PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/02936 Zitting 26 augustus 2025 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, hierna: de verdachte. Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 16 juli 2024 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. “doodslag” en 2. “overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaren, met aftrek van voorarrest en een ontzeggen van de rijbevoegdheid voor de duur van tien jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingehouden is geweest. Daarnaast heeft het hof de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast, met een bevel tot verpleging van overheidswege, en heeft het de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking opgelegd. Ten slotte heeft het hof een beslissing genomen over het beslag en heeft het een zevental vorderingen benadeelde partij (deels) toegewezen en in verband daarmee de maatregel tot betaling van schadevergoeding opgelegd, tot een totaalbedrag van € 159.017,30. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en P. van Dongen, advocaat in Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij is een verweerschrift ingediend. De zaak in het kort 2.1 Volgens de vaststellingen van het hof heeft de verdachte zonder enige aanleiding met zijn vrachtwagen opzettelijk een motoragent overreden die de verdachte aan een verkeerscontrole wilde onderwerpen. Daarna is de verdachte weggereden zonder zich om het slachtoffer te bekommeren. Tegen dit oordeel wordt in cassatie niet opgekomen. Het hof heeft daarnaast vastgesteld dat de verdachte een psychische stoornis heeft waardoor het bewezenverklaarde hem in verminderde mate kan worden toegerekend. Vanwege het hoge recidiverisico en de noodzaak tot behandeling heeft het hof de maatregel van terbeschikkingstelling opgelegd. Verder heeft het hof aan [benadeelde] , de partner van het slachtoffer (hierna: de benadeelde partij), een schadevergoeding toegekend van € 17.500,- wegens affectieschade, € 25.000,- wegens schokschade en € 68,19 wegens materiële schade. 2.2 Het beroep in cassatie is gericht tegen de oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna ook: GVM) naast de terbeschikkingstelling en tegen de toekenning van een vergoeding voor affectieschade aan de benadeelde partij. Het eerste middel 3.1 In het eerste middel wordt geklaagd dat het hof de beslissing tot oplegging van een GVM onvoldoende heeft gemotiveerd. De deskundigenverklaringen, de standpunten van partijen en de overwegingen van het hof 3.2 Op de terechtzitting in hoger beroep van 24 en 25 juni 2024 is een drietal deskundigen gehoord. Aan het proces-verbaal van deze zitting kan onder andere het volgende worden ontleend: “De voorzitter doet hierop de volgende deskundigen voor het gerechtshof verschijnen: [deskundige 1] (werkzaam als klinisch psycholoog bij het Pieter Baan Centrum) en [deskundige 2] (werkzaam als psychiater bij het Pieter Baan Centrum). (…) De deskundige, genaamd [deskundige 2] (…) Op vragen van de raadsman antwoordt de deskundige: (…) U zegt mij dat de reclassering stelt dat de motivatie van de verdachte volledig extern bepaald is en vraagt mij hoe ik die behandelmotivatie beoordeel. Intrinsieke motivatie bij de verdachte is niet haalbaar, andere motivatie is wel aan te leren. (…) De deskundige, genaamd [deskundige 1] (…) legt op vragen van de oudste raadsheer, een verklaring af, als volgt: (…) U vraagt mij of ik denk dat de verdachte gemotiveerd blijft om de behandeling vol te houden. De motivatie zal fluctueren en zal tevens afhankelijk zijn van de spanningen die er op dat moment zijn. (…) De voorzitter doet hierop de volgende deskundigen voor het gerechtshof verschijnen: [deskundige 3], en [deskundige 4] (werkzaam als reclasseringsmedewerker). (…) De deskundige, genaamd [deskundige 3] (…) legt op vragen van de oudste raadsheer, een verklaring af, inhoudende: (…) De reclassering ziet nu ook meer behandelmotivatie bij de verdachte. U vraagt mij hoe ik een samenwerking met de verdachte voor mij zie. De verdachte staat momenteel open voor behandeling. Het is voor de verdachte nu kiezen tussen twee kwaden. Als zijn motivering om mee te werken zo blijft, is dat niet voldoende om de behandeling vol te houden.” 