← Nederland

ECLI:NL:PHR:2025:902

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/01717 Zitting 26 augustus 2025 CONCLUSIE P.M. Frielink In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, hierna: de verdachte 1Het cassatieberoep 1.1 De verdachte is bij arrest van 19 april 2024 (parketnummer 21-000798-22) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, voor het medeplegen van een mislukte moordaanslag (feit 1 primair), een tweetal bedreigingen (feit 2 meer subsidiair en feit 3) en een vernieling (feit 4) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 jaren en 8 maanden met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslist op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen en daarbij passende schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaak 24/01651 ( [medeverdachte] ). In die zaak concludeer ik vandaag ook. 1.3 Het cassatieberoep is op 29 april 2024 ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld. In het eerste middel wordt geklaagd over de bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde feit. In het tweede middel wordt geklaagd over de bewezenverklaring van de onder 2 meer subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten. In het derde middel wordt geklaagd over de strafmotivering. 1.4 Namens de benadeelde partijen heeft R. Korver, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld. In het namens [benadeelde 1] voorgestelde middel wordt geklaagd over de niet-ontvankelijkverklaring van [benadeelde 1] in zijn vordering tot schadevergoeding voor zover deze betrekking heeft op het verlies aan dividend uit aanmerkelijk belang. In het eerste namens [benadeelde 2] voorgestelde middel wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat niet voldaan is aan het voor de toekenning van schokschade geldende confrontatievereiste. In het tweede namens [benadeelde 2] voorgestelde middel wordt geklaagd over de beslissing van het hof om de vordering tot schadevergoeding voor zover deze de schokschade betreft, af te wijzen. 1.5 Bij verweerschrift van 28 april 2025 hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo de cassatieschriftuur van de benadeelde partijen weersproken. 1.6 De uitkomst van deze conclusie is dat zowel de namens de verdachte als de namens de benadeelde partijen voorgestelde middelen falen. 2Het eerste namens de verdachte voorgestelde middel 2.1 In het middel wordt geklaagd dat “het onder 1 bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid. Zo kan niet althans niet voldoende uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat de verdachte een van de inzittenden was van de auto waaruit is geschoten, waardoor tevens het opzet op de dood, de voorbedachte rade en het medeplegen op losse schroeven staat.” 2.2 Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezenverklaard dat: “hij op 6 november 2019 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader(

  1. s)voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [benadeelde 1] van het leven te beroven, zich heeft begeven naar de omgeving van de woning van die [benadeelde 1] , waarna verdachte of verdachtes mededader met een vuurwapen een of meer kogels in de richting van die [benadeelde 1] heeft geschoten (waarbij die [benadeelde 1] in een bovenbeen werd geraakt), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.” 2.3 Deze bewezenverklaring steunt op de volgende in het bestreden arrest opgenomen bewijsmiddelen: “1. Het proces-verbaal van aangifte van 6 december 2019 (…), inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [benadeelde 1] : Ik doe aangifte van poging [tot] moord/doodslag gericht op mijn leven. Het incident vond plaats op de openbare weg ter hoogte van [a-straat 1] te [plaats] te Duitsland op 6 november 2019 tussen 08:00 uur en 08:20 uur. Iemand heeft tussen genoemde tijdstippen op mij geschoten met een vuurwapen vanuit een rijdende auto. 2. Een geschrift, zijnde de letselrapportage forensische geneeskunde van GGD Twente van 7 november 2019 (…), inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van drs. A.A. van der Spaa, forensisch arts: Onderzoeksgegevens naam [benadeelde 1] Gemelde toedracht datum incident 04-11-2019 (het hof begrijpt: 6 november 2019) gemelde toedracht beschoten Klachten SEH diagnose Schotwond met beschadiging van liesslagader. Gemelde klachten Bloeding in de lies. Pijn in de wonden en in linker bovenbeen. Onderzoek vermoeden inwendig letsel Ja toelichting De grote slagader in het linkerbovenbeen is beschadigd en moet operatief hersteld worden. Het slachtoffer is binnengebracht op de spoedeisende hulp met een dubbele tourniquet om het bovenbeen om de (slagaderlijke) bloeding te stoppen. 3. Het proces-verbaal van bevindingen van 6 november 2019 (…), inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van de verbalisanten: Op 6 november 2019 spraken wij [benadeelde 1] , slachtoffer van een beschieting op 6 november 2019 aan de [a-straat ] in [plaats] . [benadeelde 1] verklaarde: Iedere ochtend om tien over acht laat ik mijn hond uit. Deze routine heb ik op werkdagen. Toen ik die ochtend ongeveer 20 meter van mijn woning was hoorde ik twee knallen. Ik draaide mij om. Ik hoorde namelijk dat dit geluid van achteren kwam. Ik zag een zilvergrijze Polo en hoorde een derde knal. Toen voelde ik gelijk pijn in mijn bovenbeen. V: Wat was de afstand tot de Polo? A: De afstand was drie tot vier meter. Ik liep op het voetpad zij reden op de rijbaan. Er zit een kleine groenstrook tussen het voetpad en de rijbaan. V: Wat was de snelheid van de Polo? A: De Polo reed langzaam. V: Waren de ramen van de Polo open of gesloten? A: Het raam aan de passagierskant was open, die schoot. Ik zag dat het raam open was, omdat ik geen weerspiegeling zag in het raam. A: Ik was curator in de zaak van sportschool [A] . [betrokkene 1] was daar de eigenaar. Ik hoorde in april of maart (het hof begrijpt: 2019) dat hij actief op zoek was naar mijn woonadres. Ik was curator van de faillissementen in de zaken waar [betrokkene 1] eigenaar van was. Dat heeft [betrokkene 1] meer dan een half miljoen euro gekost. Ik heb hem gezegd dat ik hem verdacht van een witwasconstructie in relatie tot de sportschool. 4. Het proces-verbaal van bevindingen van 19 februari 2020 (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van de verbalisant: Aanleiding Op 6 november 2019 kwam een melding binnen bij de meldkamer van politie Duitsland dat er een schietincident had plaatsgevonden te [plaats] . Het betreft slachtoffer: Naam : [benadeelde 1] Onderzoek camerabeelden De camerabeelden van het adres [a-straat 2] te [plaats] , betreft het adres van [benadeelde 1] , werden voor onderzoek aan de politie ter beschikking gesteld. Deze camerabeelden zijn voorzien van beeld en geluid. CH1 - Werkelijke tijd: 06-11-2019 08:11:14 Op camera CH1 komt een grijze personenauto aangereden uit de richting van Nederland en rijdt over de [a-straat ] in de richting van [plaats] . Deze grijze personenauto rijdt in dezelfde richting als het slachtoffer loopt. CH2 - Werkelijke tijd: 06-11-2019 08:11:21 De grijze personenauto rijdt in de richting van de bomen waar het slachtoffer uit het zicht is verdwenen. Remlichten van de grijze personenauto gaan aan. Er zijn direct vijf harde knallen te horen. 5. Een geschrift, zijnde een vertaling van het getuigenverhoor van 7 november 2019 (…), inhoudende – zakelijk weergegeven – als (vertaalde) verklaring van [getuige 1] : Vraag: Kunt u de gebeurtenissen van gisterochtend beschrijven? Antwoord: Uit mijn ooghoek zag ik achter iets, dus uit de richting van Nederland komend. Dat was de auto van waaruit later geschoten zou worden. Toen de auto mij een beetje gepasseerd was, heb ik de eerste knal gehoord en meteen daarop een tweede knal. [benadeelde 1] liep. Bij de eerste knal bleef hij staan en draaide hij zich in de richting van de auto en vervolgens verder in mijn richting. Dat ging allemaal zo snel. Ik zag de arm uit het bijrijdersraampje steken en zag een wapen. Vervolgens werd er nogmaals geschoten. Na het derde schot begon hij heel hard te schreeuwen. Daarna hebben ze echter nog een schot gelost en reden ze doodgemoedereerd verder. 6. Een schriftelijk stuk, zijnde een vertaling van het getuigenverhoor van 7 november 2019 (…), inhoudende – zakelijk weergegeven – als (vertaalde) verklaring van [getuige 2] : Vraag: Zou u ons alstublieft in samenhang kunnen beschrijven wat er gisterochtend is voorgevallen? Antwoord: Ik ben om 08.12 uur uit huis gegaan, omdat ik mijn vrouw naar het werk wilde brengen. Nadat ik de auto tot stilstand had gebracht om mijn vrouw te laten instappen, heb ik meerdere harde knalgeluiden gehoord. Vlak daarvoor had mijn vrouw [benadeelde 1] begroet. Hij laat elke morgen stipt om kwart over acht zijn hond uit, voordat hij met zijn auto naar zijn werk vertrekt. Toen ik de schoten hoorde, ben ik direct uit de auto gestapt. [benadeelde 1] begon te wankelen en viel vervolgens neer. Ik heb vervolgens, alleen nog uit mijn ooghoek, een of twee huizen verder een personenauto met Nederlands kenteken gezien. Ik heb ook nog gezien dat er uit het raam aan de bijrijderskant een zwart wapen weer de auto in werd teruggetrokken. 7. Een schriftelijk stuk, te weten de ongetekende kennisgeving van inbeslagneming (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –: Inbeslagneming Plaats: [a-straat ] , [plaats] Datum en tijd: 7 november 2019 te 14:55 uur Omstandigheden: Door FO Duitsland in beslag genomen gedurende het PD-onderzoek en aan ons verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] overgedragen. Volgnummer 1 Object Munitie (Mund Huls) Spooridentificatienr. AANB1733NL Volgnummer 2 Object Munitie Spooridentificatienr. AANB1732NL (Mund Huls) Volgnummer 3 Object Munitie (Mund Huls) Spooridentificatienr. AANB1731NL Volgnummer 4 Object Munitie (Mund Huls) Spooridentificatienr. AANB1730NL Volgnummer 5 Object Munitie (Mund Huls) Spooridentificatienr. AAGV7444NL 8. Het NFI-rapport Munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in [plaats] op 6 november 2019 van 5 december 2019 (…), inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van de rapporteur: Tabel 1 overzicht te onderzoeken materiaal SIN Omschrijving SVO’s zoals op aanvraag AAGV7444NL Munitie (Huls) AANB1730NL Munitie (Huls) AANB1731NL Munitie (Huls) AANB1732NL Munitie (Huls) AANB1733NL Munitie (Huls) Conclusie Vraag 1 Het vergelijkend onderzoek heeft aanwijzingen opgeleverd dat de hulzen zijn verschoten met één vuurwapen. Voor de verschillende hulzenparen die te combineren zijn binnen de vijf hulzen [AAGV7444NL en AANB1730NL t/m -33NL] zijn de volgende hypothesen beschouwd: Hypothese 1: De hulzen zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen. Hypothese 2: De hulzen zijn verschoten met twee vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken. De resultaten van het vergelijkend hulsonderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is. Vraag 3 Er zijn aanwijzingen gevonden dat het betreffende vuurwapen in Nederland is gebruikt bij minimaal twee andere schietincidenten. Incident 1 Voor de verschillende hulzenparen die te combineren zijn binnen enerzijds de vijf hulzen [AAGV7444NL en AANB1730NL t/m -33NL] en anderzijds de vier hulzen [AANI5740NL t/m -43NL] zijn de volgende hypothesen beschouwd: Hypothese 3: De hulzen zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen. Hypothese 4: De hulzen zijn verschoten met twee vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken. De resultaten van het vergelijkend hulsonderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 3 waar is, dan wanneer hypothese 4 waar is. Incident 2 Voor de verschillende hulzenparen die te combineren zijn binnen enerzijds de vijf hulzen [AAGV7444NL en AANB1730NL t/m -33NL] en anderzijds de huls [AANB7223NL] zijn de volgende hypothesen beschouwd: Hypothese 5: De hulzen zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen. Hypothese 6: De hulzen zijn verschoten met twee vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken. De resultaten van het vergelijkend hulsonderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 5 waar is, dan wanneer hypothese 6 waar is. Verbale term Ordegrootte bewijskracht extreem veel waarschijnlijker > 1.000.000 Aanvullende informatie De vier hulzen [AANI5140NL t/m -43NL] zijn aangeboden na een schietincident op 2 oktober 2019 in [plaats] . De huls [AANB7223NL] is aangeboden na te zijn aangetroffen op 11 augustus 2019 in [plaats] . 9. Het proces-verbaal forensisch onderzoek personenauto ( [b-straat 1] [plaats] ) van 28 januari 2020 (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van de verbalisanten: Voorafgaande informatie Op 6 november 2019 kwam er een melding binnen bij de meldkamer van politie dat er een schietincident had plaatsgevonden te [plaats] (Duitsland). Op 13 december 2019 kregen wij het verzoek om ter plaatse te gaan naar de [b-straat 1] te [plaats] . Op deze locatie zou een auto worden gebracht waarvan werd vermoed dat deze mogelijk betrokken was geweest bij het hiervoor beschreven incident. Het verzoek betrof het volgende: - de auto bemonsteren op de eventuele aanwezigheid van schotresten aan de passagierszijde. Forensisch onderzoek Bevindingen Wij zagen dat de auto een zilvergrijs gekleurde Volkswagen Polo betrof met [kenteken] . Schotresten: Door ons werden aan de rechterbuitenzijde van de auto, alsmede aan de rechterbinnenzijde van de auto enkele bemonsteringen op de eventuele aanwezigheid van schotresten uitgevoerd, te weten: - rechterbuitenzijde auto ter hoogte van voordeur (AAL04472NL; 4 bemonsteringen); - rechterbuitenzijde auto ter hoogte van achterdeur (AAL04473NL; 4 bemonsteringen); - rechtervoordeur ter hoogte van binnenzijde raamopening (AAL04474NL; 3 bemonsteringen); - binnenzijde auto rechts voor (AAL04475NL; 3 bemonsteringen); - rechterachterdeur ter hoogte tussen raamrubber en ruit (AAL04476NL). 