PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/03279 Zitting 29 augustus 2025 CONCLUSIE T. Hartlief In de zaak Graniet Import Benelux B.V. (hierna: ‘ GIB ’) tegen Omroepvereniging BNNVARA (hierna: ‘Zembla’) Deze zaak draait om uitlatingen van Zembla in televisie-uitzendingen en andere publicaties over granuliet. Het granuliet waar het in deze zaak over gaat, is een restproduct van het breken van brokken gesteente tot steenslag. Om het bezinkingsproces van de zeer fijne fracties gesteente te versnellen, voegt GIB een bindmiddel – polyacrylamide – toe waarna een product met een leemachtige consistentie ontstaat. GIB noemt dit product granuliet. Het wordt onder meer in het gebied ‘Over de Maas’ toegepast op de bodem van plassen om deze met het oog op natuurontwikkeling ondieper te maken (‘verondieping’). Aan GIB is door een van overheidswege erkende certificerende instelling een productcertificaat voor granuliet verstrekt op basis van een beoordelingsrichtlijn voor ‘grond’. GIB meent dat Zembla met verschillende kritische uitlatingen over granuliet onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld omdat haar reputatie daardoor is geschaad. Het gaat met name om de uitlatingen dat (
(2)dat GIB door gebruik te maken van dit certificaat handelingen verricht die kwalificeren als valsheid in geschrift waardoor sprake is van strafbaar handelen. 6.65 De uitlating van [betrokkene 1] is – anders dan Zembla meent – niet een (zuiver) waardeoordeel waarvoor geen steun in het feitenmateriaal vereist is. Zijn uitlating dient dus voldoende ondersteund te worden door het feitenmateriaal. Voor de eerste stelling is hiervoor al uiteengezet dat dat het geval is (zie 6.14-6.23). Wat betreft de tweede stelling oordeelt het hof als volgt. In deze stelling ligt besloten dat GIB (ook) na 2018/2019 wist (en in ieder geval: redelijkerwijs moest vermoeden) dat het productcertificaat niet van toepassing was op granuliet, maar het toch gebruikte om granuliet te storten. Daarvoor is voldoende steun gelet op het volgende. GIB is er in 2018/2019 door ambtenaren van RWS ON en RWS ZN op gewezen dat granuliet, met het aangeboden productcertificaat, niet gestort mocht worden (zie 3.24, 3.28, 3.29 [randnummers 1.29, 1.33 en 1.34 hiervoor, A-G]). Ook staat vast dat GIB in 2019 kennis heeft genomen van de Notitie Granuliet, waarin ambtenaren van IenW (die in de Memo van 10 oktober 2019 door de Directeur-Generaal van Water en Bodem worden aangeduid als ‘specialisten’) inhoudelijk uitgebreid beargumenteren waarom granuliet geen grond (maar een bouwstof) is en dat het verleende certificaat niet van toepassing kan zijn op granuliet. Vast staat verder dat GIB daarna, met bemiddeling van [betrokkene 2] , actief betrokken is geweest bij ambtelijk overleg over de status van granuliet en het gebruik van het certificaat, en dat dit overleg er in is uitgemond dat het bevoegd gezag een voor GIB gunstige beslissing heeft genomen, waarbij niet-inhoudelijke gronden hebben meegespeeld (waaronder “de bredere maatschappelijke gevolgen” als het grondstandpunt zou worden verworpen). Dit alles bij elkaar genomen maakt dat er voldoende steun is voor het standpunt van [betrokkene 1] dat GIB , door daarna toch verder te gaan met het storten van granuliet met het certificaat, gebruik maakte van een productcertificaat waarvan zij wel wist (of in ieder geval: redelijkerwijs moest vermoeden) dat het niet op het gestorte materiaal van toepassing was. 6.66 Dat het bevoegd gezag in de Memo van 10 oktober 2019 heeft beslist dat granuliet als grond aangemerkt kan (blijven) worden en dat GIB het verleende certificaat mag (blijven) gebruiken voor granuliet, maakt niet dat er daarmee geen steun in de feiten is voor de uitlating van [betrokkene 1] . Het ligt wel voor de hand dat de toestemming van het bevoegd gezag zwaar meeweegt in het voordeel van GIB als beslist moet worden of zij daadwerkelijk strafrechtelijk vervolgd (en veroordeeld) moet worden, maar dat betekent niet dat er onvoldoende steun was voor de bewering dat GIB – ook na de door het bevoegd gezag gegeven toestemming om het certificaat te gebruiken – wel wist (en in ieder geval: redelijkerwijs moest vermoeden) dat het productcertificaat niet van toepassing was op het granuliet dat zij daarmee in plassen stortte. 