PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/01262 Zitting 1 juli 2025 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, hierna: de verdachte De verdachte is bij arrest van 29 maart 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens
(004). Hierop staat de volgende omschrijving: “Bij verdachte werden diverse baken en dozen met planten aangetroffen. Het bleek hier om hennepplanten te gaan. Door verdachte en zijn verdediging wordt aangevoerd dat het hier enkel gaat om rassen die nauwelijks THC bevatten. Deze rassen zouden vallen onder de uitzondering van rassen die gekweekt mogen worden voor onder meer vezelproductie.” (…) Conclusie (...) Wel is vastgesteld dat het DNA van de deelmonsters en bemonsteringen [AALT0206NL], [AAEJ1951NL], [AALE4408NL] en [AALE4409NL] codeert voor het ‘vezel-type’ van Cannabis. 11 Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut ‘Vervolg onderzoek aan materiaal van hennepplanten in beslag genomen in [plaats] op 21 april 2019 ( het hof begrijpt: 2017 )’ d.d. 20 mei 2020, aanvraagnummer 005 en 006, opgemaakt door de NFI-deskundige dr. [deskundige] , voor zover inhoudende als relaas van rapporteur: (…) Zaaksgegevens Parketnummer: 01/860193-18, 01/860194-18 Verdachten: [verdachte] , [medeverdachte] (…) In aanvraag 005 zijn 99 uniek gecodeerde gripzakjes met daarin botanisch materiaal aangeleverd. In aanvraag 006 zijn 82 uniek gecodeerde gripzakjes met daarin botanisch materiaal aangeleverd. Op het aanvraagformulier staat de volgende omschrijving: Bij verdachte werden diverse bakken en dozen met planten aangetroffen. Het bleek hier om hennepplanten te gaan. Door verdachte en zijn verdediging wordt aangevoerd dat het hier enkel gaat om rassen die nauwelijks THC bevatten. Eerder werden al vier bemonsteringen aangeboden voor eenzelfde onderzoek. De rechtbank wil echter dat alle inbeslaggenomen plantenresten worden gedetermineerd. Deze plantenresten bevonden zich in 64 bakjes en 4 dozen. In de bakjes werden meerdere verschillende plantenresten aangetroffen waardoor een veelvoud aan bemonsteringen is ontstaan. (…) Tabel 1 Overzicht te onderzoeken materiaal (aangeleverd in aanvraag 005) SIN Omschrijving FO Resultaten onderzoek NFI Beschrijving NFI plant type (…) AAMG7779NL 3,9 gram plantmateriaal Gedroogde stengels met Cannabis drugs uit doos 4 aangehechte wortels (…) AAMG7783NL 5.2 gram plantmateriaal Groene gedroogde bloeiwijze Cannabis drugs uit bakje “rek 4 bak 12” met zaden (…) AAMG7806NL 3.3 gram plantmateriaal Groene gedroogde bloeiwijze Cannabis drugs uit bakje “rek 3 bak 5” met zaden (…) AAMG7810NL 4 gram plantmateriaal Groene gedroogde Cannabis drugs uit bakje “rek 3 bak 10” bladfragmenten (…) AAEI11843NL 0,7 gram plantmateriaal Groene gedroogde Cannabis drugs uit bakje “rek 1 bak 18” bladfragmenten met zaden (…) AAEI1802NL 3,5 gram plantmateriaal Groene gedroogde Cannabis drugs uit bakje “rek 3 bak 21” bladfragmenten (…) AAMG1368NL 0,88 gram planten- Groene gedroogde stengels Cannabis drugs materiaal uit met enkele draadkool 3: r4-18 bloemfragmenten (…) AAMG1359NL 0,15 gram planten- Groene gedroogde Cannabis drugs materiaal uit bladfragmenten draadkool 3: r4-19 (…) AAMY0423NL 1,4 gram planten- Groene gedroogde Cannabis drugs materiaal uit bloeiwijze met zaden draadkool 5: r3-6 Tabel 2 Overzicht te onderzoeken materiaal (aangeleverd in aanvraag 006) SIN Omschrijving FO Resultaten onderzoek NFI Beschrijving NFI plant type AAMG1355NL 2,5 gram planten- Groene gedroogde Cannabis drugs materiaal uit bladfragmenten met zaden draadkool 3: r3-4a (…) AAMG1373NL 2,35 gram planten- Groene gedroogde Cannabis drugs materiaal uit bladfragmenten met zaden draadkool 3: zak 1 (…) AAJJ5516NL 1,88 gram planten- Groene gedroogde Cannabis drugs materiaal uit bloeiwijze met zaden draadkool 3: zak 2 (…) AAMY1735NL 3,5 gram planten- Drie zakjes met in ieder Cannabis drugs materiaal uit groene gedroogde draadkool 3: rek 2-9 bladfragmenten met zaden (…) AAMY0364NL 0,48 gram planten- Groene gedroogde Cannabis drugs materiaal uit bladfragmenten met zaden draadkool 5: r4-21 (…) AAMY0386NL 0,14 gram planten- Groene gedroogde Cannabis drugs materiaal uit bladfragmenten met zaden draadkool 5: r3-20 (…) AAMY0389NL 1,51 gram planten- Groene gedroogde Cannabis drugs materiaal uit bladfragmenten met zaden draadkool 5: r3-8 (…) AAJJ5518NL 5,89 gram planten- Groene gedroogde Cannabis drugs materiaal uit bloeiwijze met zaden draadkool 5: r4-23c (…) 7 Conclusie (...) Er is vastgesteld dat het DNA van 142 deelmonsters codeert voor het ‘vezel-type’ van Cannabis. (...) Tevens is vastgesteld dat het DNA van twintig deelmonsters codeert voor het ‘drugs-type’ van Cannabis. 12 Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 27 november 2020, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte] : Wij leveren aan zorginstellingen en er zijn artsen en specialisten uit ziekenhuizen die goedkeuren dat hun cliënten onze producten gebruiken. Ik monitor daarbij hoe het gaat met cliënten terwijl ze ondertussen ook reguliere zorg krijgen.
- Een schriftelijk bescheid, te weten een door de verdediging in hoger beroep ingebracht document “Uitwerking gesprek 02-09-2017 tussen [verdachte] , [medeverdachte] en [verbalisant 5] Team Recherche […] , geluidsopname nr. 018 (ophalen spullen op het politiebureau [plaats] )’ voor zover inhoudende als opmerkingen van ‘ [verdachte] ’ (het hof begrijpt: [verdachte] ): [verdachte] : De artsen kijken mee wat gebeurt er aan veranderingen, doen wij ook. Wij stemmen zelfs af op medicijnen. Dus mensen krijgen een persoonlijk 1 op 1 iets. In een keer waren wij de communicatie kwijt, dus een arts belt mij op en die zegt wat gaan we doen. Wij houden de zaakjes goed op orde. Zelfs het [ziekenhuis] (het hof begrijpt: het [ziekenhuis] ) stuurt mensen naar ons toe. Spanje is wat dat betreft een sample dat ons toe is gestuurd he. Ik zocht een andere grondstof bij de grondstof die ik al ter beschikking had. De gemeente is eigenlijk vanaf het moment dat ik voor patiënten op ging staan met het project ‘Gratis blowen’ tegen mij geweest. Want ik zou de verkeerde intenties hebben growshop bla bla bla. Nou ik ben een wietkweker al heel mijn leven. Ik kweek al 35 jaar bekant wiet. Daar ben ik mee opgegroeid. Alleen hebben wij keuzes gemaakt om voor patiënten op te gaan staan en op te komen vooral. 14 De foto, (..) (het hof begrijpt: een foto van een van de dozen uit Spanje): Het hof neemt op de foto’s een groot etiket op een doos waar met als opschrift “Cañamo industrial’ (het hof begrijpt: een groot etiket op de dozen uit Spanje, waarbij de tekst “Cañamo industrial’ in het Nederlands betekent industriële hennep) 15 De foto, (…) (het hof begrijpt: een foto van een van de dozen uit Spanje): Het hof neemt op de foto een groot etiket waar met als opschrift: [C] , [plaats] Spain’ en ‘Ship to: [B] , [a-straat 1] [plaats] , Netherlands’. 16 De foto, (…) (het hof begrijpt: foto’s van de vier dozen uit Spanje): Het hof neemt op de foto’s waar een viertal dozen met daarin takken met bladeren. 17 De foto’s, (…) (het hof begrijpt: foto’s van op 21 april 2017 bij het bedrijf van verdachte en zijn medeverdachte aangetroffen en inbeslaggenomen materiaal): Het hof neemt op de foto’s op pagina 148 waar een grote hoeveelheid doorzichtige plastic bakken met inhoud. Verder neemt het hof op de foto’s op dossierpagina’s 149 tot en met 154 waar dat in de op die foto’s weergegeven bakken onder meer takken, bladeren en andere plantdelen te zien zijn.’
- Met betrekking tot de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 en de op te leggen straf heeft het hof onder meer het volgende overwogen: ‘Bewijsoverwegingen (…) Ten aanzien van feit 2 Het standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 2 tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat het gedrag van de verdachte en [medeverdachte] valt onder de reikwijdte van de strafbepalingen van de Opiumwet en dat de uitzondering van artikel 12 van het Opiumwetbesluit niet van toepassing is. Het standpunt van de verdediging De raadsman van de verdachte heeft, overeenkomstig de door hem ter terechtzitting overgelegde pleitnota, vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde. Daartoe is samengevat aangevoerd dat het bij de verdachte aangetroffen materiaal enerzijds niet onder de Opiumwet valt, hetgeen tot vrijspraak moet leiden en voor het overige dat de exceptie van artikel 12 van het Opiumwetbesluit van toepassing is. De verdediging heeft daarbij verwezen naar de licentie voor het CBD-project, zoals opgenomen als bijlage 2 bij de pleitnota, waaruit zou volgen dat de verdachte over een deel van de aangetroffen en inbeslaggenomen hennepplantdelen mocht beschikken, nu deze afkomstig waren uit eigen kweek in het kader van dit CBD-project. Tevens stelt de verdediging zich op het standpunt dat op basis van het dossier volstrekt onduidelijk is wat het gewicht van de aangetroffen producten is. Het vaststellen van een exacte hoeveelheid anders dan ‘meer dan 30 gram’ is dan ook onmogelijk. (…) Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Artikel 3 van de Opiumwet luidt als volgt: ‘Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid: A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen; B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren; C. aanwezig te hebben; D. te vervaardigen.’ Op lijst II van de Opiumwet is onder meer vermeld: ‘Hennep: elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waarvan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden. Voorts luidt artikel 12 van het Opiumwetbesluit als volgt: "De verboden, gesteld in artikel 3, aanhef en onder B, van de wet, gelden niet voor hennep die kennelijk bestemd is voor de winning van vezel of de vermeerdering van zaad voor de productie van vezelhennep, met dien verstande dat de uitzondering van het verbod op het telen van hennep slechts geldt voor zover de teelt plaatsvindt in de volle grond en in de open lucht." In de toelichting op het Opiumwetbesluit (Stb. 2002, 624) wordt onder meer overwogen: "In artikel 12 is een uitzondering gemaakt op de verboden van de Opiumwet voor de handelingen die noodzakelijk zijn voor het gehele industriële proces van de teelt van de vezelhennep op het veld tot de verwerking van de plant tot eindproducten in de fabriek. Ook de vermeerdering van de vezelhennepplant wordt onder dit proces begrepen. Het gaat om de handelingen: telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren. Door te kiezen voor het begrip volle grond en open lucht is bewerkstelligd dat degenen die hennep telen voor bewustzijnsbeïnvloedend gebruik onder plastic of in kassen of andere ruimten waar het dak geheel of gedeeltelijk geopend kan worden, zich niet op deze vrijstelling kunnen beroepen. Iedereen die hennep binnen teelt alsmede ieder die hennep teelt voor andere doeleinden dan vezelproductie of zaadwinning voor vezelrassen moet in het bezit zijn van een opiumwetontheffing. Dit vergemakkelijkt de bewijsvoering." In zijn arrest van 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2337 (r.o. 2.5) heeft de Hoge Raad overwogen dat op grond van de totstandkomingsgeschiedenis van het Opiumwetbesluit moet worden aangenomen dat de exceptie als bedoeld in artikel 12 van het Opiumwetbesluit ook geldt ten aanzien van het aanwezig hebben van hennep als bedoeld in art. 3, aanhef en onder C, Opiumwet, indien en voor zover die gedraging onlosmakelijk verbonden is met het productieproces van de vezelhennep en aan de overige eisen van art. 12 Opiumwetbesluit is voldaan. Het hof begrijpt uit de bewijsmiddelen − in onderling verband en samenhang beschouwd − dat de verdachte en [medeverdachte] producten (waaronder CBD-olie) van hennepplantdelen maakten en leverden aan cliënten/patiënten van artsen/ziekenhuizen/zorginstellingen, dat die producten bestemd waren voor de consumptie door deze cliënten/patiënten en dat het niet anders kan zijn dan dat die consumptie erop is gericht te helpen om klachten te verminderen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte en [medeverdachte] − zoals zij in hoger beroep naar voren hebben gebracht en uit stukken in het kader van een procedure met betrekking tot bijzondere bijstand blijkt die door de verdediging in eerste aanleg zijn overgelegd (bijlage bij pleitnotitie) − ter behandeling van hun eigen lichamelijke en psychische klachten al jarenlang cannabisproducten (cannabisolie) gebruiken en dat zij bij de werking daarvan veel baat hebben. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de handelingen van de verdachte alsmede [medeverdachte] met betrekking tot de in hun bedrijf aangetroffen hennepplantdelen gericht waren op de winning van vezel of de vermeerdering van zaad voor de productie van vezelhennep (vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2337 r.o. 2.6). Van dergelijke handelingen is ook overigens niet gebleken. De verdachte komt dan ook geen beroep toe op de exceptie van artikel 12 van het Opiumwetbesluit. Het verweer wordt verworpen. Voor zover door en namens de verdachte in hoger beroep naar voren is gebracht dat een deel van de aangetroffen en inbeslaggenomen hennepplantdelen afkomstig is uit eigen kweek die in het kader van het “CBD project” zou zijn toegestaan en de verdachte en [medeverdachte] daarover mochten beschikken, overweegt het hof het volgende. Bij de door de verdediging ter terechtzitting overgelegde stukken bevindt zich een licentie "CBD project” op naam van verdachte ‘ [medeverdachte] ’ (het hof begrijpt: [medeverdachte]). Als geldigheidsduur wordt vermeld de periode tot en met 31 december
