PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer23/00138 Zitting 20 mei 2025 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats ] op [geboortedatum] 1970, hierna: de verdachte Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 12 januari 2023 het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 8 november 2018 vernietigd ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel en voor het overige bevestigd, met verbetering van de kwalificatie van het onder 4 bewezenverklaarde. De verdachte is aldus wegens 1. ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid hennepplanten’, 2. ‘diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking’, 3. ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’ en 4. ‘om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit’ veroordeeld tot 3 jaren gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 27 Sr. Voorts heeft het hof de vordering van [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 10.816,05 en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Er bestaat samenhang met de zaak 23/00137. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. B.Th. Nooitgedagt, advocaat in Amsterdam, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste en het tweede middel bevatten bewijsklachten. Het derde middel bevat een klacht over de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Het vierde middel bevat een klacht inzake de beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Voordat ik de middelen bespreek, geef ik de bewezenverklaring en de bewijsvoering weer, alsmede passages uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en de pleitnota van de raadsman van de verdachte. Bewezenverklaring, bewijsvoering, proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en pleitnota 5. De rechtbank heeft bewezenverklaard dat de verdachte: ‘1. in de periode van 01 oktober 2016 tot en met 19 oktober 2016 te [plaats] , opzettelijk, in de uitoefening van beroep of bedrijf, heeft geteeld in een pand aan [a-straat 1] 1618 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II; 2. in de periode van 01 oktober 2016 tot en met 19 oktober 2016 te [plaats] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan [benadeelde] B.V., waarbij verdachte de weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, door de zegel van de elektriciteitsmeter te verbreken en vervolgens een elektriciteitsaansluiting buiten deze meter om te maken; 3. op 19 oktober 2016 te [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1451 gram van een materiaal bevattende amfetamine en 109 gram van een materiaal bevattende MDMA, zijnde amfetamine en MDMA telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; 4. op 19 oktober 2016 te [plaats] , om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden van een materiaal bevattende (met)amfetamine en/of MDMA, zijnde (met)amfetamine en MDMA telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten, hebbende hij, verdachte: - meerdere onderdelen van een productieopstelling voorhanden gehad, waaronder een drukreactievat en drukreactieketels en - laboratoriumbenodigdheden voorhanden gehad, waaronder verwarmingsbanden en steunen voor rondbodemkolven en vacuümpompen en een scheitrechter en gasflessen en industrieel glaswerk en een elektrische verwarmer en een gaswasser en een trechter en - grote hoeveelheden chemicaliën/grondstoffen voorhanden gehad, waaronder jerrycans/vaten/tonnen/zakken bevattende monomethylamine en zoutzuur en dichloormethaan en ether en zwavelzuur en jood en mierenzuur en aceton en isopropanol en citroenzuur en caustic soda en ammoniumchloride en wijnsteenzuur en azijnzuur en formamide.’ 