10. Het NFI-rapport Schotrestenonderzoek naar aanleiding van een schietincident in [plaats] (Duitsland) op 6 november 2019 van 8 april 2020 (…) inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van de rapporteur: Tabel 1 Overzicht te onderzoeken materiaal SIN Omschrijving NFI AAL04472NL een onderzoekset schiethanden waarmee met vier stubs delen van het rechtervoorportier van een personenauto aan de buitenzijde zijn bemonsterd AAL04473NL een onderzoekset schiethanden waarmee met vier stubs delen van het rechterachterportier aan de buitenzijde van een personenauto zijn bemonsterd AAL04474NL een onderzoekset schiethanden waarmee met drie stubs delen van het rechtervoorportier aan de binnenzijde van een personenauto zijn bemonsterd AAL04475NL een onderzoekset schiethanden waarmee met drie stubs delen van het rechtervoorportier aan de binnenzijde van een personenauto zijn bemonsterd AAL04476NL een onderzoekset schiethanden waarmee met één stub het rubber van de ruit van het rechterachterportier van een personenauto aan de buitenzijde is bemonsterd Conclusie Onderzoek aanwezige schotresten De bevindingen van het onderzoek naar de aanwezigheid van schotresten aan de onderzoeksets schiethanden [AAL04472NL t/m AAL04476NL] waarmee delen van een personenauto zijn bemonsterd, zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is. Waarbij, Hypothese 1: Op de bemonsteringen van de personenauto zijn schotresten aanwezig. Hypothese 2: Op de bemonsteringen van de personenauto zijn géén schotresten aanwezig. Verbale term Ordegrootte bewijskracht zeer veel waarschijnlijker 10.000 -1.000.000 11. Het proces-verbaal van de terechtzitting van rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo , van 25 januari 2022, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van verdachte: Ik ben in het bezit geweest van een zilvergrijze Volkswagen Polo met [kenteken] en een zwarte BMW met [kenteken] . De Volkswagen Polo die op de getoonde camerabeelden te zien is, is van mij, 12. Het proces-verbaal van de terechtzitting van rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo , van 25 januari 2022 in de zaak tegen [medeverdachte], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [medeverdachte] : De auto die op de beelden is te zien (het hof begrijpt: een Volkswagen Polo voorzien van het [kenteken]), is van [verdachte] . [verdachte] had ook een BMW. Desgevraagd zeg ik u, voorzitter, dat ik met [verdachte] meeging. Ik ben ook met hem mee naar [plaats] gegaan en dat we bij [betrokkene 2] aan de deur zijn geweest. [verdachte] moest geld ophalen en dan ging ik mee. U houdt mij het OVC-gesprek voor waarin ik zeg "Als ze dat ding niet hebben, dan komen ze ook niet bij mij". Met dat ding bedoel ik een wapen. 13. Het proces-verbaal van bevindingen van 6 juni 2020 (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van de verbalisant: Aanleiding Op 6 november 2019 kwam een melding binnen bij de meldkamer van politie Duitsland dat er een schietincident had plaatsgevonden te [plaats] . De dader had geschoten vanaf de bijrijdersstoel van een auto, zijnde een Volkswagen Polo met mogelijk een Nederlands kenteken. Het betreft slachtoffer: Naam : [benadeelde 1] Onderzoek camerabeelden Naar aanleiding van de eerder beschreven personenauto, een grijze VW Polo, heb ik een onderzoek ingesteld naar soortgelijke personenauto’s op de ter beschikking gestelde camerabeelden van 1 november 2019. Op 1 november 2019 is een soortgelijke voertuig door mij waargenomen. Camerapositie: [a-straat 2] [plaats] [benadeelde 1] verlaat op 1 november 2019 om 07:39:40/07:39:41 (werkelijke tijd) de woning, stapt in zijn personenauto en rijdt weg. Op 1 november 2019 om 07:43:19/07:43:20 uur (werkelijke tijd) komt een Volkswagen Polo, die voldoet aan de beschrijving van de Volkswagen Polo die betrokken was bij de schietpartij van 6 november 2019, over de [a-straat ] in [plaats] gereden. 14. Het proces-verbaal van bevindingen van 22 juli 2020 (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van de verbalisant: Aanleiding Op 6 november 2019 werd bij de politie een schietincident gemeld te [plaats] (Duitsland). Het slachtoffer betreft [benadeelde 1] . Analyse historische verkeersgegevens [telefoonnummer] in gebruik bij [verdachte] [telefoonnummer] in gebruik bij [verdachte] [telefoonnummer] in gebruik bij [medeverdachte] [telefoonnummer] in gebruik bij [medeverdachte] en [betrokkene 3] Analyse telf. contacten [medeverdachte] met [verdachte] Ik heb in de aangeleverde historische verkeersgegevens van de telefoonnummers in gebruik bij [verdachte] en [medeverdachte] , gekeken naar de onderlinge telefonische contacten tussen de tijdstippen 06.00 uur en 08.00 uur. Uit deze historische verkeersgegevens bleek dat het [telefoonnummer] in gebruik bij [verdachte] en de telefoonnummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer] in gebruik bij [medeverdachte] vanaf 28 augustus 2019 tot en met 6 november 2019 tussen 06.00 uur en 08.00 uur de volgende geregistreerde telefonische contacten hebben gehad: 28 augustus 2019: 07:16:43 uur gedurende 49 sec. [telefoonnummer] ( [verdachte] ) uitgaand gesprekscontact naar [telefoonnummer] ( [medeverdachte] ) 07:23:39 uur gedurende 3 sec. [telefoonnummer] ( [verdachte] ) uitgaand gesprekscontact naar [telefoonnummer] ( [medeverdachte] ) 07:24:54 uur gedurende 14 sec. [telefoonnummer] ( [verdachte] ) uitgaand gesprekscontact naar [telefoonnummer] ( [medeverdachte] ) 19 september 2019: 06:31:45 uur, 06:31:51 uur en 06:48:56 uur [telefoonnummer] ( [verdachte] ) uitgaande SMS-registraties naar het [telefoonnummer] ( [medeverdachte] ). 06:57:19 uur gedurende 2 sec. [telefoonnummer] ( [verdachte] ) uitgaand gesprekscontact naar [telefoonnummer] ( [medeverdachte] ) 07:13:35 uur [telefoonnummer] ( [verdachte] ) uitgaande SMS-registratie naar het [telefoonnummer] ( [medeverdachte] ). 11 oktober 2019: 06:48:17 uur gedurende 121 sec. [telefoonnummer] ( [verdachte] ) uitgaand gesprekscontact naar [telefoonnummer] ( [medeverdachte] ) 21 oktober 2019: 06:49:09 uur gedurende 13 sec. [telefoonnummer] ( [verdachte] ) uitgaand gesprekscontact naar [telefoonnummer] ( [medeverdachte] ) 06:57:29 uur gedurende 78 sec. [telefoonnummer] ( [verdachte] ) uitgaand gesprekscontact naar [telefoonnummer] ( [medeverdachte] ) 07:08:46 uur gedurende 33 sec. [telefoonnummer] ( [verdachte] ) uitgaand gesprekscontact naar [telefoonnummer] ( [medeverdachte] ) 23 oktober 2019: 06:57:53 uur gedurende 4 sec. [telefoonnummer] ( [verdachte] ) uitgaand gesprekscontact naar [telefoonnummer] ( [medeverdachte] ) 24 oktober 2019: 06:42:33 uur gedurende 14 sec. [telefoonnummer] ( [verdachte] ) uitgaand gesprekscontact naar [telefoonnummer] ( [medeverdachte] ) 25 oktober 2019: 06:51:55 uur gedurende 3 sec. [telefoonnummer] ( [verdachte] ) uitgaand gesprekscontact naar [telefoonnummer] ( [medeverdachte] ) 06:52:46 uur gedurende 2 sec. [telefoonnummer] ( [verdachte] ) uitgaand gesprekscontact naar [telefoonnummer] ( [medeverdachte] ) 06:59:11 uur gedurende 2 sec. [telefoonnummer] ( [verdachte] ) uitgaand gesprekscontact naar [telefoonnummer] ( [medeverdachte] ) 07:15:13 uur gedurende 28 sec. [telefoonnummer] ( [verdachte] ) inkomend gesprekscontact van het [telefoonnummer] ( [medeverdachte] ) 28 oktober 2019: 07:04:17 uur gedurende 7 sec. [telefoonnummer] ( [verdachte] ) uitgaand gesprekscontact naar [telefoonnummer] ( [medeverdachte] ) 31 oktober 2019: 06:27:30 uur gedurende 24 sec. [telefoonnummer] ( [verdachte] ) uitgaand gesprekscontact naar [telefoonnummer] ( [medeverdachte] ) 06:41:33 uur gedurende 12 sec. [telefoonnummer] ( [verdachte] ) uitgaand gesprekscontact naar [telefoonnummer] ( [medeverdachte] ) 1 november 2019: 06:55:06 uur gedurende 2 sec. [telefoonnummer] ( [verdachte] ) uitgaand gesprekscontact naar [telefoonnummer] ( [medeverdachte] ) 06:55:55 uur gedurende 1 sec. [telefoonnummer] ( [verdachte] ) uitgaand gesprekscontact naar [telefoonnummer] ( [medeverdachte] ) 06:56:31 uur gedurende 12 sec. [telefoonnummer] ( [verdachte] ) uitgaand gesprekscontact naar [telefoonnummer] ( [medeverdachte] ) 6 november 2019: 06:33:25 uur gedurende 19 sec. [telefoonnummer] ( [verdachte] ) uitgaand gesprekscontact naar [telefoonnummer] ( [medeverdachte] ) Historische verkeersgegevens na het gepleegde delict In de aangeleverde historische verkeersgegevens van de telefoonnummers in gebruik bij [verdachte] en [medeverdachte] , zag ik dat ná 6 november 2019 tussen 06.00 uur en 08.00 uur geen geregistreerde telefonische contacten meer zijn geweest tussen de telefoonnummers in gebruik bij [verdachte] en [medeverdachte] . 15. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 20 maart 2024, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –: Ik deed incassoklussen. Niet van mijzelf maar van anderen. Ik kreeg wat informatie over het bedrag en het adres. Ik ging dan naar die mensen toe. Soms moest ik iemand vastpakken of een klap geven. Meestal nam ik [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte]) mee. Mij werd gevraagd bij iemand langs te gaan die heel lastig was en bij een sportschool door de ramen te schieten. Dat heb ik gedaan, omdat die man dan wel zou luisteren. Ik heb zoiets nog een keer in [plaats] gedaan. Ik moest daar druk maken door op een auto te schieten die voor het huis stond. Deze keer had ik [medeverdachte] bij mij. Ik ben een keer naar [plaats] gereden om [benadeelde 1] te zoeken, maar ik kon het niet vinden. Ik ben er nog een keer geweest, maar toen was hij net weg. Ik ben voorzichtig en ga niet zomaar op pad. Ik controleer of alles veilig is en, indien niet, dan ga ik gewoon terug. Voor incassoklussen kreeg ik € 500,- en daarvan gaf ik soms een deel aan [medeverdachte] . 16. Het proces-verbaal van aangifte van 14 oktober 2019 (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [aangever 1] : Ik doe aangifte van poging doodslag, bedreiging en vernieling, gepleegd op 2 oktober 2019 tussen 22:30 en 22:40 uur in [plaats] . Ik ben eigenaar van [B] in [plaats] . Voorheen was de naam van de sportschool [A] . Ik ben [A] in 2005 gestart met mijn toenmalige compagnon [betrokkene 1] . Toen er geruchten ontstonden dat [betrokkene 1] zowel zakelijk als privé failliet zou gaan heb ik mij in 2018 failliet laten verklaren omdat ik voor de helft aandeelhouder was. In oktober 2018 heb ik een doorstart gemaakt en ben nu eigenaar van [B] . Die doorstart werd mij door [betrokkene 1] kwalijk genomen. [betrokkene 1] heeft mij duidelijk gemaakt dat ik moest betalen en het zou niet goed komen. Op 3 oktober 2019 werd ik gebeld dat er vier kogelgaten in de ramen van de kantine van de sportschool zaten. Ik ben ontzettend geschrokken en voel mij bedreigd. In drie ruiten bij de kantine zitten kogelgaten. Deze ruiten moeten vervangen worden. Ik maak mij zorgen om de veiligheid van mijn gezin. 17. Het proces-verbaal van verhoor getuige van 4 oktober 2019 (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [getuige 3] : Op 2 oktober 2019 ben ik de sportschool " [B] " binnen gegaan. Op een gegeven moment hoorde ik knallen. Ik wist eigenlijk meteen dat het schoten waren. 18. Het proces-verbaal van verhoor getuige van 7 oktober 2019 (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [getuige 3] : Toen ik de schoten hoorde, verstijfde ik van angst. 19. Het proces-verbaal van bevindingen van 26 februari 2020 (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van de verbalisanten: Op 2 oktober 2019, in de avonduren, werd er op de sportschool " [B] " geschoten. Deze sportschool is gelegen aan de [c-straat 1] te [plaats] . Om duidelijkheid te verkrijgen in de zaak werden onder andere vele camerabeelden uitgekeken. In dit proces-verbaal geven wij een opsomming wat wij hebben waargenomen op deze beelden. Ik, tweede verbalisant, heb op 26 november 2019 de beelden van de camera van de [c-straat 2] te [plaats] bekeken. Hierop zag ik dat de BMW, type 1 serie, keert. Deze beelden zijn door leden van het Platform Digitale Opsporing en beeldbewerking opgewaardeerd. Vervolgens zijn deze beelden opnieuw door mij bekeken. Ik zag dat het een gele kentekenplaat betrof. De volgende letters en cijfers trof ik aan: [kenteken] Ik, eerste verbalisant, heb de beelden bekeken. Ik zag ook dat het een BMW, type 1 serie, was, voorzien van het kenteken [kenteken] Systeemtijd camera C, [c-straat 3] Het vermoeden is dat camera C van de [c-straat 3] nog, of al, op de wintertijd stond. Chronologische weergave fragmenten: 2 oktober 2019, om 22:26:36 Camera [d-straat 1] De BMW slaat linksaf de [c-straat ] in. 2 oktober 2019, 21:27:07 (het hof begrijpt: 22:27:07) Camera C [c-straat 3] De BMW keert. 2 oktober 2019, om 22:30:10 Camera [d-straat 1] De BMW parkeert aan de kant van de weg. De verlichting van de koplampen van de BMW gaat uit. Woensdag 2 oktober 2019, om 22:31:00 Camera [d-straat 1] Wij zien dat de latere schutter de weg oversteekt. Deze persoon komt uit de richting van de zojuist geparkeerde BMW. 2 oktober 2019, van 22:35:50 t/m 22:36:26 Camera [c-straat 1] , [B] De man draait zich na het schieten om en loopt hard weg. 2 oktober 2019, om 22:37:48 Camera B [d-straat 1] Er worden lichten ontstoken van de BMW. De BMW rijdt weg. 20. Het proces-verbaal van bevindingen van 3 maart 2020 (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van de verbalisant: De 5-deurs personenauto, van het merk BMW type 118D, voorzien van het [kenteken] , past qua signalement volledig in de beschrijving van de zwarte 5-deurs BMW type 1-serie E87 die in [plaats] op 2 oktober 2019 ‘s avonds door de bewakingscamera's op beeld is vastgelegd. Daarbij zijn met name de grote donkere spaakvelgen, de kleine dakantenne en brede horizontale boogvormige zonnewering aan de bovenkant van de voorruit nogal in het oog springend. 21. Het proces-verbaal van bevindingen van 6 december 2023 (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van de verbalisanten: Op 6 december 2023 heeft [medeverdachte] een gesprek met ons gehad. Het gesprek is hieronder zoveel mogelijk letterlijk uitgewerkt. A: veroordeelde [medeverdachte] A: Ik zeg tegen [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte [verdachte]) maakt niet uit waar je geld op moet halen, ik ga met jou mee dan haal ik met jou geld op. We rijden naar [plaats] . Hij zegt hier moet ik geld ophalen. We zetten de auto neer. Hij stapt uit de auto. Ik hoor in één keer bam, bam, bam. Hij komt terug de auto in. Ik zeg wat heb jij gedaan dan, lawaai zitten maken. Laat hij mij dat pistool zien. 22. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 23 januari 2024 (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [medeverdachte] : V: vraag verbalisant A: antwoord verdachte V: We gaan het over [plaats] hebben. Voor wie moest [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte [verdachte]) daar geld ophalen? Wat heeft [verdachte] daarover gezegd? A: Het enige wat ik nog weet is dat hij zegt dat het een juwelier is. 23. Het proces-verbaal van aangifte van 8 augustus 2019 (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [aangever 2] : Ik doe aangifte van vernieling van een auto, gepleegd in [plaats] in de periode van 3 tot en met 5 augustus 2019. Op 5 augustus 2019 ontdekte ik dat er een beschadiging zat op de deur van de Citroën C3. Toen ik goed keek zag ik dat het een klein gaatje betrof. Het lijkt op de inslag van een kogel. Ik ben eigenaar van twee juwelierszaken. 