- Het hof begrijpt hieruit dat de geldigheidsduur van de licentie ten tijde van het tenlastegelegde al ruimschoots was verstreken. Bovendien wordt in de licentie, onder verwijzing naar artikel 12 van het Opiumwetbesluit, voorgeschreven dat de teelt in het kader van het project moet plaatsvinden in de volle grond en in de open lucht. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, toen de handgeschreven notities op pagina 128 van het procesdossier aan hem werden voorgehouden, verklaard dat de hennepteelt plaatsvond in tunnels, en dat daarvan gebruik werd gemaakt van een opengemaakte tunnelkast, die als beschutting gebruikt kon worden tegen regen, water of wind. Uit de hiervoor weergegeven toelichting op het Opiumwetbesluit volgt echter dat degenen die hennep telen onder plastic of in kassen of andere ruimten waar het dak geheel of gedeeltelijk geopend kan worden, zich niet op deze vrijstelling kunnen beroepen (en derhalve ook niet op de licentie van het ‘CBD-project’). Ook in zoverre faalt het door de verdediging gevoerde verweer. Het hof overweegt met betrekking tot het gewicht van de aangetroffen hennep nog als volgt. Hoewel het exacte gewicht van de aangetroffen hennep op grond van het dossier onduidelijk is, en dit ten voordele van de verdachte zal worden meegenomen bij de strafoplegging, is het hof − gelet op de foto’s in het dossier met daarop het inbeslaggenomen materiaal alsmede de monsternemingen en conclusies van het NFI − van oordeel dat in ieder geval vast is komen te staan dat de verdachte en [medeverdachte] aanzienlijk meer dan 30 gram hennep aanwezig hadden. (…) Ten aanzien van feit 1 Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 tenlastegelegde, voor zover dat feit betrekking heeft op het binnen het grondgebied van Nederland brengen van hennep, bewezen kan worden verklaard. Het standpunt van de verdediging De raadsman van de verdachte heeft, overeenkomstig de door hem ter terechtzitting overgelegde pleitnota, vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde. Daartoe is samengevat aangevoerd dat de verdachte geen actieve rol heeft vervuld bij de zending, nu hij niets heeft besteld. Bovendien was de verdachte niet op de hoogte dat de zending vanuit Spanje aan hem was toegezonden. Hij raakte daarvan pas op de hoogte op het moment dat hij een track-and-trace code van [betrokkene 1] ontving via Messenger. De verdediging stelt zich op het standpunt dat het enkel in ontvangst nemen van de dozen niet redengevend kan zijn voor het bewijs van invoer als bedoeld in de Opiumwet. Er is geen sprake van een actieve handeling van de verdachte gericht op deze invoer. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. De verdachte gebruikte voor zijn bedrijf ' [B] ’ onder meer industriële hennep. Op 21 april 2017 heeft hij vier, aan zijn bedrijf geadresseerde dozen uit Spanje met het opschrift 'Cañamo industrial’ (het hof begrijpt: industriële hennep) van de bezorger aangenomen. De verdachte en [medeverdachte] hadden vooraf een track-and-trace code ontvangen van een persoon die de verdachte eerder samples van industriële hennep had aangeboden, waarop de verdachte toen positief had gereageerd. De verdachte begreep − volgens zijn verklaring − nadat hij deze track-and-trace code had ontvangen, dat er een zending uit Spanje kwam. Hierop heeft hij niets ondernomen. Nadat hij de dozen in ontvangst had genomen, daarvoor had getekend en de dozen in zijn bedrijf had gezet, had hij er al eentje geopend toen de politie zijn bedrijf betrad. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte gelet op voornoemde feiten en omstandigheden − in samenhang met de overige inhoud van de bewijsmiddelen − met het in ontvangst nemen van dozen met hennep uit Spanje gehandeld in de zin van artikel 1, vierde lid, van de Opiumwet en zich daarmee schuldig gemaakt aan het binnen het grondgebied van Nederland brengen van deze hennep. Met de rechtbank neemt het hof bij de bewezenverklaring van dit feit − ten voordele van de verdachte − enkel de inhoud van 3 dozen (ongeveer 7 kilogram hennep) in aanmerking nu uit het dossier niet volgt dat ook de inhoud van doos nummer 2 door het NFI is onderzocht. Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al haar onderdelen. Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen − in onderling verband en samenhang bezien − wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder feit 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld. (…) Op te leggen straf (…) Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de eendaadse samenloop van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en het aanwezig hebben van ongeveer 7 kilogram hennep, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel alsmede het tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep. Hoewel het exacte gewicht van de aangetroffen en onderzochte hennep als bedoeld onder feit 2 onvoldoende uit het dossier is komen vast te staan, volgt daaruit wel dat sprake is van een aanzienlijke hoeveelheid. Ter beoordeling van de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten, stelt het hof voorop dat de invoer van softdrugs de illegale handel in softdrugs in standhoudt, alsmede dat het allerlei maatschappelijk ongewenste effecten veroorzaakt, waarmee de openbare orde ernstig kan worden ondermijnd. Voorts is wetenschappelijk aangetoond dat het frequent gebruik van softdrugs de volksgezondheid kan schaden, met name waar het psychische aandoeningen betreft, doch dat een en ander (mede) afhankelijk is van de hoogte van het THC-gehalte van de hennep. In dit verband neemt het hof in het bijzonder in aanmerking dat de bij de verdachte aangetroffen en onderzochte hennep grotendeels een laag THC-gehalte bevatte. Het hof zal daarmee in het voordeel van de verdachte rekening houden bij de straftoemeting.’
- Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehouden op 15 maart 2023 houdt onder meer het volgende in: ‘Op vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt. Het klopt dat ik van mening ben dat ik niks fout heb gedaan, omdat het om industriële hennep ging. U houdt mij mijn verklaring voor die ik op 27 november 2020 ter terechtzitting van de rechtbank heb afgelegd, onder meer inhoudende dat de hennepplanten die ik aanwezig had, voor eigen gebruik en voor de winkel waren bestemd, dat die hennep wordt verwerkt in shampoo en olie en dat de overige resten van de planten worden gebruikt voor thee. (…) U deelt mij mede dat de zojuist besproken verklaring door mij zo is afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg en dat die verklaring niet ziet op het pakket met industriële hennep uit Spanje. De door de politie aangetroffen en inbeslaggenomen hennepplantdelen waren van ons. Wij hadden hennep uit eigen kweek en kochten industriële hennep. Onze winkel ‘ [B] ’ leverde producten die bestemd waren voor de consumptie. Wij hebben vanaf dag 1 al te kennen gegeven dat hetgeen er dus op de zaak is aangetroffen, een gedeelte uit eigen kweek van legale zaden is. Die zaden hebben wij ingekocht met aankoopbon. Een gedeelte van wat is aangetroffen, is legale hennep die we hebben ingekocht en op de zaak hebben neergelegd. Op de zaak lagen twee verschillende partijen hennep. De juiste aankoopgegevens daarvan zijn aanwezig, behalve die van de eigen kweek. Wij hebben de zaden nodig die van de eigen kweek afkomen. Dat betreft een legaal goedgekeurd hennepras. Het waren verschillende goedgekeurde henneprassen. Die zaden zijn ingekocht bij [D] . Dat is een bekend bedrijf die goed weet hoe ze ermee om moeten gaan. Het betrof het hennepras ‘USO 30’ als ik me niet vergis, en het hennepras ‘Finola', waarvan ik u een afbeelding laat zien. Wij hebben daarvan een kilogram ingekocht. Op de verpakking staat hoe ermee moet worden omgegaan, alsook hoe justitie er tegenaan kijkt. Wij hebben dat ook aan de gemeente en aan de wijkagent gevraagd en zij zeggen ook dat deze hennep legaal kan worden gekweekt. De hennep die uit deze zaden legaal gekweekt is, lag op de zaak toen de politie kwam. Wij wilden daarvan de zaden gebruiken. (…) Op vragen van de jongste raadsheer verklaart de verdachte als volgt. U vraagt mij wat het doel was van de hennepzaden die ik ontving. Het doel daarvan was consumeren. De zaden bevatten een biochemische samenstelling en wij weten wat zo’n samenstelling technisch gezien zou kunnen betekenen. Het klopt niet, zoals u vraagt, dat ik zaden had om daarmee nieuwe zaden te kweken. Als ik dat zou doen, zou ik een strafbaar gebied begaan. Ik mag alleen dit soort zaden opkweken. Die andere zaden mag ik niet opnieuw opkweken, want dan weet ik niet of het THC-gehalte onder het wettelijk toegestane gehalte blijft. Ik mag de zaden alleen consumeren en moet ieder jaar nieuwe zaden kopen, anders ga ik een risico inbrengen. In de praktijk die wij runnen, zouden wij dan enig risico betrekken en dat kan ik niet verantwoorden. Op vragen van de oudste raadsheer verklaart de verdachte als volgt. Het klopt dat een deel van de hennep die in mijn bedrijfspand is aangetroffen, door ons zelf is gekweekt uit zaden die legaal zijn ingekocht. De zaden die ik inkoop om te kweken, ga ik niet gebruiken om te eten. Die zaden zijn enkel en alleen bedoeld om te kweken. Van de hennepplant die je dan kweekt heb je weer zaden die geconsumeerd kunnen worden. Op verdere vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt. De hennep die in mijn bedrijfspand is aangetroffen, is te allen tijde industriële hennep, of ik die nou zelf kweek of opkoop. Bij de aangetroffen hennep zit ook hennep die ik zelf heb gekweekt. Ik mag industriële hennep kweken als ik mij aan de regels houd. Er hangt een meldingsplicht aan het kweken van industriële hennep. Ik heb daarvan melding aan de gemeente gedaan. Ik heb van de gemeente een terugkoppeling op papier ontvangen dat we dat zouden mogen doen. Als industrieel hennepkweker ben ik wettelijk verplicht om de door mij gekweekte hennep bij de gemeente aan te geven. Als ik subsidie wil voor mijn activiteiten, moet ik een ander traject belopen. Als ik dat niet doe met dat doel, dan zijn er geen andere richtlijnen of wetgevingen. Wij voldeden gewoon aan alle regels. Wij hebben geen controle gehad van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Wij hebben wel gesprekken gevoerd met [betrokkene 3] . Die is heel erg bekend in de wereld van de opium-houdende producten. Ik ben destijds ook met apothekers in gesprek gegaan. Wij moesten hen eerst uitleggen wat wij deden, alvorens ze geen bevooroordeelde mening hadden. Hij dacht ook dat we zouden werken met cannabis die in de coffeeshop verkrijgbaar is. Ik werk met gecertificeerd zaad, zoals blijkt uit de aankoopbonnen. Ik heb ook deelgenomen aan een traject en dat was bekend bij justitie. Ik zou EU-zaden toegestuurd krijgen. Daar hebben wij ons voor aangemeld. Wij hebben die zaden ontvangen en hebben ook deelgenomen aan het project. Daar zat ook een licentie bij. Wij hebben geen hennep verwerkt tot CBD-olie. Daar ontstaan misverstanden over. CBD is een woord. Het kan voorkomen in kristalpoeder, maar ook als inhoudsstof in een plant als we praten over de cannabisplant. Het CBD-project hield in dat er mensen gezocht werden om mee te doen aan de kweek van het legale hennep-ras. Daar wilden ze bekendheid aan geven. Als je daaraan meedeed, kreeg