ECLI:NL:PHR:2025:922
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/02651 E Zitting 2 september 2025 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak GEMEENTE ZOETERMEER, gevestigd te Zoetermeer, hierna: de verdachte Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 2 juli 2024 de dagvaarding deels nietig verklaard en het openbaar ministerie voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.
Het cassatieberoep is ingesteld door H.H.J. Knol, advocaat-generaal bij het gerechtshof Den Haag. Namens het openbaar ministerie heeft [naam 1] , plaatsvervangend advocaat-generaal bij het ressortsparket, een middel van cassatie voorgesteld. N. Gonzales Bos heeft namens de verdachte een schriftuur houdende tegenspraak ingediend.
Het bestreden arrest 5. Het hof heeft in het bestreden arrest onder meer het volgende overwogen (met overneming onder vernummering van voetnoten): ‘Procesgang In eerste aanleg is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte.
Door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: de gemeente Zoetermeer in de periode 2004 tot en met 2009 te Zoetermeer meermalen opzettelijk (een) handeling (en) met betrekking tot afvalstoffen heeft verricht en/of nagelaten, te weten
Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat:
Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.
De geldigheid van de dagvaarding Met de verdediging is het hof van oordeel dat de dagvaarding zover het betreft het niet openbaar maken van en/of waarschuwen voor niet vergunde emissies van ethyleenoxide, zoals achter het vierde respectievelijk het vijfde gedachtestreepje is tenlastegelegd, innerlijk tegenstrijdig is en niet voldoet aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) daaraan stelt, nu niet begrijpelijk is dat door het niet openbaar maken van en/of waarschuwen voor niet vergunde emissies van ethyleenoxide nadelige gevolgen voor het milieu zijn of konden ontstaan.
Derhalve zal het hof de dagvaarding in zoverre nietig verklaren. Voor het overige is de dagvaarding geldig.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich, mede overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoiraantekeningen, onder verwijzing naar een aantal uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de ‘Guide on Article 2 of the European Convention on Human Rights’ van het EHRM (2023), op het standpunt gesteld dat de verdachte in beginsel strafrechtelijke immuniteit toekomt omdat de tenlastegelegde gedragingen door de gemeente Zoetermeer zijn verricht in het kader van een exclusieve bestuurstaak die alleen door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht, doch dat die immuniteit in het onderhavige geval dient te worden doorbroken omdat zowel artikel 2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) , betreffende het recht op leven, alsmede artikel 8 EVRM, betreffende het op recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven nopen tot doorbreking van de strafrechtelijke immuniteit van de verdachte, nu de gedragingen van de gemeente inbreuk hebben gemaakt op genoemde Verdragsbepalingen.
Voorts heeft de advocaat-generaal (samengevat) betoogd dat bij de beantwoording van de vraag of de strafrechtelijke immuniteit van de verdachte dient te worden doorbroken mede betekenis toekomt aan de uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2019 in de zogenoemde Urgenda-zaak, alsmede aan de uitspraak van het EHRM van 9 april 2024 in de zaak van de Verein KlimaSeniorinnen Schweiz and Others v. Switzerland.
Standpunt verdediging De verdediging heeft (mede) overeenkomstig de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota en onder verwijzing naar de in eerste aanleg overgelegde pleitnota met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging betoogd dat de gemeente strafrechtelijke immuniteit toekomt, omdat de tenlastegelegde gedragingen door de gemeente Zoetermeer zijn verricht in het kader van een exclusieve bestuurstaak die alleen door bestuursfunctionarissen kan worden verricht.
Deze immuniteit kan, aldus de verdediging - anders dan door de advocaat-generaal is betoogd - niet worden doorbroken door de werking van artikel 2 EVRM, betreffende het recht op leven, nu geen sprake is van "a real and immediate risk" zoals bedoeld in EHRM 16 oktober 2003, Fadeyeva/Rusland.
Aan voornoemde uitspraak van de Hoge Raad in de Urgenda-zaak noch aan de EHRM-uitspraak in de zaak van de Verein KlimaSeniorinnen Schweiz and Others v. Switzerland, komt - aldus de verdediging - bij de beantwoording van de vraag of de strafrechtelijke immuniteit van de gemeente Zoetermeer dient te worden doorbroken enige betekenis toe, omdat deze uitspraken enkel betrekking hebben op - kort gezegd - de zorgplicht die op de Staat rust om (op grond van artikelen 2 en 8 EVRM) bescherming te bieden aan burgers van hun recht op leven en hun recht op privé, familie- en gezinsleven. Die uitspraken zien niet mede op de voorwaarden waaronder de strafrechtelijk immuniteit van een verdachte lagere overheid, zoals de gemeente Zoetermeer, kan worden doorbroken.
Derhalve dient het openbaar ministerie, aldus de verdediging, niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging van de gemeente Zoetermeer.
Oordeel hof Het hof overweegt - deels in navolging van de rechtbank - als volgt.
