← Nederland

ECLI:NL:PHR:2025:798

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer24/02019 Zitting 15 juli 2025 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, hierna: de

Article 6

§ 3 (d) of the Convention has an autonomous meaning which also includes expert witnesses. However, the role of an expert witness can be distinguished from that of an eyewitness, who must give to the court his personal recollection of a particular event. In analysing whether the appearance in person of an expert at the trial was necessary, the Court will therefore be primarily guided by the principles enshrined in the concept of a “fair trial”

Article 6

§ 1 of the Convention, and in particular by the guarantees of “adversarial proceedings” and “equality of arms”. That being said, some of the Court’s approaches to the examination in person of “witnesses”

Article 6

§ 3 (d) are no doubt relevant in the context of the examination of expert evidence, and may be applied, mutatis mutandis, with due regard to the difference in their status and role.” In HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1461, rov. 2.4.3 gaat de Hoge Raad in op het recht van een verdachte om de authenticiteit en betrouwbaarheid te betwisten van ander bewijsmateriaal dan een verklaring van een belastende getuige en zich tegen het gebruik ervan te verzetten. Als een verdachte bij de uitoefening van dat recht beperkingen ondervindt, dient het gebruik van dat materiaal voor het bewijs wel te voldoen aan de eisen van een eerlijk proces. Bij deze beoordeling komt betekenis toe aan dezelfde drie elementen als bij de beoordeling van het gebruik van een getuigenverklaring: reden voor de beperking, gewicht binnen de bewijsconstructie en compenserende factoren. Daarnaast kunnen in de afweging echter onder meer worden betrokken de aard van de uitlatingen, de door de verdediging verstrekte toelichting op haar betwisting van de uitlatingen en haar belang bij het verzochte onderzoek. De Groot en Uijtdewilligen zien geen goede reden het in dit arrest geformuleerde kader niet ook te gebruiken voor bewijsmateriaal dat is neergelegd in een deskundigenverslag of -verklaring, aldus T.M. de Groot, en P. Uijtdewilligen, ‘Het ondervragingsrecht in de rechtspraak van de Hoge Raad na het post-Keskinarrest’, DD 2025/5, p.

  1. Dit verweer is wel gevoerd voor het niet horen van de medeverdachten [medeverdachte 4] , zie p. 1 e.v. van de pleitnota. Vgl. HR 28 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT
  2. Dit deel van de door de verdachte verrichte handelingen is door het hof geschaard onder het kopje ‘De ontvoering’, terwijl andere handelingen zijn ondergebracht onder het kopje ‘De voorbereiding van de ontvoering’. Onder meer hieruit blijkt dat het hof een belangrijk deel van de handelingen van de verdachte ook heeft beschouwd als uitvoeringshandelingen. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.14-3.
  3. Vgl. mijn conclusie van 27 augustus 2024, ECLI:NL:PHR:2024:
  4. Vgl. een soortgelijk geval over de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:934 en HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:
  5. Zie HR 15 juni 2016, ECLI:NL:HR:2021:893 voor een geval waarin het oordeel van het hof dat de behandeling van de zaak in hoger beroep behoorde te zijn afgerond binnen twee jaren nadat het rechtsmiddel was ingesteld door de Hoge Raad niet onbegrijpelijk werd geacht. De verdachte in die zaak had tussen het instellen van het hoger beroep en de uitspraak van het hof ongeveer 21 maanden van de ruim 26 maanden in vrijheid doorgebracht.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.