6.67 Het is voorzienbaar dat uitlatingen met de boodschap dat het handelen van GIB in strijd met de regels is en ook als strafbaar handelen kwalificeert, de reputatie van GIB kunnen aantasten en mogelijk ook de afzet van haar product granuliet negatief kunnen beïnvloeden, helemaal als dat wordt gedaan in een tv-programma waarmee een ruim publiek wordt bereikt. Toch acht het hof het uitzenden van de uitlating van [betrokkene 1] niet onrechtmatig. De uitlating heeft niet alleen voldoende steun in de feiten, maar Zembla heeft in de uitzending ook voldoende duidelijk het tegengeluid tot uiting laten komen, te weten dat het bevoegd gezag van oordeel was dat granuliet wèl in plassen gestort mag worden en dat hierbij niets illegaals gebeurt (en dat GIB dat ook vindt). In die zin heeft Zembla voldoende zorgvuldig gehandeld. Daarnaast draagt de uitlating van [betrokkene 1] bij aan een debat over een kwestie van algemeen belang, te weten of granuliet volgens de regelgeving wel met het verleende productcertificaat als grond in plassen gestort mag worden en of bij de stort van granuliet strafbare feiten worden gepleegd, zodat voor een beperking van de persvrijheid een zwaarwegende reden zijn moet zijn. De belangen van GIB zijn hiertegenover onvoldoende zwaarwegend. Zembla heeft dus niet onrechtmatig gehandeld.” 2.20 Het hof heeft de beoordeling afgerond met enkele slotoverwegingen, onder meer over de verwerping van het door GIB in hoger beroep gedane bewijsaanbod en over de proceskostenveroordeling in de procedure bij de rechtbank en in hoger beroep (rov. 6.68-6.71). Cassatieberoep 2.21 Bij procesinleiding van 28 augustus 2024 heeft GIB , tijdig, cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof van 28 mei 2024 (hierna: ‘het bestreden arrest’). Zembla heeft een verweerschrift ingediend. Op 21 maart 2025 heeft een mondeling pleidooi plaatsgevonden, dat ook betrekking had op de samenhangende zaak van GIB tegen [betrokkene 1] . GIB heeft twee pleitnota’s overgelegd en Zembla heeft een pleitnota overgelegd die alle drie na het pleidooi ook via het portaal zijn ingediend. Op dezelfde dag als het mondeling pleidooi hebben beide partijen tevens een schriftelijke toelichting gegeven. GIB heeft ten slotte gerepliceerd en Zembla gedupliceerd. 3Bespreking van het cassatiemiddel Inleiding 3.1 De procesinleiding van GIB valt uiteen in tien onderdelen. Ik heb afgezien van het opnemen van algemene inleidende beschouwingen bij deze zaak over kwesties die weliswaar met deze zaak te maken hebben, zoals het (in de hierna volgende voetnoot toegelichte) fenomeen SLAPPs, maar die niet rechtstreeks van belang zijn voor de beoordeling van de cassatieklachten. Voor een achtergrond van de zaak wijs ik kortheidshalve op de (kritische) JM-annotatie bij het vonnis in eerste aanleg en de (instemmende) JM-annotatie bij het bestreden arrest, beide van de hand van W.Th. Douma. Deze annotaties liggen in het verlengde van de M en R-annotaties van B. Arentz en M.G.W.M. Peeters bij respectievelijk het vonnis en arrest in de zaak tegen [betrokkene 1] , waarover randnummer 3.1 van mijn conclusie in de zaak tegen [betrokkene 1] . Ik heb ervoor gekozen mijn bespreking van de middelen in deze zaak in het bijzonder te concentreren op de onderdelen 6 tot en met 10. De onderdelen 1 tot en met 5 luiden (vrijwel) hetzelfde als de onderdelen 1 tot en met 5 in het cassatiemiddel van GIB in de zaak die bij Uw Raad aanhangig is onder zaaknummer 24/03281 waarin ik vandaag