Strafrechtelijke immuniteit van een openbaar lichaam Strafrechtelijke immuniteit van een openbaar lichaam als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Grondwet, waaronder een gemeente, dient slechts dan te worden aangenomen als de desbetreffende gedragingen naar haar aard en gelet op het wettelijk systeem rechtens niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht in het kader van de uitvoering van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak, zodat uitgesloten is dat derden in zoverre op gelijke voet als het openbaar lichaam aan het maatschappelijk verkeer deelnemen. In andere gevallen is er wegens de hier te betrachten gelijkheid geen aanleiding immuniteit aan het openbaar lichaam te verlenen.
Voorts heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 24 september 2013, Trafigura/Probo Koala, ruimte gelaten voor het oordeel dat in een voorliggend geval van strafrechtelijke immuniteit geen sprake kan zijn indien de gedragingen van het openbaar lichaam een inbreuk maken op het recht op leven, zoals bedoeld in artikel 2 EVRM in de betekenis die het EHRM daaraan in zijn rechtspraak heeft gegeven.
Doorbreking strafrechtelijke immuniteit Uit de aangehaalde en ter terechtzitting in hoger beroep besproken rechtspraak van het EHRM, in het bijzonder uit EHRM 16 oktober 2003, Fadeyeva/Rusland leidt het hof af dat een overheid adequaat dient op te treden in gevallen waarin sprake is van "a real and immediate risk to the life" van personen, ter bescherming van het recht op leven. De adequate reactie hoeft overigens niet altijd een strafrechtelijke te zijn. Als de dreigende schending niet-opzettelijk heeft plaatsgevonden is aan deze verplichting voldaan als voor de slachtoffers de mogelijkheid van civielrechtelijk, bestuursrechtelijk of tuchtrechtelijk rechtsherstel bestaat. In gevallen waarin mensen als gevolg van gevaarlijke (industriële) activiteiten of een natuurramp zijn overleden of in concreet levensgevaar zijn gebracht is een strafrechtelijk onderzoek wel noodzakelijk, ook in gevallen van niet-opzettelijk handelen.
Het niet-vervolgen en bestraffen van overheden kan een schending van artikel 2 EVRM opleveren, als de aan de ‘State officials or bodies' toe te rekenen schuld meer is dan een beoordelingsfout of onvoorzichtigheid in die zin dat de betreffende autoriteiten ‘fully realising the likely consequences and disregarding the powers vested in them, failed to take measures that were necessary and sufficient to avert the risks inherent in a dangerous activity'.
Daaruit volgt dat in dergelijke gevallen, waarin als gevolg van ernstige nalatigheid van de betrokken overheidsinstanties dodelijke slachtoffers vallen of burgers (binnen de context van gevaarlijke situaties) aan levensbedreigende risico's worden blootgesteld, het niet-vervolgen of berechten van publiekrechtelijke rechtspersonen vanwege de hen toekomende strafrechtelijke immuniteit een schending van artikel 2 EVRM kan opleveren.
Aldus kan een schending van deze Verdragsbepaling leiden tot doorbreking van de immuniteit van een lagere overheid als de gemeente Zoetermeer.
Aan de door de advocaat-generaal aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad in de zogenoemde Urgenda-zaak, alsmede aan de uitspraak van het EHRM van 9 april 2024 in de zaak van de Verein KlimaSeniorinnen Schweiz and Others v. Switzerland, komt bij de beantwoording van de hier voorliggende vraag of de strafrechtelijke immuniteit van de verdachte gemeente dient te worden doorbroken naar het oordeel van het hof geen betekenis toe, nu deze - civielrechtelijke - uitspraken geen betrekking hebben op die vraag, maar op de vraag welke verantwoordelijkheid de Staat mede op grond van de artikelen 2 en 8 EVRM heeft in relatie tot het optreden tegen gevaarlijke klimaatverandering. De door de advocaat-generaal aangehaalde 'Guide on Article 2 of the European Convention on Human Rights', een uitgave van het EHRM die blijkens de "note to readers" (p. 5) enkel tot doel heeft "to inform legal practitioners about the fundamental judgments and decisions delivered by the Strasbourg Court", maakt dat oordeel niet anders.
Conclusie Strafrechtelijke vervolging van een lagere overheid, zoals in de onderhavige zaak de verdachte gemeente Zoetermeer, is aldus rechtens alleen mogelijk in twee gevallen:
Beoordeling vraag strafrechtelijke immuniteit verdachte Ad a) Kunnen de tenlastegelegde gedragingen niet anders dan door bestuursfunctionarissen worden verricht?
De tenlastegelegde gedragingen komen er samengevat op neer dat verdachte heeft ingestemd met handelen van [A] B.V. (hierna: [A] ) in strijd met de vergunningsvoorschriften en dat zij (de gemeente) daarvan geen kennis heeft gegeven aan omwonenden, naastgelegen bedrijven, politie of justitie noch anderszins actie heeft ondernomen.
