ECLI:NL:PHR:2025:746
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer25/00082 CW Zitting 1 juli 2025 VORDERING TOT CASSATIE IN HET BELANG DER WET F.W. Bleichrodt In de zaak [betrokkene] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, hierna: de betrokkene Inleiding Deze vordering tot cassatie in het belang der wet heeft betrekking op de wettelijke regeling van de voorwaardelijke veroordeling in het Wetboek van Strafrecht BES (hierna: Sr BES), dat van toepassing is op de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. In het bijzonder betreft de vordering de uitleg van art. 17a in verbinding met art. 17h Sr BES. Volgens deze bepaling(en) kan de rechter die de voorwaardelijke veroordeling heeft uitgesproken de tenuitvoerlegging gelasten van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf ingeval de veroordeelde zich misdraagt. De rechtsvraag die in deze vordering centraal staat, is of een in de proeftijd begaan strafbaar feit ter zake waarvan de veroordeelde niet onherroepelijk is veroordeeld een misdraging kan opleveren in de zin van art. 17h Sr BES die grond kan vormen voor een last tot tenuitvoerlegging.
In het verlengde daarvan rijst de vraag of de rechter die beslist over een ten laste gelegd nieuw feit en die eerder de voorwaardelijke veroordeling heeft uitgesproken gelijktijdig, in een afzonderlijke beslissing, de tenuitvoerlegging mag gelasten van de eerder voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf op de grond dat de veroordeelde zich heeft misdragen.
Deze rechtsvragen zijn specifiek van belang voor de situatie in Bonaire, Sint Eustatius en Saba. In Europees Nederland, Sint Maarten, Curaçao en Aruba vindt de behandeling van een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf in verband met een nieuw feit per definitie gelijktijdig plaats met de berechting van dat nieuwe feit. De term ‘zich misdraagt’ komt in de desbetreffende wettelijke regelingen van de voorwaardelijke veroordeling niet meer voor. Dit wettelijk systeem voorkomt dat een discrepantie kan bestaan tussen rechterlijke uitspraken, zoals een vrijspraak in hoger beroep en een last tot tenuitvoerlegging in verband met het feit waarvan de verdachte is vrijgesproken.
De vordering heeft betrekking op een vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Gerecht) van 18 juli 2024, zittingsplaats Bonaire. Tegen de beslissing naar aanleiding van de vordering van het Openbaar Ministerie om de tenuitvoerlegging te gelasten van een eerder voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf staat ingevolge het bepaalde in art. 17k Sr BES geen rechtsmiddel open. De beslissing is dan ook onherroepelijk geworden. Cassatie in het belang der wet is wel mogelijk op grond van het bepaalde in art. 1 lid 1 Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verbinding met art. 78 lid 1 Wet RO.
Het gaat in deze zaak over het volgende.
De betrokkene is bij vonnis van 17 juni 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig dagen, waarvan vijftien dagen voorwaardelijk, ter zake van ‘mishandeling’ (art. 313 Sr BES), met een proeftijd voor de duur van twee jaren. Het Gerecht heeft bepaald dat de tijd die door de betrokkene is doorgebracht in voorarrest van de straf wordt afgetrokken. Naast de vermelding van de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan enig strafbaar feit, bevat het vonnis verschillende, nader omschreven bijzondere voorwaarden.
Op 15 mei 2024 is de betrokkene gedagvaard, waarbij hem is ten laste gelegd een zestal strafbare feiten, waaronder ‘mishandeling’ (feit 1) en ‘mishandeling, begaan tegen zijn kind’ (feit 2).
Op 21 mei 2024 heeft de officier van justitie te Bonaire de tenuitvoerlegging gevorderd van de onder 6 bedoelde voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf. Ter onderbouwing is gewezen op ‘de feiten die voortvloeien uit het dossier met parketnummer 400.00083/24, waarbij [de betrokkene] wederom wordt verdacht van mishandeling van hetzelfde slachtoffer (zijn partner)’ en gelet op de verdenking in de zaak met het parketnummer 400.00083/24 van ‘mishandeling van zijn (stief)dochter’.
Het onderzoek naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie heeft plaatsgevonden op 27 juni 2024, tegelijkertijd met het onderzoek (ter terechtzitting) naar het ten laste gelegde bij dagvaarding van 15 mei 2024.
Het Gerecht heeft de betrokkene bij onherroepelijk geworden vonnis van 18 juli 2024 veroordeeld ter zake van ‘mishandeling’ (feit 1), ‘mishandeling, begaan tegen zijn kind’ (feit 2), ‘wederspannigheid’ (feit 3), ‘handelen in strijd met art. 28, tweede lid, onder a, van de Wegenverkeersverordening Bonaire’ (feit 4), ‘handelen in strijd met art. 100, eerste lid, van de Wegenverkeersverordening Bonaire’ (feit 5) en ‘als bestuurder van een motorrijtuig, daarmee over de weg rijden, terwijl niet is voldaan aan de verplichting tot het sluiten van een verzekering die voldoet aan de bij en krachtens de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen BES gestelde bepalingen’ (feit 6).
Het Gerecht heeft de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf afgewezen. De afwijzing berust op een verschil van inzicht met de officier van justitie over de uitleg en reikwijdte van de term ‘zich misdraagt’ als bedoeld in art. 17h Sr BES, in verbinding met de term ‘zich op andere wijze heeft misdragen’ als bedoeld in art. 17a Sr BES, waarop ik in het onderstaande nader zal ingaan. Zowel het standpunt van de officier van justitie als het oordeel van het Gerecht is uitvoerig gemotiveerd, onder meer met verwijzingen naar de wetsgeschiedenis.
