ECLI:NL:PHR:2025:875
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/00336 Zitting 26 augustus 2025 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949, hierna: de verdachte Het cassatieberoep 1. Na een integrale vrijspraak in eerste aanleg is de verdachte bij arrest van 1 februari 2024 door het gerechtshof Amsterdam wegens “witwassen” veroordeeld tot een geldboete van € 50.000,-, te vervangen door 285 dagen hechtenis, en een taakstraf van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof een, voor dit cassatieberoep niet relevante, beslissing genomen over het beslag.
De middelen 4. Het eerste middel bevat een klacht over de motivering van de bewezenverklaring, te weten dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de contante betalingen uit enig misdrijf afkomstig zijn, laat staan dat de verdachte daarvan wetenschap heeft gehad. Het tweede en het derde middel bevatten klachten over de strafoplegging.
De bewezenverklaring 5. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat: “zij in de periode van 31 mei 2006 tot en met 30 december 2014, te [plaats] , gemeente [...] , van een woning gelegen aan de [a-straat 1] , gebruik heeft gemaakt, terwijl zij, verdachte, wist, dat die woning - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.”
Het verweer van de verdediging 6. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 januari 2024 heeft de raadsvrouw van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig haar overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnotities.
Het oordeel van het hof 8. Het arrest van het hof d.d. 1 februari 2024, met daarin een omschrijving van de verweren van de verdediging, houdt onder meer het volgende in (met weglating van de voetnoten): “Verwijt Aan de verdachte wordt verweten dat zij in de periode van 31 mei 2006 tot en met 17 december 2015 gebruik heeft gemaakt van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] (hierna ook wel de (stolp)boerderij) waarin ‘crimineel geld’ was geïnvesteerd, hetgeen zij wist of moest vermoeden. Daarbij gaat het om de kosten van de verbouwing van de woning in de periode 1999-2000 voor zover die meer hebben bedragen dan het door de verdachte aan de Belastingdienst opgegeven bedrag van ƒ 200.000,-. Het onderzoek in onderhavige zaak heeft geen direct bewijs opgeleverd dat de verbouwing – en daarmee dus de woning – gefinancierd is met geld dat van een bepaald misdrijf afkomstig is. (…) De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Primair stelt de raadvrouw zich op het standpunt dat er geen sprake is van een vermoeden van witwassen. Er is niet meer vermogen in de verbouwing van de woning geïnvesteerd dan op 26 februari 2000 bij de Belastingdienst is opgegeven, namelijk ƒ 200.000,-. Subsidiair voert de raadsvrouw aan dat als wordt aangenomen dat er wel meer geld in de woning is geïnvesteerd, dit geen geld betreft dat van misdrijf afkomstig is. Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat, ook al zou sprake zijn van een investering van onverklaarbaar vermogen in de verbouwing van 1999-2000, de verdachte geen wetenschap heeft gehad van een criminele herkomst van dat geld.
Stappenplan witwassen Naar bestendige jurisprudentie kan in een geval als het onderhavige, waarin geen direct bewijs aanwezig is voor inkomsten uit brondelicten, witwassen bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de goederen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. De toetsing door de rechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen.
Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat deze een vermoeden van een criminele herkomst van het in de woning geïnvesteerde geld rechtvaardigden. Indien dit zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de herkomst van geld of goederen.
Oordeel van het hof Indachtig het hiervoor geschetste beoordelingskader zal dus allereerst moeten worden beoordeeld of er op grond van de feiten en omstandigheden zoals daarvan uit het dossier blijkt, sprake was van een vermoeden van witwassen.
Relevante feiten en omstandigheden De verdachte heeft de stolpboerderij met bijbehorende grond aan de [a-straat 1] in [plaats] op 11 december 1998 gekocht voor een bedrag van f 420.000,- (omgerekend € 190.587,-). In het onderzoek naar de verdachte wordt deze aankoop als een legale transactie beschouwd, en het hof zal daar ook van uitgaan. De woning is vervolgens in de periode 1999-2000 verbouwd. Met ingang van 26 oktober 2000 stond de verdachte ingeschreven op genoemd adres. Op 13 april 2000 heeft [betrokkene 2] van de verdachte de onverdeelde helft van het perceel met woning gekocht, hetgeen door [betrokkene 2] op 6 februari 2006 is doorverkocht aan [betrokkene 3] , de dochter van de verdachte. De verdachte heeft na de verbouwing in de woning gewoond tot deze op 30 december 2014 door brand is vernietigd.