24. Het proces-verbaal van bevindingen van 7 juli 2020 (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van de verbalisant: Melding bedreiging Op 18 april 2020 werd door [betrokkene 2] telefonisch doorgegeven dat hij zojuist door twee mannen aan zijn voordeur, [e-straat 1] te [plaats] , was bedreigd. De mannen waren ten tijde van de melding juist weggereden in een donkerrode Skoda Fabia. Staandehouding Kort na deze melding werd een roodkleurige Skoda Fabia rijdend aangetroffen. Als bestuurder van deze auto trad op [medeverdachte] en als bijrijder [verdachte] . [verdachte] verklaarde dat ze iemand een boodschap hadden gebracht. Vervolgens verklaarde hij dat ze zojuist verhaal hadden gehaald bij de bewoner van de woning aan de [e-straat 1] te [plaats] , omdat deze bewoner een openstaande schuld zou hebben. 25. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 20 november 2020 (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [medeverdachte] : V: Wat voor auto had je voor deze Golf? A: Een Skoda Fabia donkerrood. Voor een maand terug heb ik deze weggedaan. V: Hoe lang heb je de Skoda gehad? A: Ongeveer een halfjaar. 26. Een schriftelijk stuk, zijnde de weergave van een OVC-gesprek van 17 januari 2020 (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –: Herkomst tap: [kenteken] , BMW, 118D 13:08:24 uur [verdachte] : ik doe niks, ik ben wel eens tien keer ergens geweest en dat ik nog niks doe of niet laat doen omdat het risico is. Ik doe alleen maar als het veilig is. Zo veilig als het kan. [verdachte] : Als wij iemand moeten pakken, of er moet iets met iemand gebeuren, dan ben ik soms wel tien keer eerder geweest. 27. Een schriftelijk stuk, zijnde de weergave van een OVC-gesprek van 12 februari 2020 (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –: Herkomst tap: [kenteken] , BMW, 118D 19:21 uur NN-Man: “Die ouders zijn ook rijk hoor.” [verdachte] fluistert: “moet je die gewoon kapot maken, zodat je een beetje geld...” [verdachte] : “Dan moeten die een keer in het kanaal vallen met z’n allen.” [verdachte] : “Weet je wat het is?...Als iemand goed is, ben ik de beste... ook al bel je ‘s nachts, als het nodig is dan ben ik er.” 28. Het proces-verbaal algemeen relaas van 26 maart 2021 (…), voor zover inhoudende (…) – zakelijk weergegeven – als relaas van de verbalisant: Op 2 november 2020 is via de media een vooraankondiging geweest voor het programma Opsporing Verzocht welke op dinsdag 3 november 2020 werd uitgezonden. TV Oost had onderstaand bericht via de media verspreid: Aanslag op [plaats] curator jaar na dato nieuwe ontwikkelingen In de vooraankondiging van Opsporing Verzocht werd vermeld dat aandacht zal zijn voor onderstaande onderwerpen:  Op woensdag 6 nov 2019 is te [plaats] de Nederlandse advocaat [benadeelde 1] beschoten met een vuurwapen  Op woensdag 2 oktober 2019 is fitnesscentrum “ [B] ”, [c-straat 1] te [plaats] met een vuurwapen beschoten 29. Een schriftelijk stuk, zijnde de weergave van een OVC-gesprek van 2 november 2020 (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –: Herkomst tap: [plaats] , [f-straat 1] 19:12 [betrokkene 4] zegt dat [betrokkene 5] binnen kan komen. [betrokkene 4] zegt: moet ik wat zeggen? [betrokkene 5] vraagt om pen en papier. [betrokkene 5] zegt: ik schrijf het op en daarna.... verbrandt daarna. [verdachte] . verbranden ....weg. Ja? [betrokkene 4] heeft iets gepakt maar [betrokkene 5] zegt: doe maar het boekje gewoon, kan ik beter schrijven. [betrokkene 4] mompelt dat ze daar wat op geschreven heeft maar dat maakt [betrokkene 5] niet uit. [betrokkene 4] vraagt of [betrokkene 5] wat wil drinken maar [betrokkene 5] wil niet en gaat zo verder. [betrokkene 5] zegt: Hij moet niet ... niet bellen. [betrokkene 4] zegt: maar weet jij hoe laat of zo? [betrokkene 5] zegt: Euh morgen eh half acht of acht uur. [betrokkene 5] zegt: Die programma heet Opsporing Verzocht [betrokkene 5] zegt: Ik ken [verdachte] heel lang. Ik ken heel lang. Maar ‘hij’ altijd: blablablabla. 30. Een schriftelijk stuk, zijnde de weergave van een OVC-gesprek van 2 november 2020 (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –: Herkomst tap: [plaats] , [f-straat 1] 19:25 uur [verdachte] komt thuis 19:42 [betrokkene 4] zegt hij heeft hier gezegd dat je te veel praat 31. Het proces-verbaal van bevindingen van 4 maart 2020 (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van de verbalisant: In het kader van in het opsporingsonderzoek Montenegro toegepaste ruisstrategie werd op 4 november 2020 een handgeschreven briefje met de tekst ‘Opsporing Verzocht gezien, mooie beloning’, geplaatst achter de ruitenwisser van de Citroën Saxo, in gebruik zijnde bij [betrokkene 3] , partner van [medeverdachte] . 32. Een schriftelijk stuk, zijnde de weergave van een OVC-gesprek van 4 november 2020 (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –: Herkomst tap: [plaats] , [g-straat 1] 11:54 (werkelijke tijd) [betrokkene 3] : Hier, mond dicht...niet gaan praten ja? (hoort geknisper) [betrokkene 3] : Onder de ruitenwisser vanmorgen, 17.000 euro [medeverdachte] : zucht hard [medeverdachte] zegt stil, stil. Ze weten wat ik gedaan heb...stilte...ik denk dat ze me nu kunnen pakken. 33. Een schriftelijk stuk, zijnde de weergave van een OVC-gesprek van 4 november 2020 (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –: Herkomst tap: [plaats] , [f-straat 1] 13:21 uur [verdachte] : heb je tv gekeken? [medeverdachte] : nee heb jij een briefje gedaan? [verdachte] : wat voor ding? [medeverdachte] : heb jij ook een briefje gekregen? [verdachte] : Wat voor briefje? [medeverdachte] : Onder de ruit? [verdachte] : Welke ruit? [medeverdachte] : van die auto van mij [verdachte] : nee [medeverdachte] : er zat een briefje achter de ruit bij Saxo [verdachte] : ja? [medeverdachte] : opsporing verzocht gekeken? Goeie beloning! [verdachte] : heb je niet gekeken? [medeverdachte] : nee [medeverdachte] : maar er is niks aan de hand, ze weten niks!!!! [verdachte] : ntv [medeverdachte] : klopt om die auto [verdachte] : twee auto’s dan nou [medeverdachte] : een zwarte en een grijze [verdachte] : ja Ze praten onverstaanbaar zacht. Het gesprek is slecht te verstaan, ik hoor flarden. [medeverdachte] : in [plaats] ? [verdachte] : nee in [plaats] , heb je dat gezien? 13:30 [verdachte] : nee niet goed niet [medeverdachte] : nee hè? [verdachte] : Natuurlijk ben ik niet blij. Maar ze halen me maar op, is toch geen bewijs [verdachte] : het beste maar ik kom jou nu niet langs hè. dat is het beste, snap je? [medeverdachte] : dat is goed. 34. Een schriftelijk stuk, zijnde de weergave van een OVC-gesprek van 10 november 2020 (…). voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –: Herkomst tap: [plaats] , [g-straat 1] 12:34 [medeverdachte] zegt dat ik aan het werk ben geweest, ja? [betrokkene 3] zegt ja [medeverdachte] zegt en dan moet ik uit gaan leggen waar ik dan was, als ik niet aan het werk was [medeverdachte] zegt ik was gewoon thuis, klaar ...ja? [medeverdachte] zegt en dan moet jij zeggen hij was thuis, klaar! [betrokkene 3] zegt ja [betrokkene 3] zegt maar dadelijk word ik meegenomen voor dat geintje [medeverdachte] zegt neehee, wat wil je dat ik vast zit dan? nee toch? 35. Een schriftelijk stuk, zijnde de weergave van een OVC-gesprek van 11 november 2020 (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –: 19:20 uur [medeverdachte] zegt omdat mijn DNA in zijn auto zit [medeverdachte] zegt ze kunnen me wel vast zitten maar ze kunnen het niet bewijzen. 19:55 uur [medeverdachte] zegt ze komen niet, weet je waarom niet? Als ze dat ding niet vinden, dan hebben ze niks 36. Een schriftelijk stuk, zijnde de weergave van een tap-gesprek van 13 februari 2020 (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –: Herkomst tap: [telefoonnummer] [medeverdachte] : “Ik doe niks meer onder de duizend euro.” [betrokkene 3] : “Je doet sowieso niks.” [medeverdachte] : “Nee maar ik doe niks onder de duizend euro, ik ga nergens met hem naartoe rijden, snap je, onder de duizend euro.” [betrokkene 3] : “Nee gelijk afbetalen, eerst handje contantje voordat je wat doet.” [medeverdachte] : “Maar wat we laatst hebben gedaan, dat gaan we niet meer weer doen.” [betrokkene 3] : “stil, stil, stil…”” 2.4 Het hof heeft in zijn arrest met betrekking tot de bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde de volgende bewijsoverwegingen opgenomen: “Standpunten ten aanzien van het bewijs en de ontvankelijkheid (…) Ten aanzien van het schietincident in [plaats] heeft hij [A-G: de verdachte], kort gezegd, verklaard dat hij, toen hij hoorde dat de klus die dag zou bestaan uit het bedreigen van [benadeelde 1] door hem voor de voeten te schieten, heeft geweigerd mee te gaan, dat hij zijn auto vervolgens wel (onder dwang) heeft meegegeven en dat hij [medeverdachte] heeft gebeld om te zeggen dat het niet doorging. De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Ten aanzien van het primair tenlastegelegde heeft hij zich primair op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het dossier geen wettig bewijs bevat voor de stelling dat verdachte op 6 november 2019 daadwerkelijk in [plaats] was, terwijl het dossier wel ontlastend bewijs bevat. In dit verband verwijst de raadsman naar getuigenverklaringen waarin signalementen van de daders worden gegeven waar verdachte niet aan voldoet. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet op de dood van [benadeelde 1] . (…) Overweging met betrekking tot het bewijs Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals hieronder zijn uitgewerkt. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Bewijsmiddelen ten aanzien van feiten 1 primair, 2 meer subsidiair, 3 en 4 (…) Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 primair Wat het hof op basis van de bewijsmiddelen (niet) kan vaststellen Op basis van de bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast. Op 6 november 2019 is er in [plaats] vanuit de Volkswagen Polo die verdachte destijds in zijn bezit had van enkele meters afstand in de richting van [benadeelde 1] geschoten. Eén van de vijf afgeschoten kogels heeft [benadeelde 1] in zijn bovenbeen geraakt en daarbij diens liesslagader beschadigd. Het schietincident vond plaats terwijl [benadeelde 1] , volgens zijn vaste routine, zijn hond uitliet. Het hof stelt op basis van de bewijsmiddelen verder het volgende vast. Verdachte voerde in opdracht incassoklussen uit en [medeverdachte] ging daarbij geregeld met hem mee. Verdachte heeft in de periode van 3 tot en met 5 augustus 2019 een klus uitgevoerd in [plaats] , op 2 oktober 2019 in [plaats] en op 18 april 2020 in [plaats] . [medeverdachte] is met verdachte meegegaan bij de klussen in [plaats] en [plaats] . Bij de klussen in [plaats] en [plaats] is gebruikgemaakt van een vuurwapen. Verdachte is naar de klus in [plaats] gereden met de BMW die hij destijds in zijn bezit had en bij de klus in [plaats] werd gebruikgemaakt van de auto van [medeverdachte] . Verdachte bereidde zijn klussen goed voor, controleerde of het veilig was en ging terug als dat niet het geval was. Uit de verklaring van verdachte in combinatie met de camerabeelden van 1 november 2019 leidt het hof af dat verdachte in zijn Volkswagen Polo voorbij het huis van [benadeelde 1] is gereden vlak nadat [benadeelde 1] was vertrokken. Aan die dag is opvallend dat [benadeelde 1] afweek van zijn dagelijkse routine. Hij vertrok reeds om 07.39 uur, terwijl volgens zijn dagelijks routine hij pas vertrok nadat hij zijn hond om 08.10 uur had uitgelaten. Het hof kan niet vaststellen met welk doel verdachte op 1 november 2019 in de richting van de woning van [benadeelde 1] is gereden. Omdat [benadeelde 1] afweek van zijn vaste routine staat het voor het hof niet vast dat verdachte daar ‘slechts’ was in het kader van een voorverkenning. Verdachte had diezelfde dag om 06.56 uur gebeld naar de telefoon die in gebruik was bij [medeverdachte] . Het hof merkt op dat het vanaf het adres van [medeverdachte] minder dan een half uur rijden was naar het adres van [benadeelde 1] . Die tijdsduur was dus voldoende voor verdachte om (na het telefoontje) vanaf het adres van [medeverdachte] naar het adres van [benadeelde 1] te rijden (en daar om 07.43 uur te zijn). Het is niet gebleken dat het telefonisch contact tussen verdachte en [medeverdachte] in de vroege ochtend van 1 november 2019 los stond van de rit die verdachte die ochtend maakte richting het huis van [benadeelde 1] . Het hof merkt verder op dat er ook al voor 1 november 2019 in de vroege ochtend telefonische contacten waren tussen verdachte en [medeverdachte] . Dat was negen keer het geval. Niet is gebleken dat de telefonische contacten tussen verdachte en [medeverdachte] in de vroege ochtenduren los stonden van het schietincident op 6 november 2019. Op 6 november 2019 in de vroege ochtend – namelijk om 06.33 uur – is er opnieuw contact tussen verdachte en [medeverdachte] . Die dag volgt [benadeelde 1] wel zijn vaste gewoonte om zijn hond om 8.10 uur uit te laten. Om 8.11 uur wordt hij vanuit de auto van verdachte neergeschoten. Na 6 november 2019 hebben verdachte en [medeverdachte] geen contact meer in de vroege ochtenduren. Gelet op de onderzoeksresultaten gaat het hof ervan uit dat het wapen waarmee op 6 november 2019 in de richting van [benadeelde 1] is geschoten, hetzelfde wapen is dat door verdachte in [plaats] en [plaats] is gebruikt. Tot slot stelt het hof op basis van de bewijsmiddelen vast dat [medeverdachte] in de week van 4 tot en met 11 november 2020 met zijn partner [betrokkene 3] en met verdachte over het schietincident in [plaats] heeft gesproken. Hij besprak met hen of de politie wist dat hij en verdachte de daders waren en of de politie voldoende bewijs had. Ook vertelde hij [betrokkene 3] dat en hoe zij hem een alibi moest verschaffen. Alternatief scenario Verdachte geeft toe dat er vanuit zijn auto is geschoten, maar stelt dat hij toen niet in de auto zat. Verdachte stelt dus dat hij onschuldig is aan het feit waarvoor hij door de rechtbank is veroordeeld. Verdachte heeft echter bij de politie niet willen verklaren. Bij de rechtbank heeft verdachte wel een aantal vragen beantwoord, maar ook veel vragen niet. Hij heeft aangegeven dat hij uit veiligheidsoverwegingen vragen niet wilde beantwoorden. Bij de rechtbank heeft hij ontkend