Het hof overweegt dienaangaande het volgende.
Ingevolge de bepalingen van de Wet milieubeheer, zoals deze wet destijds gold, was de bestuurlijke handhaving van ingevolge die wet verleende vergunningen opgedragen aan het College van Burgemeester en Wethouders en daarmee aan de gemeente. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat verdachte, in elk geval periodiek, met het handelen van [A] in strijd met de vergunningsvoorschriften meer of (veelal) minder expliciet heeft ingestemd.
De vraag die voorligt is of dit instemmen - of: gedogen - met de overschrijdingen een gedraging is die naar haar aard en gelet op het wettelijk systeem rechtens niet anders dan door bestuursfunctionarissen kan worden verricht in het kader van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak, waardoor het uitgesloten is dat derden op gelijke voet met het openbaar lichaam, de gemeente, aan het maatschappelijk verkeer deelnemen.
Het hof is van oordeel dat die vraag bevestigend dient te worden beantwoord.
Gedogen (het niet handhaven), zo overweegt het hof met de rechtbank, is een discretionaire bevoegdheid die uitsluitend aan de gemeente (het College van Burgemeester en Wethouders) toekomt en waarvan na zorgvuldige belangenafweging gebruik kan worden gemaakt. Hoewel in casu niet of nauwelijks sprake is geweest van een zorgvuldige afweging is het naar het oordeel van het hof nog steeds een gedraging die naar haar aard en gelet op het wettelijk systeem slechts door een bestuursfunctionaris kan worden verricht. Het gedogen dat een regel of een voorschrift wordt overtreden, kan immers uitsluitend geschieden door een bestuursfunctionaris die met handhaving is belast.
Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de tenlastelegging genoemde gedragingen omschreven achter het eerste tot en met het derde gedachtestreepje, te weten het toestaan van en/of het niet beëindigen van en/of het niet optreden tegen niet vergunde emissies van ethyleenoxide niet anders worden gezien dan als gedragingen in het kader van de beslissing om het handelen van [A] te gedogen. Het gaat dan ook om gedragingen, voortvloeiend uit en samenhangend met de wettelijke aan de gemeente (het College van Burgemeester en Wethouders) opgedragen taak, waarvoor de gemeente bestuurlijke verantwoordelijkheid blijft dragen, terwijl de uitvoering van die taak niet door anderen dan gemeenteambtenaren of met hen gelijkgestelden kan worden verricht.
Ad b) Is sprake van een geval waarin de gedragingen die niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht een inbreuk opleveren op het recht op leven als bedoeld in artikel 2 EVRM, welke inbreuk de strafrechtelijk immuniteit doorbreekt?
Bij de beantwoording van de vraag of in het onderhavige geval sprake is geweest van ‘a real and immediate risk to the life' in de zin van de hiervoor aangehaalde rechtspraak die noopt tot een doorbreking van de strafrechtelijke immuniteit van de gemeente, overweegt het hof, met de rechtbank, als volgt.
Het procesdossier bevat meerdere rapporten die ingaan op de vraag wat de gezondheidsrisico's van ethyleenoxide in het algemeen zijn en wat de ernstige gevolgen van het emitteren van die stof via de zogenaamde calamiteitenpijp door [A] kunnen zijn geweest. Eenduidige conclusies zijn uit die rapporten en onderzoeken echter niet te trekken, zoals ook door de advocaat-generaal is onderschreven. Wel is door verschillende internationale onderzoeksinstituten vastgesteld dat ethyleenoxide carcinogene effecten heeft, een extra kans op kanker geeft. Tegelijkertijd wordt ook algemeen aanvaard dat sommige stoffen met carcinogene effecten (moeten) worden gebruikt, met het oog waarop onder meer voor ethyleenoxide een maximaal toelaatbaar risico (MTR) is berekend. Hoewel de rapporten ook op dit punt niet allemaal eenduidig zijn, is aannemelijk dat dit MTR door de emissie van ethyleenoxide door [A] in de tenlastegelegde periode fors werd overschreden. Evenwel is het hof met de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor de vaststelling dat concrete en levensbedreigende risico's als gevolg van de uitstoot van ethyleenoxide door [A] zich concreet hebben voorgedaan. Evenmin is gebleken van extra gevallen van kanker in de nabije omgeving van het bedrijf. Derhalve kan rechtens niet worden vastgesteld dat sprake is of is geweest van ‘a real and immediate risk to the life' van omwonenden en personen werkzaam in omliggende bedrijven van [A] .
Artikel 2 EVRM dwingt naar het oordeel van het hof dan ook niet tot strafrechtelijke vervolging van de gemeente.
Hoeveel kritiek ook kan worden (en is) uitgeoefend op het (niet) handelen van de gemeente en hoeveel vraagtekens ook kunnen worden (en zijn) geplaatst bij het optreden van de betreffende bestuursfunctionaris, nu ‘a real and immediate risk to the life' niet kan worden vastgesteld, wordt de strafrechtelijke immuniteit van de gemeente niet doorbroken en komt het hof dus ook niet toe aan de vraag of sprake is geweest van strafbare, ernstige nalatigheid aan de kant van de gemeente.