De verdachte heeft naar aanleiding van vragen van de Belastingdienst bij brief van 22 februari 2000 aangegeven dat de totale (ver)bouwkosten ongeveer ƒ 200.000,- (omgerekend € 90.756,-) hebben bedragen, en daarbij vermeld dat bepaalde werkzaamheden in eigen beheer zijn uitgevoerd. De verdachte heeft daarbij stukken aan de Belastingdienst toegestuurd. Uit de ‘Wijze van financiering’ (bijlage 2) volgt dat de ‘Totale bouwkosten’ van ƒ 200.000,- voor ƒ 90.000,- uit eigen geld worden gefinancierd en voor ƒ 110.000,- door een tweede hypotheeklening. Deze laatste hypotheeklening blijkt echter, zo volgt uit het dossier, verstrekt te zijn aan [betrokkene 2] voor haar aankoop van de helft van [a-straat 1] in april 2000 en overigens betreft het een bedrag van f 109.000,-. Wat daarvan verder ook zij, ook deze investering van in totaal ƒ 200.000,- wordt in het onderzoek als legaal bestempeld, en het hof zal daar ook van uitgaan.
Op 2 februari 2000 (datum van opname) is de stolpboerderij getaxeerd op een bedrag van f 550.000,- (omgerekend € 249.579,-). Uit het taxatierapport volgt dat de boerderij op dat moment ‘in verbouwing en nog totaal niet geschikt voor bewoning’ was.
Vervolgens is bij kennisgeving gedagtekend 15 juni 2001 de waarde van de woning als bedoeld in de Wet waardering onroerende zaken met ingangsdatum 1 januari 2001, voor de periode 2001-2005 door de gemeente [...] vastgesteld op € 657.073,- ofwel ƒ 1.448.000,-. Op grond van het bepaalde in artikel 18, derde lid, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ-waarde) betreft dit de waarde – na verbouwing – per 1 januari 2001.
Vermoeden van witwassen Niet is gebleken dat van de zijde van de verdachte bezwaar is gemaakt tegen de destijds per 1 januari 2001 vastgestelde WOZ-waarde. Gelet op het feit dat de WOZ-waarde de basis vormt voor het vaststellen van gemeentelijke belastingen en ook voor het eigen woningforfait in de inkomstenbelasting, zou het in de rede hebben gelegen dat dit door de verdachte was gedaan in het geval die waarde naar haar idee (veel) te hoog zou zijn vastgesteld. Het hof beschouwt om die reden de WOZ-waarde als een reële indicatie van de waarde van de woning na de verbouwing. Uitgaande van voornoemde WOZ-waarde stelt het hof dan ook vast dat sprake is geweest van een aanzienlijke waardestijging van de woning (van kennelijk bijna één miljoen gulden), welke waardestijging niet (uitsluitend) kan worden toegeschreven aan het weer bewoonbaar worden van de woning (ten opzichte van de taxatie per 2 februari 2000) dan wel de marktontwikkeling zoals door de verdediging is gesteld.
Uit het ter zake door de verbalisant [verbalisant] gedane onderzoek naar de lokale woningmarkt blijkt wel dat er in die periode sprake is geweest van een prijsstijging. In het eerste kwartaal van het jaar 2000 was de mediane transactieprijs voor vrijstaande woningen in de regio West Friesland € 250.000,-. De mediane transactieprijs was in het eerste kwartaal van het jaar 2001 € 280.000,-. Dit betekent een stijging van 12%. De forse waardestijging van de stolpboerderij is daarmee voor een deel te verklaren door de door de verdediging aangevoerde reden. Dit laat onverlet dat dit geen verklaring biedt voor de gehele waardestijging van de boerderij (van bij benadering bijna ƒ 900.000,- (ƒ 1.448.000,- minus ƒ 550.000,-), zodat het hof van oordeel is dat de verbouwing van de stolpboerderij een significante rol heeft gespeeld bij die stijging en derhalve dat het geïnvesteerde geld meer moet hebben bedragen dan de door de verdachte opgegeven ƒ 200.000,-.