3.3 Het openbaar ministerie heeft gevorderd dat de verdachte een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege en een GVM zal worden opgelegd. Het schriftelijke requisitoir, dat ter zitting door de advocaten-generaal is voorgedragen, vermeldt daarover het volgende: “De reclassering benadrukt daarbij wel dat de (huidige) volledig extern ingegeven motivatie van [verdachte] om mee te werken aan een klinische behandeling in het kader van TBS met voorwaarden, op de lange termijn niet voldoende zal zijn om de recidivekans te verkleinen. De hulpvragen van [verdachte] zijn momenteel enkel gericht op het verwerken van eigen trauma, maar (dus) niet op het voorkomen van recidive. De reclassering voegt daar nog aan toe, dat in de toekomst een hogere responsiviteit en meer zelfinzicht nodig zal zijn om daadwerkelijk aan recidivevermindering te kunnen werken. De verwachting van de reclassering is dat dit een intensief (behandel)proces zal zijn. Zoals gezegd, adviseert de reclassering uiteindelijk - indien dit juridisch haalbaar is - voorzichtig positief over intensieve behandeling in het kader van TBS met voorwaarden. Wel heeft de reclassering (grote) vraagtekens bij de motivatie van [verdachte] om mee te werken aan de behandeling ter voorkoming van recidive. Dit laatste is ter bescherming van de maatschappij nu juist het belangrijkste. Ook adviseert de reclassering bij een veroordeling tot TBS om een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, zodat ook na de TBS beïnvloeding van het gedrag van [verdachte] kan plaatsvinden. De reclassering vindt het noodzakelijk om [verdachte] ook na de TBS te blijven ondersteunen.” 3.4 Ter zitting heeft de raadsman het woord gevoerd overeenkomstig zijn pleitnotities. Deze houden onder andere in: “Ik zal uw Hof verzoeken over te gaan tot oplegging van tbs met voorwaarden. Wettelijk gezien is enkel een combinatie met een maximum gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar mogelijk. In dit geval vind ik een tbs met voorwaarden echt de passende maatregel. Ik licht dit zo direct toe. Maar dat betekent dus dat 5 jaar enkel mogelijk is. (…) Belangrijk is dat client niet eerder is behandeld voor zijn forse psychopathologie. Om die reden zou een tbs met voorwaarden tot de mogelijkheden behoren. Hij toont ook iets van inzicht. Volledig inzicht is vanwege zijn autisme ook niet mogelijk. (…) Doordat een tbs met voorwaarden maximaal negen jaar kan duren, verzoek ik u mede gelet op het standpunt van de deskundigen, tevens aansluitend de GVM maatregel op te leggen. Daarmee geeft uw Hof ook voor de periode na die negen jaar de mogelijkheid om de behandeling en het toezicht verder voort te zetten, indien dat nodig is. (…) Subsidiair verzoek ik een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar en tbs met dwangverpleging op te leggen. (…) Bij een tbs met dwangverpleging is gelet op de onbeperkte duur een GVM maatregel niet noodzakelijk. Zeker niet omdat bij toepassing en verlenging ervan nagenoeg dezelfde criteria gelden. Praktijk wordt GVM vooral toegepast in geval van maatregelen van beperkte duur zoals een tbs met voorwaarden of gemaximeerde tbs met dwangverpleging.” 3.5 In het bestreden arrest heeft het hof onder andere als volgt overwogen: “Persoon van de verdachteHet hof heeft in de eerste plaats acht geslagen op een uittreksel justitiële documentatie van 12 juni 2024 betreffende de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder in 2018 terzake een ernstig verkeersdelict (artikel 6 WVW), waarbij een politieambtenaar zwaar gewond is geraakt. Ook dit verkeersongeval is veroorzaakt binnen de beroepsuitoefening van de verdachte als vrachtwagenchauffeur. (…) De deskundigen [deskundige 2] , [deskundige 1] en [deskundige 3] , de laatste bijgestaan door haar collega [deskundige 4] , zijn ter terechtzitting in hoger beroep gehoord en hebben hun recente rapportages daarbij desgevraagd nader toegelicht. In het meest recente