ook concludeer (hierna ook: ‘mijn conclusie in de zaak tegen [betrokkene 1] ’). Dat is niet vreemd als in ogenschouw wordt genomen dat de onderdelen 1 tot en met 5 in de onderhavige zaak klagen over oordelen van het hof die vrijwel woordelijk overeenkomen met oordelen van het hof in het – op dezelfde dag door het hof gewezen – arrest in de zaak van GIB tegen [betrokkene 1] . Hoewel GIB zich in feitelijke instanties kennelijk heeft verzet tegen gezamenlijke behandeling van haar zaken tegen Zembla en [betrokkene 1] , acht ik het, mede gelet op het partijdebat in cassatie, gerechtvaardigd in deze conclusie wat betreft de onderdelen 1 tot en met 5 te volstaan met een beknopte bespreking waarin slechts op relevante verschillen met de zaak tegen [betrokkene 1] wordt ingegaan en voor het overige te verwijzen naar de uitgebreidere bespreking van de onderdelen 1 tot en met 5 in mijn conclusie in de zaak tegen [betrokkene 1] . Onderdeel 1: “Aangelegde maatstaf is onjuist en miskent beschuldiging” 3.2 Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 6.14. Volgens het onderdeel heeft het hof daar als maatstaf aangelegd dat “de gehanteerde uitleg van het begrip ‘grond’ juridisch verdedigbaar is”. Het onderdeel stelt, zeer kort samengevat, dat die maatstaf getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. 3.3 Het onderdeel faalt op dezelfde gronden als uiteengezet in randnummers 3.3-3.12 van mijn conclusie in de zaak tegen [betrokkene 1] . Het onderdeel gaat, kort gezegd, uit van een onjuiste lezing van rov. 6.14 (die correspondeert met rov. 6.16 van het bestreden arrest in de zaak tegen [betrokkene 1] ) en faalt daarmee bij gebrek aan feitelijke grondslag. Uit de op rov. 6.14 volgende rechtsoverwegingen blijkt ook duidelijk dat het hof de houdbaarheid van de juridische argumenten heeft beoordeeld (zie bijvoorbeeld de slotzin van rov. 6.20, die correspondeert met rov. 6.21 van het bestreden arrest in de zaak tegen [betrokkene 1] : “Ook uit deze uitspraak volgt dus niet dat het argument van Zembla inzake het bijmengverbod juridisch niet houdbaar zou zijn.”). Ik wijs in dit verband verder nog op rov. 6.21 (vergelijk rov. 6.35 van het bestreden arrest in de zaak tegen [betrokkene 1] ), waarin het hof met zoveel woorden spreekt van “solide steun” en waaruit dus ook blijkt dat het hof de lat niet ten onrechte te laag heeft gelegd door een onjuiste maatstaf te hanteren. Overigens brengt het hof die solide steun in rov. 6.21 voorts tot uitdrukking met de bewoordingen “juridisch zeer goed verdedigbaar” (onderstreping door mij toegevoegd, A-G), een kwalificatie die niet voorkomt in de zaak tegen [betrokkene 1] . Onderdeel 2: “Hof-kwalificatie van granuliet berust op onjuiste rechtsopvatting” 3.4 Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel van het hof over de vraag of voldoende steun in de feiten bestaat voor de stelling van Zembla dat granuliet vanwege een zogenoemd bijmengverbod geen ‘grond’ is (rov. 6.14-6.21) en daarop voortbouwende oordelen, waaronder het oordeel dat er ook voldoende steun in de feiten is voor uitlatingen dat het op basis van BRL 9321 afgegeven certificaat niet past bij granuliet (rov. 6.22-6.23). Het onderdeel valt uiteen in vijf subonderdelen. 3.5 De subonderdelen falen op dezelfde gronden als uiteengezet in randnummers 3.47-3.55 (subonderdeel 2.1), randnummers 3.57-3.62 (subonderdeel 2.2), randnummers 3.64-3.67 (subonderdeel 2.3), randnummer 3.69 (subonderdeel 2.4) en randnummer 3.71 (subonderdeel 2.5) van mijn conclusie in de zaak tegen [betrokkene 1] . De inleidende beschouwingen op onderdeel 2 in randnummers 3.14-3.45 van mijn conclusie in de zaak tegen [betrokkene 1] kunnen hier ook als ingelast worden beschouwd. 