je de licentie, de zaai-informatie en ook de kennisgevingsinformatie naar de politie toe. Er werd duidelijk gemaakt dat het een land- en tuinbouw-ras is dat je mag kweken. Dat project was er denk ik niet puur om hennep te kweken, maar volgens mij vooral bedoeld om er bekendheid aan te geven. In de krant stond een heel artikel over de mensen die dit hebben opgezet, maar het heeft allemaal plaatsgevonden in overleg met de gemeente. Op verdere vragen van de jongste raadsheer verklaart de verdachte als volgt: Ik weet niet of de intentie van het project informeren of produceren was. Ik weet niet wat de intenties waren. Ik heb mij aangemeld vooral omdat ik heel veel over deze materie weet. Ik was eigenlijk nieuwsgierig hoe zij daarin stonden. Hetzelfde geldt nu voor de cannabis. Ik heb aan het project deelgenomen. Ik heb een setje zaden ontvangen en die opgekweekt tot hennepplanten die vervolgens in beslag zijn genomen. Ik was vooral nieuwsgierig naar wat er zo anders aan was dan aan een ander Europees hennep-ras. Ik was nieuwgierig. Op verdere vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt. Industriële hennep is vezelhennep. U deelt mij mede dat er monsters zijn genomen van de bij mij in beslag genomen hennep en dat uit onderzoek daarnaar is gebleken dat een deel van het vezeltype en een deel van het drugstype was. De hennep zou in potentie tot het drugstype kunnen behoren. Als ik op biochemisch niveau ernaar kijk, zie ik dat de zaden die eruit voortkomen, een te hoog THC-gehalte zouden kunnen bevatten als je die gaat opkweken. Die zaden zijn dan mogelijk in potentie strafbaar, maar wij doen dat niet. Ik kweek vezelhennep voor de zaden. U deelt mij mede dat de hennep ook is gebruikt in de winkel, zoals uit de stukken blijkt. Ik heb alleen de zaden gebruikt, niet de hennep. Ik heb niet het plantmateriaal gebruikt van de hennep die wij zelf hebben gekweekt, dat mag ik niet. Hoe onze organisatie eruit zag vóór de politie-inval, heb ik bij de gemeente ingediend. In een dergelijke organisatie zitten wij op geen enkel risico te wachten dat onze organisatie in gevaar zou brengen. Waarom zou ik dat doen? Voor de coffeeshop-cannabis houd ik de bonnen. U vraagt mij of de aangetroffen hennepplanten voor eigen gebruik waren bestemd. Nee, de zaden zijn voor eigen gebruik. Het klopt niet dat ik eerder heb gezegd dat de hennepplanten voor eigen gebruik waren. Ik heb duidelijk te kennen gegeven dat het om de zaden ging. U vraagt mij waarom er plantenrestendelen in mijn zaak aanwezig waren. Daar zaten de zaden nog in. Als er plantenresten in mijn zaak aanwezig waren zonder zaden, dan kan dat alleen door een handeling waarbij de zaden uit de planten zijn gehaald. Dat wordt dan gedocumenteerd. De NFI-rapporten bevestigen alles wat ik zeg, Op verdere vragen van de oudste raadsheer verklaart de verdachte als volgt. U vraagt mij wat er met de plantenresten gebeurt nadat de zaden er ten behoeve van consumptie uit zijn gehaald. Daarvoor bestaan verschillende opties, maar alleen als het binnen de wetgeving valt. Ik doe er niets mee. Wij zijn niet tot de volgende stap gekomen, omdat toen de politie-inval plaatsvond. Vóór de inval was het niet in die hoedanigheid. Er zijn mensen van de gemeente bij ons over de vloer geweest. Als patiënt zijnde, ben ik al heel lang bezig met hennep. Het klopt dat ik in een telefoongesprek heb gezegd dat ik al 23 jaar wietkweker ben, Dat weten de mensen in [plaats] en bij justitie ook. Je mag vijf planten hebben van de coffeeshop-cannabis, maar ik doe dat nu al een behoorlijke tijd niet meer. Ik krijg het nu van de coffeeshop via een recept van mijn huisarts. Voordien heb ik altijd via het gedoogbeleid hennep gekweekt. Dat was voor eigen gebruik. Op verdere vragen van de jongste raadsheer verklaart de verdachte als volgt. Het klopt dat ik aan meerdere mensen producten leverde in samenwerking met de huisarts die bepaalde producten aan hen voorschreef. U vraagt mij naar de samenstelling van die producten. U heeft daarvan toch de recepten gehad? Ik snap de vraagstelling niet. Het klopt dat mijn partner en ik een hennepproduct gebruikten dat ons hielp bij onze eigen lichamelijke klachten. Het klopt dat de cannabis uit de reguliere coffeeshop niet hetzelfde resultaat had. Ik gebruik dat product nu nog steeds als zelfmedicatie. Huisartsen verwijzen patiënten door naar ons. Wij zijn een informatiepunt. Ik geef als vrijwilliger voorlichting aan die mensen. Soms komen er cliënten naar ons die bepaalde producten willen uitproberen, zoals bijvoorbeeld de CBD-olie. U vraagt of het klopt dat de huisarts bepaalde dingen voorschreef die ik kon leveren. Ik snap de vraag niet. De vraag lijkt heel simpel, maar de beantwoording daarvan is moeilijk. Ik zeg dat CBD-olie een voedingsmiddel is. Als het woord geneesmiddel valt, zitten we in een andere categorie. Een arts mag bijvoorbeeld bepaalde middelen op recept voorschrijven, zoals een bepaald type verband. Dat type verband is voor die cliënt een noodzaak. Een huisarts mag bijvoorbeeld een bepaald merk van een product voorschrijven, omdat dat voor die cliënt een bepaald voordeel oplevert. Dat is dan geen geneesmiddel. Hetgeen waar wij hier over praten is een voedingsmiddel. Een arts schrijft dan een voedingsmiddel op recept voor en ik kon dat leveren. U vraagt mij in welke vorm ik dat kon leveren. Ik kon dat leveren in de vorm van zaden. Op verdere vragen van de oudste raadsheer verklaart de verdachte als volgt. Het klopt ik gesprekken heb gevoerd met verschillende apothekers, zoals de [Apotheek A] , omdat zij een type cannabis verstrekken dat vooral een drugstype is. Zij waren destijds ook bezig om CBD-olie op de markt te gaan brengen en hadden daarvoor een octrooiaanvraag ingediend. Wijzelf hebben dat ook gedaan voor onze werkwijze. Daarover zijn destijds gesprekken gevoerd. Dit gaat specifiek over genoemde apotheker in [plaats] , maar we hebben ook gesprekken met apothekers in België gevoerd. Destijds was de vraag naar deze materie heel groot. Het waren veelal voorlichtingsgesprekken die ik voerde. We hebben ook met [Apotheek B] contact gehad. Die wilde onze producten verkopen, omdat een arts dat via die apotheker voorschreef. Dat gaat dan weer over spijsolie en dat valt ook onder voeding. Wij hebben in die winkel spijsolie verkocht. Het klopt dat ik eerst een andere winkel had. Dat was een webwinkel. Het was mijn bedrijf. Het klopt dat mijn standpunt in de kern erop neerkomt dat er alleen industriële hennep in mijn winkel aanwezig was en dat dat is toegestaan en dat ik niks aan zaadvermeerdering doe, althans deze zaden niet verkoop omdat zij een hoger THC-gehalte hebben. Ik verkoop die zaden wel om te eten. Daar is niks illegaals aan, ook als we naar het buitenland kijken waar deze zaken ook gewoon plaatsvinden. In de landen om ons heen volgt overal vrijspraak in dit soort zaken. Dat gaat over mensen in exact dezelfde situatie als waarin wij ons bevinden. Het gaat om land- en tuinbouwgewassen. Daarover zijn internationale afspraken gemaakt. Op Europees niveau volgen overal vrijspraken. Daarom snap ik niet dat hier niet het verschil met gewone drugszaken gezien wordt. Er bestaat hennep als voeding, hennep als softdrugs en hennep als harddrugs. Bij een THC-gehalte boven de 14 procent spreek je over harddrugs. Op verdere vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt. Ook kleding kan een doeleinde zijn van hennep. Aan alle verschillende doeleinden hangen bepaalde voorwaarden. Je kunt de hennepplant ook als isolatiematerieel gebruiken of als diervoeder. De toedieningsvormen zijn ongelofelijk gevarieerd. In eerste instantie was het hele idee achter mijn bedrijf gericht op de consumptie van hennep, maar je krijgt als bedrijf te maken met reststoffen. Je kunt daar zoveel mee doen. De aanleiding voor mij was destijds dat ik een bepaalde ondersteuning nodig had voor mijn gezondheid waarvoor ik die hennepplant goed kon gebruiken. Dat heeft mij in de praktijk laten zien wat er mogelijk was. De kwaliteit van mijn leven ging erop vooruit. Het is ook cultureel erfgoed. Als ik geld wil verdienen, zou ik mezelf via de drugsbranche rijk maken, maar dan moet ik de wet overtreden. U vraagt mij aan welke regels ik als bedrijf moet voldoen. Dat is net als ieder ander bedrijf en dat kunt u online terugzien. Ik heb bij de politie melding gedaan van het feit dat ik mij bezighield met het kweken van industriële hennep. Waarom zou ik iets wat al 3 jaar draaide mis laten lopen door zo’n foutje? Als hennepplantenkweker, weet je heel goed de risico’s van de praktijk. De verkeerde beeldvorming is pas ontstaan als iemand het protocol niet volgde. Op verdere vragen van de jongste raadsheer verklaart de verdachte als volgt. Bij de hennep die binnen mijn bedrijf is aangetroffen, bestaat een onderscheid tussen eigen kweek of inkoop. Dat is nog steeds onduidelijk in het vonnis van de rechtbank. Ik ben een autist, maar hetgeen waarnaar ik moet kijken en een reactie op moet geven, is onmogelijk. U vraagt mij of, als we voormeld onderscheid terzijde stellen, het klopt dat het gaat om meerdere tientallen kilo’s hennep die in mijn winkel zijn aangetroffen. Ik weet het niet. Ik kan niet iets zeggen op basis van een aanname. Het ging om legale hennep. Je mag 30 gram cannabis in bezit hebben, maar dat geldt alleen voor de coffeeshop-hennep. U vraagt mij, als wel rekening wordt gehouden met voormeld onderscheid, hoeveel kilogram hennep in mijn beleving in mijn zaak aanwezig was. Dat is heel moeilijk te zeggen. U vraagt mij of ik ongeveer een beeld kan schetsen van de hoeveelheid hennep die in mijn bedrijf aanwezig was. Ik wil alles zo graag beantwoorden, maar hoe moet ik dat doen als ik het niet weet? Ik kan overal uitleg en tekst bij geven en documentatie laten zien. Dat is ons ook toegezegd. Dat vind ik tot op de dag van vandaag nog steeds vreemd. Rechters geven ons gelijk dat dit onmogelijk is om voor ons te beoordelen, geven opnieuw een opdracht aan het Openbaar Ministerie en die opdracht wordt niet uitgevoerd. Dan moet ik vragen gaan beantwoorden over hoe en wat is wat. Als ik de daadwerkelijke informatie krijg, kan ik beoordelen hoe of wat. Het is één grote nachtmerrie als we kijken naar de stukken. Op vragen van de advocaat-generaal verklaart de verdachte als volgt. U vraagt mij hoe het verwerken van de hennepzaden in zijn werk gaat. Dat is afhankelijk van een aantal zaken over het algemeen. Ik twijfel over het antwoord. Fresiabollen worden eigenlijk op dezelfde manier gekweekt. Ik doe de hennepzaden in de kweekbakken met een pincet. U vraagt mij waarom er in de stukken wordt gesproken over het drogen van de zaden. Dat gebeurt omdat iedereen een natuurlijk droogproces aanhoudt. Als je op een bepaalde datum een meting van de luchtvochtigheid doet, is dat na een tijd weer anders. Als je met vers plantmateriaal te maken hebt en je gaat een droogproces in, dan verandert het gewicht. Het moment waarop je de zaden eruit haalt, is cruciaal. De zaden hebben een afrijpingsproces nodig en het tijdstip waarop ze uit de planten worden gehaald is dus cruciaal. De handeling daarbij is enkel het eruit halen van het zaad. Het registreren van de verschillende gewichten is van belang voor de belastingdienst in verband met de hoeveelheid plantmateriaal en hoe je dat moet inboeken. (…) Op verdere vragen van de advocaat-generaal verklaart de verdachte als volgt. De advocaat-generaal vraagt mij naar de notities op pagina 128 van het procesdossier. Ik zie daarop handschriften van mezelf en van mijn vrouw. Die 1200 gram bij de aantekening ‘1e oogst 1200 gram’ ziet op de eerste oogst en wat er is gewogen. Dat betreft industriële hennep. De advocaat-generaal vraagt mij nogmaals waar de 1200 gram exact op ziet. Dat betreft ruw planten materiaal. Er is dan nog niet verder gekeken naar dat materiaal. De advocaat-generaal vraagt mij wat een tunnel is. Dat doe je voor bepaalde weersomstandigheden, mocht dat nodig zijn. Daarmee scherm je af voor regen, water of wind, Als je zegt een tunnel, dan is dat een welbekende tunnel. In de kersenteelt is dat bijvoorbeeld een paal en dan een boogje met een stuk plastic, al dan niet open gegooid. U, voorzitter, vraagt mij om wat voor tunnel het in dit geval gaat. Ik heb het van mijn zus haar kersenteelt afgekeken. Het is een improvisatie daarvan, We hadden namelijk een tunnelkast die opengemaakt was, zodat de functie als tunnelkast verviel, maar wel als beschutting gebruikt kon worden. Op verdere vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt. De notities rechtsboven heb ik ook gemaakt. Ik maakte er ook foto’s van. Ik documenteer alles. Ook voor de octrooiaanvraag is dat nodig. U vraagt mij of ik de onder
