 1 en 7 van [verweerster] , in r.o. 3.1, 5.5, 5.6, 5.41 en 5.43 van het bestreden arrest. Het gaat in die rechtsoverwegingen om de vraag of en in hoeverre aan Culimer Europe een vorderingsrecht toekomt (jegens [verweerster] ). Het onderdeel telt zeven subonderdelen (I.1 tot en met I.7). 5.3 Vooraf merk ik op dat ik uit de subonderdelen afleid dat het onderdeel niet klaagt over r.o. 5.42, waarin het hof heeft overwogen dat voor zover de klacht (bedoeld is grief 7 van [verweerster] ) betrekking heeft op de toewijzing door de kantonrechter van schadevergoeding aan Culimer Europe ter zake van, kort gezegd, garnalen, [verweerster] belang daarbij mist omdat uit ‘het voorgaande’ (bedoeld is r.o. 5.15-5.24) volgt dat het hof zodanige schadevergoeding niet toewijsbaar acht. Het onderdeel kondigt wél een klacht aan tegen r.o. 5.42 (zie immers p. 2 en 3 van het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep), maar in de subonderdelen lees ik daarvan geen uitwerking. 5.4 Wat hiervan het gevolg moet zijn voor onderdeel I, kan echter in het midden blijven, nu het onderdeel faalt om inhoudelijke redenen. Het hof heeft namelijk geoordeeld dat het in deze zaak niet gaat om schade van Culimer B.V. als aandeelhouder van Culimer China, maar om schade geleden door Culimer B.V. op dezelfde wijze als Culimer Europe schade heeft geleden, te weten – hiervoor moet worden teruggegrepen op r.o. 2.10 van het tussenvonnis van de kantonrechter van 24 december 2021 – als partij aan welke de marges toekwamen die Culimer China realiseerde (bedoeld zal zijn: had kunnen realiseren), hetgeen verband hield met de moeilijkheden om geld uit China te krijgen. Ik acht dit oordeel van het hof niet onjuist of onbegrijpelijk. Nu Culimer B.V. op deze wijze schade heeft geleden, doet het er niet toe of Culimer B.V. wel of niet volledig aandeelhouder was van Culimer China. Met de cessie door de curator van Culimer B.V. is ‘gewoon’ 100% van de schadevordering van Culimer B.V. overgedragen aan Culimer Europe. De curator heeft niet meer rechten overgedragen dan hij had. 5.5 De verschillende subonderdelen van het onderdeel zien hieraan ten onrechte voorbij. Van een cirkelredenering of een anderszins onvoldoende begrijpelijke motivering van het hof (subonderdeel I.1) is geen sprake. Het hof hoefde niet in te gaan op stellingen van [verweerster] die erop neerkomen dat de curator meer heeft overgedragen dan hij kon (subonderdeel I.2), omdat die stellingen het onvolledige aandeelhouderschap als uitgangspunt nemen. Dat het hof in r.o. 5.6 van het bestreden arrest aansluiting heeft gezocht bij r.o. 2.10 van het genoemde tussenvonnis getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en duidt er niet op dat het hof de bedoeling van grieven 1 en 7 van [verweerster] verkeerd heeft begrepen. Het is wel degelijk duidelijk wat bedoeld is met “in lijn met het voorgaande” in r.o. 5.6 van het bestreden arrest en r.o. 2.10 van het genoemde vonnis (subonderdeel I.3). Een onjuiste opvatting van het hof ter zake van art. 24, art. 149 en art. 150 Rv, omdat Culimer c.s. niet aan hun stelplicht zouden hebben voldaan c.q. het hof de verdeling van de bewijslast heeft miskend (subonderdeel I.4 en subonderdeel I.6), zie ik niet. Waarom essentieel zou zijn dat Culimer € 2.500,-- heeft betaald aan de curator (idem, subonderdeel I.4), begrijp ik niet. Het ten onrechte achterwege zijn gebleven van een inhoudelijke behandeling van grieven 1 en 7 (subonderdeel I.5) zie ik evenmin. Op het beroep van (de advocaat van) [verweerster] op de domeinleer (subonderdeel I.6) hoefde het hof niet in te gaan. Subonderdeel I.7 behelst een voortbouwklacht die faalt omdat alle eerdere klachten falen. Onderdeel II – Toerekenbare tekortkoming of niet 5.6 Onderdeel II is gericht tegen r.o. 5.8 tot en met 5.11 van het bestreden arrest. Het onderdeel bestaat uit subonderdelen II.1 tot en met II.5 en kent nog verdere onderverdelingen. 