3.6 In rov. 6.15 heeft het hof het standpunt van Zembla weergegeven over het ‘bijmengverbod’. Dit komt inhoudelijk overeen met de weergave van het standpunt van [betrokkene 1] in rov. 6.17 van het bestreden arrest in de zaak tegen [betrokkene 1] . Voor het standpunt van Zembla geldt dus ook dat het is toegespitst op het toevoegen van het bindmiddel polyacrylamide in granuliet en dat in dit specifieke geval volgens Zembla het bijmengverbod tot gevolg heeft dat granuliet geen grond kan zijn. Het oordeel van het hof in rov 6.16 komt inhoudelijk overeen met rov. 6.18 van het bestreden arrest in de zaak tegen [betrokkene 1] welk oordeel gelezen moet worden als uiteengezet in randnummer 3.44 van mijn conclusie in de zaak tegen [betrokkene 1] . Ik wijs er in dit verband nog op dat het hof in de onderhavige zaak in rov. 6.17 (weergegeven in randnummer 2.9 hiervoor), in cassatie onbestreden, het argument van GIB over de reden waarom de bodemvreemde stof polyacrylamide wordt toegevoegd aan het granuliet van tafel heeft geveegd. Een met rov. 6.17 overeenkomende rechtsoverweging komt niet voor in het bestreden arrest in de zaak tegen [betrokkene 1] . Onderdeel 3: “Notitie Granuliet” en onderdeel 4: “Gebrekkig oordeel over herbevestiging bevoegd gezag” 3.7 Onderdeel 3 is gericht tegen het oordeel in rov. 6.18 dat Zembla, voor de bewering dat granuliet geen grond is, bovendien steun kan ontlenen aan de Notitie Granuliet en het oordeel in rov. 6.23 over de Notitie Granuliet. Het onderdeel valt uiteen in zes subonderdelen. Onderdeel 4 is gericht tegen het oordeel in rov. 6.23 dat uit het Memo van 10 oktober 2019 valt op te maken dat ook het bevoegd gezag eigenlijk vindt dat BRL 9321 niet helemaal bij granuliet past, maar dat in afwachting van een nog op te stellen BRL 9344 het certificaat op basis van BRL 9321 toch voor granuliet mag worden gebruikt om “andere” redenen. Het onderdeel bevat één subonderdeel, dat is uitgewerkt in drie subklachten. 3.8 Ik heb de bespreking van de beide onderdelen samengevoegd, omdat zij beide om dezelfde reden, zoals ook is uiteengezet in randnummer 3.73 van mijn conclusie in de zaak tegen [betrokkene 1] , niet tot cassatie kunnen leiden. Zowel rov. 6.18 als rov. 6.23 is een overweging ten overvloede, zoals blijkt uit de formuleringen “bovendien” (rov. 6.18) en “Daar komt nog het volgende bij.” (rov. 6.23). Het oordeel dat de uitlating van Zembla dat granuliet geen grond is voldoende steun heeft in de feiten wordt zelfstandig gedragen door rov. 6.16 en 6.17 en uit de bespreking van onderdeel 2 hiervoor blijkt dat rov. 6.16 en rov. 6.17 tevergeefs respectievelijk niet worden bestreden in cassatie. Het oordeel dat de uitlating van Zembla dat het certificaat op basis van BRL 9321 niet past bij granuliet voldoende steun heeft in de feiten wordt zelfstandig gedragen door rov. 6.22 waarin wordt voortgebouwd op het oordeel dat er voldoende steun in de feiten is voor uitlating dat granuliet geen grond is. Met het falen van onderdeel 2 houdt rov. 6.22 ook stand in cassatie (zie randnummers 3.5-3.6 hiervoor). Nu beide onderdelen om deze reden reeds afstuiten op gebrek aan belang, kom ik niet toe aan een inhoudelijke bespreking van de verschillende subonderdelen gericht tegen rov. 6.18 en rov. 6.23. Zembla heeft er overigens ook op gewezen dat GIB geen (zelfstandig) belang heeft bij de klachten van de onderdelen 3 en 4. Onderdeel 5: “Strafrechtelijke beschuldigingen” 3.9 Onderdeel 5 richt klachten tegen het oordeel in rov. 6.63-6.67 dat er voldoende steun in de feiten bestaat voor stelling (