aanvullende pro Justitia rapport, opgemaakt na het vonnis in eerste aanleg, hebben de gedragsdeskundigen - kort gezegd - geconcludeerd dat de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten lijdende was aan een psychische stoornis in de vorm van een autisme spectrumstoornis en een aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis van emoties en gedrag. Deze bevindingen onderschrijven de conclusies uit het rapport van 2022. Daarnaast is sprake van een posttraumatische stressstoornis, waarvan ook al kenmerken zichtbaar waren vóór de ten laste gelegde feiten. Er was sprake van een ernstige overbelasting van de verdachte met gevolgen voor zijn stemming, cognities en gedrag. Gezien de ernst en massaliteit van de psychopathologie en de evidente doorwerking daarvan in de feiten, adviseren de deskundigen - net als in de eerste pro Justitia rapportage - de ten laste gelegde feiten bij bewezenverklaring in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Het recidiverisico wordt door de gedragsdeskundigen - zonder nadere interventies - als hoog ingeschat. Het voornaamste risico is gelegen in de ernst en massaliteit van de psychopathologie en het gebrek aan inzicht van de verdachte. De gedragsdeskundigen achten, gelet op de met de psychopathologie gepaard gaande risicofactoren, een psychotherapeutisch behandeltraject (aanvankelijk) binnen een klinische setting geïndiceerd. Geadviseerd wordt om de behandeling, gelet op de ernst van de ten laste gelegde feiten, de forse psychopathologie en de kans op recidive, plaats te laten vinden binnen het kader van de maatregel van terbeschikkingstelling. Vanuit gedragskundig oogpunt zien de deskundigen mogelijkheden de verdachte binnen het kader van een tbs met voorwaarden te behandelen, mits dat juridisch haalbaar zou zijn (het hof begrijpt: mits de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf bij een bewezenverklaring dit zou toelaten). Mocht een tbs met voorwaarden praktisch niet mogelijk zijn en/of juridisch niet haalbaar, dan rest een tbs met bevel tot verpleging van overheidswege, aldus de deskundigen. [deskundige 3] , reclasseringswerker, heeft zich in het meest recente advies van de reclassering en ter terechtzitting in hoger beroep - in tegenstelling tot het eerdere advies van de reclassering - thans (voorzichtig) positief uitgelaten over de haalbaarheid van een tbs met voorwaarden, omdat de verdachte inmiddels openstaat voor een behandeling en bereid is daaraan zijn medewerking te verlenen. In het advies wordt het recidiverisico als gemiddeld tot hoog ingeschat. Wel wordt in haar advies benadrukt dat de motivatie van de verdachte om mee te werken sterk extern is ingegeven - waarbij het de vraag is of hij zijn medewerking op de lange duur zal kunnen blijven volhouden - en op de lange termijn niet voldoende zal zijn om de recidivekans te verkleinen. Zijn hulpvragen zijn momenteel enkel gericht op het verwerken van zijn eigen trauma en niet op het voorkomen en verminderen van recidive. Een hogere responsiviteit en meer zelfinzicht zijn nodig om hieraan daadwerkelijk te kunnen werken. (…) Maatregel terbeschikkingstelling (…) Het hof is van oordeel dat gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, alsmede hetgeen hiervoor omtrent de persoon van de verdachte is overwogen en de omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde feiten zijn begaan, de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling ook eist. (…) De gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel Het hof acht het opportuun om naast de ongemaximeerde tbs met dwangverpleging tevens de maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen.” Het juridisch kader 3.6 Art. 38z Sr luidt als volgt: “1. Ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen kan de rechter, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, een verdachte een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking opleggen indien die verdachte bij die rechterlijke uitspraak:a. ter beschikking wordt gesteld als bedoeld in de artikelen 37a, 37b of 38;b. wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf, of een gevangenisstraf waarvan een gedeelte niet zal worden ten uitvoer gelegd, wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld;c. wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf, of een gevangenisstraf waarvan een gedeelte niet zal worden ten uitvoer gelegd, wegens een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf als omschreven in de artikelen 251 tot en met 253, 273f, 317, eerste lid.2. Bij de vordering tot oplegging van de maatregel legt de officier van justitie een recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend advies over van een reclasseringsinstelling.” 3.7 Art. 6:6:23a en artikel 6:6:23b lid 1 Sv luiden als volgt: “Art. 6:6:23a Sv1.De maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking kan niet ten uitvoer worden gelegd, tenzij het openbaar ministerie een vordering tot tenuitvoerlegging indient bij de rechter die in eerste aanleg heeft kennisgenomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel is opgelegd.2.De vordering moet worden ingediend uiterlijk dertig dagen voor de beëindiging van de terbeschikkingstelling dan wel dertig dagen voor ommekomst van de termijn, bedoeld in artikel 6:1:18, dan wel dertig dagen voordat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf wordt beëindigd. Het openbaar ministerie is in een later ingediende vordering niettemin ontvankelijk indien het aannemelijk maakt dat de grond, bedoeld in artikel 6:6:23b, eerste lid, zich eerst nadien heeft voorgedaan.3.Bij de vordering legt het openbaar ministerie een recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend advies over van een reclasseringsinstelling. Indien de gevorderde voorwaarde betrekking heeft op behandeling of opname in een zorginstelling, wordt tevens een medische verklaring overgelegd waaruit de noodzaak van behandeling of opname blijkt.4.Indien de vordering achterwege blijft, vervalt de maatregel van rechtswege op het moment van beëindiging van de terbeschikkingstelling dan wel bij ommekomst van de termijn, bedoeld in artikel 6:1:18, dan wel indien voorwaardelijke invrijheidstelling niet heeft plaatsgevonden op het moment dat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf wordt beëindigd. Art. 6:6:23 b Sv1.De rechter kan de tenuitvoerlegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking gelasten indien:a. er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan waarvoor de rechter een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking kan opleggen; ofb. dit noodzakelijk is ter voorkoming van ernstig belastend gedrag jegens slachtoffers of getuigen.” 3.8 Uit deze wetsbepalingen volgt dat de GVM twee fasen kent. De eerste fase is de beslissing van de rechter tot oplegging van de maatregel samen met een terbeschikkingstelling of een gevangenisstraf. De tweede fase is de beslissing van de rechter over de tenuitvoerlegging van de maatregel na afloop van die maatregel of straf. Met die laatste fase wordt zeker gesteld dat de beslissing van de rechter over de noodzaak van de maatregel en de eventueel aan de verdachte op te leggen voorwaarden steeds zijn toegespitst op de actuele situatie. De eerste fase wordt met name nodig geacht vanwege de eisen van rechtszekerheid en voorzienbaarheid. De verdachte dient van meet af aan te weten of hem na afloop van de primaire sanctie nog verplichtingen kunnen worden opgelegd. 3.9 Voorwaarde voor de oplegging van de GVM (de eerste fase) is om te beginnen dat aan de verdachte een terbeschikkingstelling wordt opgelegd en/of een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor een bepaald soort misdrijf. Volgens de wet kan het daarbij zowel gaan om een terbeschikkingstelling met voorwaarden als een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Daarnaast is vereist dat de GVM dient “[t]er bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen”. 