6. Het vonnis bevat de volgende bewijsvoering (met overneming van voetnoten): ‘Het oordeel van de rechtbank. De rechtbank acht het volgende van belang. [verbalisant 1] heeft gerelateerd dat op 19 oktober 2016 werd binnengetreden in het bedrijfspand gelegen aan [a-straat 1] te [plaats] . In het pand werd een drietal kweekruimtes aangetroffen met respectievelijk 361, 386 en 871 hennepplanten. De hennepplanten in kweekruimte 1 en 2 hadden een gemiddelde hoogte van 150 centimeter en stonden in ronde potten. [verbalisant 1] schat dat deze hennepplanten 6 weken oud waren. De hennepplanten in kweekruimte 3 hadden een gemiddelde hoogte van 15 centimeter, stonden in kleine vierkante potten en waren naar schatting van [verbalisant 1] 1 à 2 weken oud. [verbalisant 1] heeft verder gerelateerd dat in de kweekruimtes boven de planten in hoogte verstelbare schragen waren bevestigd met hieraan respectievelijk 70, 65 en 18 assimilatielampen. Aan het plafond waren koolstoffilters gemonteerd en de vuile lucht werd middels inbouwventilatoren in de vorm van een slakkenhuis afgezogen. Ventilatoren zorgden ervoor dat er constant lucht circuleerde in de kweekruimtes. De hennepplanten werden door middel van een irrigatiesysteem van een vloeistof voorzien. [verbalisant 1] heeft gerelateerd dat zich op de zolderverdieping, ruimte 4A, een luik in de vloer bevond waardoor je naar beneden kon afdalen. Hieronder bevond zich ruimte 4B met meerdere schakelborden en transformatoren. Hij zag dat 165 transformatoren waren verbonden met de assimilatielampen in kweekruimte 1 en 2 en met de assimilatielampen in kweekruimte 3 waren 18 transformatoren verbonden. De tijdschakelaars op de schakelborden bestemd voor kweekruimte 1 en 2 stonden ingesteld op een cyclus van 12 uur en de tijdschakelaar op het schakelbord van kweekruimte 3 op een cyclus van 17 uur. Er werd vastgesteld dat alle apparatuur middels deze schakelkasten automatisch in- en uitgeschakeld werd. [verbalisant 1] heeft gerelateerd dat hij zag dat ruimte 4C, alleen te betreden via 4A en 4B, was ingericht als watervoorzieningsruimte en dat zich in deze ruimte 5 waterpompen bevonden die er middels een irrigatiesysteem voor zorgden dat alle kweekruimtes werden voorzien van vloeistoffen. [verbalisant 1] heeft gerelateerd dat hij op grond van zijn kennis en ervaring, opgedaan bij eerdere ontmantelingen van hennepkwekerijen, en gezien de waargenomen uiterlijke kenmerken, kleur, vorm en de herkenbare geur, constateerde dat de aangetroffen planten hennepplanten betroffen. [verbalisant 2] heeft gerelateerd dat hij zag dat in ruimte 4A een grote hoeveelheid ronde bloempotten stond en dat deze bloempotten wat betreft formaat en kleur dezelfde waren als in de kweekruimtes. Hij zag dat de bloempotten gevuld waren met potgrond en dat in bijna alle bloempotten resten van hennepplanten op de potgrond lagen. [verbalisant 2] nam een monster van deze aangetroffen resten. [verbalisant 2] heeft gerelateerd dat bij de door hem gehouden indicatieve MMC kleur-reactietest de stof positief reageerde op de aanwezigheid van hennep. [verbalisant 1] heeft gerelateerd dat de stroomvoorziening van de hennepkwekerij in zijn aanwezigheid is onderzocht door fraude-inspecteur bij netwerkbeheerder [benadeelde] [betrokkene 1] en dat werd geconstateerd dat de elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal, voor de meter, werd afgenomen. Namens [benadeelde] B.V. is door [aangever] aangifte gedaan van diefstal van energie na verbreking van verzegeling. [aangever] heeft verklaard dat [benadeelde] B.V. een overeenkomst heeft met [A ] B.V betreffende aansluiting en transport van elektriciteit naar het perceel [a-straat 1] te [plaats] . Zij heeft verder verklaard dat door fraude-inspecteur [betrokkene 1] van [benadeelde] B.V. op 19 oktober 2016 een onderzoek is ingesteld naar de meetinrichting van genoemd perceel. Bij dit onderzoek constateerde de fraude-inspecteur verboden handelingen aan de elektriciteitsinstallatie. Er was een illegale aftakking gemaakt op de aansluitkabel en een illegale aansluiting op de onderzijde van de zekeringhouders. Ook was het deksel van de aansluitkast ongeoorloofd open geweest. De fraude-inspecteur zag verder dat de hoofdbeveiliging van de elektrische installatie verzwaard was. Er waren zekeringen met een onbeperkte waarde geplaatst. Door de manipulatie werd afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage niet correct via de elektriciteitsmeter geregistreerd. [aangever] heeft verklaard dat niemand het recht of de toestemming van [benadeelde] B.V. had om het zegel te verbreken of wijziging in de bedrading aan te brengen. Niemand is gerechtigd de elektra, eigendom van [benadeelde] B.V. op deze wijze weg te nemen en zich toe te eigenen. [verbalisant 3] , senior LFO (Landelijke Faciliteit Ontmantelen)-expert, heeft gerelateerd dat hij op 19 oktober 2016 ondersteuning heeft verleend in een loods gelegen aan [a-straat 1] te [plaats] en dat in een compartiment van deze loods verschillende chemicaliën en ketels werden aangetroffen die vermoedelijk een relatie hadden met de illegale vervaardiging van synthetische drugs. [verbalisant 3] heeft gerelateerd dat in totaal 5750 liter en circa 500 kilo aan chemicaliën werden aangetroffen. [verbalisant 3] heeft in het proces-verbaal een tabel opgenomen met omschrijvingen van de onderzochte en deels bemonsterde goederen. De monsters werden voorzien van een kenmerk (en een SIN-nummer). Ten behoeve van de voorlopige vaststelling van de aangetroffen chemicaliën werd onder andere gebruik gemaakt van een identificatieapparaat dat werkt op basis van Ramantechnologie, de Gemini (ThermoScientific). In genoemde tabel is onder meer het volgende vermeld. H-76-1 Vacuümzak met opschrift “MET D+L" netto inhoud 33 gr kristallen, positief getest op (met)amfetamine H-76-2 Vacuümzak netto inhoud 46 gram kristallen, positief getest op (met)amfetamine H-78-1 Vacuümzak netto met opschrift “MET” inhoud 79,5 gram kristallen, positief getest op (met)amfetamine H-78-2 Vacuümzak netto inhoud 371 gram kristallen, positief getest op (met)amfetamine H-78-3 Vacuümzak netto met opschrift “D-MET” inhoud 50 gram kristallen, positief getest op (met)amfetamine H-78-4 Vacuümzak netto inhoud 104 gram kristallen, positief getest op (met)amfetamine H-78-5 Vacuümzak netto inhoud 103 gram kristallen, positief getest op (met)amfetamine H-78-6 Vacuümzak netto met opschrift “AMF” inhoud 116,5 gram kristallen, positief getest op (met)amfetamine H-78-7 Vacuümzak netto met opschrift “L” inhoud 293 gram kristallen, positief getest op (met)amfetamine H-78-8 Vacuümzak netto met opschrift “MET O-Dibenzo tartaric" inhoud circa 150 gram kristallen, positief getest op (met)amfetamine H-9.7 Zwarte jerrycan gevuld met circa 15 liter donkerkleurige vloeistof met de geur aceton (kristallisatieafval), SIN AAIQ0327NL H-78-9 Vacuümzak netto met opschrift “B 173" inhoud 109 gram bruine kristallen, positief getest op MD(M)A H-20 Roche drukreactievat H-42 Gebruikte drukreactieketel circa 200 liter inhoud H-43 Drukreactieketel met verwarmingsbanden H-1 Vuilniszak inhoudende 2 gebruikte elektrische verwarmingsbanden. H-74 Circa 20 metalen verwarmingsbanden en circa 10 stoffen verwarmingsbanden H-11 Steun voor rondbodemkolf H-15 Ingesealde steun voor rondbodemkolf van minimaal 250 liter H-40 Vacuümpomp van het merk Edwards (geseald) H-70 Vacuümpomp Busch R5 H-28 Kunststofscheitrechter van circa 750 liter H-34 