- ten laste gelegde partij hennep uit Spanje wel of niet zelf heb besteld. Dit wordt mij nu voor de zoveelste keer gevraagd. Alles is er al over gezegd. Zoals ik heb verklaard waren het samples voor [betrokkene 1] . Ik heb al verklaard over hoe die hennep is besteld, maar ik weet niet in welke hoedanigheid ik dat heb verklaard. Ik weet niet meer hoe ik dat precies verwoord heb. Ik lees u iets voor uit het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank. (…) Na hervatting van het onderzoek verklaart de verdachte op verdere vragen van de voorzitter als volgt. (…) U vraagt mij naar de dozen uit Spanje. [betrokkene 1] bood mij samples van industriële hennep aan. We hebben hierover gesproken. Ik zei tegen [betrokkene 1] dat samples altijd welkom waren. Mits alles voldoet aan alle eisen, waarom niet? Ik heb de samples zelf niet besteld. Ik ken die persoon in Spanje ook niet, dus ik weet niet hoe ik dat zou moeten doen. Je hebt behoorlijk wat nodig om te testen. Ik test iets voordat ik het inkoop. Het is gebruikelijk dat er facturen bij de samples zitten. Dat is zo voor alle stoffen. Als ik kamille in ga kopen, dan kan dat ook zo zijn. Je moet dan gewoon betalen voor zo’n sample. U deelt mij mede dat ik bij de politie hebt verklaard dat ik zat te wachten op een pakket en vraagt mij of ik wist dat het pakket eraan kwam. Nadat ik de ‘track & trace’ code had gekregen, wist ik dat wel. Ik had eerst met [betrokkene 1] gesproken over een app die hij aan het maken was. Dat was een app over bepaalde materie. Tijdens zo’n gesprek ging het over een sample. De hoeveelheid hennep die ik zou ontvangen is ongeveer standaard, wat ik ongeveer nodig heb. Het ging om een sample om te zien hoeveel ik iets van iets nodig heb. Ik zou van de legale voedingshennep een sample krijgen om te kijken wat ik overhoud en wat daarvan de kwaliteit is. Ik wist niet dat het om 9 kilogram hennep zou gaan, maar het is wel gebruikelijk dat als je een dergelijke grondstof test, je behoorlijk wat nodig hebt. Voor de zaden heb je behoorlijk wat hennep nodig om dat te kunnen testen. Het ligt aan de analyse hoeveel je dan uiteindelijk nodig hebt. Een analyse kan zoveel van iets vragen. Ik heb verschillende analyses laten uitvoeren en die vragen om een bepaalde hoeveelheid samplemateriaal. Een sample van 11 kilo is gebruikelijk. [betrokkene 1] heeft hierin bemiddeld. Op verdere vragen van de oudste raadsheer verklaart de verdachte als volgt. Wij laten de hennep analyseren om te kijken of die voldoet aan de wetgeving. Wij laten een sample van ruwe grondstof testen op de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen en zware metalen. Ik kan een sample laten testen op zoveel stoffen als ik zelf wil Je moet dat wel doen als je wilt voldoen aan de Europese verplichtingen en daarover wordt ook documentatie doorgestuurd. Wij voldeden aan alle eisen voor de matrix ‘Voeding’. U vraagt mij waarom ik die analyses moest laten doen. Iedereen kan mij van alles overhandigen. Ik geloof niet alles wat mij wordt verteld. Ik deed die testen voornamelijk voor mezelf. Ik test een sample alvorens ik besluit het spul in te kopen. U zegt mij dat ik toch niet iets test wat ik zelf niet wil inkopen. Ik snap niet wat u bedoelt. U zegt dat als u iets krijgt wat u niet wilt hebben, u dat terugstuurt. Iemand stuurt mij een legaal middel op dat ik niet zelf rechtstreeks heb besteld. U vraagt aan mij of ik zo’n grote hoeveelheid nodig heb als sample. Deze partij is niet van tevoren getest. Als ik een sample heb, zou ik die willen testen. U vraagt mij of het zo was dat ik een sample thuis kreeg gestuurd, waarvan ik zeg dat ik die niet wilde hebben. Ik snap het niet. U vraagt aan mij of zo’n grote hoeveelheid nodig is om te testen. Dat is niet vreemd om zo’n grote hoeveelheid als sample te gebruiken. U vraagt mij of [betrokkene 1] die hoeveelheid van 9 kilogram hennep bij mij liet bezorgen omdat hij wilde dat ik die als sample zou testen. Ik denk dat hij dat zelf had willen doen. De partijen moet voldoen aan alle testen voordat ze worden opgestuurd. De partij hennep was geadresseerd aan ons, maar ik heb zelf niks besteld. De zending staat op ons adres, maar meer kan ik er niet over zegen. Ik snap het denk ik niet. Nadat de zending bij ons was binnengekomen, heb ik de doos geopend. Op verdere vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt. Toen de dozen werden geleverd heb ik ze aangenomen. Op de dozen uit Spanje stond de aanduiding ‘industriële hennep’. Toen de politie kwam, had ik één van de dozen geopend. U vraagt mij of de partij hennep voor mij was. Op het moment dat ik ernaar keek, kwam er politie binnen. Ik zag nog dat er in het plantentopje dat ik eruit pakte zaadjes zaten, maar toen stond politie al binnen. U deelt mij mede de korte inhoud van een telefoongesprek dat is weergegeven op bladzijde 17 van de gisteren door het hof ontvangen stukken van mijn raadsman, waarin ik zeg: ‘Spanje is wat dat betreft een sample dat ons is toegestuurd. Ik zocht een andere grondstof’. Dat gesprek vond plaats na ontvangst van die track & trace code toen ik dacht: ”Zou het die sample zijn?” U deelt mij mede dat de rechtbank in haar vonnis zegt dat zij het verhaal over [betrokkene 1] niet gelooft, mede omdat ik daarmee pas op de zitting kwam. Ik heb dat verhaal al vanaf dag één verteld. Ik heb het verhaal over [betrokkene 1] al op de regiezitting in eerste aanleg naar voren gebracht. Het klopt dat ik het verhaal over [betrokkene 1] niet bij de politie heb verteld. De reden daarvan zal ik straks opgeven als ik vertel hoe ik door de politieverhoren ben gekomen. Het kan wel zijn dat ik nog meer dingen ben vergeten te vermelden bij de politie, maar ik heb alle vragen open en eerlijk beantwoord. Ik wist dat dit pakket zou komen omdat ik de track & trace code had gekregen. U deelt mij mede dat [medeverdachte] verklaart dat er op die dag een pakket zou komen en dat er niet eerder hennep besteld zou zijn vanuit het buitenland. Als je de track & trace code ziet, dan weet je waar de zending vandaan komt, dat kun je daarop zien. Op verdere vragen van de advocaat-generaal verklaart de verdachte als volgt. Het adres van mijn winkel zal wel via [betrokkene 1] op het pakket uit Spanje zijn gezet. Hij heeft bemiddeld bij die zending. De voorzitter vraagt mij of [betrokkene 1] had bemiddeld voor mij. Ik denk dat zijn antwoord daarop ‘ja’ zal zijn. De advocaat-generaal vraagt mij hoe de bestelling van deze vier dozen hennep uit Spanje precies is gelopen. Ik heb die dozen niet zelf besteld. [betrokkene 1] heeft ze mij aangeboden. Het is ter sprake gekomen in onze gesprekken. Ik heb daarover eerder verklaard wat ik nu ook weer zeg. [betrokkene 1] heeft hierin bemiddeld. U vraagt mij hoe dat aanbieden door [betrokkene 1] is gegaan. Dat is gegaan zoals ik eerder heb verklaard. Het is in eerdere gesprekken tussen ons ter sprake gekomen dat hij een sample zou kunnen regelen. Samples zijn altijd welkom als die voldoen aan de wetgevingen. Dat heb ik ook tegen hem gezegd. Dat er uiteindelijk ook een sample bij mij terecht kwam, was min of meer verrassend. Meestal zeggen mensen van alles en doen niks. Op een vraag van de voorzitter verklaart de verdachte dat hij de facturen van de zending uit Spanje niet heeft betaald. Op vragen van de raadsman verklaart de verdachte als volgt. Ik kan mij niet herinneren dat [betrokkene 1] ooit tegen mij heeft gezegd dat hij mij pakketten zou sturen waarin samples van hennep zaten. [betrokkene 1] heeft nooit tegen mij gezegd op wat voor manier hij mij samples zou sturen. Ik heb tegen hem gezegd dat, als hij dat wilde doen, hij moest zorgen dat de documentatie op orde was. Het is ook weer niet zo dat deze zending voor mij uit de lucht kwam vallen. Het is niet ongebruikelijk om dergelijke pakketten te ontvangen met een track & trace code. Op verdere vragen van de jongste raadsheer verklaart de verdachte als volgt. We ontvingen een track-and-trace code van [betrokkene 1] . Toen zagen we dat het pakket uit Spanje kwam. Er was op dat moment sprake van veel hectiek op de zaak. Onze werkzaamheden gingen gewoon door. [medeverdachte] moest op die dag naar een begrafenis. Ik was alleen aanwezig op de zaak. We hebben hierop verder geen actie ondernomen. Op een nadere vraag van de oudste raadsheer verklaart de verdachte als volgt. Ik weet niet of de track & trace code naar mij is gestuurd met daarbij een bericht. Op verdere vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt. Ik heb voorafgaand aan deze zitting nog geprobeerd om contact met [betrokkene 1] te krijgen, maar toen bleek in de krant te staan dat hij een organisatie is begonnen in [plaats] onder de vlag van ‘Suver Nuver’. Van die organisatie hebben wij grote afstand genomen omdat die zich bezighoudt met het andere deel van de cannabisplant. Ik heb daarom geen behoefte gehad om contact met [betrokkene 1] te zoeken. Ik ben behoorlijk boos geworden toen ik dat las. Ik heb zelf geen telefoonnummer van hem. Op verdere vragen van de advocaat-generaal verklaart de verdachte als volgt. Ik ben behoorlijk boos geworden toen ik dat las over [betrokkene 1] , omdat ik een goed draaiende organisatie heb. Als ik met iemand spreek over samples, zeg ik altijd dat de papieren op orde moeten zijn, maar dat heeft [betrokkene 1] niet gedaan. Wij worden daardoor nu gezien als crimineel. Door die actie van hem worden wij in een verkeerd daglicht gezet. U kunt u zich wel voorstellen dat ik daarover enorm boos ben. U deelt mij mede dat u niet begrijpt dat ik boos ben op [betrokkene 1] omdat mijn standpunt toch is dat het sowieso niet strafbaar is om een partij vezelhennep in bezit te hebben als de juiste papieren aanwezig zijn. Als alles in orde zou zijn geweest, dan had ik hier toch niet gezeten? Ik wijs ook op de reden waardoor dit is ontstaan. Het openbaar ministerie heeft er niet naar gekeken of het hier gaat om voeding of om opium-houdende hennep. De politie heeft eraan geroken en toen meteen geconstateerd dat het opiumhoudende hennep was. Vóór het testen was de conclusie al getrokken dat het om opiumhoudende hennep gaat. Normale bedrijven werken op een bepaalde manier om dit te voorkomen. U deelt mij mede dat ik vanuit mijn standpunt toch boos zou moeten zijn op het openbaar ministerie en niet op [betrokkene 1] . Ik ben boos omdat het onkunde is. Op [betrokkene 1] ben ik boos omdat door hem mijn organisatie in gevaar is gebracht. Niet ik, maar hij heeft die hennep besteld Op verdere vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt. U deelt mij mede dat ik ter terechtzitting van de rechtbank op 27 november 2020 heb verklaard dat ik even schrok toen de pakketten binnenkwamen. Dat kwam omdat de manier waarop het verpakt was, niet gebruikelijk is. Ik weet wat de regels zijn waaraan iets moet voldoen als iets wordt verpakt. Nogmaals: de douane had die test moeten uitvoeren. Het is mij niet duidelijk waar ik dan verkeerd heb gehandeld (…) De raadsman voert het woord tot verdediging en verklaart daartoe overeenkomstig de inhoud van de door hem overgelegde pleitnota, die aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. In aanvulling op de inhoud van zijn pleitnota verklaart de raadsman als volgt. (aanvulling onder het door de griffier met de hand in de pleitnota aangebrachte cijfer 1:) Uw hof ziet hier mijn client met veel mappen zitten. Er zijn door hem al vele stukken verstrekt en ik wil daarover graag een opmerking maken. Cliënt ziet door de bomen het bos niet meer. Het blijkt wel dat mijn cliënten een enorme administratie hebben. Als er ergens een onduidelijkheid zou zijn voor uw hof met betrekking tot de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv, wat ik wil voorkomen, dan vind ik dat het onderzoek moet worden aangehouden en dat er een bewijsopdracht aan cliënt moet komen om iets nader te onderbouwen met bewijsoverdracht. Al met al zijn we vandaag een heel eind gekomen, maar het zou oneerlijk zijn als mijn cliënt gepakt zou worden op een discrepantie en dan vind ik, dat als ergens iets onduidelijk is, hij de mogelijkheid moet krijgen om dat alsnog te verduidelijken met stukken. Mijn cliënten hebben alles over hun bedrijf schriftelijk vastgelegd. De benodigde informatie is er.’