5.7 Het onderdeel voert aan, samengevat, dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 236 Rv, dat art. 7:611 BW de arbeidsrechtelijke vertaling is van art. 6:2 en art. 6:248 BW, dat art. 7:611 moet worden ingekleurd door aanknoping bij het Vesta-criterium, dat art. 7:661 BW toepassing vindt, óók voor zover de vordering van Culimer c.s. is gebaseerd op art. 6:162 BW, en dat dit meebrengt dat [verweerster] alleen in het geval van opzet of bewuste roekeloosheid aansprakelijk is, dat het hof heeft miskend dat wat van [verweerster] in het kader van art. 7:611 BW mocht worden verwacht, wordt ingekleurd door de omstandigheden van het geval, dat [verweerster] heeft gesteld dat zij niet anders kon – zij heeft gesteld juist ten faveure van Culimer China te hebben gehandeld nadat [betrokkene 2] haar in een lastige positie had gebracht – en haar dus geen persoonlijk verwijt valt te maken en dat [verweerster] daarmee een beroep heeft gedaan op een rechtvaardigingsgrond als bedoeld in art. 6:162 lid 2 BW. 5.8 Het onderdeel verwijst in dit verband uitvoerig naar vindplaatsen in de processtukken waaruit volgens het onderdeel afgeleid moet worden dat [verweerster] (gesteld heeft dat zij) zich juist als een goed werknemer heeft gedragen. 5.9 Verder bestrijdt het onderdeel het oordeel van het hof dat [verweerster] geen beroep toekomt op art. 6:75 BW. Het hof zou hebben miskend dat een aansprakelijkheidsvordering jegens een concern, uit hoofde van een arbeidsovereenkomst, ook indien een vordering jegens een werknemer is gebaseerd op artikel 6:162 BW, wordt ‘ingekleurd’ met de maatstaf van artikel 7:661 BW. 5.10 Het onderdeel faalt. 5.11 In het midden kan blijven of het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 236 lid 1 Rv. Immers, wat de rechtsverhouding tussen [verweerster] en Culimer Europe betreft – in r.o. 5.8 heeft het hof zich uitgelaten over de rechtsverhouding tussen [verweerster] en Culimer Europe en (vervolgens) over de rechtsverhouding tussen [verweerster] en Culimer B.V. –, is het hof niet alleen uitgegaan van het gezag van gewijsde (ex art. 236 Rv) van de beschikking van de kantonrechter van 30 april 2021 (in de arbeidsrechtelijke zaak), maar heeft het hof óók bepaalde materiële argumenten (taak van [verweerster] als goed werkneemster, zelfde werkterrein, verzwijging, Ocean Doyen was een grote klant) aan zijn oordeel ten grondslag gelegd, dat wil zeggen los van het (meer formele argument van het) gezag van gewijsde van die beschikking. Dit laatste blijkt uit de frases “Deze verweren stuiten (…) reeds af (…)” en “Ook in de verhouding tussen Culimer B.V. en [verweerster] gold dat, zoals de kantonrechter in de arbeidszaak ten aanzien van Culimer Europe heeft overwogen (…)” in r.o. 5.8. Zoals hierna zal blijken, houdt dit met materiële argumenten onderbouwde oordeel van het hof stand. 5.12 Het beroep van [verweerster] op het ‘Vesta-criterium’ gaat niet op. Begrijp ik het goed, dan is de stelling dat uit HR 9 december 1955, ECLI:NL:HR:1955:47, NJ 1956/157 m.nt. L.E.H. Rutten (B/Vesta) volgt dat het een werknemer, bij gebrek aan een concurrentie- en relatiebeding in de arbeidsovereenkomst, vrijstaat om met de werkgever te concurreren of nevenwerkzaamheden te verrichten, en dat dit pas anders is indien er sprake is van het stelselmatig en substantieel afbreken van het duurzame bedrijfsdebiet. 5.13 Dit criterium volgt echter niet uit het B/Vesta-arrest. Ik wijs in dit verband op de conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:1396) van A-G De Bock voor HR 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:264 (art. 81 lid 1 RO). In randnummer 4.17 merkt zij terecht op: “Tussenconclusie 4.17 Uit het voorgaande volgt dat in de praktijk een vordering tot onrechtmatige werknemersconcurrentie wordt gebaseerd op art. 6:162 BW. Algemeen aanvaard lijkt te zijn dat het enkel concurreren niet zonder meer een onrechtmatige daad oplevert. Daarover zijn bijkomende omstandigheden nodig. Veelal wordt dit uitgangspunt nader ingevuld aan de hand van het […] /Vesta-criterium: sprake moet zijn van (
