ECLI:NL:PHR:2025:920
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer23/02549 Zitting 2 september 2025 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, hierna: de verdachte De verdachte is bij arrest van 28 juni 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel’ en 2 . ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, en met aftrek van voorarrest als bedoeld in artikel 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft voorts de onttrekking aan het verkeer van in het arrest omschreven voorwerpen bevolen, de teruggave aan de verdachte gelast van een geldbiljet en de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast van twee andere in het arrest omschreven voorwerpen.
Er bestaat samenhang met de zaak 23/02546. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. S.P.H. Brinkman, advocaat in 's‑Hertogenbosch, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste en het tweede middel bevatten bewijsklachten inzake feit 1. Het derde middel bevat bewijsklachten inzake feit 2 . Het vierde middel bevat een klacht over de beslissing van het hof tot onttrekking aan het verkeer. Voordat ik begin met de bespreking van het eerste middel, geef ik de bewezenverklaring en bewijsvoering van beide feiten weer, alsmede passages uit de in hoger beroep overgelegde pleitnota.
Bewezenverklaring, bewijsvoering en passages uit de in hoger beroep overgelegde pleitnota 5. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: ‘1. hij in de periode van 19 september 2016 tot en met 17 januari 2017, te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een grote hoeveelheid hennepstekken, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2 . hij op 17 januari 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad in [loods a] aan de [a-straat 1] te [plaats] , 1.751 hennepstekken en 1.652 gram gedroogde henneptoppen, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.’ 6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen): ‘1. Het proces-verbaal van bevindingen m.b.t. pseudokoop d.d. 16 januari 2017 (…), voor zover inhoudende als bevindingen van politiële pseudokoper P3010:
Op 06 januari 2017 kreeg ik van mijn begeleidingsteam van de Regiopolitie Zeeland Midden West Brabant instructies ten behoeve van een lopend rechercheonderzoek genaamd Bilbao. Ik, P3010, kreeg van mijn begeleidingsteam de opdracht om hennepstekken te bestellen bij het bedrijf genaamd: " [A] " [b-straat 1] te [plaats] , teneinde te komen tot de koop van 150 hennepstekken.
Op vrijdag 06 januari 2017 omstreeks 13.12 uur, liep ik samen met collega P3011, genoemd bedrijf “ [A] ” binnen. Net voor wij “ [A] ” binnengingen kwamen er 2 mannen aangelopen, welke telkens over de schouder keken, deze mannen liepen voor ons “ [A] ” binnen. Bij binnenkomst zag ik, een grote ruimte, waarin halverwege een balie was opgesteld. Aan de linkerzijde van deze ruimte, gezien vanaf de ingang, waren diverse gevulde voorraadrekken en achter de balie zag ik tevens diverse gevulde voorraadrekken. Deze rekken waren hoofdzakelijk gevuld met attributen ten behoeve van plantenkweek. Ik zag dat rechts boven de balie een flatscreen hing. Ik zag op dat screen dat 4 beelden van een camera, gericht op de parkeerplaats voor het bedrijf en een gedeelte van [b-straat ] te [plaats] , in de richting van [a-straat ] te [plaats] , zichtbaar waren. Ik zag dat aan de rechterzijde van de ruimte, gezien vanaf de ingang een klein kantoortje was. Ik zag dat in dat kantoortje 1 persoon was gezeten.
Ik herkende de tweede man achter de balie, aan de hand van een door het tactisch team beschikbaar gestelde foto, als zijnde [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] , wonende [c-straat 1] te [plaats] (hierna verder: [medeverdachte 1] ). Ik zag dat hij in gesprek was met een klant. Ik zag dat [medeverdachte 1] aan deze klant 3 gripzakjes, geschatte afmeting 10 x 5 centimeter, gevuld met, sterk op henneptoppen gelijkende, plantjes overhandigde, waarop deze klant de zaak verliet.
Ik herkende in de zaak verder nog een man, aan de hand van een door het tactisch team verstrekte foto, als zijnde [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] , (hierna verder: [medeverdachte 2] ). Ik zag dat [medeverdachte 2] in gesprek was met 2 mannen welke voor ons de zaak binnengelopen waren. Ik zag dat beide mannen steeds wijzende bewegingen maakten naar het flatscreen en beweging maakten dat gekeken moest worden in de richting van de blauwe Volvo.
Ik hoorde tegelijkertijd beide mannen zeggen: “Police in Volvo, blue Volvo”. Ik zag dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , hierop meteen reageerden, door zenuwachtig druk doende heen en weer te lopen. Ik zag ook dat [medeverdachte 1] naar de voordeur van de zaak liep, deze opende en [b-straat ] te [plaats] inkeek in de richting van [a-straat ] , wat de richting was, welke de 2 mannen aangewezen hadden op het flatscreen. Ik zag voorts dat [medeverdachte 1] het kantoortje inliep en ik hoorde hem praten met iemand in het kantoortje.
Op dat moment heb ik NN01 aangesproken en aan hem gevraagd: “Ik moet een kamertje opruimen en heb plantjes nodig, kun jij mij die leveren.” Hierop hoorde ik NN01 antwoorden: “Even wachten, meekomen.” Vervolgens nam NN01 mij mee naar het kantoortje en wees naar een man welke in het kantoortje aanwezig was.
Op het moment dat ik het kantoortje inliep, herkende ik de man aan de hand van een door het tactisch team ter beschikking gestelde foto, als zijnde [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] (hierna verder als [medeverdachte 3] ). Ik ben in het kantoortje bij [medeverdachte 3] gaan zitten aan het bureau. Ik heb hem gevraagd: “Ik moet een kamertje opruimen en heb volgende week plantjes nodig.” Hierop hoorde ik [medeverdachte 3] zeggen: “Bedoel je stekken?”. Ik antwoordde hierop: “Ja stekken”. Hierop hoorde ik [medeverdachte 3] antwoorden: “Nee, of wil je stekken kopen?” Hierop antwoordde ik: “ja, ik wil stekken kopen”. Ik hoorde vervolgens [medeverdachte 3] zeggen: “Ja dat kan, ik dacht dat je kwam brengen, stekken heb ik genoeg. Hoeveel stekken heb je nodig.” Ik heb hierop geantwoord: “Ik heb 150 stekken nodig”
Hierop hoorde ik [medeverdachte 3] antwoorden: “Ik kan die dinsdag leveren.” Ik heb hierop tegen [medeverdachte 3] gezegd: “Ik kan dan niet, moet eerst nog wat repareren en opruimen, kan het eind van de week donderdag of vrijdag?” Hierop hoorde ik [medeverdachte 3] meteen zeggen: “Vrijdag kan ik dan wel leveren.” Ik heb meteen gevraagd: “Wat ben ik dan kwijt voor de stekken?” Waarop ik [medeverdachte 3] hoorde antwoorden: “Normaal kosten ze tussen de € 4,50 en € 5, maar het is nu rustig en.je kunt ze voor € 4,00 hebben." Hierop heb ik tegen [medeverdachte 3] gezegd: "Dat is prima dan kom ik ze vrijdag (13-01-2017) in de morgen halen."
Ik zag dat [medeverdachte 3] een klein notitieboekje oppakte van het bureau en dit opende, ik hoorde hem toen vragen: “Op welke naam?” Waarop ik antwoordde: “ [betrokkene 2] .” Meteen hierop hoorde ik [medeverdachte 3] zeggen: “Nee zo heten die vorigen ook allemaal, noem maar een naam.” Hierop heb ik gezegd: “ [betrokkene 1] ”. Ik zag dat [medeverdachte 3] de naam “ [betrokkene 1] ” opschreef en achter de naam “150” en het bedrag "€ 4,00". Ik hoorde hem toen zeggen: “Goed vrijdag”.
Ik ben toen opgestaan en heb het kantoortje verlaten. Ik werd toen samen met P0311 (hof: 3011) aangesproken door [medeverdachte 1] . Ik hoorde hem vragen: “Kan hij met jullie meerijden naar onze opslag om te kijken of het daar druk is met politie, jullie kenteken is niet genoteerd door de politie?” Tegelijkertijd dat hij dit vroeg zag ik hem wijzen naar [medeverdachte 2] . Hierop zei ik tegen hem: “Geen probleem.”