- ii)van [betrokkene 1] dat GIB opzettelijk valsheid in geschrift heeft gepleegd doordat GIB granuliet als grond aanbiedt en stort, met gebruikmaking van een productcertificaat dat niet past bij het gestorte materiaal. Het onderdeel is uitgewerkt in vier subonderdelen. 3.10 Het oordeel in rov 6.63-6.67 komt inhoudelijk overeen met het oordeel in rov. 6.25-6.30 van het bestreden arrest in de zaak tegen [betrokkene 1] . De subonderdelen falen op dezelfde gronden als uiteengezet in randnummers 3.74-3.100 van mijn conclusie in de zaak tegen [betrokkene 1] . 3.11 Ik merk nog op dat subonderdeel 5.1 acht redenen opsomt waarom het oordeel dat er voldoende steun in de feiten bestaat voor de strafrechtelijke beschuldiging van [betrokkene 1] onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, terwijl in subonderdeel 5.1 in de zaak tegen [betrokkene 1] werd volstaan met zeven redenen. De ten tweede toegevoegde reden betreft dat de rechtbank in rov. 4.26.1. van het vonnis van 31 augustus 2022 heeft geoordeeld dat bij de beoordeling of er een voldoende solide basis bestaat voor de beschuldigingen van [betrokkene 1] niet kan worden voorbijgegaan aan de in rov. 2.14.-2.23. van het vonnis uiteengezette voorgeschiedenis van granuliet en het systeem van het Kwalibo-stelsel. Zembla heeft volgens het subonderdeel geen grief tegen dit oordeel gericht. Het subonderdeel stelt dat het hof zijn oordeel aldus onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd door bij zijn beoordeling of de uitlating van [betrokkene 1] onrechtmatig is, niet voldoende kenbaar de voorgeschiedenis van granuliet en het systeem van het Kwalibo-stelsel te betrekken. 3.12 Deze motiveringsklacht kan niet slagen. Het subonderdeel ziet er in de eerste plaats aan voorbij dat Zembla wel degelijk heeft gegriefd tegen dit oordeel van de rechtbank. Voorts is van belang dat uit het bestreden arrest blijkt dat het hof de voorgeschiedenis van granuliet en het systeem van het Kwalibo-stelsel waarop in rov. 4.26.1. van het vonnis van de rechtbank werd gedoeld, heeft onderkend (zie de vaststaande feiten in rov. 3.10-3.14 weergegeven in randnummers 1.14-1.18 hiervoor). Dat het hof in rov. 6.65 heeft beoordeeld of er na 2018/2019 voldoende steun in de feiten was voor de strafrechtelijke beschuldiging is alleszins begrijpelijk, omdat feitelijk vaststaat dat daarvoor, met name in de periode 2008 en 2009 waarop rov. 4.26.1. van het vonnis zag, nog niet bekend was dat een flocculant aan granuliet werd toegevoegd. Het hof heeft het bestreden oordeel dan ook niet ontoereikend gemotiveerd door niet nader in te gaan op de voorgeschiedenis van granuliet en het systeem van het Kwalibo-stelsel. Onderdeel 6: “Gebrekkig oordeel dat Zembla ‘boodschapper’ is” en onderdeel 7: “Gebrekkig oordeel dat Zembla als boodschapper niet aansprakelijk is voor uitlating [betrokkene 1] ” 3.13 Onderdeel 6 is gericht tegen het oordeel in rov. 6.53 en 6.62 en onderdeel 7 is gericht tegen het oordeel in rov. 6.60, 6.61 en 6.62, waarin het hof, kort gezegd, heeft geoordeeld dat Zembla als ‘boodschapper’ optrad en dat zij, als boodschapper, niet onrechtmatig heeft gehandeld door de uitlating van [betrokkene 1] uit te zenden. Beide onderdelen zijn uitgewerkt in drie subonderdelen. 3.14 De beide onderdelen falen om dezelfde reden. Het hof heeft in rov. 6.63-6.67 geoordeeld dat, ook als de uitlating van [betrokkene 1] niet vanuit het perspectief van ‘boodschapper’ zou worden bekeken, met de terughoudende toets die daar bij hoort (rov. 6.52), nog steeds geen sprake is van een onrechtmatige uitlating die Zembla niet had mogen uitzenden. Deze rechtsoverwegingen, die in cassatie tevergeefs zijn bestreden (zie randnummers 3.9-3.12 hiervoor) kunnen het oordeel dat Zembla niet onrechtmatig heeft gehandeld door het uitzenden van de uitlating van [betrokkene 1] zelfstandig dragen. Daarom falen de onderdelen 6 en 7 reeds bij gebrek aan belang en laat ik deze onderdelen verder onbesproken. Onderdeel 8: “De uitlating dat granuliet schadelijk is/kan zijn” 3.15 Onderdeel 8 is gericht tegen rov. 6.31-6.39 (en daarop voortbouwende oordelen), waarin het hof, kort gezegd, de uitlatingen van Zembla over de schadelijkheid van granuliet voor mens en milieu, met name door de polyacrylamide die in het granuliet aanwezig is, aldus heeft verstaan dat granuliet schadelijk kan zijn (en niet dat het zo