betrokken te zijn geweest bij het schietincident in [plaats] , maar in hoger beroep heeft hij bekend op het raam van de sportschool te hebben geschoten. In hoger beroep heeft verdachte nog het meest uitgebreid verklaard over [plaats] . Daarbij geldt wel dat verdachte zijn verklaring van papier heeft voorgelezen en opnieuw veel vragen niet wilde beantwoorden; ook vragen waarvan het voor het hof niet duidelijk was hoe hij door beantwoording ervan zijn veiligheid of die van zijn familie op het spel zou zetten. Verdachte heeft tijdens de zitting in hoger beroep verklaard dat hij, toen hij op de dag van het schietincident in [plaats] hoorde dat de klus die dag zou bestaan uit het bedreigen van [benadeelde 1] door hem voor de voeten te schieten, heeft geweigerd mee te gaan, dat hij zijn auto vervolgens wel (onder dwang) heeft meegegeven en dat hij [medeverdachte] toen heeft gebeld om te zeggen dat het niet doorging. In dit scenario zou er door derden die de auto van verdachte hadden gebruikt op [benadeelde 1] zijn geschoten. Het is het hof niet duidelijk geworden waarom verdachte zo laat de uitgebreide versie van zijn alternatieve scenario naar voren heeft gebracht. Als het gaat om de veiligheid van verdachte en zijn familie, maakt het namelijk niet uit op welk moment hij verklaart. Proces-tactisch maakt het moment van verklaren wel uit. Verdachte heeft het meest uitgebreid verklaard op het moment dat er geen onderzoek meer zou worden gedaan en het alternatieve scenario in de vorm kon worden gegoten van een puzzelstukje dat zo goed mogelijk past binnen de reeds verkregen onderzoeksresultaten. Behalve het moment van verklaren, maakt ook het feit dat verdachte veel vragen niet wil beantwoorden – ook vragen waarbij het voor het hof niet duidelijk is hoe verdachte zichzelf of zijn familieleden in gevaar brengt – de overtuigingskracht van dat alternatieve scenario niet groter. Bovendien wordt het alternatieve scenario niet bevestigd door de OVC-gesprekken. In die gesprekken komt immers niet ter sprake dat de auto was uitgeleend, terwijl dat – zeker nadat de betreffende auto was getoond bij Opsporing Verzocht – wel verwacht mocht worden. Verder zou in het alternatieve scenario [medeverdachte] niet aanwezig zijn geweest bij het schietincident, omdat hij op 6 november 2019 zou zijn afgebeld. Als dit waar zou zijn, zou het voor de hand liggen dat voor dit onderdeel bevestiging zou worden gevonden in het dossier, met name in de verklaringen van [medeverdachte] zelf. Dit is evenwel niet het geval. Door [medeverdachte] is dit nimmer verklaard, terwijl als het waar zou zijn, hij er alle belang bij zou hebben gehad om dat te verklaren. Dat [medeverdachte] dit niet heeft verklaard, betreft daarom eveneens een aanwijzing dat het alternatieve scenario niet op feiten is gebaseerd, maar achteraf is bedacht. Het is niet alleen zo dat het alternatieve scenario op een aantal belangrijke onderdelen geen bevestiging vindt, maar ook wordt het weersproken. Op 4 november 2020 vindt de partner van [medeverdachte] een briefje onder haar ruitenwisser waarvan de tekst verwijst naar de uitzending van Opsporing Verzocht op 3 november 2020 over het schietincident in [plaats] . [medeverdachte] zegt in het gesprek: ze weten wat ik gedaan heb; ik denk dat ze me nu kunnen pakken. Deze uitlating staat haaks op het onderdeel van het alternatieve scenario dat [medeverdachte] is afgebeld. Gelet op het voorgaande is het door verdachte geschetste alternatieve scenario naar het oordeel van het hof niet aannemelijk géworden. Verdachte voldoet niet aan signalement De raadsman heeft naar voren gebracht dat verdachte niet voldoet aan het door getuigen [benadeelde 1] , [getuige 4] en [getuige 5] gegeven signalement van de dader(s), nu zij – kort gezegd – spreken over donkere, buitenlandse mensen met donker haar, en niet aan het door [getuige 6] e.v. [getuige 7] gegeven signalement waarin wordt gesproken over twee jonge knapen. Getuigen [getuige 4] , [getuige 5] en [getuige 6] e.v. [getuige 7] zijn geen ooggetuige geweest van het schietincident, maar hebben verklaard over een grijze, witte of zilverkleurige Volkswagen Polo/kleine auto die zij eerder hebben zien staan en/of rijden in de buurt van de plaats delict en de mensen die daarin zaten. Het hof kan niet vaststellen dat (een van) de auto(’
  2. s)die deze getuigen hebben gezien, de auto was van waaruit op [benadeelde 1] is geschoten en dus evenmin dat het door hen gegeven signalement betrekking had op de daders. Ten aanzien van hetgeen [benadeelde 1] heeft verklaard over de mensen die in de auto zaten van waaruit op hem werd geschoten, staat wel vast dat dit betrekking heeft op de daders. Het is echter mogelijk dat [benadeelde 1] – wiens waarneming niet vlekkeloos was, nu hij het wapen dat uit het passagiersraam stak niet heeft gezien – zich bij de waarneming van de daders heeft vergist. Ook is het mogelijk dat de waarneming van [benadeelde 1] wel juist was, maar dat verdachte – die bij het schietincident in [plaats] een masker droeg om niet herkend te worden – en [medeverdachte] schmink en pruiken hebben gedragen om herkenning te voorkomen. Gegeven de hierboven opgesomde bewijsmiddelen, gaat het hof ervan uit dat [benadeelde 1] de daders niet goed heeft waargenomen of dat verdachte en [medeverdachte] zich hadden vermomd. Gelet op het voorgaande gaat het hof voorbij aan de door getuigen [benadeelde 1] , [getuige 4] , [getuige 5] en [getuige 6] e.v. [getuige 7] gegeven signalementen. Conclusie over de betrokkenheid van verdachte en [medeverdachte] Op grond van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt het hof tot het oordeel dat verdachte en [medeverdachte] planmatig hebben gewerkt en als onderdeel van dat plan op 6 november 2019 gezamenlijk met de auto vanuit Nederland naar de woonplaats van [benadeelde 1] zijn gereden en [benadeelde 1] op korte afstand hebben beschoten. Wie van hen de schoten heeft gelost, kan het hof niet vaststellen. Medeplegen van poging tot moord Zoals hierboven is overwogen, heeft het hof vastgesteld dat verdachte of [medeverdachte] van slechts enkele meters afstand in de richting van [benadeelde 1] heeft geschoten. Het van zo korte afstand (meermaals) schieten in de richting van een persoon brengt de aanmerkelijke kans met zich op dodelijk letsel. Nu verdachte en [medeverdachte] , zoals het hof hiervoor heeft overwogen, volgens gezamenlijk plan met de auto bij [benadeelde 1] door de straat zijn gereden, terwijl één van hen de auto bestuurde en de ander van slechts enkele meters afstand op [benadeelde 1] heeft geschoten, hebben zij naar het oordeel van het hof beiden de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel aanvaard, zodat zij allebei voorwaardelijk opzet op de dood van [benadeelde 1] hadden, en zijn zij ook beiden medeplegers van het feit. Bovendien volgt hier naar het oordeel van het hof uit dat sprake was van voorbedachte rade; zij hebben zich immers gedurende enige tijd kunnen beraden op het genomen besluit om in de richting van [benadeelde 1] te schieten en er zijn geen aanknopingspunten voor handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Gezien het voorgaande, is het hof van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot moord. Het hof is van oordeel dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde feit heeft begaan.” De bespreking van het middel 2.5 In de toelichting op het middel wordt met verschillende deelklachten opgekomen tegen de bewijsvoering van het hof van de bewezen verklaarde poging tot moord. Hoewel met de klachten bepaalde delen van de bewijsconstructie van het hof geïsoleerd worden bezien en ik deze klachten voor een deel afzonderlijk zal bespreken, bevat de bewijsconstructie een veelheid aan redengevende feiten en omstandigheden die in hun onderlinge samenhang moeten worden bezien. 2.6 In de eerste deelklacht (randnr. 1.5 van de schriftuur) wordt geklaagd dat het hof te grote stappen neemt wanneer het stelt dat in de OVC-gesprekken tussen de medeverdachte met zijn vriendin over het schietincident in [plaats] wordt gesproken. Daartoe wordt aangevoerd dat delen van de gesprekken onverstaanbaar zijn en dat te weinig details worden gedeeld om die conclusie te kunnen dragen. Verder wordt aangevoerd dat als al over Opsporing Verzocht zou worden gesproken, daar niet alleen het schietincident in [plaats] aan de orde is geweest, maar ook het schietincident in [plaats] . Daarbij komt dat de medeverdachte in één van de OVC-gesprekken vraagt naar het schietincident in [plaats] . Het door de medeverdachte spreken over een incident maakt niet dat de verdachte bij dat incident – als pleger – aanwezig is geweest. 2.7 Bij de beoordeling van de eerste deelklacht stel ik voorop dat de rechter die over de feiten oordeelt, beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren. Dat is anders in een aantal specifieke gevallen, onder meer wanneer door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Hoe ver die motiveringsplicht gaat, hangt onder meer af van de inhoud en indringendheid van de argumenten die zijn aangevoerd. Die motiveringsplicht gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. In cassatie kan niet worden onderzocht of de door de feitenrechter in zijn bewijsvoering vastgestelde feiten en omstandigheden juist zijn. Dat geldt ook voor conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht. 2.8 Uit de bewijsvoering van het hof kan onder meer het volgende worden afgeleid. Op 2 november 2020 is een vooraankondiging geweest van een uitzending van het tv-programma ‘Opsporing Verzocht’ van 3 november 2020, waarin aandacht is besteed aan het schietincident in [plaats] en aan het schietincident in [plaats] . Er zijn geen aanwijzingen dat de medeverdachte betrokken is geweest bij het schietincident in [plaats] . De partner van de medeverdachte heeft de uitzending gezien en heeft tegen de medeverdachte gezegd dat zij heeft gezien dat uit de auto van de verdachte is geschoten. Het schietincident in [plaats] is het enige incident waarbij uit een auto is geschoten. Op 4 november 2020, te weten een dag na de betreffende uitzending, heeft de partner van de medeverdachte aan hem een briefje overhandigd met daarop de tekst “Opsporing Verzocht gezien, mooie beloning”. Dat briefje is door de politie als onderdeel van een ruisstrategie onder de ruitenwisser van de auto van de partner van de medeverdachte gelegd. De partner van de medeverdachte heeft bij het overhandigen van het briefje tegen de medeverdachte gezegd dat hij zijn mond dicht moet houden en hij niet moet gaan praten. Daarop heeft de medeverdachte tegen zijn partner gezegd: “Stil, stil. Ze weten wat ik gedaan heb. Ik denk dat ze me nu kunnen pakken.” Op 4 november 2020 hebben de verdachte en de medeverdachte met elkaar gesproken over de uitzending van Opsporing Verzocht. Ze hebben onder andere gesproken over auto’s, het bovengenoemde briefje en dat er niks aan de hand is omdat “ze” niks weten. Op 10 november 2020 heeft de medeverdachte zijn partner geïnstrueerd dat en hoe zij voor hem een alibi moest verschaffen. Zij moest zeggen dat de medeverdachte aan het werk was en als hij niet aan het werk was, hij thuis was. De medeverdachte heeft in dat gesprek ook gezegd: “Wat wil je? Dat ik vast zit dan? Nee, toch?” Op 11 november 2020 heeft de medeverdachte gezegd: “omdat mijn DNA in zijn auto zit. Ze kunnen mij wel vastzetten, maar ze kunnen het niet bewijzen. Ze komen niet. Weet je waarom niet? Als ze dat ding niet vinden, dan hebben ze niks.” De medeverdachte heeft verklaard dat met “dat ding” een wapen wordt bedoeld. 2.9 Gelet op het voorgaande en in samenhang bezien met de overige feiten en omstandigheden die in de gebezigde bewijsmiddelen zijn verankerd, heeft het hof niet onbegrijpelijk de feitelijke conclusie getrokken dat de medeverdachte in de week van 4 tot en met 11 november 2020 in de OVC-gesprekken met zijn partner en de verdachte heeft gesproken over het schietincident in [plaats] , waarbij hij met hen heeft besproken of de politie wist dat hij en de verdachte de daders zijn, of de politie voldoende bewijs had en dat en hoe de partner van de medeverdachte hem een alibi moest verschaffen. Aan die begrijpelijkheid doet niet af dat delen van de OVC-gesprekken onverstaanbaar zijn en dat de medeverdachte in één van de gesprekken heeft gevraagd naar het schietincident in [plaats] . 2.10 De eerste deelklacht faalt. 2.11 In de tweede deelklacht (randnr. 1.6 van de schriftuur) wordt geklaagd dat – anders dan het hof heeft overwogen – uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte op 1 november 2019 om 06:56 uur verbleef op het adres van de medeverdachte. Dat de verdachte daar verbleef is volgens de stellers van het middel ook onbegrijpelijk aangezien de verdachte in dat geval ook geen telefonisch contact zou hoeven op te nemen met de medeverdachte die immers op dat adres verbleef. Gelet hierop is de bewijsvoering ondeugdelijk en onbegrijpelijk. 2.12 Deze deelklacht berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest, zodat die feitelijke grondslag mist. Het hof heeft namelijk overwogen dat de verdachte op 1 november 2019 om 06:56 uur heeft gebeld naar het telefoonnummer van de medeverdachte, dat het vanaf het adres van de medeverdachte naar het adres van het slachtoffer minder dan een half uur rijden is en dat die tijdsduur voldoende was voor de verdachte om na het telefonische contact met de medeverdachte van het adres van de medeverdachte naar het adres van het slachtoffer te rijden en daar om 07:43 uur te zijn. Daarin lees ik niet dat het hof heeft overwogen dat de verdachte op 1 november 2019 om 06:56 uur reeds verbleef op het adres van de medeverdachte. 2.13 De tweede deelklacht faalt. 2.14 In de derde deelklacht (randnr. 1.7 van de schriftuur) wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat niet is gebleken dat de telefonische contacten tussen de verdachte en de medeverdachte in de vroege ochtenden losstonden van een door de verdachte op 1 november 2019 gemaakte autorit naar de woning van het slachtoffer respectievelijk het schietincident op 6 november 2019 neerkomt op een verboden omkering van de bewijslast, zodat de bewezenverklaring niet in stand kan blijven. 