Aldus is er een vermoeden dat de boerderij [a-straat 1] te [plaats] zoals die was na de verbouwing in 1999/2000 mede tot stand is gebracht door onverklaard vermogen, hetgeen een vermoeden van witwassen oplevert.
Beoordeling gegeven verklaring Van de verdachte mag dan een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor deze waardestijging die de door haar genoemde investering van ƒ 200.000,- overschrijdt worden verlangd. De verdachte zelf heeft (over de verdenking) in deze strafprocedure in het geheel geen verklaring afgelegd; bij de politie heeft zij zich op haar zwijgrecht beroepen, terwijl zij in eerste aanleg noch in hoger beroep ter terechtzitting is verschenen.
Haar raadsvrouw heeft gesteld dat naast de geïnvesteerde ƒ 200.000,- veel werkzaamheden in eigen beheer zijn uitgevoerd, zonder dat daarvoor kosten zijn gemaakt. De verbouwing zou met tweedehands materialen en door vriendendiensten tot stand zijn gekomen. Dat heeft zij onderbouwd met stukken die eerder aan de Belastingdienst zijn overgelegd.
Het hof stelt voorop dat op grond van deze stukken kan worden vastgesteld dat in de genoemde ƒ 200.000,- (onder meer) de keuken niet is begrepen (gelet op de opmerking ‘later stadium’). Dit betekent in ieder geval dat de keuken niet is betaald van de opgegeven ƒ 200.000,- / € 90.756,-. Uit een proces-verbaal van bevindingen, dat is opgemaakt naar aanleiding van de opbouw/renovatie van de stolpboerderij, leidt het hof af dat de keuken tussen de ƒ 33.000,- en ƒ 48.000,- heeft gekost, een bedrag waarvan de herkomst derhalve onbekend is gebleven.
Ook als wordt uitgegaan van de stelling van de verdediging (onderbouwd met bovengenoemde stukken) dat veel werkzaamheden voor de verbouwing (deels) in eigen beheer zijn uitgevoerd – aannemer, metselaar, timmerman, schilder en/of behanger, elektra en sanitair – stelt het hof vast dat er in ieder geval, daarnaast, nog sprake moet zijn geweest van forse uitgaven op het gebied van materiaal. [betrokkene 1] , een beëdigd makelaar, heeft de stolpboerderij als makelaar in de verkoop gehad, in de periode rondom 29 mei 2012, overigens voor een bedrag van € 1.350.000,- (f 2.975.008,50). Zij verklaarde dat zij nog nimmer een woning had gezien die zo solide was afgewerkt, dat er dure materialen zijn gebruikt, de badkamer verschillende baden en douches heeft en er een inpandig café is. Het is, aldus de makelaar, “teveel om op te noemen en natuurlijk is dat van invloed op de vraagprijs”. Ook verklaarde zij: “Ik denk dat de hele boerderij is gerenoveerd. Alles was nieuw aangelegd. Ik ben bekend met andere boerderijen in [plaats] en deze boerderij was geheel gerenoveerd”. Dit strookt niet met hetgeen door de verdachte aan de Belastingdienst is doorgeven of verder is aangevoerd, namelijk dat sprake zou zijn van veelal tweedehands, ‘gestruind’ materiaal dat nauwelijks iets zou hebben gekost. Dat dergelijk materiaal, waarmee in 1999/2000 zou zijn gewerkt, in 2012 nog steeds een dergelijke uitstraling zou hebben, acht het hof onaannemelijk.