Voorafgaand aan de verdere inhoudelijke bespreking, hecht ik eraan het volgende op te merken. Deze vordering tot cassatie in het belang der wet was niet nodig geweest als de strafwetgeving in de BES in dit opzicht bij de tijd was gebleven. In alle andere delen van het Koninkrijk doet het in de vordering centraal gestelde probleem zich niet voor vanwege het wettelijk systeem van gelijktijdige berechting van het nieuwe feit en de vordering tot tenuitvoerlegging die samenhangt met dat feit, ook bij het instellen van rechtsmiddelen. In dat systeem is het niet mogelijk dat een bevel tot tenuitvoerlegging dat is gegrond op een nieuw strafbaar feit eerder onherroepelijk wordt dan de veroordeling ter zake van dat feit. Uiteraard kan de wetgever ervoor kiezen om op onderdelen af te wijken van de regelingen in andere delen van het Koninkrijk, maar het heeft er de schijn van dat de afwijking in dit geval niet voortkomt uit een bewuste afweging, maar uit achterstallig legislatief onderhoud. Het verdient aanbeveling de wetgeving in de BES op dit punt te moderniseren en af te stemmen op die in de andere delen van het Koninkrijk.
De vordering is als volgt opgebouwd. Eerst zal ik onder meer de relevante overwegingen van het Gerecht weergeven en de aanleiding tot en het belang van een vordering tot cassatie in het belang der wet toelichten. Na een bespreking van het juridisch kader, zal ik ingaan op de rechtsvragen die in deze vordering centraal staan. Voordat ik een cassatiemiddel formuleer, maak ik de balans op.
Het debat ter terechtzitting en het vonnis van het Gerecht 14. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de grond dat de betrokkene zich gedurende de proeftijd ‘op andere wijze heeft misdragen’ (zie art. 17a Sr BES) eveneens kan inhouden een bewezenverklaring van een voor het einde van de proeftijd begaan nieuw strafbaar feit. In een schriftelijk standpunt is deze stellingname als volgt toegelicht.
De officier van justitie zet in zijn schriftelijke standpunt uiteen dat de gangbare interpretatie van de regeling van de voorwaardelijke veroordeling in de BES (art. 17a-17k Sr BES) is dat sprake dient te zijn van een onherroepelijke veroordeling ter zake van een voor het einde van de proeftijd begaan nieuw strafbaar feit. Pas daarna kan de tenuitvoerlegging worden gelast van een eerder voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf. Deze gang van zaken is volgens de officier van justitie inefficiënt en berust op een misvatting over de regeling in kwestie. De grond dat de veroordeelde zich heeft misdragen biedt volgens hem in voorkomende gevallen wel mogelijkheden voor een last tot tenuitvoerlegging.
Ter staving van zijn stelling verwijst de officier van justitie naar de parlementaire stukken behorende bij de Europees-Nederlandse wet van 26 november 1986, waarbij de grond dat de veroordeelde zich heeft misdragen is geschrapt. Daarin wordt ingegaan op de (Europees-Nederlandse) regeling bij wet van 15 juni 1951. De grond dat de veroordeelde zich heeft misdragen was indertijd opgenomen, omdat de herroeping van het bevel tot niet-tenuitvoerlegging op vordering van het Openbaar Ministerie slechts kon worden gelast in het geval (voor zover relevant) de veroordeelde zich schuldig had gemaakt aan een nieuw strafbaar feit. Dat daarvan sprake was, diende te blijken uit een onherroepelijke veroordeling.
Deze beperking verkleint echter het effect van de voorwaardelijke veroordeling. Bij wangedrag is het nodig dat een veroordeelde snel de gevolgen daarvan ondervindt. De toevoeging van de grond dat de veroordeelde zich misdraagt, zou mogelijk moeten maken dat op dergelijk wangedrag kan worden gereageerd zonder dat dit uit een onherroepelijke uitspraak hoeft te blijken. Bovendien voorkomt deze grond dat het Openbaar Ministerie min of meer geforceerde vervolgingen instelt om alsnog de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf te kunnen vorderen. De toevoeging van de grond dat de veroordeelde zich heeft misdragen moest dan ook mogelijk maken dat ‘[i]n het algemeen (…) de rechter, ook wanneer een strafbaar feit is gepleegd, op grond van wangedrag last tot tenuitvoerlegging [zal] kunnen geven.
Indien echter twijfelachtig is, of het feit is gepleegd, zal hij deze last eerst geven, indien van een onherroepelijke veroordeling blijkt.’ Dit brengt de officier van justitie tot de tussenconclusie dat 1) het doel van de wetswijziging van 1951 was om een zo effectief als mogelijke tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf te bewerkstelligen, 2) de grond dat een veroordeelde zich heeft misdragen van toepassing is in geval van een voor het einde van de proeftijd door de veroordeelde gepleegd strafbaar feit en 3) dit niet behoeft te blijken uit een onherroepelijke veroordeling.
Vervolgens citeert de officier van justitie de volgende passage uit een WODC-onderzoek van 1979 over de voorwaardelijke veroordeling (met weglating van voetnoten): “In 1962 stelde A.J.J. Goedemans vast, dat de formule van de "algemene misdraging" nog nauwelijks inhoud had gekregen. Pas in 1975 spreekt de Hoge Raad uit dat de wet van 1951 een tenuitvoerlegging op grond van een feit waarbij (nog) niet van een onherroepelijk vonnis sprake is, mogelijk maakt. Ondertussen kwam een zogenaamd synchrone behandeling van de vordering tenuitvoerlegging met de strafvordering in de nieuwe zaak op ruime schaal voor. Hierbij werd dan het nieuwe feit als misdraging aangemerkt, waarop in een afzonderlijke vordering de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf werd gebaseerd.”
Ook citeert de officier van justitie een arrest van de Hoge Raad van 21 januari 1975, dat ik hierna zal bespreken.