Het vorenstaande leidt het hof - gelijk de rechtbank - tot de slotsom, dat de gemeente in dit geval strafrechtelijke immuniteit toekomt en dat het openbaar ministerie, voor zover de dagvaarding niet aan nietigheid lijdt, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte.
BESLISSING Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart de dagvaarding nietig voor zover het betreft het niet openbaar maken van en/of waarschuwen voor niet vergunde emissies van ethyleenoxide, zoals achter het vierde respectievelijk het vijfde gedachtestreepje is tenlastegelegd.
Verklaart het openbaar ministerie voor het overige niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.’ Het requisitoir 6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 18 juni 2024, houdt onder meer in dat het hof in raadkamer acht zal slaan ‘op alle in hoger beroep in het geding ingebrachte pleit- en requisitoiraantekeningen’. Het proces-verbaal houdt voorts in dat de advocaat-generaal het woord voert overeenkomstig haar overgelegde requisitoiraantekeningen. Deze houden onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten): ‘1. Gelukkig komen we vandaag ook toe aan de inhoudelijke behandeling van deze strafzaak tegen de gemeente Zoetermeer. Nu het stof is neergedaald, [A] BV is overgenomen door [C] BV en het bedrijf uit de gemeente Zoetermeer verdwenen is, is het goed om de wonden te likken en terug te kijken, wat er mis is gegaan. Herstellen is niet mogelijk, maar leren van de gemaakte fouten wel, niet alleen voor de gemeente Zoetermeer, maar hopelijk ook voor andere gemeenten, Provincies en andere openbare lichamen in Nederland. De gevolgen zijn namelijk zeer ernstig. Er zijn veel gevallen van kanker onder de bewoners in de directe omgeving van de plek waar [A] gevestigd was. Ook een werknemer is inmiddels, mogelijk aan de gevolgen van de uitstoot overleden. Het is een feit dat de medische wetenschap niet kan vaststellen, wat exact de oorzaak is van het ontstaan van kanker, maar ook staat vast dat vervuiling van lucht en leefomgeving daar in ernstige mate aan kan bijdragen. In dit geval weten we ook nog dat Ethyleenoxide een zeer giftige en carcinogene stof is. (…) I. Handelde de Gemeente ter uitvoering van haar exclusieve overheidstaak: (…) 10Conclusie ten aanzien van vraag I:
In casu hebben we te maken met een gemeente die optreedt als vergunningverlener en vergunninghandhaver. Dat is een specifiek aan de gemeente opgedragen taak, die ook door gemeenteambtenaren moet worden uitgevoerd. Het nalaten de naleving van de vergunning te handhaven is naar mijn mening een exclusieve overheidstaak in de zin van het Pikmeer Il-arrest, nu het niet alleen de zorgplicht van de gemeente is om haar burgers te beschermen tegen blootstelling aan giftige, gevaarlijke of ongezonde stoffen, maar ook het feitelijk handhaven van de in dat kader aan bedrijven in de gemeente, die onder haar verantwoordelijkheid vallen, gestelde regels een overheidstaak is, waarvan het is uitgesloten dat dat derden in zoverre op gelijke voet als het openbaar lichaam aan het maatschappelijk verkeer deelnemen. Het feit dat tegenwoordig de controle en handhaving door de gemeenten wordt opgedragen aan omgevingsdiensten maakt dat niet anders. De Omgevingsdienst is een gemeenschappelijke regeling, die in die hoedanigheid de taken van de gemeenten waarneemt.
II. Heeft de gemeente voldaan aan zijn positieve verplichting om (preventieve) maatregelen te treffen ter bescherming van het in artikel 2 (en/of 8) EVRM omschreven recht op leven en recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven van haar inwoners (…) 17. De PG’s bij de Hoge Raad F.F. Langemeijer en M.H. Wissink hebben in hun conclusie van 13 september 2019 bij de zaak Urgenda ook een overzicht gegeven van de rechtspraak van het EHRM op de artikelen 2 en 8. De PG's geven een overzicht op de vier essentiële onderdelen van de jurisprudentie over de invulling van het Recht op Leven. Zij noemen dat de 4 hoofdlijnen. Bij de eerste hoofdlijn: Preventieve rechtsbescherming bespreken zij de termen "reëel risico" en onmiddellijkheidsbeginsel: termen, die de rechtbank in zijn vonnis, naar de mening van het OM onjuist heeft gehanteerd en/of geïnterpreteerd. Uit de arresten van het EHRM destilleren de PG’s in hun conclusie dat de overheid zich dient in te spannen om een aantasting van mensenrechten door derden of door andere externe factoren te voorkómen. Het betreft volgens de PG's juist geen resultaatsverplichting. Het feit dat iemand overlijdt, impliceert geen schending van het recht op leven. Het onmiddellijkheidsbeginsel moet volgens de conclusie ruim worden uitgelegd. De conclusie stelt dat het EHRM beslist heeft, dat ook risico's die dreigen op langere termijn, de overheid kunnen nopen tot het treffen van preventieve maatregelen. Het kan zelfs gaan om potentiële, niet onomstotelijk bewezen gezondheidsrisico's. Voldoende is dat door de handelwijze van de overheid een reëel risico wordt veroorzaakt.