- De overgelegde pleitnota houdt onder meer het volgende in: ‘Feit
- Medeplegen binnen het grondgebied van Nederland brengen/aanwezig hebben van 9,9 kilo hennep
- De rechtbank is ten onrechte voorbijgegaan aan de verklaring van cliënt met betrekking tot deze verzending. Cliënt heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij niets had besteld. Cliënt heeft geen actieve rol vervuld bij de zending. De rechtbank gaat er ten onrechte aan voorbij dat, zoals aangevoerd, de zending is gefaciliteerd door [betrokkene 1] (eigenaar [E] ) en [betrokkene 2] (eigenaar [F] B.V.) uit [plaats] . Er is niets in het dossier waaruit blijkt dat cliënt wel zelf het pakket zou hebben besteld. (…)
- De rechtbank had op basis van de inhoud van het dossier en de verklaringen van cliënt ter zitting niet tot de conclusie kunnen komen dat cliënt wetenschap had van de herkomst en inhoud van de dozen en dat hij bij de invoer ervan een actieve rol zou hebben gespeeld.
- Daar komt nog bij dat de import van producten die bestemd zijn voor zaadvermeerdering niet strafbaar is. Of in deze zaak überhaupt van strafbare producten die onder de Opiumwet vallen sprake is, is ten aanzien van dit feit niet aangetoond. Hetgeen ten aanzien van feit 2 nader zal worden opgemerkt is ook hier van belang.
- Ik stel mij op het standpunt dat cliënt ( [verdachte] ) dient te worden vrijgesproken van dit feit. Feit
- Medeplegen opzettelijk aanwezig hebben 42,16 kilo hennep
- Cliënten hebben zich vanaf het allereerste moment op het standpunt gesteld dat alle producten die op de tenlastelegging worden bedoeld legaal zijn. Het gaat om legaal ingekocht materiaal en vezelhennep die valt onder artikel 12 Opiumwetbesluit. Cliënten stellen zich op het standpunt dat zij niet strafbaar hebben gehandeld.
- De rechtbank is ten onrechte voorbijgegaan op het beroep op de exceptie van artikel 12 Opiumwetbesluit.
- Het aanwezig hebben van de bij cliënten aangetroffen en in beslag genomen producten hing, waar van toepassing, wel degelijk onlosmakelijk samen met het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van hennep die "kennelijk bestemd is voor de winning van vezel of de vermeerdering van zaad voor de productie van vezelhennep, met dien verstande dat de uitzondering van het verbod op het telen van hennep slechts geldt voorzover de teelt plaatsvindt in de volle grond en in de open lucht" - zoals artikel 12 Opiumwetbesluit vermeldt.
- Reeds in 2018 bepaalde de Hoge Raad dat de reikwijdte van deze bepaling zich ook uitstrekt tot het aanwezig hebben conform art. 3 ahf/ond C.
- In de zaak van cliënten gaat de exceptie op, nu zij conform de tekst en strekking van die bepaling hebben gehandeld. Dat de in beslag genomen producten een legale bestemming hadden is door cliënten uitvoerig uitgelegd. Tevens is ter zitting verklaard dat een deel van de producten die zijn aangetroffen en in beslag genomen zijn gekweekt in de volle grond, zoals bedoeld in het Opiumwetbesluit. De rechtbank heeft geoordeeld in haar vonnis geoordeeld dat zij geen aanleiding had hieraan te twijfelen. Hiervoor beschikten cliënten ook over een licentie, zie bijlage
- De rechtbank heeft het verweer echter verworpen en daartoe overwogen dat cliënten ‘naar eigen zeggen’ het plantenmateriaal (ook) voorhanden hadden met een andere bestemming, te weten ter zelfmedicatie en de productie van onder meer heilzame oliën en thee. Cliënten geven echter aan dat dit niet correct is.
- Cliënten herhalen aldus in hoger beroep het standpunt dat de in beslag genomen producten uitsluitend waren bestemd voor het productieproces van vezelhennep zoals bedoeld in artikel 12 Opiumwetbesluit. Cliënten hebben dit ook nooit anders gezegd en/of bedoeld. Uit de motivering van de rechtbank noch het bewijsmiddelenoverzicht blijkt waarop de conclusie van de rechtbank is gebaseerd.
- Het standpunt van cliënten, namelijk dat zij niet in het bezit waren van enige vorm van strafbare hennep, vindt bevestiging in de rapporten van het NFI.
- Uit het rapport van het NFI van 29 januari 2018 volgt dat de monsters die zijn genomen van de in het pand in beslag genomen planten (delen) nauwelijks THC bevatten. Nu is het THC-gehalte an sich niet bepalend voor de vraag een product onder de Opiumwet valt, maar het extreem lage gehalte is in casu een concrete en onweerlegbare indicatie dat de planten inderdaad rassen betroffen die staan vermeld op de door de Europese Unie uitgevaardigde lijst van toegestane rassen. Dergelijke rassen zijn uitsluitend bedoeld voor de productie van hennepzaden. De in beslag genomen plantdelen zijn niet geschikt om als wiet te roken en hebben geen geestverruimend effect.
- In het vervolgonderzoek van 20 mei 2020 zijn 181 deelmonsters onderzocht, waaraan 165 zijn geïdentificeerd als Cannabis. Van slechts 20 deelmonsters werd vastgesteld dat deze overeenkomen met het 'drugs-type', alle overige kwamen overeen met het ‘vezel-type'. Dit betekent dat de planten waarvan de deelmonsters afkomstig zijn niet de potentie hebben om veel THC te produceren. Tevens betekent dit dat deze planten van een variëteit afkomstig kunnen zijn die door de Europese Commissie is goedgekeurd. Dat strookt dus volledig met de stelling van cliënten.
- Het enkele feit dat een zeer gering aantal onderzochte materialen testten als ‘drugstype’ is niet doorslaggevend. Deze deelmonsters betroffen de zaden. Wat er ook zij van de conclusie van het NFI, die zaden zijn niet strafbaar onder de Opiumwet.
- Voor zover dan nog van belang merk ik op dat cliënt [verdachte] ter zitting op 27 november 2020 heeft uitgelegd dat het mogelijk is dat bij legaal opgekweekte soorten, die weer zijn voortgekomen uit legaal aangekocht zaad, een deel van de zaadjes een potentieel hoger THC-gehalte kunnen bevatten. Daarmee mag niet verder worden gekweekt en dat is ook nooit gebeurd.
- Het merendeel van wat er in beslag is genomen is door cliënten keurig op factuur ingekocht bij diverse bedrijven. Het betreft hier überhaupt geen strafbaar materiaal. Ter illustratie is een selectie van de producten en facturen als bijlage 3 opgenomen.
- De verdediging stelt zich op het standpunt dat het aangetroffen materiaal enerzijds niet onder de Opiumwet valt, hetgeen tot vrijspraak moet leiden en voor het overige de exceptie van artikel 12 Opiumwetbesluit in deze zaken van toepassing is, zodat cliënten op grond van de Opiumwet en het Opiumwetbesluit niet strafbaar kunnen worden geacht en moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Voorwaardelijke verzoeken
- Het chaotisch verlopen onderzoek in deze zaak wreekt zich op dit punt, nu het door de gebrekkige verslaglegging van de politie met betrekking tot de aangetroffen materialen vrijwel onmogelijk is voor cliënten om gericht te reageren op de beschuldigingen. Cliënten stellen dat een (nieuw) onderzoek ter bepaling van het DNA op de aangetroffen en in beslag genomen goederen plaats moet vinden om een vergelijking te maken met de aankoopbonnen van de ingekochte materialen zodat er te zien is wat is legaal ingekocht en wat is legaal gekweekt. Voor het geval uw hof tot een bewezenverklaring zou komen, wordt dit verzoek hierbij daarom voorwaardelijk gedaan.’
- Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een NFI-rapport van dr. [deskundige] van 20 mei
- Dit rapport houdt onder meer in: ‘7 Conclusie Het is met de huidige technieken niet mogelijk de naam van de Cannabis variëteit vast te stellen waarvan de SVO's genoemd in Tabellen 1 en 2 afkomstig zijn. Wel is vastgesteld dat het DNA van 142 deelmonsters codeert voor het 'vezel-type' van Cannabis. Het typeren van een plant als 'vezel-type', betekent dat de plant waaruit het DNA afkomstig is niet 'veel' THC kan produceren. De Cannabis variëteiten die door de Europese Commissie zijn goedgekeurd, betreffen eveneens variëteiten waarvan het DNA codeert voor het 'vezel-type' en die eveneens niet 'veel' THC kunnen produceren (minder dan 0,2%). Tevens is vastgesteld dat het DNA van twintig deelmonsters codeert voor het 'drugs-type' van Cannabis. Het typeren van een plant als 'drugs-type', betekent dat de plant waaruit het DNA afkomstig is onder de juiste omstandigheden 'veel' THC kan produceren. Dergelijke Cannabis variëteiten zijn niet door de Europese Commissie goedgekeurd. Drie deelmonsters zijn als Cannabis geïdentificeerd maar konden niet als 'drugstype' of' ‘vezel-type’ worden getypeerd. Twee deelmonsters konden niet betrouwbaar worden geïdentificeerd omdat DNA van meer dan één plantensoort aanwezig bleek. Veertien deelmonsters zijn als kruiden of cultuurgewassen getypeerd (niet zijnde Cannabis).’ Europees recht
- Artikel 34 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (verder: VWEU) luidt: ‘Kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn tussen de lidstaten verboden’. Uit artikel 36 VWEU volgt dat genoemd artikel geen beletsel vormt voor ‘verboden of beperkingen van invoer (…) welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van (…) de gezondheid en het leven van personen (…). Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen’. Artikel 38, eerste lid, VWEU bepaalt dat de interne markt mede omvat ‘de landbouw, de visserij en de handel in landbouwproducten’. Uit artikel 38, tweede lid, VWEU volgt dat ‘de regels voor de instelling en de werking van de interne markt van toepassing (zijn) op de landbouwproducten’ voor zover in de artikelen 39 tot en met 44 niet anders is bepaald. Artikel 38, derde lid, VWEU houdt in dat de producten welke vallen onder de bepalingen van de artikelen 39 tot en met 44 zijn vermeld op de lijst in bijlage I. Bijlage I vermeldt onder 57.01: ‘Hennep (Cannabis sativa), ruw, geroot, gezwingeld, gehekeld of anders bewerkt, doch niet gesponnen; werk en afval (rafelingen daaronder begrepen).’
- Verordening (EEG) nr. 1308/70 bevatte een gemeenschappelijke ordening van de markten in de sector vlas en hennep. Artikel 1 bevatte onder meer een met de omschrijving in bijlage I bij het VWEU overeenkomende omschrijving van hennep. Artikel 4 hield in dat ‘een steun’ werd ingevoerd ‘voor in de Gemeenschap geproduceerde vlas en hennep’. Verordening (EEG) nr. 1430/82 voegde daaraan toe: ‘Voor hennep wordt de steun echter slechts toegekend als de hennep wordt geproduceerd met zaad van rassen die nader te bepalen waarborgen bieden ten aanzien van het gehalte aan bedwelmende stoffen in het geoogste produkt’.