De officier van justitie komt tot de volgende conclusie: “Op grond van voornoemde wetsgeschiedenis en jurisprudentie kan worden geconcludeerd dat toentertijd onder de voorwaarde van ‘anderszins misdragen gedurende de proeftijd’, zoals heden is vastgelegd in de artikelen 17a jo 17h Wetboek van Strafrecht BES, mede kan en mag worden verstaan de omstandigheid dat verdachte een nieuw strafbaar feit heeft gepleegd tijdens zijn proeftijd. Indien dat nieuwe strafbaar feit door de rechter overtuigend bewezen wordt verklaard, staat de rechter niets in de weg om gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke sanctie te gelasten op grond van die algemene misdraging begaan tijdens de proeftijd.”
De rechter kan vervolgens een last tot tenuitvoerlegging geven in drie gevallen:
De wettelijke regelingen in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in Nederland In de Wetboeken van Strafrecht van Aruba, Curaçao en Sint Maarten komt de term ‘misdraging’ met betrekking tot de voorwaardelijke straf niet (meer) voor. Tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf kan worden gelast indien enige voorwaarde niet wordt nageleefd (artikel 1:26). Algemene voorwaarde bij een voorwaardelijke straf is altijd dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit (artikel 1:21).
De rechter die de voorwaardelijke straf heeft opgelegd is bevoegd de vordering te behandelen, tenzij de veroordeelde wordt vervolgd voor het plegen van een nieuw strafbaar feit tijdens de proeftijd. In dat geval is de rechter in eerste aanleg die het nieuwe strafbare feit berecht bevoegd. Die rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de rechter tot een veroordeling komt voor het nieuwe feit (artikel 1:26 lid 3). Om een onherroepelijke veroordeling hoeft het volgens de wettekst niet te gaan.
Rechterlijke beslissingen over een vordering tot tenuitvoerlegging zijn niet aan een rechtsmiddel onderworpen, tenzij zij deel uitmaken van een uitspraak ter zake van andere strafbare feiten (artikel 1:29 lid 1).
In Nederland geldt een soortgelijke regeling. In 1986 is de term ‘misdragen’ uit de wet gehaald. Daarvoor in de plaats kwam de mogelijkheid om al direct de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf te gelasten, bij de berechting van het nieuwe in de proeftijd gepleegde strafbare feit. Ook de mogelijkheden voor hoger beroep zijn hetzelfde als in Aruba, Curaçao en Sint Maarten: bij de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf wegens overtreding van een bijzondere voorwaarde, is hoger beroep niet mogelijk. Hoger beroep is wel mogelijk als de beslissing tot tenuitvoerlegging onderdeel uitmaakt van een beslissing ter zake van een ander strafbaar feit (artikel 6:6:22 lid 1 sub b Wetboek van Strafvordering).
De wetsgeschiedenis – invoering van de term ‘misdragen’ De officier van justitie heeft onder andere verwezen naar de wetsgeschiedenis bij de invoering van de term ‘misdragen’ in 1950/1951 in Nederland. Bij die wetswijziging werd de term ‘misdragen’ toegevoegd aan het toen geldende artikel 14h Wetboek van Strafrecht. Vanaf toen kon de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast als de veroordeelde zich opnieuw schuldig had gemaakt aan een strafbaar feit en hiervoor onherroepelijk was veroordeeld en als de veroordeelde zich had misdragen.
De regeling zoals die in de jaren 50 van de vorige eeuw in Nederland gold is nagenoeg gelijkluidend terecht gekomen in het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen en daarna in het Wetboek van Strafrecht BES.
Kijkend naar onder andere de Memorie van Toelichting uit 1950, bestaat er inderdaad weinig twijfel over dat het destijds de bedoeling van de wetgever was om de mogelijkheden voor het tenuitvoerleggen van een voorwaardelijke straf uit te breiden en niet vast te zitten aan een onherroepelijke veroordeling. In de Memorie van Toelichting staat immers: “Juist bij wangedrag is het nodig, dat de veroordeelde snel de gevolgen bemerkt. Daarom is het wenselijk, dat last tot tenuitvoerlegging reeds kan worden gegeven, indien de veroordeelde zich aan wangedrag schuldig maakt: zulks ter beoordeling van de rechter en zonder dat van dit wangedrag uit een onherroepelijke uitspraak behoeft te blijken”.
En even verderop: “In het algemeen zal de rechter, ook wanneer een strafbaar feit is gepleegd, op grond van wangedrag last tot tenuitvoerlegging kunnen geven. Indien echter twijfelachtig is, of het feit is gepleegd, zal hij deze last eerst geven, indien van een onherroepelijke veroordeling blijkt”.
Taalkundige uitleg Ook taalkundig lijkt het logisch onder ‘misdragen’ ook het plegen van een nieuw strafbaar feit te rekenen. Misdragen betekent je ‘slecht gedragen’; hoe zou het plegen van een strafbaar feit daar niet onder kunnen vallen?
Steun voor deze uitleg vindt het gerecht in een recente uitspraak van de Hoge Raad, die niet gaat over tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf, maar wel over de term ‘misdragen’. In deze zaak had het openbaar ministerie een zaak geseponeerd onder de voorwaarde dat verdachte: ‘zich niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit, dan wel zich op andere wijze zal misdragen’. Het hof had die tweede voorwaarde zo uitgelegd dat die niet ziet op een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit, maar op het ontstaan van een nieuwe verdenking dat de verdachte zich aan enig strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. De Hoge Raad beoordeelt deze uitleg als niet onbegrijpelijk, in aansluiting op een gelijkluidend oordeel uit 2015.
Wetsystematiek Bestudering van de wetsystematiek pleit juist weer tegen het standpunt van de officier van justitie. De systematiek van de regeling van de artikelen 17a tot en met 17k Sr BES is duidelijk ingericht op een afzonderlijke procedure voor het geval de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf wordt gevorderd, bij de rechter die de voorwaardelijke straf heeft opgelegd. In artikel 17f staat immers: het openbaar ministerie kan kennis geven dat de veroordeelde de voorwaarden niet naleeft ‘aan de rechter die het in artikel 17a bedoelde bevel heeft gegeven’. Oftewel: aan de rechter die de voorwaardelijke straf heeft opgelegd. Anders dan in Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten wordt de bevoegdheid van de rechter die een nieuw, tijdens de proeftijd gepleegd, strafbaar feit berecht nergens genoemd.