De gehoudenheid tot het nemen van passende maatregelen bestaat als er een 'real and immediate risk' voor personen is en de betrokken staat van dat gevaar op de hoogte is. Onder 'real and immediate risk' valt in dit verband te verstaan een gevaar dat reëel en direct is. Het begrip 'immediate' ziet niet op de onmiddellijkheid van het gevaar in de betekenis dat sprake moet zijn van een kort tijdsverloop tot de verwezenlijking ervan, maar in de betekenis dat sprake moet zijn van een gevaar dat de betrokken personen rechtstreeks bedreigt. De bescherming van art. 2 EVRM ziet ook op gevaren die zich pas op langere termijn kunnen verwezenlijken".
Het recht op leven (artikel 2 EVRM) en het recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven (artikel 8 EVRM) dienen door de overheid niet alleen gerespecteerd te worden maar zij verplichten de overheden om actief preventieve maatregelen te nemen ter bescherming van de burgers/inwoners tegen een inbreuk op deze mensenrechten door derden of de overheid zelf. Om een mogelijke inbreuk op dit recht op leven te voorkomen, dienen de maatregelen van de overheid effectief te zijn ter bescherming van de mensen in de hele regio. Het risico op inbreuk op het recht van leven kan veroorzaakt worden door industriële activiteiten.
Het risico dat noopt tot preventieve maatregelen kan ook een risico zijn dat zich mogelijk voordoet op langere termijn.
De overheid moet kunnen aantonen op welke wijze zij adequaat heeft opgetreden.
De feiten 29. Het bedrijf [A] steriliseert medische apparatuur. Daarbij wordt het zeer giftige en carcinogene middel ethyleenoxide gebruikt. Uit de veiligheidskaart blijkt dat het bij inademen keelpijn en hoesten, duizeligheid, hoofdpijn en misselijkheid veroorzaakt, alsmede slecht zien en bevriezingsverschijnselen op de huid. Verder vermeldt het veiligheidsblad dat de stof via inademing en opname via de huid in het lichaam wordt opgenomen. Een voor de gezondheid gevaarlijke concentratie in de lucht kan zeer snel worden bereikt. De directe gevolgen zijn longoedeem en bij hoge concentratie de dood. De gevolgen bij langdurige herhaalde blootstelling is dat het op lever, nieren en zenuwstelsel kan inwerken, eczeemachtige verschijnselen op de huid kan veroorzaken, kankerverwekkend is en schade kan toebrengen aan de erfelijke eigenschappen.
Volgens de vergunning moet het bedrijf elk kwartaal analyseresultaten sturen naar de gemeente van representatieve monsters van de emissie van beide installaties. Uit het overzicht in het schriftelijk standpunt van het OM van 16 oktober 2017, met verwijzing naar onderliggende documentatie in het dossier, blijkt dat de gestelde maxima in de jaren 2004 - 2009 niet werden gehaald. Ook blijkt dat zeer regelmatig geen analyseresultaten naar de gemeente zijn gestuurd.
De emissie uit de scrubber was vanaf februari 2004 t/m juni 2006 telkens boven de 15 mg/m3, zo ook 4 maanden in 2007, 5 maanden in 2008, waarbij aangetekend moet worden dat er van de tweede helft 2008 geen metingen zijn gestuurd naar de gemeente, en 5 maanden in 2009.
De emissie uit de icinerator was in 2004 een aantal malen te hoog. Bovendien was er in juni 2 dagen een storing, zodat helemaal niet via de naverbrander werd geëmitteerd. In 2005 was de icinerator van maart tot en met december kapot. Dat betrof 282 dagen. De productie ging gewoon door. De ethyleenoxide werd via de calamiteitenpijp uitgestoten, zonder te zijn verbrand, met toestemming van de gemeente. In 2006 was de icinerator het hele jaar kapot. 365 dagen breakdown. Dat betekent dat het hele jaar via de calamiteitenpijp werd geloosd. Ook in 2007 was de icinerator kapot. Er was een nieuwe icinerator, maar die functioneerde blijkbaar niet. Aantal breakdowndagen: 351. En hetzelfde geldt voor 2008; aantal breakdowndagen: 316. En ook zo in 2009; in totaal heeft de icinerator 22 dagen gewerkt in 2009.