3.10 De vraag hoe de rechter bij de oplegging al kan voorzien dat de maatregel ook (geruime tijd later) na het ondergaan van de primaire sanctie nodig is om dit gevaar in te dammen heeft zowel de wetgever als de literatuur beziggehouden. De wetgever heeft zich gerealiseerd dat een precieze bepaling van het recidiverisico op langere termijn niet mogelijk is omdat dit te veel onzekerheden kent. In de toelichting op de wet wordt dan ook gesteld dat bij de oplegging geen volledige inschatting van het recidiverisico te zijner tijd moet worden gemaakt, maar dat kan worden volstaan met een taxatie op basis van hetgeen op dat moment bekend. Door Fechner e.a. wordt dit een inschatting ‘in abstracto” genoemd. De memorie van toelichting bij de invoering van de GVM zegt hierover: “Het belang dat gehecht wordt aan de voorzienbaarheid brengt met zich dat de rechter de zelfstandige de maatregel reeds in het vonnis dient op te leggen. Op dat moment zal het voor de rechter lastig zijn om een inschatting te maken van de toekomstige persoonlijke omstandigheden van betrokkene en van de mate van succes van een mogelijke (tbs-)behandeling. De beoordeling van het toekomstige recidiverisico die de rechter bij het opleggen van de maatregel dient te maken rust niet zozeer op deze factoren, als wel op het type delict, waaraan mogelijk een verhoogd recidiverisico kleeft, de omstandigheden waaronder dat is begaan en eventuele eerdere strafbare feiten. Ten behoeve van deze beoordeling beschikt de rechter daarnaast over een recent opgemaakt gemotiveerd reclasseringsadvies dat naast een diagnose ook een risicotaxatie omvat.” 3.11 Elders in de wetsgeschiedenis wordt aangesloten bij het uit de gedragskundige risicotaxatie bekende onderscheid tussen statische en dynamische risicofactoren. Het eerste zijn de onveranderlijke factoren uit het verleden en het tweede de beïnvloedbare factoren uit het heden en de toekomst. Bij de oplegging van de maatregel kan volgens de toelichting op de wet met name worden gekeken naar deze statische factoren van het gepleegde feit en de persoon van de dader. Dergelijke factoren komen ook terug in de risicotaxatie van de reclassering die in het voorgaande citaat wordt genoemd. 3.12 Volgens dezelfde wetsgeschiedenis is het echter niet de bedoeling dat enkel op basis van een bepaald type delict de maatregel wordt opgelegd. Evenmin zou de maatregel voor de zekerheid moeten worden opgelegd: “Gelet op het mogelijk ingrijpende karakter van de zelfstandige maatregel en de potentieel zeer lange duur van het toezicht, acht ik het niet wenselijk dat rechters bij bepaalde zeden- of geweldsmisdrijven als het ware automatisch een zelfstandige maatregel opleggen. Het opleggen van de zelfstandige maatregel vergt steeds een afweging van de individuele feiten en omstandigheden van het voorliggende geval. Naast het type delict, waaraan al dan niet een verhoogd recidiverisico kleeft, dienen daarbij onder meer de omstandigheden waaronder het delict is begaan, de persoon van de dader, de impact die het delict heeft gehad op het slachtoffer en mogelijk ontstane maatschappelijke onrust te worden betrokken (…). Dat de zelfstandige maatregel in de praktijk heel vaak «voor de zekerheid» zal worden opgelegd, verwacht ik niet, zo antwoord ik de leden van de SP-fractie. Dat zou ook niet stroken met het karakter van de maatregel. Dat rechters bij het opleggen van de maatregel enige terughoudendheid zullen betrachten, zoals de leden van de CDA-fractie en van de D66-fractie aannemen, acht ik daar wel mee in overeenstemming. Voor de goede orde benadruk ik dat die terughoudendheid naar mijn oordeel dus voortvloeit uit het mogelijk ingrijpende karakter van de maatregel – en mede bezien vanuit rechtsstatelijk oogpunt, zoals de leden van de D66-fractie dat noemen – en niet het gevolg zou moeten zijn van voornoemde onzekere toekomstige factoren die moeilijk te voorzien zijn. Dat de zelfstandige maatregel alleen zal worden toegepast wanneer dat noodzakelijk wordt geacht, acht ik inherent aan het karakter van die maatregel.” 