Ook de tekst van artikel 17f pleit tegen het standpunt van de officier van justitie. De tekst van dit artikel lezend, is het moeilijk te begrijpen waarom de wetgever expliciet heeft bepaald dat de veroordeling voor het nieuwe feit onherroepelijk moet zijn voordat zelfs maar een melding aan de rechter mag worden gedaan dat de veroordeelde een nieuw strafbaar feit heeft gepleegd, als tegelijkertijd op basis van een ‘misdraging’ de enkele verdenking van een nieuw strafbaar feit aanleiding kan zijn om een last tot tenuitvoerlegging te geven.
Zoals gezegd is het tot nu toe op de BES ook niet gebruikelijk om een vordering tot tenuitvoerlegging gezamenlijk in te dienen met de dagvaarding voor het nieuwe strafbare feit. De gangbare interpretatie van de artikelen 17f en 17h Sr BES is steeds geweest dat een vordering tot tenuitvoerlegging wegens een nieuw strafbaar feit pas kan worden gedaan nadat de veroordeling voor dat feit onherroepelijk is geworden. En dat de vordering tot tenuitvoerlegging dus niet kan worden aangebracht tegelijk met de dagvaarding voor het nieuwe feit, precies zoals het in de laatste volzin van artikel 17f staat beschreven.
Oordeel van het Gerecht Het Gerecht stelt vast dat de wettelijke regeling van de artikelen 17a tot en met 17k Sr BES vragen oproept, die vanuit verschillende gezichtspunten verschillend kunnen worden beantwoord. Het ligt enerzijds voor de hand de kennelijke wil van de wetgever te volgen en onder misdraging ook het plegen van een nieuw strafbaar feit te verstaan. Taalkundig lijkt dat ook logisch. Anderzijds zou toewijzing van de vordering van de officier van justitie leiden tot een tot nu toe niet gebruikelijke interpretatie van de wet, die in strijd lijkt te zijn met de wetssystematiek. Die nieuwe interpretatie zou bovendien een (grote) verruiming meebrengen van de mogelijkheden om een last tot tenuitvoerlegging te geven. (…) Het zou naar [het] oordeel van het Gerecht voor de hand liggen om de interpretatie die de officier van justitie voorstaat te volgen, als de (verouderde) regeling op de BES daarmee in overeenstemming zou worden gebracht met de regeling zoals die geldt op de andere eilanden en in Nederland. Maar dat is niet het geval. Want anders dan op de andere eilanden en in Nederland, ontbreekt op de BES in alle gevallen de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen. De tekst van artikel 17k Sr BES is daarover duidelijk.
Dat betekent dat de interpretatie van de wet zoals de officier van justitie die voorstaat zou leiden tot de volgende uitkomst: het Gerecht in eerste aanleg BES kan een verdachte veroordelen voor een nieuw strafbaar feit en daarbij een last tot tenuitvoerlegging geven van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf. Vervolgens kan de verdachte wel in hoger beroep tegen de veroordeling voor het nieuwe feit, maar niet tegen de beslissing tot tenuitvoerlegging. In hoger beroep kan de verdachte dan alsnog worden vrijgesproken van het nieuwe feit. Maar de beslissing tot tenuitvoerlegging blijft in stand, want die is niet voor beroep vatbaar. Die uitkomst is naar oordeel van het gerecht onrechtvaardig en ongewenst. En dat geeft voor het Gerecht uiteindelijk de doorslag.
Dat de wetgever in de jaren 50 van de vorige eeuw de term ‘misdragen’ aan de regeling heeft toegevoegd om de mogelijkheden voor tenuitvoerlegging uit te breiden, juist zodat niet altijd gewacht zou hoeven worden op een onherroepelijke veroordeling, maakt dit niet anders. Het kan zijn dat ook destijds al niet de mogelijkheid bestond om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing en dat de wetgever dit destijds niet als een probleem heeft ervaren. In de huidige tijd ligt dit anders. Na de jaren 50 van de vorige eeuw heeft de wetgever, eerst in Nederland en later in Aruba, Curaçao en Sint Maarten, de expliciete mogelijkheid gecreëerd dat de rechter die over een nieuw strafbaar feit beslist ook een last tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf kan geven vanwege het plegen van dat nieuwe strafbare feit. Daarbij is ook de mogelijkheid gecreëerd dat tegelijk met het instellen van beroep tegen de nieuwe beslissing ook beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging. Het een kan, naar het oordeel van het Gerecht, niet zonder het ander. En het creëren van een hoger beroepsmogelijkheid gaat de rechtsvormende taak van het Gerecht (ver) te buiten.
Het Gerecht oordeelt daarom dat dat regeling van de artikelen 17a tot en met 17k Sr BES niet anders gelezen kan worden dan in die zin dat tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf vanwege een nieuw gepleegd strafbaar feit, niet mogelijk is zolang de veroordeling voor dat nieuwe feit niet onherroepelijk is. Ook niet op de grond dat de verdachte/veroordeelde zich heeft misdragen in de zin van artikel 17h Sr.
Het Gerecht zal de vordering van de officier van justitie afwijzen.”