- Verordening (EEG) nr. 619/71 bevatte voorschriften ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 1308/
- Verordening (EG) nr. 1420/98 wijzigde deze uitvoeringsvoorschriften aldus, dat de steun voortaan slechts werd toegekend ‘voor hennep die na de zaadvorming wordt geoogst en die is geteeld met gecertificeerd zaaizaad van rassen die voorkomen in een volgens de procedure van artikel 12 van Verordening (EEG) nr. 1308/70 op te stellen lijst. In deze lijst worden slechts rassen opgenomen waarvan het gewicht aan THC (tetrahydrocannabinol) ten opzichte van het gewicht van een monster dat op constant gewicht is gebracht: - voor de toekenning van steun voor de verkoopseizoenen 1998/1999 tot en met 2000/2001, niet meer dan 0,3 % bedraagt, en - voor de toekenning van steun voor latere verkoopseizoenen, niet meer dan 0,2 %’ (artikel 3, eerste lid).’
- Het HvJ EG heeft op 16 januari 2003 prejudiciële vragen beantwoord over de teelt van hennep. De Zweedse rechter wilde volgens het HvJ EG in wezen vernemen ‘of het gemeenschapsrecht aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling die tot gevolg heeft dat de teelt en het voorhanden hebben van industriehennep wordt verboden’. Het HvJ EG stelde vast dat het uit de Zweedse regelgeving voortvloeiende ‘verbod op de teelt en het voorhanden hebben van onder de gemeenschappelijke marktordening in de sector hennep vallende industriehennep, rechtstreeks inbreuk maakt op’ de gemeenschappelijke ordening. En dat deze regeling ‘geen doelstelling van algemeen belang nastreeft die niet door de gemeenschappelijke marktordening in de sector hennep wordt gedekt’. Uit de eerste twee overwegingen van de considerans van verordening nr. 1430/82 volgde namelijk dat in het kader van de gemeenschappelijke marktordening in de sector hennep ‘rekening werd gehouden met de risico’s voor de gezondheid die het gebruik van verdovende middelen inhoudt’. Al met al oordeelde het HvJ EG dat de verordeningen nrs. 1308/70 en 619/71 ‘zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die tot gevolg heeft dat de teelt en het voorhanden hebben van de door de genoemde verordeningen bedoelde industriehennep wordt verboden.’
- Europeesrechtelijke voorschriften inzake hennep zijn niet alleen te vinden in rechtsinstrumenten op het terrein van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Op 25 oktober 2004 werd kaderbesluit 2004/757 vastgesteld. Uit artikel 1 volgt dat voor de toepassing van dit kaderbesluit onder ‘drugs’ onder meer worden verstaan alle stoffen die vallen onder ‘het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen van 1961 (zoals gewijzigd bij het protocol van 1972)’. Artikel 1 van het Enkelvoudig Verdrag definieert cannabis als ‘de bloeiende of vruchtdragende toppen van de cannabisplant (met uitzondering van de zaden en bladeren indien deze niet vergezeld gaan van de toppen) waaruit de hars niet is geëxtraheerd, met welke naam ook aangeduid’. Cannabisplant betekent ‘iedere plant van het geslacht Cannabis’. Lijst I bij het Enkelvoudig Verdrag omvat cannabis, cannabishars, cannabisextracten en cannabistincturen. Kaderbesluit 2004/757 schrijft voor dat lidstaten de nodige maatregelen nemen opdat nader omschreven ‘opzettelijke gedragingen’ bestraft worden (artikel 2). Daaronder vallen onder meer het produceren en het in- en uitvoeren van drugs, het kweken van cannabisplanten en het in bezit hebben van drugs met het oog op een aantal nader omschreven activiteiten.
- Het HvJ EU heeft op 16 december 2010 prejudiciële vragen beantwoord die zagen op de bepalingen van het EG-Verdrag inzake het vrij verkeer van goederen en van diensten en soft drugs. De verwijzende rechter wilde volgens het HvJ EU vernemen of het Unierecht zich verzet tegen een gemeentelijke regeling waarbij wordt verboden ‘niet in Nederland woonachtige personen tot de in de betrokken gemeente gelegen coffeeshops toe te laten’. Het HvJ EU overweegt, na verwijzing naar (onder meer) de verplichtingen voortvloeiend uit het Enkelvoudig Verdrag en naar Kaderbesluit 2004/757 ‘dat verdovende middelen die zich niet in een door de bevoegde autoriteiten strikt gecontroleerd circuit ten behoeve van gebruik voor medische en wetenschappelijke doeleinden bevinden, wegens hun aard onder een volstrekt invoer- en verhandelingsverbod in alle lidstaten vallen’ (rov. 41). Het beantwoordt de geformuleerde vraag (kort gezegd) ontkennend.
- Na dit arrest kwamen in 2013 twee verordeningen tot stand die betrekking hadden op het gemeenschappelijk landbouwbeleid en voorschriften bevatten inzake hennep. Verordening (EU) nr. 1307/2013 bevat onder meer ‘gemeenschappelijke voorschriften voor betalingen die rechtstreeks aan landbouwers worden toegewezen in het kader van de steunregelingen die in bijlage I worden vermeld’ (artikel 1). Artikel 32, zesde lid, van deze verordening luidt: ‘Voor de productie van hennep gebruikte arealen vormen slechts subsidiabele hectaren indien het gehalte aan tetrahydrocannabinol van de gebruikte rassen maximaal 0,2 % bedraagt’. Artikel 35, derde lid, bepaalt: ‘Teneinde de bescherming van de volksgezondheid te garanderen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarin de voorschriften inzake de toekenning van betalingen afhankelijk worden gesteld van het gebruik van gecertificeerd zaad van bepaalde henneprassen en waarbij wordt voorzien in de procedure voor de vaststelling van henneprassen en voor de verificatie van het in artikel 32, lid 6, genoemde tetrahydrocannabinolgehalte ervan.’
- Verordening (EU) nr. 1308/2013 behelst ‘een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten’. Tot die landbouwproducten behoort ‘Hennep (Cannabis sativa L.), ruw of bewerkt, doch niet gesponnen; werk en afval (afval van garen en rafelingen daaronder begrepen), van hennep’ (artikel 1, tweede lid, onder h; bijlage I, deel VIII). Daarbij is GN-code 5302 vermeld. Artikel 189 van de verordening bevat bijzondere bepalingen voor de invoer van hennep. Zo moet ruwe hennep met GN-code 5302 10 00 ‘voldoen aan de voorwaarden van artikel 32, lid 6, en in artikel 35, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013’.
- Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 bevat voorschriften tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013.Artikel 9 luidt: ‘Voor de toepassing van artikel 32, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 zijn voor de productie van hennep gebruikte arealen slechts subsidiabel indien zij zijn ingezaaid met zaad van de rassen uit de overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn 2002/53/EG van de Raad gepubliceerde gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen die geldt op 15 maart van het jaar waarvoor de betaling wordt toegekend. Het zaad moet zijn gecertificeerd overeenkomstig Richtlijn 2002/57/EG van de Raad’.
- Richtlijn 2002/53/EG heeft betrekking op de opneming van rassen van (onder meer) ‘vezelgewassen in een gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen waarvan het zaaizaad of pootgoed in de handel mag worden gebracht volgens de bepalingen van de richtlijnen betreffende het in de handel brengen van (…) zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen’ (artikel 1, eerste lid). Ingevolge artikel 17 publiceert de Commissie ‘overeenkomstig de door de lidstaten verstrekte gegevens (…) onder de aanduiding “Gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen” alle rassen waarvan het zaaizaad en pootgoed op grond van artikel 16 niet aan handelsbeperkingen ten aanzien van het ras zijn onderworpen’.
- Richtlijn 2002/57/EG betreft het ‘in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen’. De richtlijn bevat onder meer een begripsomschrijving van ‘oliehoudende planten en vezelgewassen’ die ‘Cannabis sativa L’ omvat. De richtlijn bevat voorts begripsomschrijvingen van ‘basiszaad (hybriden)’ en ‘basiszaad (andere rassen dan hybriden)’, van ‘gecertificeerd zaad’ van (onder meer) ‘tweehuizige hennep’, en van ‘gecertificeerd zaad van de eerste vermeerdering’ respectievelijk ‘gecertificeerd zaad van de tweede vermeerdering’ van (onder meer) ‘eenhuizige hennep’ (artikel 2). De lidstaten moeten ingevolge de richtlijn voorschrijven dat zaad van Cannabis sativa L ‘slechts in de handel mag worden gebracht, indien het officieel is goedgekeurd als basiszaad of gecertificeerd zaad’ (artikel 3, eerste lid). Ook van ander, nader omschreven, zaad dienen lidstaten voor te schrijven dat het in de handel mag worden gebracht (artikel 4). De richtlijn en bijlagen bij de richtlijn bevatten tal van voorschriften inzake (onder meer) de zuiverheid, de minimumkiemkracht en etiketten.
- Op 19 november 2020 beantwoordde het HvJ EU een prejudiciële vraag die zag op (hennep en) CBD en het vrij verkeer van goederen. De zaak draaide om Kanavape, een elektronische sigaret waarvan de vloeistof CBD bevat. Die CBD werd in Tsjechië geproduceerd, waarbij de volledige cannabisplant werd gebruikt, die ter plaatse was geteeld. De verdachten, die Kanavape verhandelden, werden vervolgd op grond van ‘wetgeving inzake giftige stoffen’. Zij voerden aan ‘dat het verbod op de handel in CBD die afkomstig is van de volledige cannabisplant, in strijd is met het Unierecht’. De verwijzende rechter wilde volgens het HvJ EU in wezen vernemen ‘of de verordeningen nr. 1307/2013 en nr. 1308/2013 en de artikelen 34 en 36 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling die de handel in CBD verbiedt wanneer deze is geëxtraheerd uit de volledige cannabisplant en niet enkel uit de vezels en het zaad daarvan’.
- Het HvJ EU legde eerst beide verordeningen uit. Het stelde vast dat CBD die is geëxtraheerd uit de volledige cannabisplant niet kan worden beschouwd als ruwe hennep. Het valt wel ‘onder post 2932 van de GS-nomenclatuur’, maar bij de ‘in bijlage I bij de Verdragen bedoelde landbouwproducten’ wordt geen melding wordt gemaakt van deze post. Daardoor kan ‘CBD dat aanwezig is in de volledige cannabisplant’ niet worden beschouwd als een product dat onder beide verordeningen valt.
- Daarna ging het HvJ EU op de artikelen 34 en 36 VWEU in. Voortbouwend op de rechtsregel uit het arrest van 16 december 2010 stelde het HvJ EU vast dat personen die verdovende middelen verhandelen die geen deel uitmaken van een strikt gecontroleerd circuit zich bij de verkoop van cannabis niet kunnen beroepen op de toepassing van de vrijheden van verkeer of op het beginsel van non-discriminatie, en dat derhalve moet worden nagegaan ‘of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde CBD een verdovend middel is’. Daarbij gaat het erom of CBD onder het Enkelvoudig Verdrag valt.
- Het HvJ EU overwoog dat Lijst I bij het Enkelvoudig Verdrag cannabis, cannabishars en cannabisextracten en cannabistincturen omvat. En dat een letterlijke uitleg van de bepalingen van het Enkelvoudig Verdrag zou kunnen leiden tot de vaststelling dat CBD, voor zover het wordt geëxtraheerd uit een plant van het geslacht cannabis en deze plant volledig wordt gebruikt, met inbegrip van de bloeiende of vruchtdragende toppen ervan, een cannabisextract is. Maar het HvJ EU tekende daarbij aan dat de CBD die in het hoofdgeding aan de orde was volgens de beschikbare wetenschappelijke gegevens geen psychotrope en schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens lijkt te hebben. Daarvan uitgaand zou het in strijd zijn ‘met het doel en de algemene strekking van het Enkelvoudig Verdrag indien CBD als cannabisextract onder de definitie van „verdovende middelen” in de zin van dit verdrag zou vallen’. Daarom was het HvJ EU van oordeel dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde CBD geen verdovend middel in de zin van het Enkelvoudig Verdrag was. En dat de artikelen 34 en 36 VWEU daarop van toepassing waren.
- Vervolgens stelde het HvJ EU vast dat niet werd betwist dat het verbod op verhandeling van in een andere lidstaat rechtmatig geproduceerde CBD die uit de volledige cannabisplant wordt geëxtraheerd, en niet alleen uit de vezels en het zaad ervan, een maatregel van gelijke werking is als kwantitatieve beperkingen in de zin van artikel 34 VWEU. Een verbod op het in de handel brengen ‘kan slechts worden uitgevaardigd indien het aangevoerde reële gevaar voor de volksgezondheid voldoende aannemelijk voorkomt op basis van de meest recente wetenschappelijke gegevens die op de datum van de uitvaardiging van dat verbod beschikbaar zijn’. Het HvJ EU wees er daarbij op dat is gebleken dat het verbod op verhandeling ‘niet geldt voor de verhandeling van synthetische CBD die dezelfde eigenschappen bezit als CBD die uit de volledige cannabisplant wordt geëxtraheerd en als substituut daarvoor kan worden gebruikt’.