Het voorgaande kan als volgt in cijfers worden uitgedrukt. De stolpboerderij was op 2 februari 2000 getaxeerd voor een waarde van ƒ 550.000,-, waarbij werd geconstateerd dat de woning in de staat van dat moment niet kon worden bewoond. Door de waardestijging van vrijstaande woningen in de markt, die reeds is vastgesteld op 12%, zou de woning op 1 januari 2001 – in niet afgebouwde staat – ongeveer ƒ 616.000,- waard zijn geweest. De waarde werd echter (voor de WOZ, dus niet voor de verkoop) getaxeerd op ƒ 1.448.000,-. Ten opzichte van 2 februari 2000 is de woning in afgebouwde staat (ongeveer, in aanmerking nemend dat een WOZ-waarde alleen een indicatie voor de werkelijke waarde is) ƒ 832.000,- meer waard geworden. In de verkoopbrochure van de woning (uit 2012) zijn enkele foto’s opgenomen van het interieur van het huis, waaruit duidelijk de door [betrokkene 1] genoemde luxe uitstraling blijkt. Dat één en ander, naast de geïnvesteerde ƒ 200.000,-, is tot stand gebracht door louter het gebruik van tweedehands materialen – die overigens ook geld kosten, terwijl van dergelijke aankopen niet is gebleken – enerzijds, en werkzaamheden in eigen beheer anderzijds acht hof, gezien het voorgaande, ongeloofwaardig.
Het hof is van oordeel dat bij benadering een bedrag van ten minste meerdere tonnen in guldens dan wel euro’s, als onverklaarbaar vermogen moet worden aangemerkt, nu het bewijsvermoeden van witwassen niet is ontzenuwd.
Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte in de ten laste gelegde periode gebruik heeft gemaakt (tot en met het afbranden van de stolpboerderij) van een na verbouwing luxueus afgewerkte stolpboerderij, waarbij het niet anders kan dan dat (een deel van) die verbouwing onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf is bekostigd, en de verdachte van de criminele herkomst van dit geld op de hoogte was.”
De bespreking van het eerste middel 9. Het hof heeft samengevat het volgende vastgesteld en op basis daarvan geoordeeld:
Het tweede middel 16. Met het tweede middel wordt – blijkens de toelichting erop – bezwaar gemaakt tegen de toepassing van artikel 420bis Sr zoals dat luidde ten tijde van het wijzen van het bestreden arrest en geklaagd over het verzuim toepassing te geven aan artikel 420bis Sr zoals dat luidde ten tijde van de bewezen verklaarde gedragingen. Het verschil zit ‘m (uitsluitend) in de in deze bepaling opgenomen strafdreiging, die met ingang van 1 januari 2015 is verhoogd van vier jaren naar zes jaren gevangenisstraf.
Het derde middel 19. Met het derde middel wordt de oplegging van de aan de verdachte opgelegde ‘afroomboete’ aangevochten.
De strafoplegging 20. Het hof heeft onder meer een geldboete opgelegd van € 50.000,-, te vervangen door 285 dagen hechtenis. Ter motivering van deze straf heeft het hof onder meer het volgende overwogen (onderstreping mijnerzijds): “Het hof is van oordeel dat gelet op de ouderdom van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf (zoals door de advocaat-generaal gevorderd) niet wenselijk is. Gelet op de lange periode - ruim acht jaar - waarin de verdachte van de verbouwde boerderij heeft geprofiteerd alsmede de omvangrijke bedragen die daarmee gemoeid waren, is het hof van oordeel dat de oplegging van een taakstraf van 180 uur en een geldboete van € 50.000,- in beginsel een passende en geboden bestraffing is. Ten aanzien van de geldboete overweegt het hof dat deze dient ter benadrukking van de ernst van het feit alsmede ter afroming van het door verdachte behaalde voordeel.”
Een nadere omschrijving van de klacht 21. De door het hof opgelegde geldboete strekt mede ter ontneming van wederrechtelijk voordeel. De stellers van het middel achten dit een schending van het recht aangezien de materieelrechtelijke beperkingen die aan de oplegging van de ontnemingsmaatregel zijn gesteld en de procedurele waarborgen waarmee die oplegging is omringd, zodoende worden omzeild (dit noem ik hierna: de rechtsklacht). Bovendien is de oplegging van de geldboete ontoereikend gemotiveerd omdat het hof geen inzicht heeft gegeven in de omvang van de afroomcomponent van de geldboete (dit noem ik hierna: de motiveringsklacht). Daardoor kan de aangekondigde ontnemingsmaatregel niet worden afgestemd op de afroomcomponent van de geldboete, aldus de stellers van het middel.