Ik heb toen meteen tegen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gezegd: “Ik wacht hier wel, want er kunnen maar 2 man in onze auto.” En heb toen tegen P3011 gezegd dat hij [medeverdachte 2] maar mee moest nemen. Ik zag dat [medeverdachte 2] met P3011 mee liep. Ik heb toen aan NN01 gevraagd: “Kenteken genoteerd, weet je zeker dat ons kenteken niet genoteerd is. Hierop hoorde ik NN01 antwoorden: “Nee jullie kenteken zeker niet, er was straks een politieauto voorbij gereden en die heeft kentekens genoteerd die voor de deur stonden. Jullie waren er toen nog niet.”
Tijdens mijn oponthoud in de zaak werd voor mij door [medeverdachte 1] een zak met tuinaarde en nieuwe werkhandschoenen klaargezet. Ik hoorde [medeverdachte 1] zeggen: “Neem dat maar mee als er politie komt, dan heb je dat hier gehaald.”
Ik zag omstreeks 13.24 uur dat [medeverdachte 2] samen met P3011 weer de zaak binnengelopen kwam. Ik hoorde hem zeggen: “Alles is goed”.
Hierop hebben P3011 en ik samen omstreeks 13.25 uur “ [A] ” verlaten.
2 . Het proces-verbaal van bevindingen m.b.t. pseudokoop d.d. 16 januari 2017 (…), voor zover inhoudende als bevindingen van politiële pseudokoper P3011:
Op 06 januari 2017 kreeg ik, P3011, van mijn begeleidingsteam van de Regiopolitie Zeeland-Midden West-Brabant instructies ten behoeve van een lopend rechercheonderzoek genaamd Bilbao. Ik, P3011, kreeg van mijn begeleidingsteam de opdracht om samen met P3010 150 stuks hennepstekken te bestellen bij het bedrijf genaamd: [A] [b-straat 1] , [plaats] Door P3010 werd hiervan afzonderlijk proces verbaal van bevindingen opgemaakt.
Op vrijdag 06 januari 2017, omstreeks 13.12 uur liep ik, samen met mijn collega P3010, genoemd bedrijf binnen. Ik zag dat er in het pand onder andere een toonbank, stellingkasten en een kantoorruimte gevestigd waren. Ik zag dat er in de stellingkasten meerdere producten lagen. Ik zag dat P3010 in gesprek was met NN1. Ik hoorde NN1 zeggen: “Even wachten, meekomen.” Ik zag dat P3010 en NN1 het kantoor binnenliepen. Ik zag dat in het kantoor nog 1 persoon aanwezig was, welke ik herkende aan de hand van een door het tactisch team aan mij gestelde foto als zijnde [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] , verder te noemen [medeverdachte 3] . Ik zag dat P3010 in gesprek was met [medeverdachte 3] .
Ik hoorde [medeverdachte 3] , aan P3010 vragen: ‘Hoeveel stekken heb je nodig?” Vervolgens werd ik aangesproken door [medeverdachte 1] . Ik hoorde hem aan mij vragen of wij met de auto waren, wat ik vervolgens bevestigde. Ik zag dat [medeverdachte 1] vervolgens een andere persoon aansprak. Deze man herkende ik aan de hand van een door het tactisch team aan mij getoonde foto als zijnde: [medeverdachte 2] , [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] . Ik hoorde [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 2] , zeggen dat hij met mij mee moest rijden naar de opslag. Ik hoorde [medeverdachte 2] , vervolgens tegen mij (hof: P3011) zeggen dat zij een stukje verderop een opslag hebben zitten en dat ons kenteken nog niet genoteerd is en wij dus met onze auto daar kunnen gaan kijken.
Vervolgens ben ik samen met [medeverdachte 2] , in de auto gestapt en weggereden. Op [a-straat ] ter hoogte van [a-straat 1] te [plaats] , hoorde ik [medeverdachte 2] zeggen: “Even langzaam rijden hier, want achter dit pand bij de gele vlaggen hebben wij onze opslag. We moeten er niet inrijden, want de laatste deur helemaal achterin is van ons. Als hier politie is zijn we de lul, maar als de politie er zou zijn waren we al wel gebeld door de buurman!” Hierop zijn we teruggereden naar [A] aan [b-straat 1] te [plaats] .
Omstreeks 13.25 uur heb ik samen met P3010 het bedrijf [A] , gelegen aan [b-straat 1] te [plaats] , verlaten.
Op vrijdag, 13 januari 2017 kreeg ik, samen met P3011 van mijn begeleidingsteam van de Regiopolitie Zeeland Midden West Brabant instructies ten behoeve van een lopend rechercheonderzoek genaamd BILBAO. Ik, P3010, kreeg van mijn begeleidingsteam de opdracht om, samen met P3011, de, op vrijdag 06 januari 2017, bestelde 150 hennepstekken bij het bedrijf genaamd: [A] [b-straat 1] te [plaats] , daadwerkelijk te kopen.
Door P3011 wordt een afzonderlijk proces-verbaal van bevindingen opgemaakt.
Op vrijdag 13 januari 2017 omstreeks 11.21 uur zag ik op [b-straat ] te [plaats] , ter hoogte van pand 18G, de navolgende voertuigen geparkeerd staan: personenauto, merk Volkswagen, type Passat, voorzien van het [kenteken 1] .
Op vrijdag 13 januari 2017 omstreeks 11.22 uur, liep ik samen met P3011, genoemd bedrijf: " [A] " binnen. Ik zag voor de balie de mij bekende [medeverdachte 2] staan. Ik zag dat [medeverdachte 2] in gesprek was met 2 mannen. Ik heb vervolgens tegen [medeverdachte 2] gezegd: Ik kom mijn bestelde plantjes halen", hierbij wees ik in de richting van het aan de rechterzijde van de loods gevestigd kantoortje. [medeverdachte 2] knikte instemmend en wees ook naar het kantoortje. Ik ben toen meteen het kantoortje ingelopen en zag de mij bekende [medeverdachte 3] . Ik zag tevens dat er nog een man in het kantoortje was gezeten. Ik herkende deze man aan de hand van een door het tactisch team ter beschikking gestelde foto als zijnde: [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] , hierna [verdachte] te noemen).
Ik heb toen mij gericht naar [medeverdachte 3] en hem gezegd: “Ik kom mijn doosje halen. Ik hoorde [medeverdachte 3] zeggen: “Bestelde plantjes, voor wie?” Ik noemde hem de naam: “ [betrokkene 1] ” zoals we die vrijdag 06 januari 2017 ook afgesproken handden. Ik hoorde hem toen zeggen, waarbij hij zich ook richtte naar [verdachte] : “Oh ja, [betrokkene 1] . die heb ik 2 , maar dat waren 150 stekken?” Hierop bevestigde ik het aantal en zei tegen [medeverdachte 3] : die waren voor € 4,00.” Ik hoorde [medeverdachte 3] zeggen: “Ja 150 stekken voor € 4,00 is € 600,00. Als je nu betaalt en hier even wacht. Pak maar even koffie, dan ga ik het halen.” Ik heb toen € 600,00 in 12 briefjes van € 50,00 overhandigd, en gezegd dat hij het moest natellen. Ik heb toen meteen aan [medeverdachte 3] gevraagd: ”Als ik meer moet hebben kan ik die dan bestellen. Hierop hoorde ik [medeverdachte 3] zeggen: “Dat is geen enkel probleem, Ik heb nog 450 stekken staan en ik heb genoeg op voorraad, maar je kunt beter vooraf bellen of sms-en. Sms maar dan kan ik het vasthouden”.
Ik vroeg hem om zijn nummer zodat ik kon sms-en en wanneer hij dan kon leveren. Ik hoorde [medeverdachte 3] toen antwoorden: “Ik lever altijd op dinsdag en vrijdag, het kan ook op een andere dag als je wilt, behalve op woensdag dan ben ik vrij, mijn gsm-nummer is [telefoonnummer 1] .