Aanleiding tot en belang van de vordering tot cassatie in het belang der wet 17. Ambtshalve hebben mij zowel vanuit de zittende als de staande magistratuur signalen bereikt dat de rechtspleging in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gebaat is bij een richtinggevend antwoord van de Hoge Raad op de rechtsvraag die in deze vordering centraal staat. Hierbij sluit aan dat het Gerecht in het vonnis overweegt dat, indien de wet daartoe de mogelijkheid zou hebben geboden, het de mogelijkheid van het stellen van een prejudiciële aan de Hoge Raad in aanmerking had genomen. Cassatie in het belang der wet is de enige route om een uitspraak van de Hoge Raad te krijgen over de reikwijdte van art. 17h Sr BES. Beantwoording kan de rechtsgemeenschap in Bonaire, Sint Eustatius en Saba duidelijkheid geven op een terrein waarop de wetgeving afwijkt van die van de andere delen van het Koninkrijk. Om deze reden heb ik besloten de Hoge Raad in de gelegenheid te stellen de gewenste duidelijkheid te verschaffen door beantwoording van de rechtsvraag die in deze vordering centraal staat.
Juridisch kader Relevante bepalingen 18. De volgende bepalingen zijn van belang:
Het voorgaande lid is mede van toepassing, indien de veroordeelde vóór het einde van den proeftijd ter zake van een vóór het ingaan daarvan begaan strafbaar feit onherroepelijk wordt strafbaar verklaard.”
De last tot tenuitvoerlegging kan niet meer worden gegeven, wanneer sedert het einde van de proeftijd een termijn van drie maanden is verstreken, tenzij de veroordeelde vóór den afloop daarvan ter zake van een gedurende den proeftijd begaan strafbaar feit is vervolgd en de vervolging met eene onherroepelijke strafbaarverklaring eindigt. Alsdan kan nog ter zake van het begaan van dat feit binnen veertien dagen nadat de strafbaarverklaring onherroepelijk is geworden, last tot tenuitvoerlegging worden gegeven.”
De wettelijke regeling 19. De wettelijke regeling van de voorwaardelijke veroordeling op de BES vindt haar oorsprong in de wettelijke regeling in Nederland tot 1987. De voor deze vordering relevante bepalingen komen in grote mate overeen met de artikelen die luidden in Nederland sinds de inwerkingtreding van de wet van 15 juni 1951. Sinds 1 januari 1987 is de wettelijke regeling in (Europees) Nederland gewijzigd. In het bijzonder is de grond dat de veroordeelde zich misdraagt voor het alsnog gelasten van de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf komen te vervallen. Sinds deze wetswijziging oordeelt de rechter die een nieuw feit berecht eveneens over de vordering tot het alsnog tenuitvoerleggen van een eerder voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf. Onder meer om deze reden werd de grond overbodig geacht. Ik heb geen aanknopingspunt gevonden dat de wetgever bij de regeling in het Wetboek van Strafrecht BES op enig voor deze vordering relevant aspect een afwijking heeft voorgestaan ten opzichte van de wettelijke regeling in (Europees) Nederland tot 1987. Om deze reden zal ik mij bij het bespreken van de wettelijke regeling mede bedienen van de parlementaire stukken behorende bij de wet van 15 juni 1951 en de op deze wettelijke regeling gestoelde rechtspraak.
De gronden voor een last tenuitvoerlegging 20. Art. 17a Sr BES geeft drie gronden voor het later alsnog gelasten van een eerder voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf. De eerste grond houdt in dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De tweede grond betreft de situatie waarin de veroordeelde zich ‘op andere wijze’ heeft misdragen. De derde grond is dat de veroordeelde een (eventuele) bijzondere voorwaarde, die door de rechter is gesteld, niet heeft nageleefd.
Art. 17f Sr BES en art. 17h h Sr BES verschaffen nadere duidelijkheid over de eerste grond. Aan deze grond is voldaan in het geval de veroordeelde bij een onherroepelijke rechterlijke uitspraak strafbaar is verklaard. Het bepaalde in 17h Sr BES brengt tot uitdrukking dat daaronder eveneens moet worden verstaan een voor het ingaan van de proeftijd begaan strafbaar feit, mits dit blijkt uit een onherroepelijke rechterlijke uitspraak. Daarmee staat de algemene voorwaarde, en de daarmee verband houdende grond, in het teken van het strafrechtelijke doel van speciale preventie.
Dit komt het duidelijkst tot uitdrukking bij de voorwaarden die het gedrag van de veroordeelde betreffen (zie art. 17c lid 2, onder e, Sr BES). Volgens rechtspraak van de Hoge Raad gaat het daarbij om a) een gedraging waartoe de veroordeelde uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht en b) voorwaarden die strekken ter bevordering van goed levensgedrag van de veroordeelde. De eerstgenoemde categorie voorwaarden houdt verband met de naweeën van het delict. De laatstgenoemde categorie is toekomstgericht. In zijn arrest van 31 mei 2022 heeft de Hoge Raad de laatstgenoemde categorie nader verduidelijkt door te overwegen dat daaronder dient te worden verstaan voorwaarden die strekken tot het voorkomen van strafbaar gedrag bij de veroordeelde.
Enkele procedurele aspecten 26. Art. 17a-17k Sr BES kent de bevoegdheid tot het alsnog gelasten van de tenuitvoerlegging toe aan de rechter die heeft bevolen dat (een deel van) een straf voorwaardelijk niet uitvoer zal worden gelegd. Dat wil zeggen dat deze mogelijkheid is toegekend bij wet aan het gerecht dat de straf heeft opgelegd. Daarvoor voorziet de wettelijke regeling in een separate procedure. Dat blijkt onder meer uit het bepaalde in art. 17j lid 4 Sr BES, waarbij een reeks bepalingen uit het Vijfde Boek van Sv BES (met het opschrift ‘[d]e terechtzitting’) van overeenkomstige toepassing is verklaard.
