PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/02851 P Zitting 24 juni 2025 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958, hierna: de betrokkene 1Inleiding 1.1 Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 21 juli 2023 (parketnr. 21-002194-19), het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 205.220,53 en de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 203.220,53. Verder heeft het hof de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaken 23/03023 P, 23/02932 P en 23/02983 P. In deze zaken concludeer ik vandaag ook. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld. 2Waar het in cassatie om gaat 2.1 Deze ontnemingszaak houdt verband met het omvangrijke onderzoek Fiorino naar een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk zou hebben en die zich zou bezig houden met het telen, bewerken, verkopen en verhandelen van grote hoeveelheden hennep. In cassatie gaat het om het oordeel van het hof over de overschrijding van de redelijke termijn. In het bijzonder wordt geklaagd dat het hof de overschrijding van de redelijke termijn niet per procesfase afzonderlijk heeft beoordeeld. 2.2 Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. 3Het middel 3.1 Het middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof over de overschrijding van de redelijke termijn en de mate van vermindering van het ontnemingsbedrag naar aanleiding daarvan blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is. 3.2 Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 juni 2023 heeft de raadsman van de betrokkene daar het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn op schrift gestelde pleitaantekeningen, die aan het proces-verbaal zijn gehecht. Deze pleitaantekeningen houden – voor zover van belang – het volgende in: “Overschrijding redelijke termijn Op 14 oktober 2014 is er conservatoir beslag gelegd op de woning en goederen van cliënt en is op voornoemde datum de redelijke termijn gaan lopen. Op 17 april 2019 is uiteindelijk vonnis gewezen in de ontnemingsprocedure. Een overschrijding van de redelijke termijn van 3,5 jaar. Naar mening van de verdediging is de lange duur van de procedure in eerste aanleg niet geheel aan cliënt te wijten. In de strafrechtelijke procedure had cliënt slechts een aantal beperkte onderzoekswensen (uitwerken verhoren [naam] en het horen van 3 getuigen). De verdediging had wel zekerheidshalve aangegeven zich te willen aansluiten bij de onderzoekswensen van de medeverdachten, hetgeen door de rechtbank is toegekend. Had de verdediging zich niet aangesloten bij de onderzoekswensen, had de procedure voor cliënt niet korter geduurd. In appèl is ook sprake van overschrijding van de redelijke termijn van ruim 2 jaar. In de strafzaak in appèl zijn in de zaak van cliënt geen onderzoekswensen toegewezen. Gelet op het voorgaande is de verdediging van mening dat uw hof het vast te stellen wederrechtelijk voordeel dient te korten wegens de overschrijding van de redelijke termijn.” 3.3 Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 juni 2023 blijkt dat de raadsman van de betrokkene in aanvulling hierop – voor zover van belang – heeft meegedeeld: “Wat betreft de schending van de redelijke termijn merk ik op dat de verdediging beperkte onderzoekswensen had en dat deze schending niet aan de verdediging is te wijten. Gelet op de jurisprudentie wordt veelal een korting toegepast van 10 procent. De verdediging stelt zich op het standpunt dat een hogere korting moet worden toegepast dan 10 procent.” 3.4 Het hof heeft in het arrest het volgende overwogen over de overschrijding van de redelijke termijn: “Schending redelijke termijn Het standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting met een bedrag van € 5.000,- dient te worden verminderd in verband met een schending van de redelijke termijn. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat de schending van de redelijke termijn dient te leiden tot vermindering van het bedrag van de betalingsverplichting. De beoordeling door het hof Het hof heeft bij arrest van 22 juli 2022 in de strafzaak van veroordeelde geoordeeld dat de redelijke termijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is geschonden. Om die reden heeft het hof in de strafzaak van veroordeelde een forse korting toegepast op de opgelegde gevangenisstraf. Met deze in de strafzaak toegepaste korting is naar het oordeel van het hof de overschrijding van de redelijke termijn in de ontnemingszaak tot 22 juli 2022 afdoende verrekend. Nu het hof pas op 21 juli 2023 arrest wijst in de ontnemingszaak is sprake van een verdere overschrijding van de redelijke termijn voor de duur van 1 jaar. Ter verrekening van deze verdere overschrijding zal het hof de hierna op te leggen betalingsverplichting verminderen met een bedrag van € 2.000,-. Voor een hogere korting zoals door de advocaat-generaal is gevorderd ziet het hof geen termen aanwezig, met name nu de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep grotendeels in de strafzaak van veroordeelde is verdisconteerd.” 3.5 In de strafzaak heeft het hof in zijn arrest van 22 juli 2022 het volgende overwogen over de redelijke termijn: “Het in artikel 6 EVRM gewaarborgde recht van verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen redelijke termijn is geschonden. De redelijke termijn is aangevangen met de aanhouding en inverzekeringstelling van verdachte op 26 augustus 2014. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, die te maken kunnen hebben met de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdediging op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. De strafzaak van verdachte maakt onderdeel uit van het onderzoek ‘Fiorino’. Dit is een zeer omvangrijk onderzoek, waarin in eerste aanleg na ontvangst van het omvangrijke dossier door de verdediging van diverse verdachten onderzoekswensen zijn gedaan die voor een groot deel zijn gehonoreerd. De verzochte getuigen zijn bij de rechter-commissaris gehoord in de periode januari 2018 tot en met oktober 2018. Vanwege deze omstandigheden is de redelijke termijn in eerste aanleg op drie jaar te stellen en daarmee de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg op circa zestien maanden. Ook in hoger beroep is de redelijke termijn overschreden. Verdachte heeft op 11 december 2018 hoger beroep ingesteld en het hof doet op 22 juli 2022, na ruim drie jaar en zeven maanden, einduitspraak. Ook in hoger beroep heeft de verdediging van medeverdachten onderzoekswensen geformuleerd die voor een deel zijn toegewezen. Het verzoek van de verdediging van verdachte om hierbij te mogen aansluiten is door het hof afgewezen. Gelet op de samenhang van deze zaak met de andere zaken in het Fiorino-onderzoek stelt het hof de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep vast op een termijn van dertien maanden. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en hoger beroep van in totaal bijna twee en een half jaar zal het hof de hierna te melden strafvermindering toepassen. Het hof is alles afwegend van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden als uitgangspunt passend is. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep zal het hof een strafkorting toepassen van twee maanden.” 3.6 Bij de beoordeling van het middel moet het volgende voorop worden gesteld. In cassatie kan het oordeel van de feitenrechter over de redelijke termijn maar in beperkte mate worden onderzocht. De Hoge Raad kan alleen beoordelen of dat oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is. Onbegrijpelijkheid is niet snel aan de orde, nu het oordeel van het hof nauw samenhangt met waarderingen van feitelijke aard die buiten het domein van de cassatierechter vallen. Het rechtsgevolg dat de feitenrechter aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn heeft verbonden, kan in cassatie ook slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Verder kan in cassatie niet worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn door de feitenrechter, wanneer de zaak in laatste feitelijke aanleg is behandeld in aanwezigheid van de betrokkene en/of zijn raadsman en tijdens die terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd. 3.7 Namens de betrokkene is in de ontnemingszaak in hoger beroep – kort gezegd – aangevoerd dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep en dat dit dient te leiden tot vermindering van de betalingsverplichting. Dit betekent dat in deze zaak in cassatie kan worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep in de ontnemingszaak. 3.8 De rechter moet bij de beantwoording van de vraag of de behandeling van de zaak binnen de redelijke termijn heeft plaatsgevonden het tijdsverloop tijdens de eerste aanleg en dat tijdens het hoger beroep afzonderlijk beoordelen. Het uitgangspunt is dat de duur van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep twee jaar per instantie is, behalve in bijzondere gevallen. De redelijkheid van de duur van een zaak hangt af van verschillende omstandigheden, waaronder de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de betrokkene en zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Specifiek voor ontnemingsprocedures komt daar nog bij dat de afdoening van de zaak als gevolg van het bepaalde in art. 36e lid 1 Sr afhankelijk is van de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid en voorts dat de ontnemingszaak binnen twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg in de strafzaak nog aanhangig kan worden gemaakt. Deze laatste twee omstandigheden kunnen meebrengen dat tussen de datum waarop de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen en de datum waarop in hoger beroep uitspraak wordt gedaan, aanzienlijk meer dan twee jaren zijn verlopen, zonder dat in hoger beroep van een overschrijding van de redelijke termijn kan worden gesproken. De redelijke termijn in hoger beroep vangt aan op het moment waarop hoger beroep is ingesteld en eindigt op de datum van de einduitspraak. Dit geldt ook in ontnemingszaken. 3.9 Voor wat betreft de rechtsgevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn heeft de Hoge Raad bepaald dat de mate van vermindering van – in dit geval – het ontnemingsbedrag afhangt van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Er bestaan geen algemene regels over de manier waarop het ontnemingsbedrag moet worden verminderd. De rechter kan, na alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden te hebben afgewogen, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn, ook volstaan met de enkele constatering van de overschrijding van de redelijke termijn. 3.10 In tegenstelling tot de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep, bestaan voor de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase richtlijnen. Bij een overschrijding van de redelijke termijn in cassatie van meer dan zes maanden tot en met twaalf maanden geldt bijvoorbeeld een vermindering van de betalingsverplichting met 10%. Ook is bepaald dat de vermindering van het ontnemingsbedrag maximaal € 5.000,- is en dat de Hoge Raad bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden “naar bevind van zaken handelt”. De feitenrechter is niet aan deze richtlijnen gebonden. 3.11 In de toelichting op het middel wordt – als ik het goed zie – in de kern geklaagd dat het hof “het juiste toetsingskader heeft miskend” doordat het hof het tijdsverloop in eerste aanleg en in hoger beroep niet afzonderlijk heeft beoordeeld. Daarnaast wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat het geen aanleiding ziet om consequenties te verbinden aan de overschrijding van de redelijke termijn tot 26 april 2022 voldoende gecompenseerd is door de in de strafzaak toegepaste korting. 3.12 De stukken van het geding houden in dat de betrokkene op 19 april 2019 in de ontnemingszaak hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 17 april 2019. De einduitspraak van het hof in de ontnemingszaak is gedaan op 21 juli 2023. Dit betekent dat in de ontnemingszaak tussen het instellen van het hoger beroep en de uitspraak in hoger beroep een periode van ruim vier jaren en drie maanden is gelegen. 3.13 Voorts blijkt uit het arrest van het hof in de strafzaak dat het hof van oordeel is dat de redelijke termijn in de strafzaak in eerste aanleg is aangevangen met de aanhouding en inverzekeringstelling van de verdachte op 26 augustus 2014. In de ontnemingszaak is door de verdediging in hoger beroep aangevoerd dat op 14 oktober 2014 conservatoir beslag is gelegd op de woning en goederen van de betrokkene en dat op die datum de redelijke termijn in de ontnemingszaak is gaan lopen. Dat aanvangsmoment ligt volgens de verdediging dus ruim zeven weken na het aanvangsmoment van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in de strafzaak. 3.14 Het hof heeft voor de beoordeling van de schending van de redelijke termijn in de ontnemingszaak naar voren gebracht: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.