- Al met al concludeerde het HvJ EU dat de artikelen 34 en 36 VWEU ‘aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling die de verhandeling verbiedt van in een andere lidstaat rechtmatig geproduceerde CBD die wordt geëxtraheerd uit de volledige cannabisplant en niet alleen uit de vezels en het zaad ervan, tenzij deze regeling geschikt is om de verwezenlijking van het doel van bescherming van de volksgezondheid te waarborgen en niet verder gaat dan noodzakelijk is om dit doel te verwezenlijken.’
- Nadien heeft het hof in een arrest van 4 oktober 2024 nog een prejudiciële vraag over het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de verordeningen nrs. 1307/2013 en 1308/2013 beantwoord. De verwijzende rechter wilde volgens het HvJ EU in essentie vernemen ‘of het Unierecht betreffende het GLB aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een lidstaat de teelt van hennep (Cannabis sativa) in hydrocultuursystemen in gesloten ruimten verbiedt’. Het HvJ EU leidde uit (onder meer) artikel 32, zesde lid, van verordening nr. 1307/2013 af dat de Uniewetgever ‘bijzondere aandacht heeft besteed aan het doel van bescherming van de volksgezondheid’. Het Unierecht met betrekking tot het gemeenschappelijk landbouwbeleid werd aldus uitgelegd ‘dat het zich er niet tegen verzet dat een lidstaat de teelt van hennep (Cannabis sativa) in hydrocultuursystemen in gesloten ruimten verbiedt, mits dat verbod geschikt is om het doel van bescherming van de volksgezondheid te bereiken’ en niet verder gaat dan noodzakelijk is ter bereiking van dat doel.
- Verordening (EU) nr. 1307/2013 is inmiddels ingetrokken door verordening (EU) 2021/
- Artikel 4, vierde lid, van deze verordening, dat ziet op het begrip ‘subsidiabele hectare’ houdt onder meer in: ‘Voor de productie van hennep gebruikte arealen vormen slechts subsidiabele hectaren indien het gehalte aan tetrahydrocannabinol van de gebruikte rassen maximaal 0,3 % bedraagt’.
- Gedelegeerde verordening (EU) 2022/126 vult verordening 2021/2115 aan met (onder meer) aanvullende eisen voor bepaalde ‘interventietypes’ ‘in de vorm van rechtstreekse betalingen voor de teelt van hennep en katoen’ (artikel 1). Lidstaten dienen de toekenning van betalingen voor de productie van hennep afhankelijk te stellen van het gebruik van zaad van henneprassen die aan een aantal eisen voldoen. Zij moeten staan op de ‘gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen’. Het THC-gehalte mag gedurende twee opeenvolgende jaren niet hoger zijn geweest dan het in artikel 4, vierde lid, tweede alinea, van Verordening (EU) 2021/2115 vastgelegde maximum. En zij moeten gecertificeerd zijn ingevolge nader omschreven richtlijnen (artikel 2).
- De Gedelegeerde Verordening bevat ook regels voor een ‘verificatiesysteem voor de bepaling van het THC-gehalte van henneprassen’ (artikel 3). Overweging 4 houdt in dat de verificatie van het THC-gehalte noodzakelijk is ‘voor de bescherming van de financiële belangen van de Unie’, maar zij is ook ‘van strategisch belang voor de bescherming van de volksgezondheid en voor de waarborging van de samenhang met andere wetgevingskaders, namelijk het strafrecht op het gebied van illegale drugshandel en de verbintenissen uit hoofde van internationale verplichtingen, zoals het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen’. Met A-G Paridaens meen ik dat hierin de gedachte besloten ligt ‘dat hennep met een THC-gehalte van minder dan 0,3 % niet schadelijk voor de volksgezondheid is’.
- Ik leid uit de besproken rechtsinstrumenten en rechtspraak af dat het aanwezig hebben van hennep die gekweekt is met zaden die op de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen staan niet mag worden verboden. Richtlijn 2002/53/EG spreekt over vezelgewassen waarvan het zaaizaad in de handel mag worden gebracht. Met zaad van deze rassen ingezaaide arealen zijn al gedurende een lange reeks van jaren subsidiabel. En het HvJ EG oordeelde in het arrest van 17 januari 2003 heel in het algemeen dat de destijds toepasselijke verordeningen ‘zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die tot gevolg heeft dat de teelt en het voorhanden hebben van de door de genoemde verordeningen bedoelde industriehennep wordt verboden’. Opiumwet en Zaaizaad- en plantgoedwet
- De Opiumwet houdt onder meer het volgende in: Artikel 3 ‘Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid: A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen; B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren; C. aanwezig te hebben; D. te vervaardigen.’ Artikel 3c ‘
- Bij algemene maatregel van bestuur kunnen middelen en toepassingen worden aangewezen waarvoor een in artikel 2 of 3 omschreven verbod geheel of ten dele niet geldt.’ Artikel 6 ‘
- Onze Minister kan, met inachtneming van artikel 8i, eerste lid, ontheffing verlenen van een verbod als bedoeld in artikel 2 of
- Hij kan voorts een ontheffing verlengen, wijzigen, aanvullen of intrekken.
- Een ontheffing of een verlenging daarvan wordt verleend voor ten hoogste vijf jaren, met dien verstande dat een ontheffing van een verbod als bedoeld in artikel 2, onder A, of artikel 3, onder A, wordt verleend per geval en voor ten hoogste zes maanden.’ Artikel 8 ‘
- Een ontheffing kan slechts worden verleend of verlengd indien de aanvrager ten genoegen van Onze Minister heeft aangetoond: a. dat daarmee het belang van de volksgezondheid of dat van de gezondheid van dieren wordt gediend; b. deze nodig te hebben voor het verrichten van wetenschappelijk of analytisch-chemisch onderzoek dan wel voor instructieve doeleinden, voor zover het belang van de volksgezondheid zich hier niet tegen verzet, of c. deze nodig te hebben voor het verrichten van een handeling als bedoeld in artikel 2 of 3 krachtens een overeenkomst met:
- een ander aan wie krachtens artikel 6, eerste lid, een ontheffing is verleend;
- een apotheker of apotheekhoudende arts;
- een dierenarts;
- een instelling of persoon, aangewezen krachtens artikel 5, tweede of derde lid;
- een houder van een in een ander land verleende vergunning of ontheffing om de desbetreffende middelen in dat land in te voeren, voor zover het belang van de volksgezondheid zich hier niet tegen verzet.
- Een ontheffing kan voorts worden verleend of verlengd indien de aanvrager deze nodig heeft voor het telen van cannabis krachtens een overeenkomst met Onze Minister.’ Artikel 8h ‘Onze Minister draagt ervoor zorg dat: a. in Nederland voldoende hennep wordt geteeld voor wetenschappelijk onderzoek naar de geneeskundige toepassing van hennep, hasjiesj en hennepolie of voor de productie van geneesmiddelen; b. de geteelde hennep, bedoeld onder a, wordt gebruikt voor een onder a genoemd doel.’ Artikel 8i ‘
- Onze Minister verleent niet meer ontheffingen van het verbod tot teelt van hennep dan nodig is voor de in artikel 8h bedoelde doeleinden en voor de veredeling van hennep.
- Een ontheffing van het verbod op het telen van hennep dan wel tot het verwerken, bewerken of vervoeren van hennep, hasjiesj en hennepolie voor de in artikel 8h genoemde doeleinden, wordt slechts verleend aan degene met wie Onze Minister ter zake een overeenkomst tot het verrichten van zodanige handelingen aangaat. (…)
- In een overeenkomst als bedoeld in het tweede lid, wordt in elk geval bepaald dat de wederpartij van Onze Minister de geteelde hennep binnen vier maanden na het oogsten uitsluitend aan hem verkoopt en aflevert en de overtollige hennep vernietigt.’ Artikel 11 ‘
- Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, C of D, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
- Hij die in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
- Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder A, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.
- Indien een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.’ Lijst II ‘hennep elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden’
- De artikelen 3c, 6, 8, 8h en 8i Opiumwet zijn in 2003 ingevoerd. De betreffende wetswijziging bracht mee dat het eerdere verlofstelsel werd omgezet in een ontheffingenstelsel. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot deze wet leidde hield onder meer in: ‘De teelt van hennep voor geneeskundige of wetenschappelijke doelen Bij brief van 25 november 1998 aan de Eerste en Tweede Kamer (Kamerstukken II 1998–99, 26 200 XVI nr. 14) heeft de eerste ondergetekende een wetsontwerp tot wijziging van de Opiumwet aangekondigd waarin de bevoegdheden van een bureau voor hennepteelt worden geregeld. Deze regeling van bevoegdheden vloeit voort uit het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen (Trb. 1963, 81; 1980, 184). Dit verdrag eist dat een verdragsstaat een nationaal bureau instelt, indien hij de verbouw van de hennepplant (Cannabis sativa L.) toelaat voor de productie van hennep of hennephars. Dit bureau dient een aantal taken opgedragen te krijgen met betrekking tot de verbouw van hennep voor de productie van hennep of hennephars. Deze taken betreffen de verlening van ontheffingen, het aankopen van de oogst, het alleenrecht van de handel en het alleenrecht op het aanhouden van andere voorraden dan die welke beheerd worden door fabrikanten van cannabinoïden, medicinale hennep en henneppreparaten. Dat moet wettelijk worden vastgelegd. (…) Er zal naar worden gestreefd de nadelen die deze constructie met zich mee kan brengen tot een minimum te beperken. Zowel voor de verlening van ontheffingen als voor het sluiten van overeenkomsten voor de teelt van hennep en voor het produceren van een geneesmiddel daaruit is aansluiting gezocht bij het Bibob-instrumentarium. Het verlenen van de ontheffing en het sluiten van de overeenkomst zullen zoveel mogelijk samenvallen, zodat maar eenmaal een advies in het kader van de Wet BIBOB hoeft te worden gevraagd. Voorts zullen met de Inspectie voor de Gezondheidszorg praktische afspraken worden gemaakt over het controleren van de naleving van aan het verlof verbonden voorschriften en de contractverplichtingen. De aan een ontheffing te verbinden voorschriften zullen met name betrekking hebben op de plaats en wijze van opslag van de cannabis, de voorraadadministratie, en de beveiliging. De uitwerking van de voorschriften is per geval verschillend. Contractverplichtingen zullen individueel bepaald worden, maar zullen vooral te maken hebben met prijs, hoeveelheid en kwaliteit van de te leveren hennep. Voorts moet de minister ervoor zorgdragen dat er voldoende mogelijkheden zijn voor ontbinding van de overeenkomst in het geval van niet-naleving. Dit impliceert bijvoorbeeld ook dat het nationale bureau waarborgen vastlegt in de overeenkomst tegen toepassing van de geteelde hennep voor andere doelen dan die genoemd in artikel 8h, eerste lid, en tegen diefstal van de hennep. In eerste instantie is de geteelde hennep bestemd voor medisch-wetenschappelijk onderzoek met hennep of de daaruit bereide preparaten of substanties. In een latere fase zal ook hennep voor de geneesmiddelproductie worden geteeld. Indien echter onderzoek tot de conclusie leidt dat deze middelen niet de eigenschappen hebben die hen geschikt maken voor gebruik als geneesmiddel, zal het nationale bureau worden opgeheven.’
- Op 1 juli 2025 treedt een wet in werking die (onder meer) de artikelen 3c, eerste lid, 6 en 8 Opiumwet wijzigt. Deze wet leidt er onder meer toe dat aan artikel 8, eerste lid, een d-grond wordt toegevoegd die meebrengt dat een ontheffing kan worden verleend als de aanvrager aantoont deze nodig te hebben ‘voor industriële doeleinden teneinde een product te realiseren dat voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens deze wet’. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot deze wet leidde houdt onder meer in: ‘Voorts wordt voorgesteld dat een ontheffing kan worden verleend wanneer de aanvrager heeft aangetoond deze nodig te hebben voor industriële doeleinden waarbij het te realiseren product voldoet aan hetgeen bij of krachtens de Opiumwet is geregeld. Het kan bijvoorbeeld gaan om de verwerking van de vezelhennepplant, waarbij een halffabricaat te veel THC bevat, maar het eindproduct niet. Het feit dat het moet gaan om industriële doeleinden betekent dat het moet gaan om de professionele, beroepsmatige, grootschalige realisatie van producten.’
- Artikel 12 Opiumwetbesluit luidt als volgt: ‘De verboden, gesteld in artikel 3, aanhef en onder B, van de wet, gelden niet voor hennep die kennelijk bestemd is voor de winning van vezel of de vermeerdering van zaad voor de productie van vezelhennep, met dien verstande dat de uitzondering van het verbod op het telen van hennep slechts geldt voor zover de teelt plaatsvindt in de volle grond en in de open lucht.’