- is)en dat het RIVM-rapport 2023 voldoende steun biedt voor het door Zembla uitgedragen standpunt dat het storten van granuliet in diepe plassen (op langere termijn) mogelijk schadelijk is voor mens en milieu. 3.16 Het onderdeel valt uiteen in zeven subonderdelen, die geen van alle slagen. 3.17 Subonderdeel 8.1 klaagt dat rov. 6.31-6.39 van een onjuiste rechtsopvatting getuigen, omdat het hof heeft miskend dat niet de exacte bewoordingen van de uitlatingen van Zembla op onrechtmatigheid moeten worden beoordeeld, maar dat deze uitlatingen moeten worden beoordeeld zoals de gemiddelde kijker of lezer deze heeft begrepen. Volgens het subonderdeel heeft het hof een onjuiste maatstaf gehanteerd door niet te beoordelen hoe de gemiddelde kijker of lezer de uitlatingen van Zembla heeft begrepen, maar in plaats daarvan de exacte bewoordingen van de uitlatingen beslissend te achten. 3.18 Het subonderdeel faalt. Het hof heeft terecht de feitelijke grondslag van de gedane uitlatingen beoordeeld, zoals het ook in rov. 6.6 onder (c), in cassatie onbestreden, heeft uiteengezet. Het is aan het hof als feitenrechter om te bepalen hoe het die uitlatingen opvat. Het subonderdeel mist overigens ook feitelijke grondslag voor zover het tot uitgangspunt neemt dat het hof de exacte (letterlijke) bewoordingen van de uitlatingen heeft beoordeeld. Het hof heeft blijkens rov. 6.31, in navolging van Zembla die dat heeft benadrukt, de uitlatingen aldus verstaan dat die alleen inhouden dat granuliet schadelijk kan zijn (en niet dat het zo is). Het hof heeft zonder schending van enige rechtsregel kunnen bepalen dat de uitlatingen van Zembla niet inhouden dat granuliet daadwerkelijk schadelijk is. Hoe de gemiddelde kijker of lezer een uitlating zal opvatten, kan een relevante omstandigheid zijn bij het beoordelen van vraag of de uitlating onrechtmatig is, maar de feitenrechter is niet verplicht het oordeel hoe de gemiddelde kijker of lezer de uitlating zal opvatten ook te betrekken bij de beoordeling van de vraag of die uitlating voldoende steun heeft in de feiten. 3.19 Subonderdeel 8.2 stelt dat het hof het oordeel dat de uitlating dat granuliet schadelijk kan zijn voldoende steun in de feiten heeft, ontoereikend heeft gemotiveerd en/of dat het hof art. 24 Rv heeft geschonden, omdat de stellingen van GIB erop neerkomen dat de boodschap van Zembla aan de gemiddelde kijker is dat granuliet schadelijk is en het hof deze stellingen niet (voldoende kenbaar) bij zijn beoordeling heeft betrokken. Volgens het subonderdeel kunnen deze stellingen tot de conclusie leiden dat het hof had moeten beoordelen of er voldoende steun in de feiten is voor de uitlating dat granuliet schadelijk is. Voor zover het hof deze stellingen van GIB heeft verworpen, is deze verwerping ontoereikend (want: niet) gemotiveerd. 3.20 Het subonderdeel is tevergeefs voorgesteld. Het subonderdeel bestrijdt niet dat de door Zembla gedane uitlatingen inhouden, kort gezegd, dat granuliet schadelijk kan zijn (en dus niet dat het schadelijk is). Het subonderdeel wijst er terecht op dat GIB ook de stelling heeft ingenomen dat de gemiddelde kijker/lezer de boodschap van Zembla aldus zal opvatten dat dat daadwerkelijk zo is. Hoe de gemiddelde kijker of lezer de boodschap opvat, kan inderdaad worden betrokken bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de uitlating. Uit rov. 6.40-6.41 (afweging van alle omstandigheden) in verbinding met rov. 6.1 (het standpunt van GIB , waarbij een beroep wordt gedaan op hoe de gemiddelde kijker/lezer de boodschap van Zembla zal opvatten) leid ik af dat het hof deze stellingen van GIB in de beoordeling heeft betrokken en het oordeel in zoverre ook afdoende is gemotiveerd en art. 24 Rv in zoverre niet door het hof is geschonden. Het subonderdeel gaat er ten onrechte vanuit dat het hof ook gehouden was die stellingen van GIB over hoe de gemiddelde kijker de boodschap van Zembla zou opvatten, zou moeten betrekken bij de vraag of de gedane uitlatingen voldoende steun in de feiten hebben. Om herhaling te voorkomen, verwijs ik terug naar de bespreking van het vorige subonderdeel. 