3.13 Het bovenstaande komt terug in de rechtspraak van de Hoge Raad: “3.4. Gelet op het mogelijk ingrijpende karakter en de potentieel lange duur van het toezicht vergt de oplegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking steeds een beoordeling van de individuele feiten en de omstandigheden van het voorliggende geval. Blijkens de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis moet de rechter die de maatregel oplegt onder meer een inschatting maken van het toekomstige recidiverisico, waarbij hij rekening houdt met het type delict (in het bijzonder of aan dat delict mogelijk een verhoogd recidiverisico kleeft), de omstandigheden waaronder dat is begaan en eventuele eerdere strafbare feiten. (Vgl. HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:770.) Hoewel de wetgever het daarbij van belang achtte dat de rechter ten behoeve van deze beoordeling over een recent opgemaakt gemotiveerd reclasseringsadvies beschikt dat ook een risicotaxatie omvat, stelt de wet niet de eis dat de rechter - als hij ambtshalve de oplegging van deze maatregel overweegt - zich zo’n advies doet overleggen. Dit biedt de rechter de mogelijkheid om, bij de oplegging van de maatregel, zijn inschatting van het toekomstige recidiverisico op andere rapporten of gegevens te baseren. Van belang daarbij is dat er op grond van artikel 6:6:23a lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) in verbinding met artikel 6:6:23c lid 3 Sv wel altijd een recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend reclasseringsrapport aan de rechter moet zijn overgelegd als deze op een later moment de tenuitvoerlegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking gelast.” 3.14 Met de vaststelling dat in de te berechten zaak een onderbouwd en relevant recidiverisico bestaat (en dat een van de genoemde primaire sancties wordt opgelegd) ontstaat echter geen verplichting de maatregel op te leggen. Om te beginnen stelt de wet dat de rechter de maatregel “kan” opleggen. Daarnaast spelen bij de oplegging nog andere factoren een rol, zoals de vraag of de maatregel effectief kan zijn, of die proportioneel is en of hetzelfde kan worden bereikt op een andere, eventueel minder belastende wijze. Verder is een belangenafweging vereist. In de toelichting op het middel wordt in dit verband verwezen naar een conclusie van AG Paridaens die op haar beurt verwijst naar de volgende passage uit de wetsgeschiedenis: “Indien de appelrechter de verdachte veroordeelt, kan hij de zelfstandige maatregel (opnieuw) opleggen. Bij die beslissing zal hij net als de rechter in eerste aanleg alle feiten en omstandigheden van de individuele zaak betrekken, waaronder de ernst van het strafbaar feit waarvoor betrokkene is veroordeeld, de belangen van het slachtoffer en van de samenleving in het algemeen, de persoon van de dader en diens belangen, en tegen elkaar afwegen.” 3.15 De Hoge Raad heeft zich nog niet uitgesproken over de vraag of en, zo ja, hoe de rechter naast de vaststelling dat aan de wettelijke opleggingseisen is voldaan ook van een dergelijke afweging blijk moet geven. Anders dan bij de oplegging van de terbeschikkingstelling (art. 37a lid 1 Sr) en de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (art. 38m lid 1 onder 3, Sr) is bij de GVM niet als voorwaarde voor oplegging geformuleerd dat het vastgestelde gevaar de oplegging van de maatregel “eist”. Op dat punt is de GVM vergelijkbaar met de vrijheidsbeperkende maatregel van art. 38v Sr. Bij de oplegging van die maatregel neemt de Hoge Raad ook wel genoegen met de enkele motivering dat een recidiverisico bestaat. 3.16 De regeling van de GVM kent geen speciaal motiveringsvoorschrift. Op zichzelf dient een vonnis of arrest op basis van de algemene regel van art. 359 lid 5 (jo. 415 lid 1) Sv de bijzondere redenen te bevatten die tot de maatregel hebben geleid. Uit deze bepaling plegen echter geen hoge motiveringseisen te worden afgeleid. Een algemene verwijzing naar het feit en de persoon van de dader kan volstaan. Dit is slechts anders als over de oplegging van de maatregel een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen als bedoeld in art. 359 lid 2 Sv. 3.17 In zijn algemeenheid lijkt mij dat de nadere afweging of de maatregel moet worden opgelegd lijdt aan hetzelfde euvel als de genoemde risico-inschatting. Vragen over