Blauwe gascilinder circa 80 liter H-35 5x gascilinder HCL 50 liter H-36 2x gascilinder zuurstof 50 liter H-39.2 Kartonnen doos met divers gebruikt lab glaswerk H-39.3 Kartonnen doos met diverse chemicaliën en lab glaswerk H-55 Elektrische roerder/verwarmer H-63 Gaswasser H-67 Trechter H-2 Pallet met 11x blauwe 30 liter jerrycan en 1x blauwe 25 liter jerrycan met circa 345 liter heldere vloeistof met geur Monomethylamine, SIN AAIQ0317NL H-3 Pallet met 12x 30 liter jerrycan met blauwe dop en gevuld met circa 360 liter zoutzuur, SIN AAIQ0318NL H-6 2x 200 liter metalen drums beide gevuld met circa 60 liter heldere vloeistof en voorzien van etiket Dichloormethaan, SIN AAIQ0321NL H-9.4 30 liter jerrycan gevuld met circa 15 liter ether, SIN AAIQ0324NL H-9.9 1x 20 liter jerrycan gevuld met circa 12 liter zure vloeistof en opschrift “Et”, SIN AAIQ0329NL H-9.8 Blauwe 25 liter jerrycan opschrift “ZWZ?” gevuld met circa 20 liter lijvige vloeistof (zwavelzuur), SIN AA1Q0328NL H-10.1 60 liter schroefdekselvat gevuld met circa 80 kilo metaalkleurige korrels (Jood), SIN AAIQ0331NL H-12.1 2x 20 liter jerrycan etiket "industrial scale remover AP85", beide gevuld met in totaal circa 37,5 liter mierenzuur, SIN AAIQ0332NL H-21 7x 25 liter jerrycan etiket aceton inhoudende circa 135 liter Aceton, SIN AAIQ0335NL H-12.3 7x 25 liter jerrycan etiket “brandbaar” gevuld met heldere vloeistof, SIN AAIQ0334NL H-22 Met zwarte folie ingesealde 1000 liter IBC volledig gevuld met heldere vloeistof en voorzien van etiket "Iso propanol” en opschrift met stift “400”, SIN AAIQ0336NL H-25 Ingesealde pallet met 3x 25 kilo zak Caustic Soda "JSC Kaustic Volgograd Russia” en 9x 25 kilo zak Citric Acid "Laiwu Taihe" H-29.2 25 kilo zak etiket Ammoniumchloride, SIN AAIQ0337NL H-29.4 1x 120 litervat inhoudende zak met etiket Ammoniumchloride en gevuld met bruto 17,9 kilo poeder met de geur Apaan, SIN AAIQ0339NL H-29.3 2x 25 kilo zak met etiket "Tataric acid”, SIN AAIQ0338NL H-30.2 1x 220 liter dopvat met restant etiket Acetique, SIN AAIQ0340NL H-31 2x 220 liter dopvat voorzien van etiket "Formamide" waarvan 1 leeg en 1 gevuld met circa 30 liter heldere vloeistof, SIN AAIQ0341NL [verbalisant 3] heeft gerelateerd dat de genomen monsters op 24 oktober 2016 voor analyse aan het NFI zijn aangeboden. Het NFI heeft in haar rapport van 30 januari 2018 geconcludeerd dat het onderzoeksmateriaal H76-1 en H78-2 metamfetamine bevat en dat het onderzoeksmateriaal H78-9 MDMA bevat. Het NFI heeft in haar rapport van 12 december 2016 geconcludeerd dat het onderzoeksmateriaal AAIQ0327NL / H-9.7 onder meer amfetamine bevat. Het materiaal bevat circa 7 mg amfetamine per milliliter. Omgerekend naar de hoeveelheid in de jerrycan met volgens opgave 15 liter vloeistof, is de hoeveelheid amfetamine circa 105 gram. Het NFI heeft in haar rapport van 23 november 2016 de navolgende resultaten van haar onderzoek vermeld. AAIQ0317NL / H-2 Bevat methylamine in methanol AAIQ0318NL / H-3 Bevat (geconcentreerd) zoutzuur AAIQ0321NL / H-6 Bevat dichloormethaan AAIQ0324NL / H-9.4 Bevat een lage concentratie metamfetamine in diethylether AAIQ0329NL / H-9.9 Bevat diethylether AAIQ0328NL / H-9.8 Bevat (geconcentreerd) zwavelzuur AAIQ0331NL / H-10.1 Bevat jood AAIQ0332NL / H-12.1 Bevat mierenzuur AAIQ0335NL / H-21 Bevat aceton AAIQ0334NL / H-12.3 Bevat 2-propanol AAIQ0336NL / H-22 Bevat 2-propanol AAIQ0337NL / H-29.2 Bevat ammoniumchloride AAIQ0339NL / H-29.4 Bevat ammoniumchloride AAIQ0338NL / H-29.3 Bevat wijnsteenzuur AAIQ0340NL / H-30.2 Bevat azijnzuur AAIQ0341NL / H-31 Bevat formamide In genoemd rapport is verder vermeld dat in relatie tot de productie van synthetische drugs jood wordt gebruikt bij de vervaardiging