Op de vraag van P3011 of wij niet mee konden rijden, waarbij ik ook aangaf dat dat beter uitkwam zodat we dan meteen door kunnen rijden, hoorde ik [medeverdachte 3] zeggen: “Dat is goed, rijdt maar achter mij aan.” Ik hoorde hem ook zeggen, zichzelf richtende tot [verdachte] : “Ik haal even die stekken op en ben zo terug”. Hierop zijn wij achter [medeverdachte 3] aangelopen en op onze vraag in welke auto [medeverdachte 3] zou rijden, wees hij naar een witte Peugeot bestelauto. Ik zag dat deze Peugeot bestel voorzien was van het [kenteken 2] . Ik zag dat [medeverdachte 3] als bestuurder van de Peugeot [kenteken 2] op [a-straat ] te [plaats] , ter hoogte van het bedrijf “ [C] ”, gevestigd [a-straat 1] te [plaats] , rechtsaf sloeg en het terrein gelegen aan de achterzijde van “ [C] ” oprijden. Ik zag dat hij achter op het terrein van “ [C] ” rechtsaf sloeg en tussen links en rechts gelegen gesloten loodsdeuren doorreed. Ik zag dat hij stopte bij de, gezien de rijrichting, loodsdeur helemaal rechts achteraan. Ik zag dat hij uitstapte en wees dat wij links naast de Peugeot moesten parkeren. Hierop zag ik dat [medeverdachte 3] de loopdeur links naast de grote roldeur van de loods, rechtsachter met de sleutel opende.
Hierop zijn wij de loods binnengelopen. Hierop pakte [medeverdachte 3] een met tape afgesloten doos. Ik hoorde hem zeggen: “Dit zijn er 126, en dan doe ik er nog 27 in een andere doos.” Ik zag vervolgens dat [medeverdachte 3] uit de kweekkast een blad met 126 henneptoppen pakte. Ik hoorde hem nog zeggen: “Ze zien er goed uit toch?”
Vervolgens kregen wij een “Hornbach” verhuisdoos, waarin [medeverdachte 3] de 2 dozen stopte. Vervolgens liepen P3011 en ik weer naar de uitgang samen met [medeverdachte 3] . Ik zag dat [medeverdachte 3] met de Peugeot [kenteken 2] op [a-straat ] te [plaats] linksaf sloeg en [b-straat ] te [plaats] inreed in de richting van “ [A] ”.
> Op verschillende dagen stopt er een blauwe Volkswagen Passat [kenteken 1] op naam van [verdachte] bij [loods a] . Op 9 januari 2017 omstreeks 13.21 uur komt de Volkswagen Passat aan rijden en stopt voor [loods c] (tegenover [loods a] ). De bestuurder stapt uit. Uit [loods c] komt een man. Beiden kijken onder de motorkap van de Volkswagen Passat. Nadat de motorkap weer dicht is, vertrekt de Volkswagen Passat. Op 9 januari 2017 omstreeks 14.42 uur stopt deze Volkswagen Passat voor [loods a] . De bestuurder (andere bestuurder dan op 13.21 uur) gaat [loods a] in en komt binnen een minuut weer naar buiten met een voorwerp in zijn linkerhand. Hij stapt in de Volkswagen en rijdt weg. Op 10 januari 2017 omstreeks 16.17 uur stopt deze Volkswagen Passat voor [loods a] .
De bestuurder gaat [loods a] in en komt omstreeks 16.31 uur naar buiten met een op een doos gelijkend voorwerp in zijn handen. Nadat hij deze doos in de kofferbak heeft geplaatst, rijdt hij weg. Op 13 januari 2017 omstreeks 13.52 uur stopt de Volkswagen Passat voor [loods a] , waarna de bestuurder kennelijk [loods a] opent en naar binnen gaat. Op 14 januari 2017 omstreeks 13.07 uur stopt de Volkswagen Passat voor [loods a] . De bestuurder opent kennelijk [loods a] en komt naar ongeveer 1 minuut weer naar buiten met een klein voorwerp in zijn handen en rijdt vervolgens weg. Op 16 januari 2017 omstreeks 15.00 uur stopt de Volkswagen Passat voor [loods a] en gaat [loods a] in. Hij neemt een klein pakketje en even later een op een kleine doos gelijkend voorwerp uit [loods a] mee en zet deze in de Volkswagen Passat en rijdt weg. > op 13 januari 2017 omstreeks 13.35 uur, stopt een roodachtig gekleurde Opel Vectra, [kenteken 5] op naam van [medeverdachte 1] geboren op [geboortedatum] -1996, voor [loods a] . Er stappen 2 personen uit, waarbij het lijkt dat de bestuurder [loods a] opent. Ongeveer 3 minuten later vertrekken beiden weer, zonder dat ze hierbij iets bij zich hebben.
Op 28 september 2016 heeft men [verdachte] en diens schoonzoon [medeverdachte 1] veelvuldig gezien bij [A] . Verder werd gezien dat [medeverdachte 1] , met de op zijn naam staande Volkswagen Golf met [kenteken 4] , vanaf [A] wegreed gevolgd door een tweetal zojuist gearriveerde vermoedelijke klanten in de richting van [a-straat ] . Zeven minuten later kwam [medeverdachte 1] alleen terug bij [A] .
Op 11 oktober 2016 heeft er een observatie plaatsgevonden en werd [verdachte] bij [A] gezien. Verder werd er gezien dat vermoedelijk de later bekend geworden [medeverdachte 2] als bestuurder van een rode ‘Borent’ Mercedes Citan met [kenteken 6] uitstapte bij [A] . Gedurende deze observatie is er eenmaal geconstateerd dat deze rode Mercedes Citan zich heen en weer bewoog tussen [A] en de loodsen liggende achterop het terrein van de [a-straat 1] te [plaats] . Verder is meerdere malen gezien dat de witte Peugeot Partner met [kenteken 2] heen en weer reed tussen [A] en de loodsen liggende achterop het terrein van de [a-straat 1] te [plaats] . Dit werd driemaal gedaan in het bijzijn van een klant. Eenmaal de klant als bijrijder en tweemaal de klant meerijdend in zijn eigen voertuig.
Op 18 oktober 2016 heeft er een observatie plaatsgevonden en werd geconstateerd dat [verdachte] [A] opende. Verder werden (…), vermoedelijk [medeverdachte 1] en de later in het onderzoek bekend geworden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] gedurende de dag waargenomen bij [A] . Gedurende deze observatie zijn een drietal bewegingen gezien van [medeverdachte 3] , in de op zijn naam staande Peugeot Partner, tussen [A] en de loodsen liggende achterop het terrein van de [a-straat 1] te [plaats] . De eerste keer was nadat een vermoedelijke klant zich meldde bij [A] , waarna [medeverdachte 3] 3 à 4 dozen is gaan ophalen uit een garagebox aan [d-straat 1] te [plaats] . Via een tussenstop op de [a-straat 1] heeft [medeverdachte 3] vervolgens 3 dozen afgeleverd aan deze vermoedelijke klant, die wachtende was bij [A] . De tweede en derde keer zijn bewegingen geweest tussen [A] en de [a-straat 1] , eenmaal zonder en eenmaal in combinatie met een vermoedelijke klant.
Ook werd er een Volkswagen Caddy met [kenteken 7] gezien op de parkeerplaats van [A] omstreeks 07:12 uur. Dit voertuig is later ook nog bij de loodsen liggende op het terrein van de [a-straat 1] te [plaats] gezien.
Op 18 november 2019, te 10:19 uur, zag ik, [verbalisant 3] , een witte Peugeot Partner [kenteken 2] het terrein op rijden, richting de loodsen achter [C] (het hof begrijpt: [C] BV aan de [a-straat 1] te [plaats]). Daar achter reed een Seat Ibiza stationwagen. Om 10:22 uur reed de Seat het terrein weer af, in de richting van het centrum. Om 10:32 uur, reed de Peugeot Partner het terrein weer af, in de richting van [A] .
Ik, verbalisant [verbalisant 2] heb om 10:56 post gepakt nabij [C] BV tot omstreeks 12:03 uur. Hierbij heb ik om 11:30 uur de witte Peugeot Partner met [kenteken 2] en een Volkswagen Caddy met “Borent” bestickering en [kenteken 7] op [a-straat ] zien rijden afkomstig vanuit [a-straat ] en zien afslaan bij [C] BV. Beide voertuigen zag ik vervolgens naar de achterkant van het terrein van [C] BV rijden. Enkele minuten later zag ik beide voertuigen weer het terrein van [C] BV afrijden en in de richting van [a-straat ] rijden. Om 12:03 uur ben ik, [verbalisant 2] , naar [A] gereden aan [b-straat 1] en zag ik de witte Peugeot Partner met [kenteken 2] op het parkeerterrein staan.