Het EVRM 29. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM is ‘revocation’ van een voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf op grond van een niet-onherroepelijke veroordeling als zodanig niet in strijd met art. 5 lid 1, onder a, EVRM. Tussen de vrijheidsbeneming en ‘the conviction’ dient wel een causaal verband te bestaan. Er zijn situaties denkbaar waarbij dit vereiste causaal verband mogelijk wordt doorbroken, omdat de grondslag aan de last tot tenuitvoerlegging die is gegrond op een schuldvaststelling kan komen te ontvallen. Ik denk dan met name aan de situatie dat de last tot tenuitvoerlegging is gegrond op een schuldvaststelling, terwijl de betrokkene in hoger beroep wordt vrijgesproken. Met voormalig AG Knigge meen ik dat in een dergelijk geval bezwaarlijk kan worden volgehouden dat de voortgezette vrijheidsbeneming haar grond vindt in schuld die in rechte is vastgesteld, terwijl deze grond evenmin kan worden gevonden in de oorspronkelijke veroordeling.
Het EHRM oordeelde dat met de motivering van het bevel tot tenuitvoerlegging de onschuldpresumptie als bedoeld in art. 6 lid 2 EVRM was geschonden. Daarbij betrekt het EHRM in zijn overwegingen de motivering van de beslissing in hoger beroep, waarin ‘without any reservations or reference to the state of suspicion’ is bevestigd dat de betrokkene een strafbaar feit heeft gepleegd ‘before he was proved guilty thereof by the competent trial courts in a final judgment in accordance with the law’. Dat de betrokkene een paar maanden later in de procedure ten gronde ook daadwerkelijk (en uiteindelijk onherroepelijk) is veroordeeld voor het plegen van dat strafbaar feit, deed aan het oordeel van het EHRM niet af.
Op 1 april 2003 heeft de Hoge Raad overwogen dat de oplegging van een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, voor zover dit voordeel betrekking heeft op feiten waarvan de betrokkene is vrijgesproken, niet onverenigbaar is met art. 6 lid 2 EVRM. Het hof had onder meer een reeks ten laste gelegde, doch niet bewezen verklaarde, feiten in de ontnemingsprocedure als ‘soortgelijke feiten’ als bedoeld in art. 36e lid 2 Sr ten grondslag gelegd aan het opleggen van een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat. Het hof heeft over die feiten geoordeeld dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan. De betrokkene heeft, nadat de Hoge Raad het cassatieberoep heeft verworpen, zich gewend tot het Straatsburgse hof. Het EHRM heeft geoordeeld dat de onschuldpresumptie als bedoeld in art. 6 lid 2 EVRM is geschonden.
Gelet op deze verdragsschending heeft de Hoge Raad bij arrest van 9 september 2008 zijn koers in zoverre bijgesteld, dat voortaan de oplegging van een betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel niet mag worden gebaseerd op een ten laste gelegd feit waarvan de verdachte in de hoofdzaak is vrijgesproken, ook niet in het geval het een zogenoemde technische vrijspraak betreft.
De rechtspraak ten aanzien van de profijtontneming rechtvaardigt de gevolgtrekking dat aan een vrijspraak een speciale betekenis toekomt. Deze betekenis is beperkt in reikwijdte tot het delict waarvan iemand is vrijgesproken en enkel zoals ten laste is gelegd. Slechts ten aanzien van dat feit, waaronder mede dient te worden verstaan de tijd(spanne), heeft de presumptie te gelden dat iemand onschuldig is. In alle andere gevallen biedt de ontnemingsprocedure voldoende waarborgen, zoals de mogelijkheid van tegenspraak.
De vernietiging van het vonnis maakt immers dat de ‘causal connection’ tussen de veroordeling en de vrijheidsbeneming wordt doorbroken.De basis voor de vrijheidsbeneming is in geval van toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging op grond van een schending van de algemene voorwaarde immers niet (slechts) gelegen in de oorspronkelijke strafoplegging, maar (ook) in de uitspraak waarbij is vastgesteld dat de algemene voorwaarde is overtreden. Daarbij komt dat degene die wordt vrijgesproken op grond van art. 6 lid 2 EVRM een bijzondere bescherming geniet.Hij dient als onschuldige te worden bejegend. Tenuitvoerlegging op grond van de vaststelling dat de veroordeelde een nieuw strafbaar feit heeft begaan, past daarin niet.
Daarmee wordt immers tot uitdrukking gebracht dat de veroordeelde die van het ten laste gelegde, nieuwe feit is vrijgesproken zich wel aan dat feit schuldig heeft gemaakt. Dat lijkt mij in strijd met art. 6 lid 2 EVRM.
Balans 45. Het voorgaande biedt een basis voor het opmaken van de balans. De wettelijke regeling van de voorwaardelijke veroordeling in het Wetboek van Strafrecht BES vindt haar oorsprong in en komt grotendeels woordelijk overeen met de bepalingen over de voorwaardelijke veroordeling in het Wetboek van Strafrecht van (Europees) Nederland, zoals die luidden tot 1 januari 1987. De Hoge Raad heeft zich in zijn arrest van 21 januari 1975 uitgelaten over de destijds geldende bepalingen in (Europees) Nederland. Dit arrest kan als uitgangspunt worden genomen voor de beantwoording van de voorliggende vraag. Het ligt in de rede dat de uitleg die de Hoge Raad in zijn arrest van 1975 heeft gegeven ook leidend is voor de uitleg van de huidige wettelijke regeling van de BES, die in dit opzicht overeenkomt met die van de wettelijke regeling van 1951. Daarbij merk ik op dat ook in de wettelijke regeling ten tijde van de beslissing van de Hoge Raad in 1975 de mogelijkheid bestond dat de tenuitvoerlegging werd gelast voor een feit waarvan de verdachte in hoger beroep werd vrijgesproken, zonder dat de last tenuitvoerlegging in hoger beroep kon worden bestreden.