- i)het stelselmatig afbreken van (
- ii)het duurzame debiet van de voormalig werkgever dat de werknemer in het kader van de arbeidsovereenkomst heeft helpen opbouwen, (iii) met de hulpmiddelen die de werknemer daartoe vertrouwelijk van zijn voormalige werkgever ter beschikking kreeg (zie onder 4.5). Dit criterium volgt echter in het geheel niet uit het arrest […] /Vesta. Uit dit arrest kan slechts worden afgeleid dat ook zonder concurrentiebeding sprake kan zijn van onrechtmatige handelingen jegens een voormalig werkgever wegens strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van art. 6:162 lid 2 BW, en dat daarvoor niet is vereist dat de desbetreffende handelingen ook onrechtmatig zijn als wordt geabstraheerd van de vroegere arbeidsovereenkomst.” [cursivering A-G (Lindenbergh)] Ik voeg daaraan nog toe dat de problematiek waarmee het B/Vesta-arrest pleegt te worden geassocieerd betrekking heeft op handelen van een (ex)werknemer nadat deze uit dienst is getreden van de onderneming ten aanzien waarvan hij vervolgens concurrerende activiteiten ontplooit, terwijl het in de onderhavige zaak gaat om een verwijt ten aanzien van activiteiten die door de werkneemster tijdens haar dienstverband werden ontplooid. Voor de toe te passen maatstaf lijkt mij dat een relevant verschil: ik zou menen dat goed werknemerschap meebrengt dat een werknemer met een commerciële functie tijdens zijn dienstverband nu juist in beginsel niet voor eigen rekening met zijn werkgever concurrerende activiteiten mag ontplooien. Het hof heeft in het bestreden arrest de vordering van Culimer c.s. overigens ook niet (beoordeeld
- en)toegewezen op grond van art. 6:162 BW, maar (enkel) op grond van tekortschieten in de nakoming van de krachtens de arbeidsovereenkomst(
- en)op [verweerster] rustende verplichtingen. 5.14 Het beroep van de cassatieadvocaat van [verweerster] op (inkleuring van enige wetsbepaling door) art. 7:661 BW gaat evenmin op. Deze bepaling ziet op het geval waarin een werknemer bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst schade berokkent aan zijn werkgever of een derde. In het onderhavige geval gaat het niet om schade toegebracht bij de uitvoering van de overeengekomen werkzaamheden. De werkzaamheden die [verweerster] voor Ocean Doyen heeft verricht en waaruit volgens Culimer c.s. schade is ontstaan, waren nu juist niet overeengekomen met Culimer c.s. 5.15 Ik wijs in dit verband op r.o. 6.5 van het tussenvonnis van de rechtbank van 15 oktober 2021 (Rb. Rotterdam 15 oktober 2021, zaaknummer 9252201, ECLI:NL:RBROT:2021:10316): “De ratio van dit artikel is gelegen in de beschermingsgedachte die mede aan het arbeidsrecht ten grondslag ligt. Het artikel is een specialis ten opzichte van de artikelen 7:611 en 6:162 BW. Bij schade, toegebracht bij de uitvoering van de werkzaamheden is de norm van 7:661 BW leidend, ongeacht de grondslag waarop de werkgever zich baseert. De vraag is nu allereerst of het handelen dat Culimer c. [verweerster] verwijten valt onder het begrip “bij de uitvoering van de overeenkomst”. Culimer c.s. betwijfelen dat (akte van 16 september 2021, randnummers 66 en 67) en [verweerster] is daarover stellig: volgens haar is dat niet het geval (antwoordakte van diezelfde datum, randnummers 48 en 49). De kantonrechter beantwoordt deze vraag