- Dit artikel is als volgt toegelicht: ‘In artikel 12 is een uitzondering gemaakt op de verboden van de Opiumwet voor de handelingen die noodzakelijk zijn voor het gehele industriële proces van de teelt van de vezelhennep op het veld tot de verwerking van de plant tot eindproducten in de fabriek. Ook de vermeerdering van de vezelhennepplant wordt onder dit proces begrepen. Het gaat om de handelingen: telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren. Door te kiezen voor het begrip volle grond en open lucht is bewerkstelligd dat degenen die hennep telen voor bewustzijnsbeïnvloedend gebruik onder plastic of in kassen of andere ruimten waar het dak geheel of gedeeltelijk geopend kan worden, zich niet op deze vrijstelling kunnen beroepen. Iedereen die hennep binnen teelt alsmede ieder die hennep teelt voor andere doeleinden dan vezelproductie of zaadwinning voor vezelrassen moet in het bezit zijn van een opiumwetontheffing. Dit vergemakkelijkt de bewijsvoering.’
- Uw Raad heeft in een arrest van 18 december 2018 het volgende overwogen: ‘2.
- Op grond van de totstandkomingsgeschiedenis van het Opiumwetbesluit, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 8 en 9, moet worden aangenomen dat de exceptie van art. 12 Opiumwetbesluit ook geldt ten aanzien van het aanwezig hebben van hennep als bedoeld in art. 3, aanhef en onder C, Opiumwet, indien en voor zover die gedraging onlosmakelijk verbonden is met het productieproces van de vezelhennep en aan de overige eisen van art. 12 Opiumwetbesluit is voldaan. 2.
- Het Hof heeft geoordeeld dat art. 12 Opiumwetbesluit uitsluitend geldt ten aanzien van de in art. 3, aanhef en onder B, Opiumwet bedoelde gedragingen en niet ten aanzien van het 'aanwezig hebben' zoals bedoeld in art. 3, aanhef en onder C, Opiumwet. Daarmee heeft het Hof miskend hetgeen hiervoor onder 2.5 is overwogen. Tot cassatie behoeft dat evenwel niet te leiden. Het Hof had het verweer immers slechts kunnen verwerpen, omdat niet meer is aangevoerd dan dat de in de bewezenverklaring vermelde hennep enkel was bedoeld voor het maken van thee of CDB(-olie), terwijl de exceptie van voormelde bepaling waarop de verdediging een beroep heeft gedaan slechts betrekking heeft op de productie van vezelhennep.’
- De Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 is, aldus de considerans, tot stand gekomen omdat het ‘wenselijk is een nieuwe regeling voor het toelaten van plantenrassen, het in de handel brengen van teeltmateriaal en het verlenen van kwekersrecht vast te stellen’. Daarbij is onder meer gelet op ‘diverse Europese richtlijnen met betrekking tot het in de handel brengen van teeltmateriaal van verschillende soorten gewassen’. Daartoe behoorde ook richtlijn nr. 2002/53/EG van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen.
- Hoofdstuk 2 van de wet ziet op de ‘Raad voor plantenrassen’. Hoofdstuk 4 van de wet betreft ‘het rassenregister’. Daarin is vastgelegd dat er een Nederlands rassenregister is ‘dat bestemd is voor de inschrijving van rassen en opstanden’ (artikel 25). ‘Ter uitvoering van bindende besluiten van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie gezamenlijk of van de Europese Commissie stelt de Raad nationale lijsten samen van de in Nederland van een gewas toegelaten rassen en opstanden, op basis van de in het rassenregister opgenomen gegevens’ (artikel 26). Uit de wet volgt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels (kunnen) worden gesteld over ‘de toelating van rassen en opstanden’ (artikel 35), ‘het in de handel brengen van teeltmateriaal’ van bij de maatregel aangewezen behorende rassen en opstanden (artikel 39) alsmede ‘de teelt van gewassen’ (artikel 48a).
- Het Besluit verhandeling teeltmateriaal is tegelijk met de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 op 1 februari 2006 in werking getreden. Blijkens de considerans is bij de vaststelling onder meer gelet op ‘de Europese richtlijnen met betrekking tot het in de handel brengen van teeltmateriaal van verschillende soorten gewassen’. Onder ‘oliehoudende planten en vezelgewassen’ worden verstaan de ‘gewassen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van richtlijn nr. 2002/57/EG van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen’. Landbouwgewassen zijn onder meer ‘oliehoudende planten en vezelgewassen’ (artikel 1). Het in de handel brengen van teeltmateriaal van landbouwgewassen is slechts toegestaan ‘indien is voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde regels inzake de verhandeling en de kwaliteit van teeltmateriaal’ (artikel 3). Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op de voorwaarde dat teeltmateriaal van landbouwgewassen ‘uitsluitend in de handel wordt gebracht indien het afkomstig is van een ras dat of een opstand die is toegelaten en is ingeschreven in het rassenregister, dan wel is opgenomen op een vanwege de Europese Commissie vastgestelde gemeenschappelijke lijst van rassen’ (artikel 4, eerste lid, onder c).
- De nota van toelichting bij het besluit houdt in dat ‘voor rassen en opstanden die zijn opgenomen op een gemeenschappelijke lijst van gewassen, vastgesteld door de Commissie van de Europese Gemeenschappen’ geen verplichting geldt ‘tot inschrijving in het register. Opname op een gemeenschappelijke lijst betekent namelijk dat het teeltmateriaal automatisch in alle lidstaten wordt toegelaten.’
- De Regeling verhandeling teeltmateriaal houdt, in lijn daarmee, in dat teeltmateriaal van een landbouwgewas slechts in de handel wordt gebracht ‘indien het afkomstig is van een ras dat is toegelaten en is ingeschreven in het rassenregister, dan wel is opgenomen op een vanwege de Commissie van de Europese Gemeenschappen vastgestelde gemeenschappelijke lijst van rassen, of is toegelaten in een van de andere lidstaten van de Europese Unie overeenkomstig’ richtlijn 2002/53/EG (artikel 26).
- Het Besluit werkzaamheden Raad voor de plantenrassen is eveneens op 1 februari 2006 in werking getreden. Blijkens de considerans is het besluit vastgesteld gelet op (onder meer) richtlijn 2002/53/EG van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen. Uit deze regeling volgt dat een ras van bij ministeriële regeling aan te wijzen landbouwgewassen wordt toegelaten indien het voldoet aan een aantal voorwaarden (artikel 9). De Regeling werkzaamheden Raad voor de plantenrassen houdt onder meer in dat de landbouwgewassen bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het Besluit werkzaamheden Raad voor de plantenrassen de gewassen zijn die zijn opgenomen in de richtlijnen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van richtlijn 2002/53/EG (artikel 4 jo. artikel 1).
- Een lijst met toegestane henneprassen is te vinden op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Deze lijst komt, zo begrijp ik, overeen met de henneprassen die vermeld staan op de ‘Common catalogue of varieties of agricultural plant species – Consolidated version 27.01.2023’. Dat is, zo begrijp ik, de door de Europese Commissie gepubliceerde gemeenschappelijke rassenlijst.
- Ik begrijp de verhouding tussen de regels gesteld bij en krachtens de Opiumwet enerzijds en de regels gesteld bij en krachtens de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 anderzijds mede tegen de achtergrond van de eerder weergegeven Europeesrechtelijke rechtsinstrumenten en rechtspraak aldus dat het aanwezig hebben van hennep die het resultaat is van teelt met rassen die op de gemeenschappelijke rassenlijst staan niet strafbaar is. Bespreking van het tweede middel
- De steller van het middel voert aan dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het standpunt van de verdediging dat het bij de verdachte aangetroffen materiaal in ieder geval deels niet onder de Opiumwet valt en dat dit dient te leiden tot vrijspraak. Het hof zou zijn voorbijgegaan aan de kern van het verweer, ‘namelijk dat het materiaal in kwestie afkomstig is van plantenrassen die staan vermeld op de door de Europese Unie uitgevaardigde lijst van toegestane rassen, dat dergelijke rassen uitsluitend zijn bedoeld voor de productie van hennepzaden en dat de plantendelen daarvan geen geestverruimend effect hebben’.
- De raadsman stelt in de pleitnota bij de bespreking van feit 2 dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan ‘het beroep op de exceptie van artikel 12 Opiumwetbesluit’ (randnummer 15). De verdachte en de medeverdachte zouden ‘conform de tekst en strekking van die bepaling hebben gehandeld’ (randnummer 18). De verdachte en de medeverdachte herhalen ‘dat de in beslag genomen producten uitsluitend waren bestemd voor het productieproces van vezelhennep zoals bedoeld in artikel 12 Opiumwetbesluit’ (artikel 20). Het standpunt dat zij ‘niet in het bezit waren van enige vorm van strafbare hennep’ vindt volgens de raadsman ‘bevestiging in de rapporten van het NFI’ (randnummer 21). Uit het rapport van het NFI van 29 januari 2018 ‘volgt dat de monsters die zijn genomen van de in het pand in beslag genomen planten (delen) nauwelijks THC bevatten’, en het ‘extreem lage gehalte’ zou een ‘concrete en onweerlegbare indicatie’ zijn ‘dat de planten inderdaad rassen betroffen die staan vermeld op de door de Europese Unie uitgevaardigde lijst van toegestane rassen’ (randnummer 22). Het overgrote deel van de deelmonsters die in het vervolgonderzoek van 20 mei 2020 zijn onderzocht zou overeenkomen met het ‘vezel-type’; dat zou betekenen ‘dat deze planten van een variëteit afkomstig kunnen zijn die door de Europese Commissie is goedgekeurd’ (randnummer 23). Daarbij zouden de deelmonsters die als ‘drugstype’ testten ‘zaden’ betreffen die ‘niet strafbaar onder de Opiumwet’ zijn (randnummer 24). Het betoog loopt erop uit dat de verdediging zich op het standpunt stelt ‘dat het aangetroffen materiaal enerzijds niet onder de Opiumwet valt’ en ‘voor het overige de exceptie van artikel 12 Opiumwetbesluit in deze zaken van toepassing is’ (randnummer 27).
- Uit de cassatieschriftuur en de pleitnota begrijp ik dat het middel zowel op de bewezenverklaring van feit 1 als op de bewezenverklaring van feit 2 ziet. Het middel spreekt over ‘het bij hem aangetroffen materiaal’. De pleitnota houdt bij feit 1 in dat niet is aangetoond of ‘in deze zaak überhaupt van strafbare producten die onder de Opiumwet vallen sprake is’ en dat hetgeen ‘ten aanzien van feit 2 nader zal worden opgemerkt (…) ook hier van belang is’ (randnummer 12).
- Het hof heeft het aangevoerde aldus samengevat ‘dat het bij de verdachte aangetroffen materiaal enerzijds niet onder de Opiumwet valt, hetgeen tot vrijspraak moet leiden en voor het overige dat de exceptie van artikel 12 van het Opiumwetbesluit van toepassing is’. Het hof noemt de verwijzing naar de licentie voor het CBD-project als een argument dat voor dat standpunt is aangevoerd. Bij de bespreking van het verweer citeert het hof vervolgens artikel 3 van de Opiumwet en de definitie van hennep in lijst II bij de Opiumwet, artikel 12 van het Opiumwetbesluit en een deel van de toelichting daarop. En het hof wijst op het arrest van Uw Raad van 18 december
- Het hof beargumenteert vervolgens waarom de verdachte geen beroep toekomt op artikel 12 Opiumwetbesluit en dat de verdachte zich evenmin op de licentie van het ‘CBD-project’ kan beroepen.
- Dat het hof in het aangevoerde eerst en vooral een beroep op artikel 12 Opiumwetbesluit heeft gezien, is begrijpelijk. Het hof heeft het beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond die in dat artikel is vervat verworpen omdat niet kan worden gezegd dat de handelingen van de verdachte en de medeverdachte ‘met betrekking tot de in hun bedrijf aangetroffen hennepplantdelen gericht waren op de winning van vezel of de vermeerdering van zaad voor de productie van vezelhennep’. In cassatie wordt niet over de verwerping van het beroep op artikel 12 Opiumwetbesluit geklaagd. Waar het de steller van het middel naar ik begrijp om gaat, is of het aangevoerde (voor zover dat is gepresenteerd als een tot vrijspraak strekkend verweer) tevens een beroep op een andere grond voor straffeloosheid behelst waar het hof ook op had moeten reageren.
- De verplichting om op een beroep op een kwalificatie-uitsluitingsgrond te beslissen en die beslissing te motiveren ligt besloten in artikel 358, derde lid, Sv en artikel 359, tweede lid, Sv. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een verweer waarop de rechter diende te beslissen zijn inhoud en strekking van het aangevoerde van belang. Wat de strekking van het aangevoerde betreft