Het fenomeen van de afroomboete Inleiding 22. Bij de oplegging van een geldboete kan de strafrechter op minstens twee manieren rekening houden met voordeel dat de verdachte door middel van, of uit de baten van het bewezen verklaarde feit heeft verkregen. In de eerste plaats kan de rechter met het oog op legitieme strafdoeleinden als generale preventie en vergelding de hoogte van de geldboete relateren aan de omvang van dat voordeel. De verkrijging van voordeel is vaak het motief voor een (vermogens)delict en is daarmee van betekenis voor een beoordeling van de ernst ervan. “Een boete die een schijntje is vergeleken met de winsten die door middel van het strafbare feit (kunnen) worden behaald, schrikt niet af en vergeldt evenmin (omdat de verdachte er dan per saldo op vooruitgaat)”, aldus verwoordt Knigge deze notie in een conclusie uit 2010.
In de tweede plaats dient de rechter bij het vaststellen van de geldboete – op de voet van artikel 24 Sr – rekening te houden met de draagkracht van de verdachte. Niets belet de rechter om daarbij acht te slaan op vermogensbestanddelen waarover de verdachte (nog) beschikt en die de verdachte wederrechtelijk heeft verkregen. Voor de vraag of de verdachte door de geldboete niet onevenredig wordt getroffen in zijn inkomen en vermogen, maakt de herkomst van dat vermogen immers niet uit.
De geldboete die mede ter ‘afroming’ dient 24. De vraag waartoe het middel aanleiding geeft, is of de rechter een geldboete mag opleggen die geheel of ten dele tot doel heeft om de verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen. Een daartoe strekkende geldboete wordt een ‘afroomboete’ genoemd, en de vraag is dus of die rechtens is toegestaan. Die vraag is niet nieuw. Borgers noemde in 2001 het opleggen van een afroomboete – m.i. met enig gevoel voor understatement – “niet onproblematisch”. Niettemin leidde Borgers uit zijn analyse van HR 18 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1333, af dat een tot ontneming strekkende geldboete “mogelijk” is (m.i. valt dat in die uitspraak echter niet te lezen). Knigge acht het bezwaar van de oplegging van afroomboetes evident: “zowel de materieelrechtelijke beperkingen die aan de oplegging van de ontnemingsmaatregel zijn gesteld als de procedurele waarborgen waarmee die oplegging is omringd, zouden eenvoudig kunnen worden omzeild.” Na zijn analyse van de weinige rechtspraak hierover verdedigt Knigge de opvatting dat een geldboete niet mag worden opgelegd “met het uitsluitende of met het primaire doel” om het wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen. Bleichrodt sluit zich bij die opvatting aan.
Onduidelijkheden op basis van deze rechtspraak 27. Mocht uit het voorgaande kunnen worden afgeleid dat de rechtspraak waar het de afroomboete betreft inmiddels klip en klaar is, dan onderschrijf ik dat niet, en wel vanwege het volgende. Allereerst vraag ik aandacht voor het onderscheid tussen enerzijds ‘doel’ en anderzijds ‘(onbedoeld) gevolg’ (van de oplegging van een geldboete). Dat onderscheid loopt nagenoeg parallel met het verschil tussen ‘beoogd effect’ en ‘bijkomend effect’ (van de oplegging van een geldboete). Van Wees geeft in zijn hierboven weergegeven analyse niet exact de overweging van de Hoge Raad in het arrest uit april 2019 weer: de met een geldboete bewerkstelligde voordeelsontneming is in Van Wees’ analyse van de rechtspraak (slechts) “het gevolg” van iets dat een ander doel dient. De Hoge Raad ‘leest’ in de motivering van het hof daarentegen dat de geldboete “mede dient tot ‘afroming’”. Maar wat wordt hier dan bedoeld met ‘mede’? Daarnaast is een open vraag wat er nu precies wordt bedoeld met de opvatting ‘dat een geldboete niet mag worden opgelegd met het uitsluitende of met het primaire doel om het wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen’. Mag de voordeelsontneming ‘met een bijkomend doel’ c.q. ‘subsidiair’ dan wél strekken tot voordeelsontneming? En wat betekenen ‘bijkomend’ en ‘subsidiair’ in dit verband precies?