Op 17 januari 2017 werd een onderzoek ingesteld in verband met een vermoedelijke overtreding van de Opiumwet. Het onderzoek vond plaats aan een hoeveelheid verdovende middelen welke aan mij ter beschikking werd gesteld door het Ondermijningsteam.
Deze partij was inbeslaggenomen op 17 januari 2017 tijdens een doorzoeking van locatie C1 zijnde een loods aan de [a-straat 1] [loods a] te [plaats] .
OMSCHRIJVING De aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:
De testen gaven een POSITIEVE reactie, indicatief voor THC zijnde de werkzame stof in hennep en hasjiesj, vermeld op Lijst II, onderdeel b van de Opiumwet.
Op 17 januari 2017 werd door mij [verbalisant 3] , voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in [A] , [b-straat 1] te [plaats] .
Tijdens de doorzoeking werd o.a. het volgende in beslag genomen:
Diverse (groeibevorderende) middelen/goederen ten behoeve van de hennepteelt Vier zwarte eenvoudige Nokia mobiele telefoons Contant geld met een totaalbedrag van 15.960,- Zwarte agenda van 2017 met diverse notities van namen en aantallen.
Naar aanleiding van onderzoek BILBAO op 17 januari 2017 een nader onderzoek ingesteld bij [A] , gelegen aan [b-straat 1] te [plaats] .
Nadat ik [A] was binnengetreden zag ik in het kantoor de eigenaar van [A] zaten, de mij ambtshalve bekende [verdachte] en een manspersoon die ik herkende als [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] zat achter het bureau en [verdachte] op een bank welke daarnaast stond.
Ik zag in [A] dat er tuinartikelen stonden en dat deze onder een dikke laag stof zaten. Deze tuinartikelen waren stenen potten en zakjes met plantenzaad en een rek met tuingereedschap.
Goednummer 17-0018-004 Onderzoek Nokia RM-1134 zwart De onderzochte GSM is inbeslaggenomen tijdens de doorzoeking aan [b-straat 1] te [plaats] (pand van bedrijf [A] ). De GSM is aangetroffen in de kantoorruimte bij het bureau.
Tijdens het onderzoek aan deze telefoon zag ik in een viertal inkomende SMS-berichten dat het contact van deze telefoon ‘ [verdachte] ’ werd genoemd (13-01-2017, 18-01-2017, 19-01-2017). Ook zag ik dat het contact van deze telefoon zich in een uitgaand SMS-bericht ‘ [verdachte] ’ noemde (02-08-2013). Mogelijk dat met ‘ [verdachte] ’, [verdachte] werd bedoeld.
Ik heb de contacten en inhoud van de SMS-berichten bekeken en zag hierin dat al het SMS verkeer inhoudelijk gaat over het aan- en verkopen van vermoedelijk hennepstekken.
Ik zag in de SMS-historie van het toestel dat er veelvuldig gebruik is gemaakt van het ontvangen en versturen van SMS-berichten. Bijna dagelijks zijn er inkomende en uitgaande SMS-berichten terug te lezen. Het eerste bericht dat is veiliggesteld dateert van 28 juli 2013 en het laatste bericht van 22 januari 2017. Ik heb de SMS-berichten bekeken en vergeleken met de aangetroffen agenda, die vermoedelijk diende als bestelagenda voor hennepstekken.
Beschrijving goed:
Goednummer: 17-0018-001 Nokia RM-1134 met IMEI-nummer [nummer 1] .
De onderzochte GSM is in beslag genomen tijdens de doorzoeking (hof: op 17 januari 2017) aan [b-straat 1] te [plaats] (pand van bedrijf [A] ). De GSM is aangetroffen in de kantoorruimte bij het bureau. Tijdens het uitvoeren van de pseudokoop heeft de betreffende opsporingsambtenaar gehoord van [medeverdachte 3] dat het telefoonnummer van hem ( [medeverdachte 3] ) [telefoonnummer 1] betreft.
Tijdens het veiligstellen van deze GSM door de afdeling digitale recherche is duidelijk geworden dat het nummer van deze GSM [telefoonnummer 1] is.
Ik heb de contacten en inhoud van de SMS-berichten bekeken en zag hierin dat bijna al het SMS-verkeer inhoudelijk gaat over het aan- en verkopen van vermoedelijk hennepstekken. Ik zag in de SMS-historie van het toestel dat er veelvuldig gebruik is gemaakt van het ontvangen en versturen van SMS-berichten. Bijna dagelijks zijn er inkomende of uitgaande SMS-berichten terug te lezen. Het eerste bericht dat is veiliggesteld dateert van 5 januari 2017 en het laatste bericht van 20 januari 2017.
Goednummer: 17-0018-006 Nokia telefoon type RM-1134 Zwart IMEI-nummer: [nummer 1] De onderzochte GSM is in beslag genomen tijdens de doorzoeking (hof: op 17 januari 2017) aan [b-straat 1] te [plaats] (pand van bedrijf [A] ). De GSM is aangetroffen in de kantoorruimte bij het bureau.
Ik heb de contacten en inhoud van de SMS-berichten bekeken en zag hierin dat bijna al het SMS-verkeer inhoudelijk gaat over het aan- en verkopen van vermoedelijk hennepstekken. Ik zag in de SMS-historie van het toestel dat er veelvuldig gebruik is gemaakt van het ontvangen en versturen van SMS-berichten. Bijna dagelijks zijn er inkomende of uitgaande SMS-berichten terug te lezen. Het eerste bericht dat is veiliggesteld dateert van 9 december 2016 en het laatste bericht van 20 januari 2017. Ik heb de SMS-berichten bekeken en vergeleken met de aangetroffen agenda, die vermoedelijk diende als bestelagenda voor de hennepstekken. De data en hoeveelheden die in de agenda zijn aangetroffen én die overeenkomen met de SMS-berichten uit deze GSM heb ik hier beschreven.
Goednummer 17-0018-005 Nokia RM-1 134 zwart IMEI-nummer [nummer 1] De onderzochte GSM is in beslag genomen tijdens de doorzoeking (hof: op 17 januari 2017) aan [b-straat 1] te [plaats] (pand van bedrijf [A] ). De GSM is aangetroffen in de kantoorruimte bij het bureau.
Ik heb de contacten en inhoud van de SMS-berichten bekeken en zag hierin dat bijna al het SMS-verkeer inhoudelijk gaat over het aan- en verkopen van vermoedelijk hennepstekken.
Ik zag in de SMS-historie van het toestel dat er veelvuldig gebruik is gemaakt van het ontvangen en versturen van SMS-berichten. Bijna dagelijks zijn er inkomende of uitgaande SMS-berichten terug te lezen. Het eerste bericht dat is veiliggesteld dateert van 28 oktober 2016 en het laatste bericht van 13 januari 2017.
Beschrijving goed Goednummer 17-0018-03 Merk en type: Samsung S7 Edge De telefoon komt uit de inbeslaggenomen zwarte schoudertas die lag op het bureau in het kantoor van het bedrijf [A] , gelegen aan [b-straat 1] te [plaats] . De telefoon is vermoedelijk van [verdachte] aangezien er bij het uitlezen van de telefoon inkomende sms-berichten zijn aangetroffen met verjaardag felicitaties aan het adres van [verdachte] op [geboortedatum] -2016.
25-11-1969 is de geboortedatum van [verdachte] .
Bevindingen Ik zag in de contacten lijst onderstaand contact met telefoonnummer staan: [betrokkene 3] [telefoonnummer 2] Uit het onderzoek is mij bekend geworden dat dit telefoonnummer in gebruik is bij [betrokkene 3] . Deze verklaarde in zijn verhoor als roepnaam [betrokkene 3] te hebben. Verder verklaart [betrokkene 3] in zijn verdachtenverhoor gebruik te maken van [telefoonnummer 2] . Ook blijkt uit de gevorderde huurcontracten van de loods aan de [a-straat 1] en de garagebox aan [d-straat 1] te [plaats] dat huurder [betrokkene 3] te bereiken is op [telefoonnummer 2] .
Doorzoeking ( hof: d.d. 17 januari 2017 ) [b-straat 1] te [plaats] Tijdens deze inval zijn een vijftal sleutelbossen inbeslaggenomen.