Niet alleen vergunningverlening, maar ook het controleren op de naleving van de vergunningsvoorschriften en de handhaven van die vergunningsvoorschriften is een taak van de gemeente. Als een bedrijf niet voldoet aan de haar gestelde voorschriften, dient de gemeente effectief en adequaat op te treden om overtreding te stoppen en het bedrijf weer in de pas te laten lopen. Dat vraagt in elk geval het EHRM van de Gemeente, opdat de Gemeente niet een inbreuk maakt op het recht op leven van de inwoners.
Ziet er heel goed uit". Maar het kwartaaloverzicht van 12 juli 2005 laat overschrijdingen van de wasinstallatie zien van 6% tot 67%, terwijl de icinerator vanaf maart 2005 al niet werkte. Er werden in heel 2005 dan ook geen metingen bij de naverbrandingsinstallatie verricht of toegestuurd aan de gemeente. En zo verder in 2006 op 27 oktober: "Wij zijn verheugd met de door uw bedrijf bereikte resultaten", terwijl de overschrijdingen in de wasinstallatie op dat moment blijkens de kwartaalrapportages tussen 32% en 67% lagen en de icinerator het hele jaar niet heeft gewerkt.
37.
Conclusie AG:
Het is overduidelijk dat de gemeente op de hoogte was van de overschrijdingen bij de emissie van de wasinstallatie en het niet functioneren van de naverbrandingsinstallatie, zodat daar de ethyleenoxide onverbrand werd uitgestoten. Dit was in strijd met de door de gemeente zelf gestelde voorschriften. Toch heeft de gemeente niets gedaan om deze uitstoot te voorkomen dan wel te stoppen en de gevolgen daarvan tot een minimum te beperken.
De gemeente had daartoe wel de mogelijkheden. De gemeente had zelf met bestuursdwang het bedrijf stil kunnen leggen of via een dwangsom het bedrijf kunnen verplichten zich aan de regels te houden. Daarnaast had de gemeente aangifte kunnen doen tegen [A] , nu zij op de hoogte was van de gepleegde milieuovertredingen. In plaats daarvan leek de gemeente het strafwaardig gedrag van [A] aan te moedigen en te ondersteunen, met de hiervoor genoemde mails. De gemeente heeft dus geen effectief beleid gevoerd en heeft niet voldaan aan de positieve verplichting om op effectieve manier de inwoners van Zoetermeer te beschermen tegen de door [A] gemaakte inbreuk op hun recht op leven.
Ethyleenoxide is in de Nederlandse Emissie Richtlijn 2000 al ingedeeld als MVP 2 stof, dat wil zeggen dat er voor ethyleenoxide (ETO) een minimalisatieverplichting geldt. Sinds 2013 staat ETO op de Europees lijst van zeer zorgwekkende stoffen met een maximum uitstoot van 3 microgram per m3. Ethyleenoxide is een genotoxische carcinogene stof. Dat betekent dat de stof een volledige Carcinogene stof is, een initiator. De werking van deze groep stoffen wordt als stochastisch beschouwd, wat het ontbreken impliceert van een drempel, dat wil zeggen van een niveau van blootstelling waarbij en waar beneden onomkeerbare veranderingen in het DNA niet optreden. Bij deze werking neemt over een bepaald blootstellingstraject de kans op een effect toe met toenemende blootstelling. Het verschil in werkingsmechanisme tussen genotoxische en niet-genotoxische carcinogenen vindt zijn weerslag in de methode van risicoschatting. De risicoschatting voor genotoxische carcinogenen vindt plaats met behulp van lineaire extrapolatie, die voor niet-genotoxische carcinogenen behelst afleiding van een (waargenomen) ‘geen-nadelig-effect-niveau’ (drempel) en toepassing van een veiligheidsfactor.
41 . Conclusie ten aanzien van risico blootstelling Uit de veelzijdige informatie blijkt eensluidend dat ethyleenoxide een gevaarlijke genotoxische carcinogene stof is, waarvan getracht moet worden mensen er niet aan bloot te stellen.
Gelet op de JP van het EHRM rond het Recht op Leven, eerder genoemd, stelt het OM vast dat de gemeente Zoetermeer zeer grovelijk haar plicht heeft verzaakt om de inwoners van Zoetermeer te beschermen tegen de lichamelijke gevolgen van industriële activiteiten in de gemeente. Er was geen sprake van een eenmalige te grote uitstoot maar van een periode van 4 jaar waarin vrijwel het gehele jaar de bevolking in aanraking kwam met de niet verbrande en dus ongezuiverde ethyleenoxide.