negatief. [verweerster] is als manager van het bedrijf waarvan zij voor de helft de aandelen bezat, Ocean Doyen, commercieel actief geweest binnen dezelfde markt als waarin Culimer China opereert. Die activiteiten kunnen niet geacht worden te horen bij de uitvoering van haar arbeidsovereenkomst met Culimer Europe. Artikel 7:661 BW mist in dit geval dus toepassing.” [verweerster] heeft in hoger beroep geen grief gericht tegen dit expliciete oordeel van de rechtbank aangaande art. 7:661 BW. De cassatieadvocaat van Culimer wijst hier terecht op in randnummer 27 van zijn schriftelijke toelichting. 5.16 De klachten dat het hof heeft miskend dat wat van [verweerster] in het kader van art. 7:611 BW mocht worden verwacht, wordt ingekleurd door de omstandigheden van het geval, en dat [verweerster] heeft gesteld dat zij niet anders kon en haar dus geen persoonlijk verwijt valt te maken, falen eveneens. Het hof heeft blijkens de tekst van r.o. 5.8 juist wel oog gehad voor de omstandigheden van het geval en in zijn oordeel dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming ligt besloten dat [verweerster] een verwijt valt te maken. Ik acht het oordeel van het hof geenszins onbegrijpelijk: [verweerster] heeft gedurende de looptijd van de arbeidsovereenkomst handel gedreven met een door haar en haar vader opgerichte onderneming op exact hetzelfde handelsterrein als haar werkgever en zij heeft dit jarenlang voor haar werkgever verborgen gehouden. Het profiteren van het bedrijfsdebiet van een concurrent is niet zonder meer onrechtmatig. Daarvoor zijn bijzondere omstandigheden vereist, maar het hof heeft mijns inziens in deze zaak op goede gronden geoordeeld dat het handelen van [verweerster] in het kader van de op grond van de arbeidsovereenkomst(
- en)op haar rustende verplichtingen ongeoorloofd was. Met name de gedurende het bestaan van het dienstverband jarenlange verzwijging door [verweerster] van haar belang in Ocean Doyen, acht ik in dit verband van betekenis. 5.17 Niet onbegrijpelijk is ten slotte dat het hof in r.o. 5.9 de stelling van [verweerster] dat zij aldus handelde om Culimer China levensvatbaar te houden, heeft verworpen. Inderdaad komt [verweerster] geen beroep toe op art. 6:75 BW, nu niet valt in te zien welke vorm van overmacht [verweerster] tot verzwijging van de oprichting van en het concurrerend handelen via Ocean Doyen noopte, nog daargelaten dat Ocean Doyen winst heeft gemaakt. Ik wijs in dit verband op r.o. 5.11, waarin het hof heeft overwogen dat [verweerster] met Ocean Doyen marges heeft verdiend. 5.18 Subonderdelen II.4 en II.5 behelzen voortbouwklachten, die falen omdat de voorafgaande klachten falen. Onderdeel III – Condicio-sine-qua-non -verband mislopen orders king crab 5.19 Onderdeel III is gericht tegen r.o. 5.25-5.40, waarin het hof is ingegaan op de stelling van Culimer c.s. dat [verweerster] voor klanten van Ocean Doyen king crab bestelde buiten Culimer China om, welke orders Culimer China dus misliep. Het hof heeft een bedrag van USD 145.635,-- aan schadevergoeding toegewezen. Het onderdeel bestaat uit vier subonderdelen (III.1 tot en met III.4). 5.20 Subonderdeel III.1 voert aan dat het hof heeft miskend dat [verweerster] met grief 3 en grief 5 het causale verband ter discussie heeft gesteld tussen de tekortkoming en alle schade, daaronder de schade geleden door het mislopen van orders king crab, Volgens het subonderdeel heeft het hof het verweer van [verweerster] ter zake het condicio-sine-qua-non-verband onbesproken gelaten. 