effectiviteit, proportionaliteit en subsidiariteit van de maatregel en over de daarbij betrokken belangen kunnen alleen met enige precisie worden beantwoord ten tijde van de tenuitvoerlegging van de maatregel en niet al bij de oplegging daarvan. Die afweging wordt immers voor een belangrijk deel bepaald door het op dat moment nog bestaande risico. Verder kunnen de persoonlijke omstandigheden, belangen en opvattingen van het slachtoffer en de dader veranderen, net als de visie van de samenleving. Daarbij past dat in de wetsgeschiedenis óók over de beslissing tot tenuitvoerlegging staat: “De strafrechter, die over het complete dossier van de betrokkene beschikt, beoordeelt of toepassing van de zelfstandige toezichthoudende maatregel noodzakelijk is en zo ja of het stellen van vrijheidsbeperkende voorwaarden daarbij noodzakelijk is voor een juiste begeleiding en resocialisatie van een zedendelinquent. Bij die beslissing betrekt hij alle feiten en omstandigheden van de individuele zaak. Dat betreft in de eerste plaats het recidiverisico dat nog steeds van betrokkene uitgaat en de ernst van het strafbare feit waar dat risico op ziet, eerdere veroordelingen van de dader en de belangen van het slachtoffer en van de maatschappij in het algemeen, maar ook de persoon van de dader en diens belangen. Al deze en andere belangen worden betrokken en tegen elkaar afgewogen en resulteren in een zorgvuldig en afgewogen rechterlijk oordeel.” 3.18 Hieruit volgt dat, als aan de andere opleggingsvoorwaarden is voldaan, bij de oplegging van de maatregel weliswaar nader moet worden beoordeeld of oplegging van de GVM passend is, maar dat aan die afweging en de motivering daarvan geen te hoge eisen mogen worden gesteld. De vaststelling dat ‘in abstracto’ een gevaar bestaat, zal bij die afweging al zwaar wegen. 3.19 De toelichting op het middel stelt verder de samenloop aan de orde van de GVM met de ongemaximeerde terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Daarover zou ik nog het volgende naar voren willen brengen. 3.20 Zoals hiervoor onder 3.9 al uiteengezet, kan de GVM zowel samen met een terbeschikkingstelling met voorwaarden als met een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege worden opgelegd. De wet maakt bij dit laatste geen onderscheid tussen de terbeschikkingstelling die niet is opgelegd voor een zogenoemd geweldsmisdrijf, waarbij de maatregel maximaal vier jaren kan duren (art. 38e lid 1 Sr), en de terbeschikkingstelling die wel op een dergelijk feit betrekking heeft en geen maximale termijn kent. Daarbij geldt dat een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege in beginsel niet kan worden beëindigd voordat eerst (minstens een jaar) de verpleging van overheidswege voorwaardelijk beëindigd is geweest (art. 6:2:17 lid 1 Sv). Bij de ongemaximeerde terbeschikkingstelling kent ook deze voorwaardelijke beëindiging geen maximumtermijn. Verlenging daarvan is steeds mogelijk zolang de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen dat eist (art. 38e lid 3 Sr). 3.21 De steller van het middel vindt de toelichting op de wet aan zijn zijde als hij meent dat deze maatstaf voor verlenging (grotendeels) gelijk is aan de maatstaf in art. 6:6:23 lid 1 Sr voor tenuitvoerlegging van een GVM. Deze tenuitvoerlegging is mogelijk als er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan waarvoor een GVM kan worden opgelegd of als dit noodzakelijk is ter voorkoming van ernstig belastend gedrag jegens slachtoffers of getuigen. Volgens de wetsgeschiedenis is dit een verbijzondering van, oftewel beperking op, de maatstaf bij de oplegging van een GVM in art. 38z lid 1 Sr, te weten de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. Voor de verlenging van de terbeschikkingstelling en de tenuitvoerlegging van de GVM gelden dus volgens de wetsgeschiedenis nagenoeg dezelfde normen. 