2 ) Fouilleringszak 2 met de tekst “Sleutels Fouillering [medeverdachte 3] ”:
Sleutelbos met magneethouder, oranje label en vier zilveren sleutels, waarvan 1 pinsleutel. Met deze sleutels kon [loods a] aan de [a-straat 1] te [plaats] worden geopend. Met de magneethouder kon volgens [medeverdachte 3] de deur van [A] geopend worden.
Op dinsdag 20 september 2016 werd een aanvraag uittreksel Kamer van Koophandel ingediend. De resultaten van de bevragingen werden op woensdag 21 september 2016 verstrekt en de bevindingen zijn hieronder weergegeven:
KvK-nummer: [nummer 2] Handelsnaam: [A] Rechtsvorm: Eenmanszaak Startdatum onderneming: 15-02-2013 Activiteiten: Niet-gespecialiseerde handelsbemiddeling.
Detailhandel via postorder en internet in een algemeen assortiment non-food. Handelsonderneming in food en non-food. Webwinkel in food en non-food. Dierenbenodigdheden Tuin-moestuin en vijverartikelen.
Werkzame personen: 1 Bezoekadres: [b-straat 1] , [plaats] Eigenaar [verdachte] Geboortedatum en plaats: [geboortedatum] -1969, [geboorteplaats] Adres: [e-straat 1] [plaats] Datum in functie: 15-02-2013 20. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 25 januari 2017 (…), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3] :
V: vraag verbalisant A: antwoord verdachte V: Wat is jouw naam?
A: [betrokkene 3] . Mijn roepnaam is [betrokkene 3] .
V: En welk deel was het dat jij huurde?
A: Het achterste deel. Als je het bedrijventerrein (hof: [a-straat 1] ) te [plaats] oprijdt ga je het hoekje om en dan de achterste hal aan de rechterkant (het hof begrijpt [loods a] ).
V: Waar is het oorspronkelijk voor gehuurd, voor welk doel?
A: Nee. Ik weet alleen opslag. Voor wat daar heb ik geen idee van.
V: Ze vroegen jou of jij iemand uit de brand wilde helpen om het pand op jouw naam te zetten. Je bent er nooit geweest?
A: Ik ben er weleens geweest.
V: Maar je hebt het niet voor jezelf gehuurd?
A: Nee.
V: Hoe ging de betaling die jij hebt gedaan?
A: Die heb ik aan [C] betaald. Ik heb toen een contract getekend.
A: Dat is een shop van mijn broer geweest, 5 jaar of 6 jaar, die ken ik goed. Ik denk dat [betrokkene 4] er acht of negen jaar uit is nu.
V: Vanaf wanneer huurde jij die loods?
A: Ergens in 2016. (…) V: Van welke telefoonnummer maak jij gebruik?
A: [telefoonnummer 2] .
V: Wie gebruikt dat nummer nog meer?
A: Over het algemeen ik.
V: vraag verbalisant A: antwoord verdachte V: Waar ken je [A] van?
A: Dat is mijn eigen bedrijf.
V: Hoe vaak kom je bij [A] ?
A: Bijna iedere dag, dit is heel verschillend, soms een paar uur maar nooit een hele dag.
V: Wie neemt er waar voor u als u er niet bent?
A: Mijn schoonzoon [medeverdachte 1] werkt 20 uur per week in mijn bedrijf en daarnaast sinds 3 maanden [medeverdachte 3] , hij werkt 4 dagen per week in mijn bedrijf behalve op woensdag.
Ik ben sinds een paar maanden bij [A] actief. Ik begon daar om 09.00 tot ongeveer 17.00 of 18.00 uur. Ik werk daar maandag, dinsdag en donderdag en vrijdag. De reden dat ik hier werk is omdat de eigenaar een beetje ziek is, om hem te ondersteunen.
Ik doe het beheer van de winkel, schoonmaken, voorraden controleren, klanten, administratie. Bij [A] factureer ik 23,75 euro per uur bruto.
V: Waarom was je gisteren bij [A] in [plaats] ?
V: Wat is [A] voor bedrijf?
A: Tegenwoordig heet het een tuincentrum.
V: Wie is de eigenaar/uitbater van [A] ?
A: [verdachte] V: Wat is je relatie tot de eigenaar/uitbater van [A] ?
A: Hij is mijn baas.
V: Wat voor werk doe je?
A: Ik werk bij mijn schoonvader in [A] voor 20 uur per week.
V: Wie is [medeverdachte 3] ?
A: Die ken ik die werkt voor mijn schoonvader, hij ondersteunde mijn schoonvader met belangrijke dingen, financiën etc. administratie.
Het klopt dat [A] mijn zaak was. Dit was een zogeheten growshop. Na de overname heb ik geprobeerd er een toegankelijker bedrijf van te maken door andere producten te gaan verkopen. Ik wilde er een soort tuincentrum van maken. Dat is maar half gelukt. Het is nooit een geheel tuincentrum geworden. De hennep gerelateerde producten bleven verkocht worden.
Ik haalde de omzet van [A] altijd zelf op. Ik heb mijn medewerkers nooit toegang willen geven tot de geldstromen.’ 7. Het hof heeft inzake de bewezenverklaring het volgende overwogen: ‘De raadsman heeft op de gronden zoals vermeld in de pleitnota integrale vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsman onder meer aangevoerd dat de verdachte geen wetenschap had van de onder feit 1 tenlastegelegde handel in hennepstekken. Zo de verdachte al een rol hierin had dan was deze van een zodanig ondergeschikte rol dat deze van onvoldoende gewicht was om voldoende te zijn voor een bewezenverklaring van het medeplegen van feit 1. De verdachte had geen wetenschap van de hennepstekken in de loodsen aan de [a-straat 1] te [plaats] en had daar ook geen beschikkingsmacht over.
Het hof overweegt als volgt.
In september 2016 ontving de politie TCI-informatie dat ene [verdachte] vanuit growshop [A] hennepstekken op bestelling zou verkopen. De klanten zouden de hennepstekken in [A] bestellen en bij het afhalen van de bestelling zou de auto van de klant door één van de medewerkers meegenomen worden om de bestelling op te halen in de opslagplaats waarna de auto met de bestelde goederen weer bij de klant bij [A] zou worden afgeleverd. Ook wordt TCI-informatie ontvangen over het gebruik van loodsen aan de [a-straat 1] in [plaats] . Naar aanleiding van deze meldingen is de politie een onderzoek gestart onder de naam Bilbao. Dit onderzoek leidde naar [A] in [plaats] waarvan verdachte [verdachte] de eigenaar was, een garagebox aan [d-straat 1] te [plaats] en een aantal loodsen ( [loods b] en [loods a] ) aan de [a-straat 1] in [plaats] .
Ook kwamen tijdens dat onderzoek een aantal andere personen te weten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in beeld. In dit onderzoek hebben uiteindelijk op 17 januari 2017 diverse doorzoekingen plaatsgevonden. Daarbij zijn in [A] onder meer diverse hennepgerelateerde artikelen, telefoons, een agenda, sleutels en geld in beslag genomen. De verdachte en [medeverdachte 3] werden op de dag van de doorzoeking aangetroffen in het kantoor van [A] . In [loods b] zijn 12.043 hennepstekken aangetroffen en in beslag genomen. In [loods a] stonden 1.751 hennepstekken en werd ook 1.652 gram gedroogde henneptoppen aangetroffen. Deze hennepstekken en toppen werden vervolgens in beslag genomen.
Feit 1: Handel in hennepstekken vanuit [A] Uit de observaties, die tussen 28 september 2016 en 17 januari 2017 hebben plaatsgevonden, is gebleken dat er regelmatig, soms meerdere keren per dag, op en neer werd gereden tussen [A] en met name [loods a] aan de [a-straat 1] . Deze ritjes werden met name door [medeverdachte 3] gereden maar ook is gezien dat [medeverdachte 1] op en neer heeft gereden. Beiden waren op dat moment werknemers van [A] . Op basis van de camerabeelden kan worden vastgesteld dat de hennepstekken die werden besteld, werden opgehaald in [loods a] . Daarbij is tijdens de observaties ook gezien dat klanten soms ook mee gingen vanuit [A] naar de loods om de hennepstekken op te halen.