2.15 Uit het onderzoek naar de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers van de verdachte en de medeverdachte is een duidelijk patroon zichtbaar van telefonische contacten in de (zeer) vroege ochtenduren tussen 06:00 uur en 08:00 uur op 28 augustus, 19 september, 11, 21, 23-25, 28, 31 oktober, 1 en 6 november 2019. Op 1 november 2019 is tussen de telefoonnummers van de verdachte en de medeverdachte om 06:55:06, 06:55:55 en 06:56:31 uur contact geweest. Op diezelfde dag heeft het slachtoffer om 07:39:40 uur zijn woning verlaten, is hij in zijn auto gestapt en weggereden. Slechts enkele minuten later om 07:43:19 uur is de verdachte voorbij de woning van het slachtoffer gereden. Op 6 november 2019 om 06:33:25 uur is (wederom) contact geweest tussen de telefoonnummers van de verdachte en de medeverdachte. Op diezelfde dag heeft het slachtoffer, volgens zijn vaste gewoonte, om 08:10 uur zijn woning verlaten om zijn hond uit te laten. Hij is één minuut later neergeschoten vanuit de auto van de verdachte. Na deze aanslag hebben dit soort vroege contactmomenten tussen de telefoonnummers van de verdachte en de medeverdachte niet meer plaatsgevonden. 2.16 Het hof is (kennelijk) van oordeel dat op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting geen andere aannemelijke interpretatie van de telefonische contacten mogelijk is dan dat die telefonische contacten te maken hebben met de bewezen verklaarde moordaanslag. Het is in dat verband dat het hof overweegt dat niet is gebleken dat de telefonische contacten tussen de verdachte en de medeverdachte in de ochtenduren losstonden van de rit die de verdachte in de ochtend van 1 november 2019 heeft gemaakt richting het huis van het slachtoffer en van het schietincident op 6 november 2019. Die overweging van het hof is een feitelijke gevolgtrekking die ik goed kan volgen in het licht van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en de vaststellingen die het hof op grond daarvan heeft gedaan. Van het door het hof omkeren van de bewijslast is geen sprake. 2.17 De derde deelklacht faalt. 2.18 In de vierde deelklacht (randnr. 1.8 van de schriftuur) wordt aangevoerd dat uit de verklaring van de verdachte (slechts) blijkt dat hij openstaande schulden incasseert, dat hij die vorderingen kracht bij zet en dat hij daarbij regelmatig de medeverdachte meeneemt die daarvoor een geldelijke beloning krijgt. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat de verdachte – ware hij de bestuurder – instemt met het medeplegen van een poging tot moord. Volgens de stellers van het middel past dat ook niet in het door de verdachte geschetste rol die hij pleegt in te nemen. De dood van het slachtoffer zou namelijk direct leiden tot het niet meer kunnen incasseren van enig geldbedrag, zodat dit een contra-indicatie oplevert voor het aannemen van opzet op de dood van degene die onder druk moet worden gezet. In de vijfde deelklacht (randnr. 1.8 van de schriftuur) wordt geklaagd dat opzet op de dood niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daartoe wordt aangevoerd dat weliswaar vaststaat dat vijfmaal is geschoten en dat één van de kogels het been van het slachtoffer heeft geraakt, maar dat het hof in het midden heeft gelaten of de andere vier schoten gericht op het lichaam van het slachtoffer zijn gelost. Aangezien het hof heeft vastgesteld dat de verdachte belast is met de incasso van openstaande schulden, hij de openstaande vordering kracht bij moest zetten en dat kennelijk vanaf een korte afstand van 3 à 4 meter in een been is geschoten, is het oordeel van het hof dat de schutter en/of de bestuurder met voorwaardelijk opzet op de dood heeft/hebben gehandeld, niet begrijpelijk. In de zesde deelklacht (randnr. 1.8 van de schriftuur) wordt geklaagd dat door de schutter en/of de bestuurder wellicht met voorbedachten rade is gehandeld, maar uit de bewijsvoering onvoldoende kan worden afgeleid dat het vooropgezette plan inhield het liquideren van het slachtoffer. De vierde, vijfde en zesde deelklacht lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. 2.19 Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals in dit geval de dood – is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Voor voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden én dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). 2.20 In de (overzichts)arresten van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. P.A.M. Mevis, 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 en 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, NJ 2016/413, m.nt. N. Rozemond heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. Uit deze arresten blijkt dat voor de kwalificatie medeplegen vereist is dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking en dat de bewezen verklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De vraag of aan deze eis is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad heeft hiervoor geen algemene regels gegeven, maar tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaft door het formuleren van aandachtspunten. De rechter kan bij de vorming van zijn oordeel of sprake is van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang daarvan, de aanwezigheid van de verdachte op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij zal de bijdrage van de medepleger in de regel worden geleverd tijdens het begaan van een strafbaar feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal, wil medeplegen van een delict niettemin kunnen worden aangenomen, moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grotere rol in de voorbereiding. Als het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, zoals het verstrekken van inlichtingen, het op de uitkijk staan en het helpen bij de vlucht, dan dient de rechter de bewezenverklaring van het medeplegen in de bewijsvoering – dat wil zeggen in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – nauwkeurig te motiveren. De rechter mag bij zijn bewijsoordeel in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem ten laste gelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. Het ontbreken van lijfelijke aanwezigheid of het ontbreken van een uitvoeringshandeling hoeft het aannemen van medeplegen niet in de weg te staan als het gaat om handelingen voor en/of tijdens de uitvoering van het strafbare feit en de verdachte daarmee een sturende of leidende rol heeft gespeeld voor de uitvoering ervan. Ook in die situaties komt het echter aan op de precieze motivering waarom er sprake is van medeplegen. 2.21 Uit de bewijsvoering van het hof kan worden afgeleid dat de verdachte zijn opdrachten grondig voorbereidt, dat hij controleert of het veilig is en dat hij soms wel tien keer langsgaat als iemand moet worden gepakt of iets met iemand moet gebeuren. De medeverdachte gaat geregeld met de verdachte mee. De verdachte heeft op meerdere dagen het woonadres van het slachtoffer verkend. De verdachte en de medeverdachte hebben in verband met de voorbereiding en de uitvoering van hun plan in de periode van 28 augustus 2019 tot en met 6 november 2019 op (zeer) vroege tijdstippen (veelvuldig) telefonisch contact met elkaar gehad, zo ook op 1 november 2019 voordat de verdachte (al dan niet in het kader van een voorverkenning) richting het huis van het slachtoffer is gereden. Op 6 november 2019 is het slachtoffer volgens zijn vaste routine om 08:10 uur zijn hond gaan uitlaten. De verdachte en de medeverdachte zijn op die dag, nadat zij om 06:33 uur telefonisch contact met elkaar hebben gehad, in de auto van de verdachte gestapt. Zij zijn vanuit Nederland naar het woonadres van het slachtoffer in Duitsland gereden en zijn langzaam achter en naast het slachtoffer gaan rijden. Vervolgens heeft één van hen om 08:11 uur vanuit de auto vanaf slechts enkele meters afstand vijfmaal in de richting van het slachtoffer geschoten. Daarna zijn de verdachte en de medeverdachte gezamenlijk langzaam weggereden. Na 6 november 2019 vinden de (zeer) vroege telefonische contacten tussen de verdachte en de medeverdachte niet meer plaats. De hierboven weergegeven gang van zaken geeft blijk van vasthoudendheid van de verdachte en de medeverdachte bij een gezamenlijke, planmatige en goed voorbereide actie om het slachtoffer te beschieten/doden. Dat het hof uit het voorgaande heeft geconcludeerd dat sprake is van medeplegen en van voorbedachten rade en dat het gezamenlijke plan van de verdachte en de medeverdachte zag op het beschieten/neerschieten van het slachtoffer, is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik voor wat betreft de vraag of sprake is van voorbedachten rade in aanmerking dat het hof heeft overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn voor handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. 2.22 Voor zover in de schriftuur nog wordt gesteld dat het hof in het midden heeft gelaten of vier van de vijf kogels in de richting (van het lichaam) van het slachtoffer zijn afgevuurd, berust het op een verkeerde lezing van het arrest, zodat het feitelijke grondslag mist. Ik lees het arrest op dit punt zo dat het hof heeft overwogen dat er vijfmaal in de richting van het slachtoffer is geschoten en dat uiteindelijk één van de vijf kogels het slachtoffer in zijn bovenbeen heeft geraakt en daarbij zijn liesslagader heeft beschadigd. Het hoeft geen betoog dat het meermalen vanaf enkele meters afstand vanuit een langzaam rijdende auto schieten in de richting van een persoon, gelet op de aard van de gedraging, het voor de in het onderhavige geval bewezen verklaarde poging tot moord vereiste (voorwaardelijk) opzet oplevert. Het oordeel van het hof dat de verdachte en de medeverdachte met hun handelen beiden de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel hebben aanvaard, zodat zij allebei voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer hebben gehad, is dan ook niet onbegrijpelijk. 2.23 Anders dan de stellers van het middel, meen ik dat de omstandigheid dat de advocaten-generaal bij het hof een vordering tot wijziging van de tenlastelegging hebben overgelegd waarin subsidiair de medeplichtigheid bij de poging tot moord ten laste is gelegd aan het voorgaande niet afdoet. Datzelfde geldt voor de verklaring van de verdachte dat hij altijd voorzichtig te werk gaat. 2.24 De vierde, vijfde en zesde deelklacht falen. 2.25 In de zevende deelklacht (randnr. 1.10 van de schriftuur) wordt geklaagd dat het hof bij de verwerping van het verweer [dat de verdachte niet voldoet aan het door de getuigen gegeven signalement van de daders] heeft overwogen dat de verdachten mogelijk vermomd zijn geweest, omdat de verdachte bij het schietincident in [plaats] ook vermomd was. Dat de verdachte toen en daar vermomd was, volgt niet uit de bij die feiten gebezigde bewijsmiddelen, terwijl het hof ook niet met de vereiste mate van nauwkeurigheid de bewijsmiddelen heeft aangeduid waaraan het hof dit heeft ontleend. De bewezenverklaring is ook hierom onvoldoende met redenen omkleed. 2.26 De overwegingen van het hof waarop de zevende deelklacht betrekking heeft, zal ik voor het leesgemak hier nog een keer citeren: “Verdachte voldoet niet aan signalement De raadsman heeft naar voren gebracht dat verdachte niet voldoet aan het door getuigen [benadeelde 1] , [getuige 4] en [getuige 5] gegeven signalement van de dader(s), nu zij – kort gezegd – spreken over donkere, buitenlandse mensen met donker haar, en niet aan het door [getuige 6] e.v. [getuige 7] gegeven signalement waarin wordt gesproken over twee jonge knapen. Getuigen [getuige 4] , [getuige 5] en [getuige 6] e.v. [getuige 7] zijn geen ooggetuige geweest van het schietincident, maar hebben verklaard over een grijze, witte of zilverkleurige Volkswagen Polo/kleine auto die zij eerder hebben zien staan en/of rijden in de buurt van de plaats delict en de mensen die daarin zaten. Het hof kan niet vaststellen dat (een van) de auto(’
  3. s)die deze getuigen hebben gezien, de auto was van waaruit op [benadeelde 1] is geschoten en dus evenmin dat het door hen gegeven signalement betrekking had op de daders. Ten aanzien van hetgeen [benadeelde 1] heeft verklaard over de mensen die in de auto zaten van waaruit op hem werd geschoten, staat wel vast dat dit betrekking heeft op de daders. Het is echter mogelijk dat [benadeelde 1] – wiens waarneming niet vlekkeloos was, nu hij het wapen dat uit het passagiersraam stak niet heeft gezien – zich bij de waarneming van de daders heeft vergist. Ook is het mogelijk dat de waarneming van [benadeelde 1] wel juist was, maar dat verdachte – die bij het schietincident in [plaats] een masker droeg om niet herkend te worden – en [medeverdachte] schmink en pruiken hebben gedragen om herkenning te voorkomen. Gegeven de hierboven opgesomde bewijsmiddelen, gaat het hof ervan uit dat [benadeelde 1] de daders niet goed heeft waargenomen of dat verdachte en [medeverdachte] zich hadden vermomd. Gelet op het voorgaande gaat het hof voorbij aan de door getuigen [benadeelde 1] , [getuige 4] , [getuige 5] en [getuige 6] e.v. [getuige 7] gegeven signalementen.” 2.27 De rechter die zich – al dan niet in reactie op een bewijsverweer – beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens moet met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging (
  4. a)die feiten en omstandigheden aanduiden, en (
  5. b)het wettige bewijsmiddel aangeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. 2.28 Het hof heeft het verweer dat de verdachte niet voldoet aan het door de getuigen opgegeven signalement van de daders verworpen. Daartoe heeft het hof – kort gezegd – onder meer overwogen dat het mogelijk is dat de verdachte en de medeverdachte vermomd waren aangezien de verdachte bij een eerder schietincident in [plaats] ook was vermomd. 2.29 Aan de stellers van het middel kan worden toegegeven dat de omstandigheid dat de verdachte zich bij een eerder schietincident in [plaats] heeft vermomd niet blijkt uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en dat het hof evenmin (met voldoende nauwkeurigheid) het bewijsmiddel heeft aangeduid waaraan het deze omstandigheid heeft ontleend. Een blik achter de papieren muur leert echter dat de beschrijving van de camerabeelden van het schietincident in [plaats] – die door het hof als bewijsmiddel 19 is gebezigd – ook inhoudt dat
  6. i)de schutter een pet draagt en iets donkerkleurigs voor zijn gezicht doet (p. 158),