Het telastegelegde feit, het verrichten of nalaten van handelingen met betrekking tot afvalstoffen, terwijl de gemeente wist dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan en zij toen niet aan haar verplichting heeft voldaan om alle maatregelen te nemen en/of na te laten die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd, teneinde die gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken, acht ik op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen. De handelingen en het nalaten betroffen het toestaan van en het niet beëindigen en het niet optreden tegen en het niet openbaar maken van de niet vergunde emissies van ethyleenoxide uit het bedrijf van [A] BV. Van het laatste gedachtestreepje vraag ik vrijspraak. Dit feit is een overtreding van artikel 10.1, eerste lid van de Wm.’ Het middel 7. Het middel bevat de klacht dat het hof met het oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor de vaststelling dat concrete en levensbedreigende risico’s als gevolg van de uitstoot van ethyleenoxide door [A] zich concreet hebben voorgedaan en evenmin is gebleken van extra gevallen van kanker in de nabije omgeving van [A] en dat derhalve rechtens niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van ‘a real and immediate risk to the life’ voor personen, en dat art. 2 EVRM gelet daarop niet dwingt tot doorbreking van de strafrechtelijke immuniteit van de verdachte en het openbaar ministerie daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Het recht op leven en de strafrechtelijke immuniteit van lagere overheden 13. Het standpunt dat ruimte bestaat voor doorbreking van de strafrechtelijke immuniteit van decentrale overheden indien de gedragingen van het openbaar lichaam inbreuk maken op het recht op leven, wordt door het hof gebaseerd op een arrest van Uw Raad van 24 september 2013. Het openbaar ministerie had in hoger beroep met verwijzing naar het arrest van het EHRM in de zaak Öneryildiz tegen Turkije gesteld ‘dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de Gemeente primair dient te worden getoetst aan het ruimere criterium dat in de Europese jurisprudentie is ontwikkeld’. Het hof overwoog daarop dat het van oordeel is ‘dat de vergelijking met de onderhavige zaak mank gaat, nu de beslissing van het EHRM ziet op het handelen van de centrale overheid (de Turkse Staat) en het voorts een schending van artikel 2 EVRM betreft. Reeds om die redenen gaat de stelling van het openbaar ministerie in de thans aan het hof voorliggende zaak niet op’.
Het middel faalt reeds omdat in de feitelijke instanties niet is vastgesteld noch is aangevoerd dat door de in de tenlastelegging omschreven gedragingen van de verdachte inbreuk is gemaakt op het recht op leven, zoals bedoeld in art. 2 EVRM in de zin die het EHRM daaraan in zijn rechtspraak heeft gegeven, terwijl de mogelijkheid van een dergelijke inbreuk ook geenszins voortvloeit uit (de omschrijving van) die gedragingen.’ 15. Anders dan het hof kan ik in deze rechtsoverweging niet lezen dat Uw Raad ruimte zou hebben gelaten voor doorbreking van de strafrechtelijke immuniteit van decentrale overheden indien door de in de tenlastelegging omschreven gedragingen van de verdachte inbreuk is gemaakt op het recht op leven. Uw Raad stelt vast dat het middel reeds faalt ‘omdat in de feitelijke instanties niet is vastgesteld noch is aangevoerd dat door de in de tenlastelegging omschreven gedragingen van de verdachte inbreuk is gemaakt op het recht op leven’. Het woordje ‘reeds’ duidt erop dat, los van de omstandigheid dat niets omtrent een inbreuk op het recht op leven is vastgesteld of aangevoerd, een tweede reden meebrengt dat het middel faalt. Daar komt naar ik begrijp volgens Uw Raad nog (als derde reden) bij dat de mogelijkheid van een dergelijke inbreuk ook niet voortvloeit uit de omschrijving van die gedragingen.
In this connection, it should be pointed out that in cases of homicide the interpretation of Article 2 as entailing an obligation to conduct an official investigation is justified not only because any allegations of such an offence normally give rise to criminal liability (…), but also because often, in practice, the true circumstances of the death are, or may be, largely confined within the knowledge of State officials or authorities (…).
In the Court’s view, such considerations are indisputably valid in the context of dangerous activities, when lives have been lost as a result of events occurring under the responsibility of the public authorities, which are often the only entities to have sufficient relevant knowledge to identify and establish the complex phenomena that might have caused such incidents.
Where it is established that the negligence attributable to State officials or bodies on that account goes beyond an error of judgment or carelessness, in that the authorities in question, fully realising the likely consequences and disregarding the powers vested in them, failed to take measures that were necessary and sufficient to avert the risks inherent in a dangerous activity (…), the fact that those responsible for endangering life have not been charged with a criminal offence or prosecuted may amount to a violation of Article 2, irrespective of any other types of remedy which individuals may exercise on their own initiative (…); this is amply evidenced by developments in the relevant European standards (…).’ 17. Het gaat er derhalve om dat ‘those responsible’ worden vervolgd. Niet alleen de woordkeus maar ook de opbouw van de overweging, waarin eerst wordt gesproken over het nalaten van ‘State officials or bodies’ en ‘authorities’ en vervolgens bij de strafvervolging over ‘those responsible’, maakt het voor de hand liggend dat het EHRM heeft gedacht aan natuurlijke personen. Ik wijs er in dat verband ook op dat de stand van zaken betreffende strafrechtelijke aansprakelijkheid van lagere overheden in Europa (destijds) uiteenliep. Anders dan de steller van het middel meen ik derhalve dat uit deze uitspraak niet kan worden afgeleid dat ‘strafrechtelijke vervolging en bestraffing van overheidsorganen mogelijk moet zijn indien het overheidsorgaan wist of moest weten dat sprake was van "a real and immediate risk to the life" en opzettelijk nalaat de haar ter beschikking staande bevoegdheden aan te wenden om dit gevaar te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken’.