Verder is uit de door de politie verrichte pseudokoop gebleken dat er in [A] hennepstekken konden worden besteld. Deze bestelling van de pseudokoper werd in een zwarte agenda genoteerd. Uit onderzoek van deze agenda is gebleken dat de notitie starten op 8 december 2016 en eindigen op 7 februari 2017. De notities in de agenda zien naar het oordeel van het hof allemaal op bestellingen van hennepstekken. Dit blijkt onder meer uit de inhoud van de notities, uit het feit dat de bestelling tijdens de pseudokoop ook in de agenda is vermeld en de wijze van noteren daarvan hetzelfde is als alle andere notities in de agenda.
Tot slot zijn in [A] vier Nokia-telefoons aangetroffen waaronder een Nokia met het door [medeverdachte 3] tijdens de pseudokoop opgegeven telefoonnummer waarop de kopers hem konden bereiken voor nieuwe bestellingen. Gelet op de inhoud van de sms-historie, kan van alle vier deze telefoons worden vastgesteld dat deze zijn gebruikt voor het bestellen van hennepstekken. Een aantal van deze sms-berichten komt bovendien overeen met de notities in de hiervoor aangehaalde zwarte agenda van [A] .
Wetenschap [verdachte] ?
De verdachte heeft steeds ontkend dat hij betrokken was bij de handel in hennepstekken vanuit [A] en heeft wetenschap hiervan ontkend. Ondanks deze ontkenning is het hof van oordeel dat de verdachte op de hoogte was van de hennepstekkenhandel en daarbij ook een belangrijke rol speelde.
Eigenaar van [A] De verdachte was in de bewezenverklaarde periode (enig) eigenaar van [A] . Hij had [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] in dienst genomen. Zij namen de bestellingen op en zorgden voor de aflevering van de hennepstekken aan de klant die ofwel bij [A] was achtergebleven ofwel met één van de medewerkers meereed naar de [a-straat 1] te [plaats] alwaar de hennepstekken in een loods werden opgeslagen.
Dagelijks aanwezig De verdacht heeft ter terechtzitting verklaard dat hij gelet op zijn matige gezondheid niet meer zo vaak in [A] aanwezig was. Het hof acht deze verklaring niet geloofwaardig, nu de verdachte kort na de doorzoeking verklaard heeft dat hij dagelijks in [A] aanwezig was. Het hof zal dan ook uitgaan van deze door hem bij de politie afgelegde verklaring.
Frequentie van bestellen van hennepstekken Gelet op de notities in de agenda werden er regelmatig hennepstekken besteld bij [A] en werden er veel ritjes gemaakt naar [loods a] . Dit gebeurde ook op tijdstippen dat de verdachte in [A] aanwezig was (bijvoorbeeld op 28 september 2016, dossierpagina 103).
Het hof acht het gelet op zijn dagelijkse aanwezigheid onaannemelijk dat de verdachte deze activiteiten niet heeft waargenomen of daarvan geen kennis heeft gehad.
Mededeling over hennepstekken ophalen aan de verdachte Het hof neemt hierbij in aanmerking hetgeen door de politionele pseudokopers is gerelateerd omtrent de omstandigheden waaronder de pseudokoop van 150 hennepstekken plaatsvond. Tijdens het afhalen van de hennepstekken door de agenten op 13 januari 2017 was [verdachte] in [A] aanwezig. Hierover is door hen geverbaliseerd dat [verdachte] samen met [medeverdachte 3] in het kantoor van [A] zat en [medeverdachte 3] aan [verdachte] meedeelde dat hij even de hennepstekken ging ophalen. De verdachte heeft daarover verklaard dat hij dit door zijn gehoorproblemen niet heeft gehoord. Deze verklaring komt het hof niet geloofwaardig voor. Uit de bevindingen van de politionele pseudokoper blijkt immers dat de mededeling gericht was aan de verdachte. Maar wat er verder ook zij van de vraag of de verdachte de mededeling van [medeverdachte 3] over het ophalen van de hennepstekken wel of niet heeft gehoord, de mededeling maakt in ieder geval overduidelijk dat er in [A] openlijk over de stekkenhandel werd gesproken en dit dus geen geheim voor [verdachte] was of geheim voor hem werd gehouden.
Camera’s ter tijdige waarneming van politie Ook de aanwezigheid van een flatscreen boven de balie met daarop camerabeelden van de voorzijde van [A] waarop gevolgd werd of er politie bezig was met het noteren van kentekens van klanten van [A] duidt er op dat [verdachte] wist wat er gaande was nu hij als eigenaar toch geacht mag worden zeggenschap te hebben gehad over het plaatsen van camera’s en het doel daarvan. De openlijke commotie, in aanwezigheid van de verdachte, die ontstond nadat er kennelijk een politieauto werd gesignaleerd bevestigt dit beeld.
Dat er steeds rekening werd gehouden met eventuele problemen met de politie blijkt ook uit de opmerking van [medeverdachte 1] tegen één van de pseudokopers dat hij maar een zak aarde en nieuwe werkhandschoenen moest meenemen zodat hij, als de politie zou komen, kon zeggen dat hij deze bij [A] had gehaald.
Handel in hennep als integraal onderdeel van de bedrijfsvoering Het moet voor de verdachte kenbaar zijn geweest dat zijn medewerkers ( [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] ) met grote regelmaat voor het ophalen van een bestelling – al dan niet met een klant – [A] verlieten. Het hof acht het niet aannemelijk dat de verdachte als werkgever hiervan niet op de hoogte was en daaraan niet zijn goedkeuring heeft verleend. Eén van de pseudokopers heeft gerelateerd dat door [medeverdachte 3] gezegd werd dat zij in afwachting van hun bestelling hennepstekken ook even konden blijven wachten en een koffie konden nemen. Ook deze wachtende klanten moeten voor de verdachte kenbaar zijn geweest. De geschetste gang van zaken duidt er op dat de handel in hennepstekken integraal onderdeel uitmaakte van de dagelijkse bedrijfsvoering binnen [A] . De ‘reguliere’ handel (tuinplanten e.d.) vond klaarblijkelijk niet of minder plaats gelet op de laag stof die de politie op 17 januari 2017 op deze artikelen aantrof en gelet op het feit dat [medeverdachte 1] zomaar een zak aarde en nieuwe werkhandschoenen aan de politionele informant meegaf als dekmantel mocht er politie komen.
De naam “Ed” in één van de hennep telefoons Daar komt nog bij dat in één van de aangetroffen Nokia telefoons hennepgerelateerde berichten stonden waarin de contactpersoon “ [verdachte] ” werd genoemd. Gelet op het feit dat de telefoon in [A] is aangetroffen en [verdachte] de enige is met een voornaam die aan “ [verdachte] ” gekoppeld kan worden, wijst ook dit naar het oordeel van het hof op zijn betrokkenheid. Het gaat hier ook om berichten van 13, 18 en 19 januari 2017 waaruit blijkt dat [verdachte] zich bezig hield met de handel in hennepstekken.
Controle over de financiën Uit verdachtes eigen verklaring is gebleken dat hij de controle over de financiën nooit uit handen heeft gegeven. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte namelijk verklaard dat hij de geldopbrengsten van [A] altijd zelf ophaalde en dat hij zijn medewerkers nooit toegang heeft willen geven tot het beheer van de financiën.
De huurder van [loods a] die de verdachte zegt niet te kennen Tot slot is het opvallend te noemen dat [verdachte] heeft verklaard dat hij [betrokkene 3] niet kent maar hij wel onder “ [betrokkene 3] “ met het [telefoonnummer 2] in de telefoon van [verdachte] stond. Uit het dossier is verder gebleken dat op naam van [betrokkene 3] [loods a] is gehuurd maar dat hij, [betrokkene 3] , daar zelf geen enkele bemoeienis mee had. Het hof leidt hieruit af dat [verdachte] [betrokkene 3] wel degelijk kende en gaat er vanuit dat [betrokkene 3] voor [verdachte] de huurovereenkomst van de loods met [C] heeft afgesloten.