3.21 Subonderdeel 8.3 stelt dat het oordeel in rov. 6.31-6.39 onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd omdat het hof niet (kenbaar) is ingegaan op een tiental, in het subonderdeel onder a. tot en met j. opgesomde onderzoeken, bronnen en stellingen van GIB . Deze onderzoeken/bronnen/stellingen kunnen volgens het subonderdeel tot de conclusie leiden dat er onvoldoende steun in de feiten bestaat voor de uitlating dat granuliet schadelijk kan zijn. Daarom had het hof volgens het subonderdeel deze onderzoeken/bronnen/stellingen bij de beoordeling moeten betrekken. Volgens het subonderdeel heeft het hof bovendien art. 24 Rv geschonden door niet op deze door GIB ingeroepen bronnen/onderzoeken stellingen in te gaan. 3.22 Het subonderdeel treft geen doel. De portee van de opsomming onder a. tot en met j. is dat vooralsnog niet is gebleken of aangetoond dat granuliet schadelijk is voor mens en milieu. De onderzoeken/bronnen/stellingen laten daarmee de conclusies van het RIVM-rapport 2023, die het hof in rov. 6.39 heeft weergegeven (en waarop het oordeel dat de uitlatingen dat granuliet schadelijk kan zijn voldoende steun in de feiten hebben, is gebaseerd), dat niet duidelijk is of er (op langere termijn) risico’s voor mens en milieu zijn, met name in verband met de Zeer Zorgwekkende Stof acrylamide, als granuliet met de flocculant polyacrylamide in diepe plassen wordt gestort, dat het RIVM nader onderzoek nodig acht en adviseert dat intussen voorzorgsmaatregelen moeten worden getroffen, onverlet. Bij deze stand van zaken was er voor het hof geen reden in rov. 6.31-6.39 in te gaan op de onderzoeken/bronnen/stellingen die in het subonderdeel onder a. tot en met j. zijn opgesomd. Het hof heeft het oordeel dan ook niet onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd en heeft art. 24 Rv niet miskend. Ik merk verder op dat het hof ook niet hoefde te beoordelen of granuliet schadelijk kan zijn, maar slechts of er voldoende steun in de feiten was voor de uitlating dat granuliet schadelijk kan zijn. Gesteld dat inderdaad uit andere bronnen zou volgen dat granuliet niet schadelijk is, kon het hof nog altijd op basis van het RIVM-rapport 2023 oordelen dat voldoende steun bestond voor de uitlating dat granuliet schadelijk kan zijn. 3.23 Ten overvloede wijs ik er ten slotte nog op dat het RIVM-rapport 2023 niet alleen is gebaseerd op wetenschappelijke onderzoeken, maar dat daarin ook zogeheten grijze literatuur (publicaties vanuit niet-wetenschappelijke bronnen) is betrokken. Een voorbeeld daarvan is het rapport van Arcadis van 16 april 2021, waar het subonderdeel zich in de opsomming onder b. op beroept. Ook in zoverre was er voor het hof geen gehoudenheid afzonderlijk op dergelijke oudere praktijkonderzoeken in te gaan, nu het RIVM deze grijze literatuur in zijn onderzoek heeft meegenomen. 3.24 Subonderdeel 8.4 stelt dat niet, althans niet zonder nadere motivering die ontbreekt, valt in te zien dat het RIVM-rapport 2023 de conclusie kan dragen dat er voldoende steun bestaat in de feiten voor de uitlating dat granuliet schadelijk kan zijn. Het subonderdeel voert daartoe twee argumenten aan. Het subonderdeel stelt in de eerste plaats (onder a.) dat het RIVM-rapport 2023 slechts een literatuuronderzoek over de toepassing van flocculant in het algemeen is. Het gaat volgens het subonderdeel niet specifiek over de toepassing van granuliet. Het onderdeel stelt daar tegenover dat GIB een omvangrijke hoeveelheid bronnen/onderzoeken heeft ingeroepen die juist wel gaan over granuliet en waaruit volgt dat er geen aanwijzing is dat de toepassing van granuliet gevaar oplevert voor mens en milieu. Het subonderdeel voert verder