  7. ii)de schutter een donker voorwerp, gelijkend op gezichtsbedekking, mogelijk een masker, in zijn linkerhand vasthoudt (p. 161) en iii) de schutter kennelijk gezichtsbedekking heeft en het masker met een brede band achter zijn hoofd is bevestigd (p. 164). Het hof heeft de betwiste omstandigheid waarop de deelklacht ziet aldus ontleend aan de bovengenoemde beschrijving van de camerabeelden van het schietincident in [plaats] , maar is kennelijk abusievelijk vergeten het deel dat daarop betrekking heeft op te nemen bij de bewijsmiddelen. Het moet voor de verdediging duidelijk zijn geweest aan welk wettig bewijsmiddel het hof de hierboven besproken omstandigheid heeft ontleend. Gelet op het voorgaande meen ik dat de verdachte geen belang heeft bij deze deelklacht. 2.30 Mocht de Hoge Raad hierover anders oordelen, meen ik dat de klacht ook om andere redenen tevergeefs is voorgesteld. De overweging van het hof dat de verdachte en de medeverdachte mogelijk vermomd waren, is namelijk ook met weglating van de bestreden omstandigheid niet onbegrijpelijk. Daarbij weeg ik mee dat de ervaring leert dat het bij (pogingen tot) liquidaties niet ongebruikelijk is dat daders zich vermommen om hun identiteit te verhullen. Bovendien – en wellicht belangrijker nog – kunnen de overige overwegingen van het hof de verwerping van het verweer dat de verdachte niet voldoet aan het door de getuigen gegeven signalement van de daders zelfstandig dragen. Daarbij komt dat de bewezenverklaring ook met weglating van de bestreden overweging toereikend is gemotiveerd. 2.31 De zevende deelklacht faalt. 3Het tweede namens de verdachte voorgestelde middel 3.1 In het middel wordt geklaagd dat “het onder 2 bewezen verklaarde (mede)plegen van een bedreiging en het in feiten 3 en 4 bewezen verklaarde medeplegen niet uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid zodat de bewezenverklaring (telkens) onvoldoende met redenen is omkleed.” 3.2 Ten laste van de verdachte is onder 2 meer subsidiair, 3 en 4 bewezenverklaard dat: “2. meer subsidiair hij op 2 oktober 2019 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen een klant ( [getuige 3] ), aanwezig in sportschool “ [B] ”, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een vuurwapen 4 kogels door een of meer ruiten van die sportschool te schieten; 3. hij op 2 oktober 2019 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen [aangever 1] (eigenaar van sportschool " [B] " aan de [c-straat 1] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een vuurwapen 4 kogels door een of meer ruiten van die sportschool te schieten; 4. hij op 2 oktober 2019 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk en wederrechtelijk een of meer ruiten van sportschool " [B] " (aan de [c-straat 1] ), toebehorende aan [aangever 1] , heeft vernield door met een vuurwapen meer kogels

(4)door die ruit(
  1. en)te schieten.” 3.3 Deze bewezenverklaring steunt op de hiervoor onder randnr. 2.3 geciteerde bewijsmiddelen. 3.4 In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 maart 2024 is onder meer het volgende te lezen: “Verdachte verklaart overeenkomstig zijn schriftelijke verklaring, die aan het hof is overgelegd en in kopie aan dit proces-verbaal is gehecht. In aanvulling daarop verklaart hij: - (…) - (…) In de tapgesprekken zeg ik dat ik vaak ergens langsga en dat ik altijd wegga als ik niet zeker ben. Het is dus duidelijk dat ik van tevoren gecontroleerd heb of er iemand aanwezig was. Er scheen toch iemand te zijn, maar de kantine was afgesloten en een eind verder weg. (…) De voorzitter vraagt of het hof verdachte ten aanzien van het schietincident in [plaats] als bekennende verdachte, in die zin dat hij de schoten heeft gelost en dus los van de kwalificatie, kan beschouwen. De raadsman antwoordt bevestigend. De oudste raadsheer merkt op dat verdachte heeft gezegd dat hij in [plaats] de schutter was, dat hij niet de bedoeling had om iemand te doden en dat hij niet wist dat er iemand aanwezig was. Verdachte verklaart als volgt: Er was ook niemand. Er bleek alleen iemand in de sportschool ernaast te zijn. Het zijn twee gebouwen die aan elkaar zitten. (…) Ik heb er geld voor gekregen.” 3.5 De in het bovengenoemde proces-verbaal vermelde (handgeschreven) schriftelijke verklaring van de verdachte houdt onder meer in: “Totdat mij werd gevraagd bij iemand langs te gaan die heel lastig was en dat ik bij een sportschool door de ramen moest schieten ’s avonds laat als er niemand zou zijn. Dat heb ik gedaan. [Ik] was er niet blij mee en zeker ook niet trots [op], maar [ik] heb er wel voor gezorgd dat er niemand was. Na 22 uur zou de sportschool dicht zijn en ik moest aan de linkerkant van de kantine omhoog schieten zodat ik het plafond zou raken. Dit heb ik ook gedaan omdat die man dan wel zou luisteren. (…) Ik heb later gehoord dat er aan de andere kant waar de sportschool zit nog 1 persoon aanwezig zou zijn geweest. Ik heb dat niet gezien want alles was donker en dat is ook wel vrij ver weg van de kantine waar ik bij het raam stond. [Ik] denk wel 40/50 meter. (…) Als ik iemand gezien had had ik het niet gedaan.” 3.6 De blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 maart 2024 overgelegde pleitnota van de raadsman houdt met betrekking tot de vraag of de beschieting van de kantine van de sportschool een aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel van de in de sportschool aanwezige personen oplevert, het volgende in: “Allereerst de aanmerkelijke kans. Want wat waren nu de omstandigheden van het geval? Het tijdstip was laat (22.36 uur), de entree van de ingang was niet verlicht, er stond slechts één auto op de parkeerplaats, de schutter wachtte volgens de politie totdat het rustig was, er is geschoten door drie ruiten in de meest linkerhoek van het pand, in de kantine brandde geen licht, de kantine was leeg en slotvast afgesloten, de beschadigingen van de ruit varieerden tussen de 1.84 en 2 meter en bovendien zijn alle schoten terechtgekomen in het systeemplafond. Op de beelden is te zien dat cliënt naar boven schiet. Dat heeft hij – zoals u weet – zelf ook verklaard. En niet alleen zegt hij dat zelf, maar het volgt ook duidelijk uit de verklaring van aangever [aangever 1] . Dat [getuige 3] nog aanwezig was in het pand, was voor cliënt niet waarneembaar van de buitenzijde. Zij bevond zich in het krachthonk, en – zoals zo-even besproken – heeft [getuige 8] verklaard dat van de buitenzijde niet zichtbaar is of iemand in het krachthonk aanwezig is. De enkele auto op de parkeerplaats wil niet zeggen dat men daaruit de conclusie kan trekken dat er dan nog wel iemand binnen moet zijn. De parkeerplaats is immers openbaar en vrij toegankelijk. Voorts wist cliënt niet dat de sportschool op dit tijdstip nog geopend was. De omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de gedraging, maken niet dat hier gesproken kan worden van reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat iemand het leven zou laten. Houd hierbij ook goed in gedachte dat het een bedrijfspand betreft, en geen woning, waarbij het naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten dat er ook in de late avond personen in een woning aanwezig zijn.” De bespreking van het middel 3.7 De toelichting op het middel bevat twee deelklachten. 3.8 In de eerste deelklacht (randnr. 2.8 van de schriftuur) wordt – kort gezegd – aangevoerd dat uit de bewijsvoering van het hof niet kan worden afgeleid dat de verdachte met het beschieten van de sportschool (voorwaardelijk) opzet had op bedreiging van de in de sportschool aanwezige personen. 3.9 Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met de dood of met zware mishandeling is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht. Voor het juridisch kader van (voorwaardelijk) opzet verwijs ik naar hetgeen ik hiervoor onder randnr. 2.19 heb vooropgesteld. 3.10 Uit de bewijsvoering van het hof kan met betrekking tot de onder 2 meer subsidiair bewezen verklaarde bedreiging van [getuige 3] het volgende worden afgeleid. Op 2 oktober 2019 tussen 22:30 en 22:40 uur heeft de verdachte in opdracht van een ander viermaal geschoten op de ramen van de kantine van de sportschool “ [B] ” in [plaats] . De beschieting was gericht tegen de eigenaar van de sportschool. Op het moment van de beschieting bevond [getuige 3] , te weten een klant, zich in de sportschool. Toen zij de knallen hoorde, wist zij dat het schoten waren en verstijfde zij van angst. 3.11 Uit deze vaststellingen volgt niet zonder meer dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte erop was gericht dat bij [getuige 3] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Daarbij neem ik in aanmerking dat door en namens de verdachte – weliswaar deels in het kader van de vraag of de beschieting van de sportschool de aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel van de in de sportschool aanwezige personen/klanten oplevert – is aangevoerd dat
  2. i)de beschieting op een laat tijdstip heeft plaatsgevonden,
  3. ii)de verdachte in de veronderstelling was dat de sportschool na 22:00 uur was gesloten en dat hij (dus) niet wist dat de sportschool tijdens de beschieting nog geopend was, iii) de entree van de ingang van de sportschool niet was verlicht,
  4. iv)in de kantine van de sportschool geen licht brandde en de kantine leeg en afgesloten was,
  5. v)[getuige 3] zich ten tijde van de beschieting in het krachthonk van de sportschool bevond, terwijl het voor de verdachte vanaf de buitenkant van de sportschool niet zichtbaar was dat er nog iemand in het krachthonk was en
  6. vi)er slechts één auto geparkeerd stond op de openbare en vrij toegankelijke parkeerplaats, zodat daaruit niet de conclusie kan worden getrokken dat er dus iemand in de sportschool moest zijn. Voorts weeg ik mee dat het hof geen nadere overwegingen heeft gewijd aan de bewezenverklaring van de bedreiging van [getuige 3] . 3.12 De eerste deelklacht is terecht voorgesteld, maar behoeft niet tot terugwijzing te leiden. De Hoge Raad zal om doelmatigheidsredenen zelf de verdachte ter zake van het onder 2 meer subsidiair tenlastegelegde kunnen vrijspreken. Daardoor worden de aard en de ernst van hetgeen voor het overige ten laste van de verdachte is bewezenverklaard – opleverend de eendaadse samenloop van een (tweede) bedreiging en een vernieling – niet aangetast, zodat vernietiging van de bestreden uitspraak ter zake van de strafoplegging op deze grond achterwege kan blijven. De omstandigheid dat het hof de bewezen verklaarde bedreiging van [getuige 3] in de strafmotivering heeft betrokken, leidt niet tot een ander oordeel. 3.13 In de tweede deelklacht (randnr. 2.9 van de schriftuur) wordt aangevoerd dat – anders dan door het hof is bewezenverklaard – uit de bewijsmiddelen niet, althans niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte de bewezen verklaarde bedreigingen en vernieling tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd. 3.14 Voor het juridisch kader van medeplegen verwijs ik naar hetgeen ik hiervoor onder randnr. 2.20 heb vooropgesteld. 3.15 Over de tweede deelklacht kan ik kort zijn. Uit de bewijsvoering van het hof blijkt dat de verdachte in opdracht van anderen incassoklussen uitvoerde. De verdachte kreeg informatie over het bedrag en het adres van de debiteur. Vervolgens voerde de verdachte de (incasso)klussen uit. Op 2 oktober 2019 heeft de verdachte in [plaats] ook een opdracht uitgevoerd. Hem is door zijn opdrachtgever gevraagd om bij iemand langs te gaan die heel lastig was en om door de ramen van een sportschool te schieten. De verdachte heeft ter uitvoering van die opdracht viermaal door de ramen van de sportschool “ [B] ” geschoten, omdat “die man” – kennelijk [aangever 1] , de eigenaar van de sportschool – dan wel zou luisteren. De verdachte heeft geld gekregen voor de beschieting van de sportschool. Uit dit samenstel van feiten en omstandigheden blijkt dat de verdachte en zijn opdrachtgever een dusdanige wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan de bewezen verklaarde bedreiging van [aangever 1] en vernieling van de ruiten van de sportschool dat van medeplegen kan worden gesproken. 3.16 De tweede deelklacht faalt. 4Het derde namens de verdachte voorgestelde middel 4.1 In het middel wordt geklaagd dat “het hof bij de strafoplegging in strafverzwarende zin heeft meegerekend dat de aangever/slachtoffer van feit 1 curator is zodat het hof de aanslag daarom als een aantasting van de rechtstaat beschouwt. Uit het verhandelde ter terechtzitting kan evenwel niet worden afgeleid dat de rijder/schutter bekend was met de hoedanigheid van de aangever, of dat rekening moest worden gehouden met die omstandigheid. De strafoplegging kan dan ook niet in stand blijven.” 4.2 Het hof heeft de verdachte voor onder meer het medeplegen van een poging tot moord veroordeeld tot een gevangenisstraf van 17 jaren en 8 maanden met aftrek van het voorarrest. De strafoplegging is als volgt gemotiveerd: “Oplegging van straf en/of maatregel (…) Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en heeft daarbij gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden. Verdachte heeft samen met [medeverdachte] vanaf korte afstand geschoten in de richting van advocaat en curator [benadeelde 1] . Eén kogel heeft daarbij de liesslagader van [benadeelde 1] beschadigd, waardoor een slagaderlijke bloeding ontstond. Dankzij het adequate en accurate optreden van buurtbewoners en passanten heeft [benadeelde 1] de aanslag weliswaar overleefd, maar hij zal naar verwachting de rest van zijn leven pijn en fysieke beperkingen ondervinden als gevolg van het handelen van verdachte en [medeverdachte] . Ook heeft de aanslag psychisch grote gevolgen gehad voor [benadeelde 1] . Hij leeft sindsdien constant met de vrees dat iemand hem of zijn naasten wat zal aandoen. Door hun handelen hebben verdachte en [medeverdachte] bovendien gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeggebracht. Het hof rekent verdachte dit feit dan ook zwaar aan. Op basis van aanwijzingen in het dossier acht het hof aannemelijk dat de reden voor de aanslag was gelegen in het werk van [benadeelde 1] als curator. Het hof beschouwt de aanslag daarom als een aantasting van de rechtstaat en weegt dit in strafverzwarende zin mee. Verdachte heeft daarnaast in opdracht vier kogels afgevuurd op de ramen van een sportschool. Zodoende heeft hij zich schuldig gemaakt aan bedreiging van de in de sportschool aanwezige klant en van de eigenaar van de sportschool en aan vernieling van de ruit(