Door de verdediging is naar voren gebracht dat uit het feit dat voormeld telefoonnummer in de telefoon van de verdachte is aangetroffen niet kan worden afgeleid dat de verdachte [betrokkene 3] kende omdat de vorige eigenaar van [A] de familie [betrokkene 3] was en mogelijk in verband met een internetabonnement nog in de contactlijst van de verdachte stond vermeld. Het hof gaat hieraan voorbij. Uit de verklaring van [betrokkene 3] volgt immers dat hij, [betrokkene 3] , degene was die het betreffende telefoonnummer gebruikte en dat zijn broer [betrokkene 4] in het verleden eigenaar is geweest van [A] . Indien het voormelde telefoonnummer hoorde bij de vorige eigenaar, zoals door de verdediging wordt gesuggereerd, zou het voor de hand liggen dat daarbij als contactnaam ‘ [betrokkene 4] ’ zou zijn opgenomen en niet ‘ [betrokkene 3] ’.
Samenvattend stelt het hof vast dat de verdachte niet alleen de eigenaar was van [A] , maar dat hij als enige de volledige beheersing had over de geldstroom van het bedrijf, dat hij door de werknemers werd beschouwd als de baas, dat hij frequent en vrijwel dagelijks aanwezig was, dat er openlijk en veelvuldig werd heen en weer gereden met klanten voor hennepstekken, dat er een camerasysteem was om vroegtijdig aanwezigheid van politie op te merken, dat reguliere handel onder een laag stof lag en ook werd gebruikt om als cover aan klanten mee te geven om bij politie ontdekking te tonen en dat heel concreet aan verdachte in aanwezigheid van de politionele informant door zijn werknemer verteld werd dat deze even hennepstekken halen was.
Conclusie met betrekking tot feit 1 Het hof acht het gelet op het voorgaande dan ook ondenkbaar dat de verdachte geen materiële bijdrage (in de zin van planvorming, financieel beheer en uitvoering) heeft geleverd aan de hennepstekhandel die binnen [A] plaatsvond en die integraal onderdeel uitmaakte van de dagelijkse bedrijfsvoering. De verdachte had de wetenschap van de handel in hennepstekken en ook het opzet daarop. Het hof is ook van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering.
Het hof is van oordeel dat op grond van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte in de periode van 19 september 2016 tot en met 17 januari 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk hennepstekken heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd.
Feit 2 : Hennepstekken in de loodsen 20 en 3 De vraag is vervolgens aan de orde of de verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van de in de loodsen 20 en 3 aangetroffen hennepstekken c.q. henneptoppen, zoals onder feit 2 tenlastegelegd.
Het hof overweegt als volgt.
Voor het bewezenverklaarde opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen is vereist dat deze zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden, dat wil zeggen dat de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden, noch hoeft te kunnen worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen. Daarnaast is vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen. Daarbij geldt dat ook de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat die middelen aanwezig zijn in een bepaalde ruimte onder deze wetenschap kan worden geschaard.
Hennepstekken in [loods a] Op grond van de observatieverslagen, de camerabeelden van de loodsen en de processen-verbaal van bevindingen met betrekking tot de pseudokoop kan worden vastgesteld dat in ieder geval in [loods a] hennepstekken waren opgeslagen die aan de klanten van [A] werden verkocht en afgeleverd. De sleutel van [loods a] is bij de doorzoeking op 17 januari 2017 ook in [A] aangetroffen. De verdachte kon daarover beschikken. Uit de bevindingen van de pseudokopers blijkt ook dat [loods a] als opslag fungeerde voor [A] . [medeverdachte 1] vroeg immers aan een van de pseudokopers of [medeverdachte 2] met hen mocht meerijden naar “hun opslag” om te kijken of het daar druk was met politie, nu hun kenteken nog niet was genoteerd door de politie. [medeverdachte 2] is hierop met de pseudokopers meegereden naar de [a-straat 1] te [plaats] . Toen bleek dat er niets aan de hand was bij de loods zijn zij teruggereden naar [A] . Zoals hiervoor reeds is overwogen werden er frequente ritjes tussen [A] en [loods a] en vice versa in het kader van de handel in hennepstekken uitgevoerd die vanuit [A] plaatsvonden en had de verdachte, naar het oordeel van het hof, ook wetenschap van deze handel. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt tenslotte dat er een connectie was tussen de verdachte en [betrokkene 3] , degene op wiens naam [loods a] aan de [a-straat 1] was gehuurd.
Op grond van deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, stelt het hof vast dat [loods a] de opslaglocatie was van [A] en dat de aldaar aangetroffen hennepstekken en henneptoppen zich binnen de machtssfeer van de verdachte bevonden.
Hennepstekken in [loods b] Op de camerabeelden van de loodsen aan de [a-straat 1] te [plaats] zijn op verschillende dagen in januari 2017 bewegingen te zien tussen [loods b] en [loods a] , van welke loods het hof hiervoor heeft vastgesteld dat deze in verbinding stond met de hennepstekhandel vanuit [A] . Echter, naar het oordeel van het hof biedt het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om een verbinding vast te stellen tussen [loods b] en [A] c.q. de verdachte. Het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken van het onder feit 2 tenlastegelegde opzettelijk aanwezig hebben van de in [loods b] aangetroffen hennepstekken.
Conclusie met betrekking feit 2 Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 17 januari 2017 samen met anderen de hennepstekken en henneptoppen in [loods a] aanwezig heeft gehad. [verdachte] was eigenaar van [A] , er werden vanuit [A] , ook in zijn aanwezigheid, hennepstekken verkocht en hij had door middel van de sleutel van [loods a] die in [A] aanwezig was toegang tot de voorraad.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.’ 8. De raadsvrouw van de verdachte heeft op de terechtzitting van 14 juni 2023 het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig een aan het hof overgelegde pleitnota, die onder meer het volgende inhoudt (met weglating van verwijzingen): ‘Wetenschap feit 1 2 . De Rb. overwoog: 'Gelet op de notities in de agenda werden er vaak hennepstekken besteld bij [A] en werden er ook veel ritjes gemaakt naar de loodsen. Ondanks de verminderde aanwezigheid van [verdachte] door zijn gezondheidsklachten, gebeurde dat toch ook op tijdstippen dat hij wel aanwezig was.' 3. In rn. 11 van de pleitnota EA is uiteengezet op welke vier observatiedagen cl. aanwezig was en voor hoelang. De agenda die in het dossier is gevoegd, startte op 8 december 2016. Cl. is volgens het dossier alleen op 13 december 2016 en 13 januari 2017 in [A] geweest. Zonder nadere motivering over hoe en waardoor cl. dan had moeten weten van deze vele ritjes en bestellingen in de agenda en welke rol hij hierin precies zou hebben gehad, valt niet in te zien dat deze overweging van de Rb. redengevend kan zijn voor het bewijs van wetenschap en dus ook niet voor medeplegen.
Rol feit 1 7. De Rb. overwoog niets over de rol die cl. dan zou hebben gehad. De Rb. beantwoordde alleen de vraag of cl. wetenschap had van de bestellingen en het rijden naar de loodsen. Het antwoord op die vraag is niet voldoende om een rol aan te wijzen.
Het tweede middel 25. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd bewezen heeft verklaard dat de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tezamen en in vereniging heeft gehandeld.
Verder kan van belang zijn in hoeverre de concrete omstandigheden van het geval door de rechter kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen. De vraag of van medeplegen sprake is, vergt een beoordeling van het concrete geval, waarbij de toetsing in cassatie sterk wordt gekleurd door de precieze bewijsvoering van de feitenrechter, waaronder begrepen een eventuele op het medeplegen toegesneden nadere motivering.
Het derde middel 33. Het derde middel bevat de klacht dat het hof het onder feit 2 tenlastegelegde ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd bewezen heeft verklaard. Het hof heeft volgens de steller van het middel ten onrechte geoordeeld dat de hennepstekken en -toppen zich in de machtssfeer van verdachte bevonden. De overweging van het hof dat de sleutel van [loods a] in [A] lag en dat verdachte daarover kon beschikken, zou geen steun vinden in de gebezigde bewijsmiddelen. De verdachte zou geen weet hebben gehad van de sleutel en deze zou niet in [A] maar bij een medeverdachte zijn aangetroffen. Verder zou niet uit de bewijsmiddelen volgen dat [loods a] de opslag was van [A] .