De wet geeft de rechter de vrijheid te bepalen op welke dag de zaak wordt behandeld. Hoewel de beslissing op een vordering tenuitvoerlegging een separate procedure betreft, verbiedt geen rechtsregel de rechter – om redenen van proceseconomie – in voorkomende gevallen de behandeling van de dagvaarding en de vordering synchroon te behandelen. Ook tegen de achtergrond van art. 6 lid 2 EVRM is die werkwijze niet problematisch.
In het licht van het voorgaande meen ik dat het oordeel van het Gerecht, inhoudende dat de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf vanwege een nieuw begaan strafbaar feit niet mogelijk is zolang de veroordeling voor dat nieuwe feit niet onherroepelijk is geworden getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het gerecht heeft zijn oordeel niet (expliciet) gestoeld op art. 6 lid 2 EVRM, maar op de overweging dat een andere uitkomst ‘onrechtvaardig en ongewenst’ wordt bevonden. Het gevolg van deze benadering van het Gerecht is daarmee wel dat in strijd met de wil van de wetgever de mogelijkheid wordt afgesneden dat een last tot tenuitvoerlegging wordt gegrond op een nieuw strafbaar feit, ook zonder dat een onherroepelijke veroordeling voor dat feit voorhanden is. De Hoge Raad heeft in 1975 geoordeeld dat onder ‘zich op andere wijze misdragen’ mede kan worden begrepen het geval dat een veroordeelde zich aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, terwijl art. 6 lid 2 EVRM niet in de weg staat aan een toewijzing van een vordering tenuitvoerlegging nadat het gerecht de betrokkene heeft veroordeeld wegens een nieuw strafbaar feit.
Cassatiemiddel en vordering 50. In het belang der wet stel ik het volgende middel voor:
Schending van het recht, in het bijzonder van de artikelen 17h en 17a Sr BES, doordat het Gerecht ten onrechte heeft overwogen dat de regeling van de artikelen 17a tot en met 17k niet anders kan worden gelezen dan in die zin dat tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf vanwege een nieuw gepleegd strafbaar feit niet mogelijk is zolang de veroordeling voor dat nieuwe feit niet onherroepelijk is, terwijl de wettelijke regeling de mogelijkheid opent dat de rechter die de voorwaardelijke straf heeft uitgesproken en de veroordeelde ter zake van het nieuwe feit veroordeelt de tenuitvoerlegging gelast op de grond dat de veroordeelde zich heeft misdragen als bedoeld in art. 17h Sr BES.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Vgl. art. 17h Sr BES waarin de grond, die voortvloeit uit art. 17a Sr BES, iets anders is geformuleerd, namelijk: ‘zich misdraagt’.
In werking getreden op 1 januari 1987, zie Stb. 1986, 593 i.v.m. Stb. 1986, 594.
Zie Stb. 1951, 214.
Zie Kamerstukken II 1949/50, 1546, nrs. 1-3, p. 2.
Zie J.J. van der Kaaden, De tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf, Den Haag: WODC 1979, p. 9-10.
Er zijn wel degelijk verschillen. Ik wijs bijvoorbeeld op het bepaalde in art. 17a Sr BES. Dit artikel bepaalt dat de rechter die een persoon veroordeelt tot gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren het bevel kan geven dat die straf of een deel daarvan niet zal worden ten uitvoer gelegd. In art. 14a (oud) Sr, zoals dit artikel luidde in de periode 1951-1986, was bepaald dat de rechter kan bevelen dat de straf, dan wel een deel daarvan, niet zal worden ten uitvoer gelegd in het geval hij een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar oplegt. Dergelijke verschillen zijn voor deze vordering niet relevant.
Zie Stb. 1951, 214.
De wetswijzigingen in de tussenliggende periode acht ik voor deze vordering niet van belang.
Zie Stb. 1986, 593 i.v.m. Stb. 1986, 594.
Zie Kamerstukken II 1984/85, 18 764, nrs. 1-3, p. 15.
Zie o.m. samen met P.C. Vegter, Sanctierecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 350.
Zie HR 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:807, NJ 2022/250, m.nt. Ten Voorde.
Waarmee voor zover relevant art. 14a (oud) Sr en art. 14h (oud) Sr zijn gewijzigd.
Zie Kamerstukken II 1949/50, 1546, nrs. 1-3.
Zie Kamerstukken II 1950/51, 1546, nr. 5. Uit de Handelingen blijkt dat ‘de artikelen en de beweegreden van het wetsontwerp’ door de Tweede Kamer zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming zijn aangenomen. Zie Handelingen II 1950/51, p. 1729. Ook de Eerste Kamer heeft de wet aangenomen zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming. Zie Handelingen I 1950/51, p. 449-450.
Zie HR 21 januari 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB5457, NJ 1976, 37, m.nt. ALM.
Zie HR 15 december 1953, NJ 1954, 70, m.nt. BVAR.
Vgl. EHRM 27 juni 1968, nr. 2122/64 (Wemhoff/Duitsland) waarin het EHRM overweegt dat vrijheidsbeneming ‘after conviction’ als bedoeld in art. 5 lid 1, onder a, EVRM niet beperkt is tot onherroepelijke veroordelingen. Vgl. tevens EHRM 3 oktober 2002, nr. 37568/97 (Böhmer/Duitsland) waarin het EHRM overweegt dat ‘revocation’ van (kortweg) een voorwaardelijke vrijheidsstraf kan worden aangemerkt als ‘lawful detention’ als bedoeld in art. 5 lid 1, onder a, EVRM.
Zie EHRM 2 maart 1987, nr. 9787/82 (Weeks/VK).
Vgl. de vordering tot cassatie in het belang der wet van voormalig AG Knigge (ECLI:NL:PHR:2017:1049), o. 11.4, voorafgaand aan HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3186, NJ 2018/321, m.nt. Vellinga-Schootstra. Vgl. ook mijn vordering tot cassatie in het belang der wet (ECLI:NL:PHR:2020:160), o. 56 e.v., voorafgaand aan HR 6 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:389, NJ 2020/263, m.nt. Reijntjes.