Gevalscategorieën 28. Om hierover meer duidelijkheid te verkrijgen, onderscheid ik drie categorieën van gevallen waarin de strafrechter rekening houdt met (de omvang van) wederrechtelijk verkregen voordeel, maar waarin een geldboete niet wordt opgelegd met het uitsluitende of met het primaire doel om het wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen. Die gevalscategorieën zijn: (i) De geldboete die door strafrechter wordt opgelegd strekt slechts tot afschrikking en vergelding. Bij het bepalen van de hoogte van de geldboete neemt de strafrechter – ter bestraffing van de criminele intenties van de verdachte – de omvang van het door de verdachte verkregen voordeel in aanmerking. (ii) De strafrechter beoogt met de oplegging van de geldboete in z’n geheel een redelijk strafdoel als afschrikking en vergelding. Echter, tevens strekt de oplegging van de geldboete (geheel of ten dele) tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. (iii) De geldboete bestaat in de gedachtegang van de strafrechter uit de som van twee bedragen A en B, waarbij de oplegging van een geldboete voor zover ter hoogte van het bedrag A strekt tot vergelding en afschrikking, en voor zover ter hoogte van bedrag B enkel dient ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Hierbij gaat het thans vooral om het onderscheid tussen gevalscategorieën (ii) en (iii).
Dit geval is m.i. het minst problematisch en kan worden geschaard onder de door mij hierboven onder randnummer 22 geschetste ‘eerste manier’ waarop de strafrechter rekening kan houden met de verkrijging van wederrechtelijk voordeel.
Het bezwaar van het omzeilen van de ontnemingsprocedure 34. Waarom is geval (iii) het meest problematisch? Ik zou hier kunnen volstaan met te verwijzen naar de beschouwingen van mijn voormalige ambtgenoten Knigge en Bleichrodt. Knigge wijst op het gevaar dat “de normering van de voordeelsontneming zoals die in wet en jurisprudentie gestalte heeft gekregen, op losse schroeven komt te staan.” Bleichrodt wijst erop dat (de) “met het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel samenhangende materiële en formele waarborgen uit het oog kunnen worden verloren.” Het bezwaar kan m.i. ook iets minder omfloerst worden verwoord: waarmee de oplegging van een geldboete met afroomcomponent (een sanctie in de zin van artikel 7 EVRM) gepaard gaat, is dat de verdachte de hem toekomende rechtsbescherming wordt onthouden. De normering van de voordeelsontneming waarvoor de wetgever heeft gekozen, wijkt in een voor de verdachte gunstige zin sterk af van die van de strafoplegging. Dit wettelijke kader van de artikelen 36e Sr en 511b e.v. Sv is door de Hoge Raad in zijn rechtspraak ook nog eens zorgvuldig ingekleurd.
De voorliggende zaak illustreert het bezwaar van voordeelsontneming buiten de wettelijke kaders om: het hof maakt op geen enkele wijze inzichtelijk wat de gronden zijn voor zijn oordeel dat de verdachte door middel van of uit de baten van het bewezen verklaarde delict voordeel heeft verkregen en wat daarvan de omvang is. Ingeval van witwassen is de verkrijging van voordeel niet vanzelfsprekend en dient de ontnemingsrechter de vaststelling daarvan nader te motiveren. Duister is waarom die eis niet ook aan de strafrechter mag worden gesteld ingeval de door hem opgelegde geldboete (voor het delict witwassen) een afroomcomponent bevat.
Afronding 38. De hiervoor omschreven waarborgen moeten naar mijn inzicht in acht worden genomen in alle gevallen waarin een rechter (mede) de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel beoogt. Ik stel mij derhalve op het standpunt dat de rechtspraak van de Hoge Raad, te weten dat de strafrechter een geldboete kan opleggen “die mede dient tot 'afroming' van het door de bewezen verklaarde feiten verkregen voordeel”, primair bijstelling, subsidiair ‘verduidelijking’, en meer subsidiair aanvulling behoeft.
De bespreking van het derde middel 42. Het hof heeft overwogen dat de geldboete “dient ter benadrukking van de ernst van het feit alsmede ter afroming van het door verdachte behaalde voordeel”. Indien de Hoge Raad mij volgt in mijn primaire standpunt, te weten dat het de strafrechter niet vrijstaat om een geldboete op te leggen die (mede) “dient” ter afroming van wederrechtelijk voordeel, slaagt de rechtsklacht van het derde middel.