Uit een samenvatting van beelden van drie camera’s op het adres waar [loods a] zich bevond volgt onder meer dat [medeverdachte 3] zijn auto soms meermalen per dag parkeert bij [loods a] en daarna deze loods binnengaat. Als data worden genoemd 9, 10, 13 en 16 januari 2017. Deze samenvatting houdt voorts onder meer in dat iedere dag meerdere malen verschillende voertuigen bij [loods a] worden geparkeerd waarbij mannen voorwerpen de loods in- en uitdragen waarna deze in voertuigen worden geplaatst. Ook een Volkswagen Passat op naam van verdachte stopt op verschillende dagen bij [loods a] (bewijsmiddel 4). Uit de processen-verbaal van bevindingen met betrekking tot de pseudokoop blijkt dat [medeverdachte 1] aan de pseudokopers heeft gevraagd of [medeverdachte 2] mee kon rijden ‘naar onze opslag om te kijken of het daar druk is met politie’ (bewijsmiddel 1).
En dat [medeverdachte 2] tijdens dat ritje heeft gezegd: ‘Even langzaam rijden hier, want achter dit pand bij de gele vlaggen hebben wij onze opslag’ (bewijsmiddel 2 ). Bij het afhalen van de stekjes ziet P3010 dat [medeverdachte 3] ‘de loopdeur links, naast de grote roldeur van de loods, rechtsachter met de sleutel opende’ en binnengekomen twee dozen met hennepstekjes pakt (bewijsmiddel 3). Tijdens een doorzoeking worden in de loods henneptoppen en hennepstekken aangetroffen (bewijsmiddel 9).
Uit de verhouding tussen de verdachte en [medeverdachte 3] , zoals deze uit de bewijsmiddelen naar voren komt, heeft het hof naar het mij voorkomt kunnen afleiden dat de verdachte over de sleutel kon beschikken. De verdachte heeft verklaard dat [A] zijn ‘eigen bedrijf’ was. Op de vraag wie voor hem waarneemt als hij er niet is, antwoordt hij dat [medeverdachte 1] 20 uur per week in zijn bedrijf werkt en [medeverdachte 3] 4 dagen per week (bewijsmiddel 22). [medeverdachte 3] verklaart dat verdachte zijn ‘baas’ is (bewijsmiddel 23). [medeverdachte 1] verklaart dat [medeverdachte 3] verdachte ‘ondersteunde’ (bewijsmiddel 24). Daarbij stelt het hof vast dat [betrokkene 3] voor verdachte de huurovereenkomst van de loods heeft afgesloten.
Het vierde middel 40. Het vierde middel behelst de klacht dat het hof ‘ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd goederen heeft onttrokken aan het verkeer.’ 41. Het hof heeft in het bestreden arrest in verband met de onttrekking aan het verkeer van diverse inbeslaggenomen goederen het volgende overwogen: ‘Onttrekking aan het verkeer De beslaglijst d.d. 27 mei 2021 maakt onder nummer 13 melding van een 1859 voorwerpen die tijdens de doorzoeking in [A] op 17 januari 2017 zijn aangetroffen en onder verdachte zijn inbeslaggenomen. De verdachte heeft geen afstand gedaan van deze voorwerpen. Volgens de verdediging zou het gaan om de winkelvoorraad bestaande uit ‘reguliere’ tuinartikelen en benodigdheden voor visvijvers. Uit de dossierpagina’s 1598 tot en met 1605 blijkt echter dat het hier (grote hoeveelheden) ventilatoren, (turbo)heaters, kachels, dompelpompen, tijdschakelaars, transformatoren en groeimiddelen betreft.
Het hof is van oordeel dat deze inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen dienen te worden onttrokken aan het verkeer, nu zij daarvoor vatbaar zijn.
De hiervoor genoemde voorwerpen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane feiten in het bedrijf van de verdachte aangetroffen en kunnen worden beschouwd als een de handel in softdrugs betreffende gezamenlijkheid van voorwerpen welke kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven als ten laste van de verdachte bewezenverklaard. De gezamenlijkheid van deze voorwerpen acht het hof van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
Voorts zal het hof de onttrekking aan het verkeer bevelen van de verdovende middelen zoals vermeld onder de nummers 15 tot en met 26 op de beslaglijst, aangezien dit middelen zijn als bedoeld in lijst II van de Opiumwet en deze op grond van artikel 13a van de Opiumwet dienen te worden onttrokken verklaard. (…) BESLISSING Het hof: (…) Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de op de beslaglijst onder nr. 15 tot en met 26 vermelde voorwerpen (telkens hennep), alsmede de onder nr. 13 op de beslaglijst vermelde artikelen.’ 42. In de overgelegde pleitnota is onder meer het volgende aangevoerd (met weglating van verwijzingen): ’24. De verdediging refereert zich aan het oordeel van uw hof als het gaat om de beslissing over de inbeslaggenomen goederen, met uitzondering van goednummer 13; de bedrijfsvoorraad van [A] .
1°. bij de rechterlijke uitspraak waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld;
Artikel 36d Sr Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn bovendien de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.’ 45. Deze mogelijkheid van onttrekking aan het verkeer is eind jaren ’50 gecreëerd. Zij is voorgesteld in reactie op opmerkingen in het voorlopig verslag: ‘De commissie denkt echter kennelijk aan voorwerpen, waarvan zonder meer duidelijk is, dat het bezit er van tot nieuwe delicten kan leiden (verdovende middelen, pornografische lectuur, inbrekerswerktuigen e.d.). Naar het oordeel van de ondergetekende ligt het dan, gelet op de daarvoor gestelde analoge vereisten, meer voor de hand dergelijke voorwerpen vatbaar te maken voor onttrekking aan het verkeer’.
Slotsom 53. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de op artikel 81, eerste lid, RO gebaseerde formulering. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad meer dan twee jaren nadat het cassatieberoep is ingesteld uitspraak zal doen. In het licht van de geheel voorwaardelijk opgelegde straf kan worden volstaan met een constatering van de overschrijding.Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis. Vgl. ook HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 m.nt. Mevis en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411 m.nt. Rozemond.
HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, NJ 2016/413 m.nt. Rozemond en HR 22 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:289, NJ 2022/162 m.nt. Wolswijk.
HR 28 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:336, NJ 2017/244 m.nt. Rozemond.
HR 30 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2344, NJ 2006/315. Vgl. ook HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6581, NJ 2011/481 m.nt. Keijzer.
HR 3 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2932, NJ 2008/344.
Vgl. ook HR 23 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1689, NJ 2010/916 m.nt. Mevis.
HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1593, NJ 2014/513 m.nt. Mevis.
HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945, NJ 2022/95, m.nt. Reijntjes, rov. 3.3. 2 en HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:622, NJ 2023/164, rov. 2 .3. 2 .
HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3696. Zie ook de conclusie van A-G Knigge (onder 6.4) voorafgaand aan HR 30 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:2008 en de conclusie van A-G Aben (onder 10-12) voorafgaand aan HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:318.
HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945, NJ 2022/95, m.nt. Reijntjes, rov. 3.3.1 en HR 11 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:225, rov. 2 .3. Vgl. ook de conclusie van A-G Spronken (onder 2 .6) voorafgaand aan laatstgenoemd arrest.
Wet van 22 mei 1958, Stb. 1958, 296; Kamerstukken II 1957/58, 4034, nr. 6.
Kamerstukken II 1957/58, 4034, nr. 5, p. 4 HR 6 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9322, NJ 1997/655, rov. 4. 2 ; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1410, rov. 2 .3; HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1548, rov. 3.3. 2 ; HR 15 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:194, rov. 2 .3. 2 en HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:119, NJ 2024/166, m.nt. Ten Voorde, rov. 3.3. 2 .
HR 17 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9728, NJ 2006/87, rov. 4.3.
F.W. Bleichrodt en P.C. Vegter, Sanctierecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 397. Zij wijzen onder meer op HR 7 december 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB4090, NJ 1972/197 (De Marconist): een boodschappentas met grammofoonplaten. Zie voorts HR 23 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1882, NJ 2000/444 en HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2488.
De beslaglijst spreekt over ‘1859.00 STK Huishoudelijke Artikelen’; ‘G1663100 – groei en bloeimiddel, ventilatoren etc.’. De lijst die in het dossier is opgenomen (p. 1558-1605) is in lijn met de samenvatting van het hof.
Stcrt. 2015, 5391.
HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, NJ 2024/133, rov. 3.1.3.