5.21 Het subonderdeel faalt. Het hof heeft zich in r.o. 5.27 wel degelijk uitgesproken over de stelling van [verweerster] dat het aan causaliteit ontbreekt. Het hof heeft daar immers overwogen dat [verweerster] niet gemotiveerd heeft gesteld en onderbouwd dat leverancier Danilo Jordan (de leverancier van Culimer China) de king crab (die [verweerster] bij Isla del Rey bestelde) niet had kunnen beleveren. Hierbij heeft het hof erop gewezen dat (volgens [verweerster] ) Culimer China een afspraak had gemaakt met Danilo Jordan over vooruitbetaling (inhoudende dat Culimer niet vooruit hoefde te betalen, zie r.o. 5.26). Het hof heeft hiermee bedoeld dat de financiële toestand van Culimer China geen belemmering vormde. Daarin ligt een voldoende begrijpelijke verwerping besloten van het verweer van [verweerster] met betrekking tot (het ontbreken van) causaliteit. 5.22 Subonderdeel III.2 voert aan dat er in cassatie van moet worden uitgegaan dat Culimer China in financieel opzicht zieltogend was en zelf niet kon voorfinancieren en dat een klant die king crab bestelde bij Isla del Rey op twee problemen zou stuiten: er moet vooraf betaald worden en Isla del Rey levert alleen maar onder eigen merk. Volgens het subonderdeel lag het dus op de weg van Culimer c.s. om te stellen en bij betwisting te bewijzen dat zij daadwerkelijk transacties king crab hebben gemist en dat die anders inderdaad door Culimer China zouden zijn uitgevoerd. Het hof zou dat hebben miskend. 5.23 Het subonderdeel faalt. Het gaat uit van een verkeerde lezing van r.o. 5.27, waarin het hof heeft overwogen dat volgens [verweerster] Culimer China een afspraak had gemaakt met Danilo Jordan over vooruitbetaling (“met wie Culimer China volgens [verweerster] een afspraak had gemaakt over vooruitbetaling”). In cassatie moet er dus niet van worden uitgegaan dat Culimer China bestellingen king crab niet kon voorfinancieren. Bovendien is het hof in r.o. 5.27 ingegaan op de stelling van [verweerster] dat bij Isla del Rey alleen king crab onder de merknaam King’s Island kon worden besteld. Het hof heeft overwogen niet in te zien waarom het van belang zou zijn van welke leverancier Culimer China de king crab zou betrekken en onder welke merknaam zij deze vervolgens zou verkopen. Deze overweging is niet onbegrijpelijk. 5.24 Subonderdeel III.3 houdt in de kern de klacht in dat het hof in r.o. 5.29 tot en met 5.33 de juiste verdeling van de stelplicht en de bewijslast heeft miskend. Het subonderdeel voert aan dat in cassatie vaststaat dat Beijing Beishui een Chinese staatsvennootschap is en dat [verweerster] hiervoor bemiddelde om ‘in een goed blaadje’ te komen. Volgens het subonderdeel hebben Culimer c.s. niet bewezen dat Culimer China dit in plaats van Beijing Beishui had kunnen verzorgen en al helemaal niet dat zij daarover enige marge had kunnen berekenen. Het enkele feit dat Ocean Doyen aanvankelijk als ‘Buyer’ is aangemerkt, maakt nog niet dat zij dat ook uiteindelijk is en dat zij daar ‘tussen’ heeft gezeten en evenmin dat in plaats daarvan Culimer China daarop marges had kunnen maken en die dus nu heeft misgelopen. Het hof zou dan ook in r.o. 5.33 ten onrechte hebben overwogen dat [verweerster] geen, althans onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid dat Ocean Doyen geen financieel voordeel heeft genoten als gevolg van genoemde transacties. Daarmee zou het hof het bewijsrisico ten onrechte bij [verweerster] hebben gelegd. Het subonderdeel verwijt het hof een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van art. 149 Rv. In elk geval zou het subonderdeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk zijn. 5.25 Het subonderdeel faalt. Het hof heeft in r.o. 5.29 tot en met 5.33 overwogen dat Culimer c.s. uiteen hebben gezet, met een beroep op producties 35 en 36, dat sprake is geweest van vijf transacties king crab (waarvan één belangeloos voor Beijing Beishui) en dat [verweerster] op transacties 2, 3, 4 en 5 een winst heeft gemaakt van telkens USD 23.000,--, (dus in totaal USD 