Slotsom 44. De eerste twee middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende overweging. Het derde middel slaagt.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie pleitnotities, p. 1-23.
Zie pleitnotities, p. 23-27: “Zelfs al zou uw gerechtshof meegaan in de redenering van het onderzoeksteam – dat er meer of ander onverklaarbaar vermogen in de woning is geïnvesteerd dan door mijn cliënte is opgegeven bij de Belastingdienst –, dan nog kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat mijn cliënte, [verdachte] , bij deze investeringen betrokken is geweest. Laat staan dat zij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat dit meerdere vermogen uit enig misdrijf afkomstig was. Als er al gelden zijn geïnvesteerd in de woning die van misdrijf afkomstig zijn – wat gelet op het voorgaande mijn inziens niet kan worden bewezen –, dan wist mijn cliënte daar in elk geval niets van (onderstreping van mijn hand).”
Vgl. art. 17 lid 2 van de Wet waardering onroerende zaken (de tekst van deze bepaling is sedert de inwerkingtreding van de wet op 1 januari 1995 ongewijzigd).
Vgl. HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1505; HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005 (Overzichtsarrest art. 80a RO), en HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1068.
Zie bijvoorbeeld HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3684, rov 2.5: “Overwegende dat de op te leggen geldboete "mede dient ter afroming van het door verdachte behaalde voordeel" heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de ernst van de feiten zoals in deze zaak bewezen verklaard mede wordt bepaald door de omvang van het uit die feiten verkregen voordeel, en dat de hoogte van de geldboete daarop is afgestemd. Aldus verstaan geeft dit onderdeel van de strafmotivering niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, zodat het middel in zoverre faalt.” Onderstreping mijnerzijds.
Conclusie a-g Knigge 13 april 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM2428, randnummer 13.
HR 18 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1333, NJ 2000/105 m.nt. Schalken, rov. 8.3: “(…). Voorzover het middel daarnaast stelt dat het de rechter niet vrijstaat bij de vaststelling van de draagkracht van de verdachte acht te slaan op vermogensbestanddelen die mogelijk mede door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde feiten zijn verkregen, berust het eveneens op een onjuiste opvatting.”
Conclusie a-g Knigge 13 april 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM2428, randnummer 12.
Conclusie a-g Knigge 13 april 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM2428, randnummer 13.
M.J. Borgers, De ontnemingsmaatregel. Een onderzoek naar het karakter en de voorwaarden tot oplegging van de maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (artikel 36e Wetboek van Strafrecht) (diss. Tilburg), Den Haag: Bju 2001, p. 79-80.
Borgers citeert HR 18 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1333, NJ 2000/105 m.nt. Schalken, rov. 8.3. Voor het goede begrip, in die zaak had het hof het volgende overwogen: “Bovendien acht het hof oplegging van een geldboete noodzakelijk, enerzijds uit oogpunt van generale preventie bij delicten van een omvang als de onderhavige, anderzijds om uit een oogpunt van vergelding verdachte daar te treffen waarop het doel van verdachtes onderneming was gericht: het vergaren van (grote) rijkdom ten koste van de (Nederlandse) samenleving. Uit het door (…) het Bureau Financiële ondersteuning (…) opgemaakte proces-verbaal (…), blijkt (…) dat de waarde van verdachtes aandelen in die vennootschap (…) is (…). Het Hof leidt hieruit af dat de kraagkracht van verdachte meer dan voldoende is voor oplegging van een geldboete van na te melden omvang.” Naar aanleiding van klachten hierover overwoog de Hoge Raad (hier volledig weergegeven): “8.3.
Het middel steunt op de stelling dat het de rechter niet vrijstaat een geldboete op te leggen in gevallen waarin deze straf door het Openbaar Ministerie niet is gevorderd en het Openbaar Ministerie zijn voornemen tot uitdrukking heeft gebracht een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in te dienen. Die opvatting is onjuist. Voorzover het middel daarnaast stelt dat het de rechter niet vrijstaat bij de vaststelling van de draagkracht van de verdachte acht te slaan op vermogensbestanddelen die mogelijk mede door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde feiten zijn verkregen, berust het eveneens op een onjuiste opvatting.”