  7. en)van de sportschool. Verdachte heeft de klant en de eigenaar van de sportschool aldus angst aangejaagd en tevens een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de eigenaar van de sportschool. Met zijn handelen heeft hij bovendien gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeggebracht. Ook deze feiten rekent het hof verdachte zwaar aan. Het hof heeft rekening gehouden met uitspraken in vergelijkbare zaken. Het hof heeft daarnaast acht geslagen op het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 12 februari 2024, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een geweldsmisdrijf, bedreiging en/of vernieling. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren met aftrek van het voorarrest in beginsel passend en geboden is. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in hoger beroep met bijna tien maanden is overschreden. Deze overschrijding is mede verklaarbaar door de onderzoekswensen van de verdediging en de regiezitting. Het hof zal, gelet op deze termijnoverschrijding, de op te leggen straf bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van zeventien jaren en acht maanden met aftrek van het voorarrest. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.” Het juridisch kader 4.3 De feitenrechter beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Dat betekent dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de straf en in de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht. Deze afweging is aan hem voorbehouden en zijn oordeel daarover behoeft geen motivering. In cassatie kan niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en ook niet of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de ernst van het feit of de persoon van de verdachte. 4.4 Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat de rechter naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting bij de strafoplegging rekening houdt met feiten en omstandigheden die kunnen gelden als omstandigheden waaronder het feit is begaan. De enige grens die de rechter in acht moet nemen bij de selectie van de gegevens die hij wil gebruiken bij de straftoemeting, is dat die gegevens moeten zijn gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Dit betekent dat de rechter alles wat ter terechtzitting is verklaard of wat in de gedingstukken is neergelegd, in aanmerking mag nemen. Wat de gedingstukken betreft moet daaraan worden toegevoegd dat dit alleen maar is toegestaan voor zover is voldaan aan het voorschrift van art. 301 lid 4 Sv, dat inhoudt dat ten bezware van de verdachte slechts acht mag worden geslagen op stukken die ter zitting zijn voorgelezen of waarvan aldaar de korte inhoud is medegedeeld. Van die voorlezing of korte mededeling dient te blijken uit het proces-verbaal van de terechtzitting. Wordt in de strafmotivering rekening gehouden met de inhoud van zo’n niet aan de orde gesteld stuk, dan volgt vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging. Maar behalve met wat rechtstreeks uit de stukken of het verhandelde ter terechtzitting is gebleken, mag de rechter bij de strafoplegging ook rekening houden met andere factoren. De feitenrechter mag bijvoorbeeld letten op gegevens die met de persoon van de verdachte samenhangen zoals diens strafrechtelijk verleden, zijn te verwachten gedrag, diens proceshouding, het morele verwijt, de speciale preventie, evenals met factoren die verband houden met de ernst van het feit zoals het ingetreden gevolg, het gevaar voor de volksgezondheid (bijvoorbeeld bij drugsmisdrijven), de generale preventie waaronder begrepen rechtshandhaving, normbevestiging, inscherping van gewijzigde maatschappelijke opvattingen en de schok die een ernstig misdrijf in de rechtsorde heeft teweeggebracht. Bij de beantwoording van de vraag of de strafmotivering voldoet aan de eisen, pleegt de Hoge Raad zich terughoudend op te stellen. De bespreking van het middel 4.5 Het hof heeft overwogen dat het op basis van aanwijzingen in het dossier aannemelijk acht dat de reden voor de aanslag was gelegen in het werk van het slachtoffer als curator. Ik acht dat niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking. Het slachtoffer is als faillissementscurator betrokken geweest bij faillissementen van ondernemingen van [betrokkene 1] . Die faillissementen hebben [betrokkene 1] meer dan een half miljoen euro gekost. Het slachtoffer heeft tegen [betrokkene 1] gezegd dat hij hem verdacht van een witwasconstructie in relatie tot de failliet verklaarde sportschool [A] / [B] . De huidige eigenaar van [B] , tevens voormalig compagnon van [betrokkene 1] , heeft verklaard dat [betrokkene 1] hem de doorstart van de sportschool kwalijk nam en dat [betrokkene 1] hem duidelijk heeft gemaakt dat hij moest betalen en dat het niet goed zou komen. Op 2 oktober 2019 heeft de verdachte in opdracht van een ander de bovengenoemde sportschool beschoten. Het slachtoffer heeft in maart of april 2019 gehoord dat [betrokkene 1] actief op zoek was naar zijn woonadres. Het slachtoffer is neergeschoten in de straat waarin hij woont. 4.6 Gelet op het voorgaande heeft het hof niet onbegrijpelijk de aanslag beschouwd als een aantasting van de rechtstaat en heeft dit in strafverzwarende zin meegewogen bij de strafoplegging. De overweging van het hof heeft betrekking op de schok die de aanslag op de rechtsorde heeft teweeggebracht. Dat betreft een met de ernst van het feit verband houdende factor die niet rechtstreeks uit de stukken of het verhandelde ter terechtzitting behoeft te blijken en waarmee het hof bij de strafoplegging rekening kon houden. 4.7 Voor zover in (de toelichting
  8. op)het middel ervan wordt uitgegaan dat het hof heeft geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat het slachtoffer curator is strafverzwarend werkt, faalt het, omdat het berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en het middel daarmee feitelijke grondslag mist. Het hof heeft de aantasting van de rechtstaat namelijk gebaseerd op de omstandigheid dat er aanwijzingen zijn dat de aanslag is gepleegd vanwege het werk van het slachtoffer als curator en niet enkel omdat het slachtoffer curator is. 4.8 Voor zover in de toelichting op het middel nog wordt aangevoerd dat het hof de reden voor de aanslag enkel in strafverzwarende zin had mogen meewegen bij de strafoplegging als de bestuurder/de schutter bekend was/waren met de hoedanigheid van het slachtoffer of daarmee rekening had(den) moeten houden, wordt een eis gesteld die het recht niet kent. 4.9 Het derde middel faalt. 5Het namens [benadeelde 1] voorgestelde middel 5.1 In het middel wordt geklaagd dat “[h]et recht – in het bijzonder artikel 6:95 jo artikel 6:105 lid 1 BW – is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen voorschriften, doordat het gerechtshof heeft geoordeeld dat de vordering ter zake het verlies aan verdienvermogen van benadeelde slechts zeer summier kan worden toegewezen, nu de behandeling van het overige deel van de vordering volgens het gerechtshof een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, waardoor er sprake is van [een] onbegrijpelijk oordeel.” Blijkens de toelichting daarop is het middel gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van [benadeelde 1] in zijn vordering tot schadevergoeding voor zover dat ziet op het verlies aan dividend uit aanmerkelijk belang. 5.2 Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich een formulier ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van [benadeelde 1] . Dit formulier bevat onder meer de volgende inhoud: “4A Materiële en/of verplaatste schade (…) Omschrijving materiële/verplaatste schade P.M. Opgave volgt nog bij separate opgave” 5.3 De toelichting op de bovengenoemde vordering tot schadevergoeding van 3 december 2021 beslaat inclusief bijlagen 82 pagina’s en houdt onder meer in: “Schadestaat De materiële schade is opgenomen op de schadestaat (bijlage 1). Aan de hand van deze posten wordt de materiële schade toegelicht. De schadestaat is opgezet aan de hand van een aantal schadeposten: (…) 5) Verlies arbeidsvermogen; (…) Ad 5. Verlies arbeidsvermogen Door de gevolgen van de aanslag heeft [benadeelde 1] ernstig letsel opgelopen. Door dit letsel wordt [benadeelde 1] in ernstige mate belemmerd bij de uitoefening van zijn werkzaamheden, waardoor er een verlies aan arbeidsvermogen is ontstaan en van blijvende aard is. Na berekening wordt het verlies gesteld op een bedrag van € 2.106.805,- (bijlage 7). (…) Bijlage 7 Artikel 107-berekening van [benadeelde 1] (inclusief sterftekans-correctie) Overzicht schadebedragen Schade tot kapitalisatiedatum: € 121.748 Schade na kapitalisatiedatum: € 1.678.378 Totale schade (exclusief fiscale component): € 1.800.126 Fiscale component: € 306.679 Totale schade (inclusief fiscale component): € 2.106.805” 5.4 Aan de gevorderde kosten, waaronder het verlies aan arbeidsvermogen, liggen onder meer een rapport en een personenschadeberekening van rekenkundig bureau [C] van 16 november 2021 ten grondslag. Het rapport en de personenberekening beslaan 19 respectievelijk 80 pagina’s. 5.5 De vordering tot schadevergoeding is bij schrijven van 20 januari 2022 nader toegelicht. Die nadere toelichting houdt het volgende in: “Verlies arbeidsvermogen De grootste schadepost is het verlies aan arbeidsvermogen. Dit is opgebouwd uit twee posten: 1. het verlies van salaris tot 67 jaar en 2. het verlies van dividend tot 67 jaar. Voor de aanslag T/m pagina 12 van het rapport is de situatie weergegeven indien er geen aanslag was gepleegd op [benadeelde 1] . In die situatie zou hij jaarlijks een salaris ontvangen van € 85.000,- en werd dividend uitgekeerd van gemiddeld € 160.000,-. Dit leidt tot een afgerond gemiddeld jaarinkomen van € 245.000,-. Na de aanslag Vanaf pagina 13 van het rapport wordt de situatie berekend zoals deze is na de aanslag. Het is duidelijk zichtbaar dat de impact van het letsel financieel grote gevolgen heeft voor de praktijkvoering van [benadeelde 1] . Zo is het salaris van [benadeelde 1] verlaagd naar € 75.000,-. Vervolgens blijkt uit de urenoverzichten (bijlage 11 en verder bij het rapport) dat [benadeelde 1] gemiddeld per jaar 406,87 uren minder is gaan werken. Dit heeft een lagere omzet tot gevolg en daarmee ook een verlies aan arbeidsvermogen. Verlies aan arbeidsvermogen Ad 1. het verlies van salaris tot 67 jaar bedraagt € 121.665,- en Ad 2. een verlies van dividend tot 67 jaar van € 1.823.393,- Totaal verlies arbeidsvermogen bedraagt € 1.945.058,- (zie bijlage 15, pagina 6 rapportage [C] ). In de schriftelijke toelichting d.d. 3 december 2021 op de vordering staat onder het verlies arbeidsvermogen een bedrag van € 2.106.805,- opgenomen. Dit is het bedrag inclusief de zelfwerkzaamheid en huishoudelijke hulp. Het gevorderde bedrag voor het verlies aan arbeidsvermogen bedraagt € 1.945.058,-“ 5.6 In hoger beroep heeft de advocaat van [benadeelde 1] bij schrijven van 6 maart 2024 de vordering tot schadevergoeding nader onderbouwd. Deze nadere onderbouwing beslaat 14 pagina’s en houdt onder meer in (met weglating van voetnoten): “Ad 1. Verlies arbeidsvermogen Inleiding Het verlies aan arbeidsvermogen is de grootste schadepost voor [benadeelde 1] . Vooropgesteld zij dat [benadeelde 1] er alles voor zou geven om terug te gaan naar het leven van voor de aanslag. Dat dit niet kan, is voor hem een hard gelag: geen schadevergoeding zal volledig rechtdoen aan de situatie waarmee [benadeelde 1] dag in dag uit te kampen heeft. Wel dient voor zover mogelijk rechtgedaan [te] worden aan de gewijzigde financiële situatie waarin [benadeelde 1] verkeert sinds de dag van de aanslag, zodat hij niet de financiële gevolgen, die aan een ander te wijten zijn, alleen hoeft te dragen. Voor [benadeelde 1] is deze vordering dan ook van groot belang, omdat verhaal via de strafrechtelijke procedure zijn enige mogelijkheid is, omdat een vlotte afwikkeling hem zo min mogelijk (verder) schaadt, en omdat een dergelijke afdoening in belangrijke mate aan erkenning bijdraagt. Het is teleurstellend dat de rechtbank niet de moeite heeft genomen tot een inhoudelijke behandeling te komen. Het verlies aan arbeidsvermogen is tot stand gekomen aan de hand van verschillende berekeningen en een zeer uitgebreid onderzoek waarvan de resultaten door [C] zijn vastgelegd in een rapportage. Aard van de vordering Door de gevolgen van de aanslag heeft [benadeelde 1] ernstig letsel opgelopen. Door dit letsel wordt [benadeelde 1] in ernstige mate belemmerd bij de uitoefening van zijn werkzaamheden, waardoor er een verlies aan arbeidsvermogen is ontstaan en van blijvende aard is. Na berekening wordt het verlies gesteld op een bedrag van € 1.945.058,00. De rechtbank in eerste aanleg was van mening dat, hoewel als zodanig de behandeling van een omvangrijke vordering geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, het beoordelen van de volledige berekening op grond van verlies aan arbeidsvermogen in dit geval te complex is om in het strafproces te beslechten en aldus een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. De rechtbank heeft de heer [benadeelde 1] om die reden in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard, zonder ook maar tot enige inhoudelijke behandeling noch beoordeling toe te komen. Ontvankelijkheidscriterium Het huidige ontvankelijkheidscriterium, het criterium van onevenredige belasting, is ingevoerd bij de op 1 januari 2011 in werking getreden Wet versterking positie slachtoffer in het strafproces. De wijziging van artikel 361 lid 3 Sv is het gevolg van een amendement op het Wetsvoorstel versterking positie slachtoffer. Het amendement bevat de volgende toelichting “Dit amendement beoogt te bewerkstelligen dat de strafrechter zoveel als mogelijk – en vaker dan nu het geval is – inhoudelijk over de vordering van de Benadeelde partij beslist. Het enkele feit dat een vordering wordt betwist, niet onmiddellijk met voldoende bewijsmiddelen wordt onderbouwd of dat er bijvoorbeeld een enkele getuige of deskundige moet worden gehoord of het gevorderde bedrag hoger is dan gemiddeld, mag geen reden (meer) zijn de vordering om die reden niet-ontvankelijk te verklaren. Daartoe wordt voorgesteld het criterium "eenvoudig van aard" te vervangen door het strengere criterium "onevenredige belasting". Dat de omvang van de schade – ook immateriële – wellicht vaker dan nu het geval is zal worden bepaald door schatting, acht de indiener geen groot bezwaar. De voordelen voor het slachtoffer zijn immers groot. Het voorgestelde criterium is ontleend aan het onderzoeksproject Strafvordering 2001.” Doel van de wetgever is derhalve geweest dat minder zaken niet-ontvankelijk worden verklaard. Ook uit het overzichtsarrest van de Hoge Raad over de vordering van benadeelde partij blijkt dat terughoudend moet worden omgegaan met de bevoegdheid om een vordering (deels) niet-ontvankelijk te verklaren. Op grond van het onderzoek waaruit de nieuwe formulering van het ontvankelijkheidscriterium is ontleend, blijkt dat sprake is van een onevenredige belasting in gevallen waarin de behandeling van de schadevordering de strafzaak dreigt te ontwrichten of ernstig op te houden. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien bij de vaststelling van letselschade nog geen medische eindtoestand is bereikt of wanneer er bij de vaststelling van bedrijfsschade nog onderzoek door accountants nodig is. De schade van [benadeelde 1] is zo concreet mogelijk gemaakt en onderbouwd met bewijsstukken. In de onderhavige zaak kan derhalve niet geoordeeld worden dat sprake is van een vordering waarvan de behandeling de strafzaak dreigt te ontwrichten of ernstig op te houden. Tevens blijkt uit de kamerstukken dat het enkele feit dat een vordering wordt betwist, niet onmiddellijk met voldoende bewijsmiddelen wordt onderbouwd of dat er bijvoorbeeld een enkele getuige of deskundige moet worden gehoord of het gevorderde bedrag hoger is dan gemiddeld, geen reden mag zijn de vordering om die reden niet-ontvankelijk te verklaren. Tot slot blijkt uit de literatuur inzake de vordering benadeelde partij dat op vorderingen van benadeelde partijen in beginsel beslist dient te worden en (integrale) niet-ontvankelijkheid tot uitzonderingssituaties beperkt dient te blijven. De rechtbank is in eerste aanleg voorbij gegaan aan de te betrachten terughoudendheid door de vordering in zijn geheel niet-ontvankelijk te verklaren Behandeling per onderdeel verlies aan arbeidsvermogen Voor de leesbaarheid en duidelijkheid wordt in het navolgende per post van het verlies aan arbeidsvermogen de grondslag c.q. berekening aangehaald, het causaal verband en de ontvankelijkheid. Ook zal kort worden ingegaan op de standpunten der verdediging, voor zover relevant. (…) 2) Verlies dividend tot 67 jaar (€ 1.823.393,00) Grondslag van de vordering en berekening Het verlies aan dividend tot de pensioengerechtigde leeftijd bedraagt € 1.823.393,00. Vooropgesteld zij dat toekomstige schade nooit een volledige zekerheid kent. In het geval van [benadeelde 1] moet hiervan echter in het kader van zijn verlies aan arbeidsvermogen, toch een berekening gemaakt worden, nu zijn winstuitkeringen lager zullen liggen vanwege zijn beperkingen in de werkzaamheden. Omdat er sprake is van een toekomstige (onzekere) vordering is er voor gekozen om, op basis van de financiële informatie uit het verleden, de schade te berekenen op bescheiden wijze. Het verlies aan dividend is gebaseerd op het gemiddeld aantal gewerkte uren. Voor de aanslag werkte [benadeelde 1] gemiddeld 1.423,50 declarabele uren per jaar. Na de aanslag is dit aantal teruggevallen naar 1.016,63 declarabele uren per jaar. Sinds de aanslag kan [benadeelde 1] aldus 406,87 minder declarabele uren op jaarbasis maken. Ter onderbouwing van deze gegevens is gerekend met de urenstaten over de periode 6 november 2014 tot en met 6 november 2020. Dit is slechts 28,5% arbeidsongeschiktheid. Uit een arbeidsdeskundig onderzoek uit 2023 is gebleken dat de praktische arbeidsongeschiktheid van [benadeelde 1] 46,7% bedraagt; dit is dus gebaseerd op de feitelijke uren die [benadeelde 1] nog werkt na de aanslag. Echter de theoretische arbeidsongeschiktheid is 66,7%, blijkens het arbeidsdeskundig onderzoek. Dit houdt in dat [benadeelde 1] feitelijk te veel werkt. De vordering is derhalve een absolute ondergrens. Causaal verband [benadeelde 1] is noodgedwongen minder uren gaan werken vanaf het moment van de aanslag, althans toen hij daarna weer voldoende hersteld was om weer met zijn werkzaamheden aan te vangen. Zonder de aanslag had [benadeelde 1] zijn praktijk voort kunnen zetten zoals de jaren hiervoor, waarbij een winstuitkering te verwachten viel in lijn met de voorgaande jaren. Doordat [benadeelde 1] door de aanslag mentaal, maar met name fysiek, niet langer in staat was volle dagen te werken, is het ontvangen van eenzelfde dividenduitkering logischerwijs niet langer aan de orde. Hiermee staat het causaal verband vast en staat deze schade in direct verband tot het schade toebrengende feit om te worden beschouwd als schade die op grond van artikel 361 lid 2 Sv voor vergoeding in aanmerking komt. Weerlegging van de standpunten der verdediging De verdediging heeft in eerste aanleg ook over deze post veel vragen gesteld waarvan de antwoorden allen waren te putten uit de berekening van [C] . Een korte opsomming:  Volgens de verdediging worden in de jaren 2014 tot en met 2020 veel ‘overige’ werkzaamheden geschreven, hetgeen niet duidelijk zou zijn. Zoals reeds eerder aangegeven is [benadeelde 1] als curator werkzaam. Het tijdschrijven in faillissementsdossiers gaat anders dan reguliere dossiers. In faillissementen wordt gewerkt met 10 categorieën die zijn bepaald door een commissen van rechters-commissarissen die werkzaam zijn in faillissementen (Recofa): inventarisatie, doorstart, activa, crediteuren, debiteuren, bank/zekerheden, rechtmatigheid, procedures, overige en P.M.. De groep ‘overige’ ziet toe op werkzaamheden die niet vallen te categoriseren in één van de andere groepen. Men denke hierbij onder andere aan communicatie met de rechtbank en de faillissementsverslagen. Hier gaat veel tijd mee gemoeid, hetgeen de hoge 'overige’ post verklaart.  Volgens de verdediging is het niet verifieerbaar of [benadeelde 1] de geschreven uren c.q. werkzaamheden daadwerkelijk zelf heeft verricht of dat mogelijk een collega (curator, juridisch medewerker of juridisch secretaresse) de werkzaamheden (grotendeels) uit heeft gevoerd (bijvoorbeeld het verwerken van diverse ontvangen post). Die collega’s zouden hun werkzaamheden onverminderd kunnen doorzetten, hetgeen zelfs tot winst zou leiden op het uurtarief, aldus de verdediging. Het standpunt van de verdediging is onnavolgbaar en onjuist. Gezien het verschil in tarieven alsmede het beleid dat daarover wordt gevoerd door de rechtbank, Team Toezicht, en de gebruikelijke werkwijze van advocaten en curatoren, schrijft men alleen eigen uren. Als een kantoorgenoot, juridisch medewerkster of secretaresse wordt ingezet, dan schrijven zij deze uren zelf. Van het maken van winst op het uurloon van de betreffende medewerker kan dus geen sprake zijn.  De verdediging vraagt zich af hoe de komende jaren wordt omgesprongen met de dividendbelasting, nu het box-2 tarief zal worden verhoogd en hoe (dan wel
  9. of)dit is verdisconteerd in het vermeende schadebedrag. Uit de berekening blijkt echter het antwoord: er is rekening gehouden met toekomstige wijzigingen van belastingtarieven.  De verdediging stelt voorts dat in 2020 geen betrouwbaar referentiekader zou zijn, vanwege de Coronapandemie. Zoals uit pagina 9 van de rapportage van [C] blijkt is een correctie aangebracht op het aantal declarabele uren in 2021: in hypothese zou [benadeelde 1] 200 uren minder gewerkt kunnen hebben vanwege de Coronacrisis. De effectieve gemiste uren waarmee gerekend is, is aldus 206,87. Ten overvloede wordt hier nogmaals opgemerkt dat in de schadeberekening niet wordt uitgegaan van het arbeidsongeschiktheidspercentage van 66,7% doch met de daadwerkelijk minder gewerkte uren. Was uitgegaan van het voornoemde percentage, dan zou [benadeelde 1] meer dan 940 uur per jaar aan gemiste uren kunnen aanvoeren. Ontvankelijkheid Ten aanzien van het verlies aan dividend tot 67 jaar ad € 1.823.393,00 is de berekening zo concreet mogelijk gemaakt en onderbouwd met bewijsstukken. Omdat het hier gaat om een toekomstige vordering met een zekere onzekerheid, is op basis van de informatie uit het verleden een lager aangehouden berekening gemaakt. Toekomstige schade is nooit een zekerheid, desondanks komt toekomstige schade voor vergoeding in aanmerking. Krachtens art. 6:105 BW kan de begroting van nog niet ingetreden schade door de rechter na afweging van goede en kwade kansen bij voorbaat geschieden. Er is voorts geen sprake van een vordering waarvan de behandeling de strafzaak dreigt te ontwrichten of ernstig op te houden, reden waarom de rechtbank in eerste aanleg niet tot niet-ontvankelijkheid had behoren te komen en een inhoudelijke beoordeling wel had moeten plaatsvinden. Ook uit recente rechtspraak blijkt dat de manier waarop gerekend is, in civiele letselschadeprocedures tot toewijzing van de vordering verlies arbeidsvermogen, inclusief dividend, leidt.” 5.7 De pleitnota van de raadsman van de verdachte houdt over de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 1] het volgende in: “4.2. Vordering [benadeelde 1] (…) Dan het verlies arbeidsvermogen (p. 26-27 vonnis). Ik denk allereerst dat de rechtbank het bij het juiste eind had om dit onderdeel van de vordering als te complex voor het strafproces te waarderen. Net als in eerste aanleg is door het Openbaar Ministerie bepleit dat de deskundigenrapportage maakt dat u tot toewijzing zou moeten komen. Met het Openbaar Ministerie uit de eerste lijn ben ik van mening dat de hoogte van het gevorderde bedrag de vordering niet zonder meer te complex maakt. Tegelijkertijd is de hoogte van het bedrag in mijn optiek wel een omstandigheid om rekening mee te houden. Over dit soort bedragen wordt normaliter voor langere duur geprocedeerd in gespecialiseerde, civiele kamers. Dat zegt denk ik iets over de complexiteit van dit soort vorderingen. Daarnaast zegt het denk ik alles dat deze post is onderbouwd door een deskundigenrapportage. Aan die rapportage liggen bovendien verschillende aannames ten grondslag. De discussie over de houdbaarheid van die aannames – en daarmee de houdbaarheid van de berekening die levensbepalende gevolgen heeft – leent zich niet voor discussie via requisitoir en pleidooi. Bovendien is voor de beoordeling van die houdbaarheid een specifieke deskundigheid vereist die ik niet bezit. Ik verzoek u dan ook om dit onderdeel van de niet-ontvankelijk te. verklaren.” 5.8 De processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep van 20 en 22 maart 2024 houden het volgende in: “De advocaat van de benadeelde partijen licht de vordering van [benadeelde 1] als volgt toe: In aanvulling op de nadere schriftelijke toelichting met bijlagen, wil ik het volgende naar voren brengen. Er is met enige teleurstelling gekeken naar de wijze waarop de vordering ten aanzien van de inkomsten in eerste aanleg beoordeeld is. In de laatste arbeidsdeskundige rapportage is op basis van belastbaarheid vastgesteld dat [benadeelde 1] voor 66,7% theoretisch arbeidsongeschikt is. Daarvoor is niet naar de mentale situatie van [benadeelde 1] gekeken, maar naar de fysieke, technische situatie, te weten naar de situatie waarin sprake is van een zenuwbeschadiging en van een beschadiging van vaten. In die situatie kun je een bepaalde tijd werken en daarna gaat het niet meer. Daardoor kun je bepaalde taken die je normaal gesproken dient uit te voeren niet meer doen. De praktische arbeidsongeschiktheid van [benadeelde 1] is beoordeeld op 46,7%. Dat is 20% lager, omdat men daarbij heeft gekeken naar hetgeen hij nog doet. Dit percentage staat dus los van wat mensen met deze medische problemen in het algemeen doen. De vordering met betrekking tot het inkomensverlies is gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 28,5%. Dat percentage is gebaseerd op het verlies aan omzet en arbeidsvermogen. De rechtbank heeft gezegd dat sprake was van toekomstige schade. Die vonden zij te complex en een beoordeling daarvan zou dus een te grote belasting voor het strafrecht zijn. Dit is in zoverre teleurstellend dat men had moeten kijken wat de civiele rechter zou hebben gedaan. De civiele rechter zou volgens mij niet veel meer hebben gedaan dan in deze procedure is gebeurd. Het gaat wel om heel veel geld en om toekomstige schade, maar die toekomstige schade is niet op basis van aannames geschat, maar op een theoretische basis berekend. Er is gekeken wat de schade nu is en of het nog beter wordt en op basis daarvan is een keurige berekening gemaakt die voor letselschadezaken bij civiele rechters heel gebruikelijk is. Volgens mij is het in verband met de versterking van de positie van slachtoffers de bedoeling dat daar door de strafrechter naar wordt gekeken. De rechter zou anders op zijn minst moeten zeggen wat er nog had moeten gebeuren, waardoor de vordering niet in het strafproces thuishoort. Het oordeel van de rechtbank is voor ons dan ook onbegrijpelijk. Ik verzoek het hof om te kijken of er gronden zijn om op basis van wat er nu ligt tot het oordeel te komen waar de civiele rechter uiteindelijk ook op zou uitkomen. De civiele zaak zal er nooit komen. Je gaat immers geen procedure voeren als er geen verhaal wordt geboden. Dit is voor [benadeelde 1] de enige kans om een genoegdoening te krijgen.” “De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn pleitnota, welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht. In aanvulling daarop brengt hij het volgende naar voren: (…) - pagina 45, op een na laatste alinea, eerste regel na 'Verlies arbeidsvermogen’: Ik heb gehoord dat [benadeelde 1] heeft verklaard dat hij voor een bepaald percentage is afgekeurd, maar toch meer werkt. Alleen al daarom is dit deel van de vordering ingewikkeld. De advocaat van de benadeelde partijen licht de vorderingen in tweede termijn als volgt toe: Onevenredige belasting van het strafproces en complexiteit zijn beide open normen. Je moet dus ook kijken naar de achterliggende motivering. Wanneer is een vordering te complex? Ik denk dat het te kort door de bocht is om te zeggen dat een vordering niet in het strafproces thuishoort als het heel technisch en inhoudelijk wordt. Zeker gezien de uitvoerige discussies die over de positie van de slachtoffers zijn gevoerd, denk ik dat verwacht mag worden dat je zorgt dat de vordering een onderdeel is van het strafproces. Dat betekent volgens mij dat je moet benoemen waar het strafproces dermate negatief wordt beïnvloed dat het een onevenredige belasting wordt en dat je moet aangeven welke stappen er nog genomen zouden moeten worden. Ik hoor net zeggen dat er in technische rapportage wordt uitgegaan van aannames. Ik heb niet gehoord van welke aannames. Er is sprake van een fysieke eindsituatie en er is gekeken wat dat betekent voor toekomstige beperkingen. Voor de arbeidsongeschiktheid is uitgegaan van een absolute ondergrens. Er is uiteindelijk gekeken hoeveel uren [benadeelde 1] in een bepaalde periode nog declarabel werkt ten opzichte van het aantal uren dat hij vóór de aanslag in eenzelfde periode declarabel werkte. Er is bovendien geen rekening gehouden met een verslechtering van de situatie van [benadeelde 1]

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.