3.22 Dit betekent dat de rechter wanneer een GVM is opgelegd en de verpleging van een terbeschikkingstelling voorwaardelijk is beëindigd, bij eenzelfde mate van risico de keuze heeft tussen enerzijds verlenging van de terbeschikkingstelling en anderzijds afwijzing van de vordering tot verlenging en toewijzing van een vordering tot tenuitvoerlegging van de GVM. In die situatie is volgens de wetsgeschiedenis echter de verlenging van de terbeschikkingstelling “de geëigende weg” dan wel ligt die verlenging “voor de hand”. Dit brengt mee dat de GVM vooral bedoeld is als aanvulling op de vormen van terbeschikkingstelling die op enig moment niet meer kunnen worden verlengd. Dat zijn de terbeschikkingstelling met voorwaarden (maximaal negen jaren; art. 38e lid 2 Sr), en de gemaximeerde terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (maximaal vier jaren; art. 38e lid 1 Sr). 3.23 Volgens de wetsgeschiedenis is echter niet op voorhand uitgesloten dat een terbeschikkingstelling die kan worden verlengd desondanks wordt vervangen door een GVM. Opgemerkt wordt dat de GVM het effect zou kunnen hebben dat de drempel wordt verlaagd om terbeschikkinggestelden te laten uitstromen en dat het zou kunnen dat voortgezet toezicht in het kader van de GVM de voorkeur geniet. Volgens de toelichting op de wet zal de terbeschikkinggestelde de GVM als minder belastend worden ervaren omdat het label ‘tbs’ eraf is, omzetting of hervatting naar een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege niet meer mogelijk is en de rechter binnen de GVM kan kiezen voor een minder intensieve invulling van het toezicht. 3.24 Bij deze gedachte zou ik wel twee kanttekeningen willen plaatsen. Ten eerste dat een dergelijke vervanging alleen mogelijk is als de officier van justitie tijdig een vordering doet tot tenuitvoerlegging van de GVM. De rechter kan immers niet ambtshalve een GVM ten uitvoer leggen (art. 6:6:23a lid 1 Sv). Die vordering moet dan ook nog eens in beginsel niet later dan dertig dagen voor het einde van de lopende termijn van de terbeschikkingstelling worden ingediend. Ten tweede kan de sanctie op het niet naleven van de voorwaarden die zijn verbonden aan de GVM contraproductief werken. Deze sanctie is vervangende hechtenis (art. 6:6:23b lid 6 Sv jo. art. 38w Sr). Het uiteindelijke doel van de maatregel van terbeschikkingstelling is resocialisatie van de terbeschikkinggestelde. Dit brengt in beginsel mee dat een terbeschikkinggestelde wordt ‘ingebed’ in een omgeving met positieve sociale en familiecontacten, werk, een woning en zorg. Tijdelijke opsluiting van de veroordeelde in een huis van bewaring kan dit alles in gevaar brengen, terwijl bij een verder afglijden van de veroordeelde geen mogelijkheid bestaat tot terugkeer in de terbeschikkingstelling. Dit alles maakt dat vervanging van een terbeschikkingstelling door een GVM een zorgvuldige afweging en procedurele coördinatie vergt. 3.25 Ook in de literatuur wordt niet uitgesloten dat een ongemaximeerde terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege na de beëindiging daarvan wordt gevolgd door een GVM, al wordt dit ook daar weinig voor de hand liggend gevonden. Ook wordt wel gepleit voor “uiterste terughoudendheid”. 3.26 Uit het voorgaande volgt dat de oplegging van een GVM naast een ongemaximeerde terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op grond van de wet niet is uitgesloten, maar gelet op de vrijwel gelijkluidende voorwaarden voor de tenuitvoerlegging respectievelijk verlenging van deze maatregelen in die zin weinig meerwaarde heeft, terwijl er op zich gevallen denkbaar zijn waarin een GVM aansluitend aan de terbeschikkingstelling wel van nut kan zijn. In de praktijk komt deze combinatie van oplegging ook wel voor. Bespreking van het middel 3.27 De steller van het middel wijst er terecht op dat het hof nogal karig is in zijn motivering en over de oplegging van de GVM slechts expliciet overweegt dat het die oplegging ”opportuun” acht. Dit neemt echter niet weg dat de motivering van de oplegging van de ongemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling een groot aantal elementen bevat die ook redengevend zijn voor de oplegging van de GVM en waarop het hof kennelijk zijn oordeel mede heeft gebaseerd. Uit deze motivering volgt (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.