Conclusie a-g Knigge 13 april 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM2428, randnummer 9.
Conclusie a-g Knigge 13 april 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM2428, randnummer 13.
Conclusie a-g Bleichrodt 5 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:197, randnummers 11-12.
HR 16 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:594.
Conclusie a-g Van Wees 22 april 2025, ECLI:NL:PHR:2025:445, randnummer 4.8.
HR 1 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1054.
Opvallend is ook dat de Hoge Raad in HR 16 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:594, verwijst naar zijn arrest HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3684. In de zaak die leidde tot dat arrest had het hof inderdaad gemotiveerd dat de oplegging van de geldboete ‘diende ter afroming van het voordeel’. De Hoge Raad liet het arrest van het hof in stand, maar na verbeterde lezing van ’s hofs motivering, namelijk door te overwegen dat het hof met de gewraakte motivering tot uitdrukking had gebracht “dat de ernst van de feiten zoals in deze zaak bewezen verklaard mede wordt bepaald door de omvang van het uit die feiten verkregen voordeel, en dat de hoogte van de geldboete daarop is afgestemd.” Die verbeterde lezing, die meer aansluit bij de conclusie van Van Wees, ontbreekt in HR 16 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:594.
Conclusie a-g Knigge 13 april 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM2428, randnummer 13.
Conclusie a-g Bleichrodt 5 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:197, randnummer 12.
HR 8 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1361; HR 15 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:46; HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805.
Vgl. HR 10 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1821; HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1077; HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:194; HR 2 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:155; HR 2 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:475; HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:66; HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2500; HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2501; HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2502; HR 5 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2258; HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1222, en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5217, NJ 2013/293 m.nt. Reijntjes.
Conclusie a-g Bleichrodt 5 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:197, randnummers 12.
Dat is dus – wat mij betreft – anders dan bij de verbeurdverklaring van een voorwerp, ten aanzien waarvan artikel 33a lid 1 sub a Sr wél voorziet in een uitdrukkelijke wettelijke grondslag voor de verbeurdverklaring van voorwerpen die wederrechtelijk verkregen voordeel vertegenwoordigen (namelijk voorwerpen “die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen”). Door verbeurdverklaring van voorwerpen die kunnen worden aangemerkt als opbrengst van een strafbaar feit, kan worden bereikt dat aan een veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen. Wordt in een dergelijk geval ook de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegd, dan dient, in verband met het reparatoire karakter van die maatregel, de waarde van het onder de veroordeelde in beslag genomen en in zijn strafzaak verbeurdverklaarde voorwerp in mindering te worden gebracht op de aan hem op te leggen betalingsverplichting, aldus oordeelt de Hoge Raad. Zie HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:874, NJ 2106/283 m.nt. Reijntjes; HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1768; HR 15 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:44; HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1479; HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1211; HR 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:808, NJ 2022/210.
Zie ook M.J. Borgers, De ontnemingsmaatregel. Een onderzoek naar het karakter en de voorwaarden tot oplegging van de maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (artikel 36e Wetboek van Strafrecht) (diss. Tilburg), Den Haag: Bju 2001, p. 384-385, alwaar Borgers verdedigt (met weglating van voetnoten): “De plicht tot het rekening houden met eerdere ontnemingsmaatregelen kan naar mijn mening ook worden opgevat als een tot de rechter gerichte instructie tot afstemming van de ontnemingsmaatregel en eventueel opgelegde afroomboeten. Dit volgt weliswaar niet onomstotelijk uit de letterlijke tekst van art. 36e lid 7 Sr [thans lid 10, D.A.], maar de principiële onwenselijkheid van een dubbele ontneming biedt voldoende grondslag voor een ruime interpretatie. Of de ontnemingsrechter ook daadwerkelijk in staat is de ontnemingsmaatregel op een afroomboete af te stemmen, is uiteraard wel afhankelijk van de mate waarin de rechter in de hoofdzaak de afroomcomponent in een boete expliciteert. De rechter dient zich bij het formuleren van de strafmotivering hiervan bewust te zijn. Deze verantwoordelijkheid zou eventueel onderstreept kunnen worden door een daartoe strekkende wettelijke motiveringsplicht.”