aan (onder b.) dat het RIVM heeft geadviseerd voorzorgsmaatregelen te nemen, bijvoorbeeld door de kwaliteit van het oppervlaktewater te bepalen nadat het product daarin is gebruikt (rov. 6.38), en dat het hof het oordeel dat er voldoende steun in de feiten is mede op dit advies heeft gebaseerd (rov. 6.39). Het subonderdeel stelt dat GIB juist expliciet een beroep heeft gedaan op onderzoek uit augustus 2023 naar watermonsters van de Kraaijenbergse Plassen waaruit blijkt dat er niets mis is met (de toepassing van) granuliet en geen acrylamide wordt gemeten, waarmee het advies van het RIVM is opgevolgd en is gebleken dat granuliet veilig in plassen kan worden toegepast. 3.25 Beide argumenten gaan niet op. Het subonderdeel treft dus geen doel. 3.26 Wat het argument onder a. betreft, breng ik eerst in herinnering dat de uitlatingen van Zembla waarvan het hof op basis van het RIVM-rapport 2023 heeft geoordeeld dat die voldoende steun in de feiten hebben, inhouden dat granuliet, en met name de polyacrylamide die in het granuliet aanwezig is, schadelijk kan zijn voor mens en milieu als het granuliet in plassen wordt gestort (rov. 6.31). IenW heeft het RIVM de volgende onderzoeksopdracht gegeven: “Bij het onderzoek moet de vraag worden beantwoord of het op basis van het literatuuronderzoek aannemelijk is dat er onder anaerobe omstandigheden een relevante hoeveelheid acrylamide kan worden gevormd – uit grond of bagger waarbij polyacrylamide is gebruikt als flocculant t.b.v. ontwatering en intrinsiek onderdeel is van het steekvaste product – en onder welke omstandigheden geen of acceptabele risico’s zijn te verwachten. (…)” 3.27 Het subonderdeel mist dus feitelijke grondslag voor zover het tot uitgangspunt neemt dat het RIVM-rapport 2023 over de toepassing van flocculant in het algemeen gaat. In de vraagstelling wordt weliswaar niet specifiek granuliet genoemd, maar de vraagstelling sluit precies aan bij de granulietcasus waarover de uitlatingen van Zembla gaan. Bij het storten van granuliet in diepe plassen is immers sprake van ‘anaerobe omstandigheden’ en de bij granuliet gebruikte flocculant polyacrylamide ten behoeve van ontwatering maakt intrinsiek onderdeel uit van ‘het steekvaste product’ (zie randnummer 1.4 hiervoor). De vraagstelling van het RIVM-onderzoek strookt dus met waar de uitlatingen van Zembla over gaan, hetgeen ook niet verwonderlijk is als in ogenschouw wordt genomen, zoals het hof in rov. 6.33 heeft gedaan, dat het onderzoek is opgesteld in opdracht van IenW in het kader van “aanvullend literatuuronderzoek granuliet”. Het RIVM-rapport 2023 is weliswaar niet beperkt tot granuliet, maar gaat algemener over “PAM-houdende producten” (waaronder granuliet, zie randnummer 1.4 hiervoor). Het RIVM-rapport 2023 heeft echter specifiek betrekking op de risico’s voor mens en milieu, met name door de vorming van acrylamide, die kunnen ontstaan bij de toepassing van polyacrylamide-houdende producten in diepe plassen (zoals de toepassing van granuliet voor verondieping, zie randnummer 1.27 hiervoor). Het is dan ook geenszins onbegrijpelijk dat het hof zich heeft gebaseerd op het RIVM-rapport 2023. 3.28 Het subonderdeel doet onder b. een beroep op ontwikkelingen van na de publicatie van het RIVM-rapport 2023 in april 2023, meer specifiek op een onderzoek uit augustus 2023 naar watermonsters van de Kraaijenbergse Plassen. In de eerste plaats merk ik op dat het meten van de kwaliteit van het oppervlaktewater slechts één van de voorzorgsmaatregelen betreft die het RIVM-rapport 2023 heeft geadviseerd (zie rov. 6.38). Dit beroep van GIB op het onderzoek uit augustus 2023 stuit bovendien af op hetgeen het hof in rov. 6.6 onder (
- c)in cassatie onbestreden tot uitgangspunt heeft genomen, namelijk dat “later gebleken feiten die de juistheid van het gepubliceerde weerspreken, die publicatie niet achteraf onrechtmatig [maken] wa