92.000,--) (r.o. 5.29), dat Culimer c.s. enkel hebben erkend dat transactie 1 belangeloos heeft plaatsgevonden voor Beijing Beishui (r.o. 5.31) en dat [verweerster] weliswaar met een beroep op door haar in de procedure gebrachte facturen heeft aangevoerd dat Beijing Beishui de consignee was, maar dat dit een onvoldoende gemotiveerde bestrijding van de stellingen van Culimer c.s. oplevert (r.o. 5.32 en r.o. 5.33, eerste zin). Het hof heeft vervolgens in r.o. 5.33 overwogen waarom van een onvoldoende gemotiveerde bestrijding sprake is: - [verweerster] is onvoldoende gemotiveerd ingegaan op de stelling van Culimer c.s. in hun akte ter comparitie dat een container (met betrekking tot factuurnummer 4033) aanvankelijk werd aangekocht door Ocean Doyen, maar [verweerster] de transactie later (naar het hof begrijpt: na doorverkoop) omzette in een aankoop door Beijing Beishui; - deze stelling van Culimer c.s. dat [verweerster] de transactie later omzette, vindt steun in de mailwisseling die deel uitmaakt van productie 35; - ook productie 36 van Culimer c.s. bevat een Purchase Order Confirmation waarop Ocean Doyen als buyer is vermeld; - ook bevat deze productie een bevestiging aan [verweerster] van de ontvangst van een vooruitbetaling. - daarom overtuigt het verweer van [verweerster] , dat zij slechts cc was opgenomen in de mailwisseling met betrekking tot ‘3 opvolgende transacties’ om haar betrokkenheid bij de totstandkoming van het contact te blijven benadrukken, niet. Ik zie hierin geen miskenning van de verdeling van de bewijslast. Het hof heeft geoordeeld dat [verweerster] bepaalde stellingen van Culimer c.s. onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Dat oordeel levert geen miskenning van de verdeling van de bewijslast op. Het is evenmin onbegrijpelijk. Het subonderdeel gaat niet in op de argumenten van het hof met betrekking tot hetgeen uit producties 35 en 36 volgt en faalt ook daarom. 5.26 Subonderdeel III.4 behelst een voortbouwklacht gericht tegen r.o. 5.34 tot en met 5.40, die faalt, nu geen van de klachten van de eerdere subonderdelen slaagt. Onderdeel IV – Eigen schuld (art. 6:101 BW) 5.27 Onderdeel IV voert aan dat [verweerster] een beroep heeft gedaan op eigen schuld (art. 6:101 BW) en dat het hof heeft verzuimd daarop in te gaan. Het onderdeel verwijst naar randnummer 7 van de memorie van antwoord in incidenteel appel en naar randnummer 10 (bedoeld zal zijn randnummer 11) van de pleitnota van de advocaat van [verweerster] (in hoger beroep). 5.28 In randnummer 7 van de memorie van antwoord in incidenteel appel staat het volgende: “Culimer c.s. betogen in punt 99 van hun memorie ook dat Culimer c.s. al sinds 1995 actief waren in China en dat [verweerster] ook niet de eerste werkneemster was in China of dat Culimer China speciaal voor haar was opgericht. Al haar kennis en contacten inzake de vishandel zijn door haar opgedaan bij Culimer c.s., stellen Culimer c.s. Echter, juist indien daarvan wordt uitgegaan, moet ook worden vastgesteld dat niet aannemelijk is geworden, laat staan door Culimer c.s. is aangetoond, dat Ocean Doyen kansen heeft gegrepen die Culimer China niet kende en anders had willen grijpen. Immers, juist doordat Culimer c.s. zelf ook stellen alle kennis en contacten in de markt te hebben, waren Culimer c.s. bekend met de mogelijkheden om garnalen te leveren aan de contractspartijen aan wie Ocean Doyen garnalen en krab heeft geleverd. Culimer c.s. hebben derhalve bewust die kansen niet willen benutten. Om die reden is er geen sprake van een gemiste kans en derhalve geen kansschade. Subsidiair is er sprake van eigen schuld als bedoeld in artikel 6 : 101 B.W. omdat Culimer c.s. diezelfde kansen hadden kunnen benutten, maar dat niet hebben gedaan.” 