Zie EHRM 3 oktober 2002, nr. 37568/97 (Böhmer/Duitsland). Vgl. ook mijn vordering tot cassatie in het belang der wet (ECLI:NL:PHR:2020:160), o. 59, voorafgaand aan HR 6 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:389, NJ 2020/263, m.nt. Reijntjes.
Vgl. EHRM 5 juli 2001, nr. 41087/98 (Phillips/VK).
Zie onder meer EHRM 24 mei 2011, nr. 53466/07 (Konstas/Griekenland).
Vgl. EHRM 25 maart 1983, nr. 8660/79 (Minelli/Zwitserland), par. 35 waarin het EHRM overweegt dat zijn taak beperkt is tot de beoordeling van een individueel geval. Dit betekent dat ‘it has to give a ruling not on the Zürich legislation and practice in abstracto but solely on the manner which they were applied to the applicant’.
Zie EHRM 3 oktober 2002, nr. 37568/97 (Böhmer/Duitsland).
Zie EHRM 12 november 2015, nr. 2130/10 (El Kaada/Duitsland).
Vgl. EHRM 27 februari 2007, nr. 65559/01 (Nešťák/Slovenië), par. 90 waarin het EHRM overweegt dat ‘[t]he fact that the applicant was ultimately found guilty and sentenced to a term of imprisonment cannot vacate his initial right to be presumed innocent until proved guilty according to law’.
Zie EHRM 14 maart 2019, nr. 35726/10 (Kangers/Letland), par. 60.
Zie bv. EHRM 25 maart 1983, nr. 8660/79 (Minelli/Zwitserland). Vgl. EHRM 14 april 2009, nr. 34814/02 (Didu/Roemenië).
Zie ECRM 9 oktober 1991, nr. 17664/91 (C./Duitsland).
Zie de verwijzingen in EHRM 3 oktober 2002, nr. 37568/97 (Böhmer/Duitsland) naar ECRM 30 november 1994, nr. 23091/93 (M.M./Duitsland); ECRM 5 oktober 1988, nr. 12380/86 (Houswitschka/Duitsland) en ECRM 9 oktober 1991, nr. 15871/89 (G.S./Duitsland).
Zie hierover nader J.H.B. Bemelmans, Totdat het tegendeel is bewezen. De onschuldpresumptie in rechtshistorisch, theoretisch, internationaalrechtelijk en Nederlands strafprocesrechtelijk perspectief (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 210-211.
Vgl. EHRM 24 april 2008, nr. 2947/06 (Ismoilov e.a./Rusland), par. 166 waarin het EHRM overweegt dat ‘[a] fundamental distinction must be made between a statement that someone is merely suspected of having committed a crime and a clear declaration, in the absence of a final conviction, that an individual has committed the crime in question’. Vgl. ook EHRM 6 februari 2007, nr. 14348/02 (Garycki/Polen), par. 67 waarin het EHRM overweegt dat ‘a distinction should be made between statements which reflect the opinion that the person concerned is guilty and statements which merely describe “a state of suspicion”. The former infringe the presumption of innocence, whereas the latter have been regarded as unobjectionable in various situations examined by the Court (…)’.
Zie voor een rekkelijke uitleg, specifiek voor de context van het voorwaardelijk sepot, echter: HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3639, NJ 2017/455, m.nt. Rozemond. Zie ook HR 11 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:807, NJ 2024/202.
Zie in gelijke zin J.H.B. Bemelmans, Totdat het tegendeel is bewezen. De onschuldpresumptie in rechtshistorisch, theoretisch, internationaalrechtelijk en Nederlands strafprocesrechtelijk perspectief (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 310-311.
Zie EHRM 24 mei 2011, nr. 53466/07 (Konstas/Griekenland). Zie nader J J.H.B. Bemelmans, Totdat het tegendeel is bewezen. De onschuldpresumptie in rechtshistorisch, theoretisch, internationaalrechtelijk en Nederlands strafprocesrechtelijk perspectief (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 207-210.
Thans ‘andere strafbare feiten’. Zie Stb. 2011, 171 i.v.m. Stb. 2011, 237.
Zie HR 1 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4146, NJ 2003, 497, m.nt. Sch.
Zie EHRM 1 maart 2007, nr. 30810/03 (Geerings/Nederland), NJ 2007, 349, m.nt. Borgers Zie HR 9 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0090, NJ 2008, 497. Vgl. ook HR 19 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2319, NJ 2008, 128.
Vgl. art. 261 Sv.
Zie noot bij HR 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD6046, NJ 2008, 495, m.nt. Reijntjes.
Zie de vordering tot cassatie in het belang der wet (ECLI:NL:PHR:2020:160), onder 64, voorafgaand aan HR 6 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:389, NJ 2020/263, m.nt. Reijntjes.
Zie ook de vordering tot cassatie in het belang der wet van mijn voormalig ambtgenoot Knigge (ECLI:NL:PHR:2017:1049), onder 11.4, voorafgaand aan HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3186, NJ 2018/321, m.nt. Vellinga-Schootstra.
Zie nader J.H.B. Bemelmans, Totdat het tegendeel is bewezen. De onschuldpresumptie in rechtshistorisch, theoretisch, internationaalrechtelijk en Nederlands strafprocesrechtelijk perspectief (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2018, o.a. p. 322.
Zie ten aanzien van art. 5 EVRM o.m. EHRM 4 juni 2015, nr. 5425/11 (Ruslan Yakovenko/Oekraïne) & EHRM 27 juni 1968, nr. 2122/64 (Wemhoff/Duitsland). Vgl. ten aanzien van art. 6 EVRM o.a. tezamen met P.A.M. Mevis & B.W.A. Volker, Vergroting van slagvaardigheid van het strafrecht. Een rechtsvergelijkend perspectief, Den Haag: Bju 2012, p. 142-143.