Bespreking van het middel 31. Het middel neemt, zo bleek, met het hof tot uitgangspunt dat vervolging van een gemeente mogelijk is ingeval sprake is van gedragingen die niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht, maar deze gedragingen inbreuk maken op het recht op leven als bedoeld in artikel 2 EVRM. Uit het voorgaande volgt dat dit uitgangspunt naar het mij voorkomt getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Strafrechtelijke immuniteit van een openbaar lichaam als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Grondwet dient te worden aangenomen als de betreffende gedragingen naar haar aard en gelet op het wettelijk systeem rechtens niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht in het kader van de uitvoering van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak, zodat uitgesloten is dat derden in zoverre op gelijke voet als het openbaar lichaam aan het maatschappelijk verkeer deelnemen.
Afronding 36. Het middel faalt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG De schriftuur houdende tegenspraak is op 30 juni 2025 ingediend. De rechtsdag was op 1 juli 2025. Dat brengt mee dat de schriftuur tijdig is ingediend (artikel 4.3.9.6 jo. artikel 4.3.9.2 Procesreglement Hoge Raad).
Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, p. 1132-1133. Zie artikel 3, tweede lid, Besluit regels landelijk parket en functioneel parket, alsmede ten aanzien van mandateren bevoegdheden officier van justitie. Nu volgt dit uit artikel 126, derde lid, Wet RO.
O.a. EHRM 30-11-04, nr. 48939/99 Öneryildiz vs. Turkije; EHRM 20- 03-08, nr. 15339/02 Buyadeva vs. Rusland; 28-02-12, nr 17423/05 Kolyadenko vs. Rusland.
ECLI:NL:HR:2019:2006. zaaknummer 53600/20. zaaknummer 55723/00. vgl. HR 6 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA9342, NJ 1998/367, Pikmeer II), (HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:236, r.o. 3.5.
ECLI:NL:HR:2013:765. zaaknummer 55723/00.
HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:765, NJ 2014/241 m.nt. Reijntjes (Probo Koala).
HR 6 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA9342, NJ 1998/367 m.nt. De Hullu (Pikmeer II).
EHRM 30 november 2004, nr. 48939/99 (Öneryildiz/Turkije).
Vgl. ook Kamerstukken I 2014/15, 30 538, D, p. 3 en (met een iets andere argumentatie) E. van Sliedregt, ‘Immuniteit van de Staat: de houdbaarheid voorbij?’, HNJV 2013-I, p. 165-166. Anders D. Roef, ‘De immuniteit van overheden: een stand van zaken in EVRM-perspectief’, Strafblad 2012, p. 192-193, met verwijzingen. Roef meent dat deze interpretatie ‘niet noodzakelijk voortvloeit uit de overwegingen van het Hof’.
Vgl. D. Roef, Strafbare overheden. Een rechtsvergelijkende studie naar de strafrechtelijke aansprakelijkheid van overheden voor milieuverstoring, Tilburg: Intersentia Uitgevers 2001, die ingaat op Frankrijk, België en Duitsland.
EHRM 16 oktober 2003, nr. 55723/00 (Fadeyeva/Rusland).
EHRM 28 oktober 1998, nr. 87/1997/871/1083 (Osman/Verenigd Koninkrijk), rov 116: ‘For the Court, and having regard to the nature of the right protected by Article 2, a right fundamental in the scheme of the Convention, it is sufficient for an applicant to show that the authorities did not do all that could be reasonably expected of them to avoid a real and immediate risk to life of which they have or ought to have knowledge’.
EHRM 9 juni 2005, nr. 55723/00 (Fadeyeva/Rusland).
EHRM 20 maart 2008, nrs. 15339/02 e.a. (Budayeva e.a./Rusland).
EHRM 28 februari 2012, nr 17423/05 e.a. (Kolyadenko e.a./Rusland).
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2006.
Zie de conclusie, randnummer 2.1.
Zie het meest recent: HR 21 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1607, NJ 2024/17 m.nt. Wolswijk.
Zie K. Lindenberg & H.D. Wolswijk, ‘Hobbels en oneffenheden in de Pikmeer-rechtspraak’, BSb 2024/6, p. 315-323.
Kamerstukken II 1999/2000, 25 294, A.
Zie daarover Kamerstukken II 2001/02, 25 294, nr. 15.
Kamerstukken II 2005/06, 30 538, nrs. 1, 2.
Kamerstukken II 2007/08, 30 538, nr. 6: zie het voorgestelde derde lid van art. 51 Sr.
Handelingen I 10 november 2015, p. 7-5-1 en 7-5-2.