5.29 In randnummer 11 van de pleitnota staat het volgende: “Nu Culimer ook nog uitdrukkelijk heeft betoogd dat zij alle kennis in huis had die [verweerster] had, sterker nog, [verweerster] die kennis had verkregen van Culimer, is ook evident dat Culimer zich bewust was van de mogelijkheid om te handelen zoals Ocean Doyen deed, maar daar bewust van af heeft gezien. Dit wederom ongetwijfeld vanwege de slechte financiële situatie bij het hele concern, dat ook leidde tot het faillissement in 2018. Om die reden is er dan ook sprake van het bewust niet willen nemen van een kans en daarmee eigen schuld. Dit zoals ook betoogd in punt 7 van de memorie van antwoord in incidenteel appel.” 5.30 [verweerster] heeft aldus nadrukkelijk een beroep gedaan op eigen schuld (art. 6:101 BW). Uit de context van randnummer 7 en randnummer 11 is echter af te leiden dat het beroep op eigen schuld enkel ziet op de ‘garnalenvordering’ van Culimer c.s. Ik wijs op randnummer 8 e.v. van de memorie van antwoord in incidenteel appel en op randnummer 10 van de pleitnota. In die randnummers gaat het over de garnalenvordering. 5.31 Het hof heeft de ‘garnalenvordering’ van Culimer c.s. verworpen en hoefde dus niet in te gaan op het beroep op eigen schuld. De klacht faalt daarom. 5.32 Zou een verwijzingshof ten aanzien van de garnalenvordering van Culimer c.s. tot een ander causaliteitsoordeel komen, dan zal dit verwijzingshof alsnog het beroep van [verweerster] op eigen schuld moeten beoordelen. Onderdeel V - Voortbouwklacht 5.33 Onderdeel V houdt in dat als één of meer van de voorgaande klachten van [verweerster] slagen, ook r.o. 5.44 tot en met 6 (het dictum) niet in stand kunnen blijven. 5.34 Deze voortbouwklacht behoeft geen bespreking nu geen van de eerdere klachten van [verweerster] slaagt. Slotsom 5.35 Subonderdeel 3.1 treft doel en (slechts) in zoverre slaagt het principale cassatieberoep. Een verwijzingshof zal alsnog moeten oordelen over de stelling van Culimer c.s. dat 15 van de 38 containers door Ocean Doyen aan één klant zijn uitgeleverd. 5.36 Het incidentele cassatieberoep faalt, maar het verwijzingshof (als het daarvan komt), zal nog moeten oordelen over het beroep van [verweerster] op eigen schuld. 6Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwerping van het incidenteel cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Zie r.o. 3.3 tot en 3.9 van het bestreden arrest (Hof Den Haag 9 juli 2024, zaaknummer 200.311.508/01, ECLI:NL:GHDHA:2024:1116). Het bestreden arrest is uitgesproken in het hoger beroep van: Rb. Rotterdam 12 mei 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:4588; Rb. Rotterdam 21 juni 2021, zaaknummer 9252201\ CV EXPL 21-1889 (niet gepubliceerd); Rb. Rotterdam 15 oktober 2021, zaaknummer 9252201, ECLI:NL:RBROT:2021:10316; Rb. Rotterdam 24 december 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:13127, Rb. Rotterdam 18 maart 2022, zaaknummer:925220 1\ CV EXPL 21-18892 (niet gepubliceerd). Productie 2 bij de memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, zijdens Culimer c.s. (nr. 33 in het cassatieprocesdossier). De beschikking is voor zover ik heb kunnen nagaan niet gepubliceerd. Het hof schrijft kennelijk abusievelijk € 65.000. Het subsubonderdeel verwijst naar p. 5 van het proces-verbaal van het hof van 12 maart 2024 (tweede liggend streepje na ‘ [betrokkene 1] reageert’) en naar p. 2, 5e alinea van het proces-verbaal van de kantonrechter van 16 september 2021. Het subsubonderdeel verwijst daartoe naar randnummer 19 van de pleitaantekeningen van Culimer in hoger beroep. Zie ook randnummer 47 van de memorie van grieven van [verweerster] : “(…) Naar de mening van [verweerster] is de kantonrechter ten onrechte voorbijgegaan aan hetgeen Culimer in randnummer 13 van haar pleitnotities van 12 januari 2021 had staan, te weten dat Culimer China al lange tijd geen eigen voorraden meer aanhield en haar klanten rechtstreeks en vooruit betalen aan de leverancier.” Hier heeft het hof de stellingen van [verweerster] bij randnummer 23 van haar memorie van grieven gevolgd. Daar staat immers het volgende: “Dat Culimer China daadwerkelijk voorafgaand aan de indiensttreding van [verweerster] was gestopt met het voorfinancieren van containers kan ook blijken uit de bevindingen van de financieel expert die [verweerster] heeft ingeschakeld en die in het navolgende nog zal worden genoemd, met overlegging van diens rapport omtrent de gestelde schade. Immers, daaruit blijkt dat er tussen 8 november 2013 en 5 juli 2014 geen transacties door Culimer Vietnam met de Chinese partijen, waaronder Culimer China, werden verricht. Dat is precies ook de periode waarin [betrokkene 2] had besloten dat er geen geld meer in Culimer China kon en zou worden gepompt om voor te financieren. (…).” Zie p. 5 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof gehouden op 12 maart 2024: “Wat de stelling ‘bij Culimer 100% vooruitbetalen’ betreft: we hebben al contracten van Ocean Doyen laten zien: 30% vooruitbetalen en de rest als de container binnen is. Dat komt ook neer op vooruitbetalen.” Zie randnummer 22 van de memorie van grieven. Het subsubonderdeel verwijst naar paragraaf 5 van productie 13 van Culimer c.s. in hoger beroep. Het gaat om nr. 35 in het cassatieprocesdossier. Nr. 35 cassatieprocesdossier. Deze bepaling luidt als volgt: ‘Beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, hebben in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht.’ Zie over dit arrest onder meer F.B.J. Grapperhaus, Werknemersconcurrentie. Beperkingen aan concurrerende activiteiten van de ex-werknemer ten opzichte van zijn voormalig werkgever, diss. Amsterdam (UvA), Deventer: Kluwer 1995, p. 132-133 en P.S. Bakker, ‘Postcontractuele redelijkheid en billijkheid’, NTBR 2023/47, par. 5.1. Zie p. 10 van het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep. Van eenzelfde standpunt met betrekking tot hetgeen uit het B/Vesta-arrest zou volgen, gaan uit Rb. Zeeland-West-Brabant (ktr.) 8 februari 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:1089, r.o. 4.1 en Rb. Overijssel (k.g.) 30 april 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:1519, r.o. 4.7. Asser/Heerma van Voss 7-V 2020/285, W.H.A.C.M. Bouwens, M.S. Houwerzijl, W.L. Roozendaal &, Schets van het Nederlandse arbeidsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, par. 3.4.6.2 en W.H.A.C.M. Bouwens & D.M.A. Bij de Vaate, Arbeidsovereenkomstenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 17.4.1. Zie HR 16 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2886, NJ 1999/548, m.nt. P.A. Stein ([…]/PRC), r.o. 3.6. Zie ook randnummer 3.21 e.v. van de conclusie (ECLI:NL:PHR:2021:1170) van A-G De Bock voor HR 25 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:448 (art. 81 RO). Zie randnummers 4.18 en 4.3 van de conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:1396) van A-G De Bock voor HR 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:264 (art. 81 lid 1 RO) Zie randnummer 27 van de memorie van grieven van [verweerster] : “De reden dat met deze leverancier zaken werd gedaan was gelegen in het feit dat Culimer China met die leverancier had kunnen bedingen dat Culimer niet vooruit behoefte te betalen aan de fabriek. Voorzover [verweerster] bekend is had dit ook te maken met het feit dat Danilo Jordan ook een zakelijke relatie had of had gehad met de vader van [betrokkene 2] .” Nr. 13 cassatieprocesdossier. Zie aldaar de Akte ter comparitie tevens houdende indienen producties en wijziging (grondslagen) eis, p. 12. Nr. 37 cassatieprocesdossier.