van metamfetamine, de combinatie van formamide en mierenzuur wordt gebruikt als hulpstof bij de vervaardiging van amfetamine uit BMK of MDA uit PMK met de Leuckart synthese en methylamine in methanol wordt gebruikt bij de vervaardiging van MDMA en metamfetamine met reductieve aminering. Op het “Kadastraal bericht object” van het Kadaster d.d. 7 juli 2017 is vermeld dat verdachte op de toestandsdatum 6 juli 2017 eigenaar is van het bedrijfspand [a-straat 1] te [plaats] . Het eigendomsrecht is ontleend in 2003. Verdachte heeft verklaard dat hij eigenaar is van het betreffende pand en dat hij het pand al jaren in zijn bezit heeft. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij het pand aan [a-straat 1] te [plaats] heeft verhuurd aan een tweetal personen genaamd [betrokkene 3] en [betrokkene 2] , dat op 1 juni 2016 in [plaats] het huurcontract is getekend, maar dat 1 of 2 weken voor die datum het pand al aan deze personen is overgedragen. Verdachte heeft verklaard dat hij ten behoeve van het huurcontract een kopie van het legitimatiebewijs van [betrokkene 3] heeft gemaakt en dat de foto op het legitimatiebewijs overeenkwam met het uiterlijk van deze [betrokkene 3] . Verdachte heeft verder verklaard dat [betrokkene 2] de huur contant betaalde, te weten een maandelijks bedrag van € 4.500,00 exclusief BTW. Verdachte heeft verklaard dat hij contact met genoemde personen onderhield middels Whatsapp, maar dat hij niet meer beschikt over hun telefoonnummers omdat zijn telefoon stuk is gegaan en hij deze heeft achtergelaten bij belwinkel [D] te [plaats] . Verdachte heeft verklaard dat hij schat dat de schade aan het pand ongeveer € 20.000,00 bedraagt. Verdachte is ter terechtzitting gebleven bij bovenstaande verklaring. Verdachte heeft ter terechtzitting verder verklaard dat hij niet heeft geprobeerd [betrokkene 3] en [betrokkene 2] te bereiken, maar is weggelopen van alles. De rechtbank acht het volgende van belang. Verdachte onderbouwt zijn verklaring – dat hij niets wist van de in zijn pand aanwezige hennepkwekerij en benodigdheden voor het vervaardigen van synthetische drugs – met een huurovereenkomst. Op de huurovereenkomst is de naam van de huurder vermeld, te weten [betrokkene 3] , geboren te [plaats] op [geboortedatum] 1978 en handelend als enig bestuurder van [B ] , gevestigd te [plaats] en ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel onder [nummer] . Op de huurovereenkomst is een handtekening zichtbaar boven “paraaf huurder”. Genoemde [betrokkene 3] is gehoord en heeft verklaard dat hij timmerman is in de bouw, dat hij van 2012 tot 2015 ZZP-er is geweest, dat hij in loondienst is gegaan als timmerman bij het uitzendbureau “ [C] ” te [plaats] en dat hij zijn bedrijf " [B ] " medio 2016 heeft opgedoekt. [betrokkene 3] heeft verder verklaard dat hij nooit een eigen bedrijfsruimte heeft gehad, dat hij nooit werkte met een partner, dat hij het betreffende huurcontract niet kent, dat hij nooit iets heeft gehuurd, dat hij niet in [plaats] is geweest, dat hij verdachte niet kent, dat de handtekening op het contract niet van hem is, dat het inschrijvingsnummer van de Kamer van Koophandel vermeld op het contract niet klopt met het nummer van zijn (voormalige) bedrijf en dat hij een kopie van zijn legitimatiebewijs ongeveer een jaar geleden een keer heeft achtergelaten bij een tankstation omdat hij geen geld bij zich had. [betrokkene 3] heeft verder verklaard dat op zijn GSM een kopie van zijn legitimatiebewijs, zowel van de voor- als achterzijde, staat opgeslagen, dat dit hetzelfde legitimatiebewijs is als het bij het huurcontract gevoegde legitimatiebewijs en dat hij het bestand heeft verzonden aan de uitvoerders op de bouw waar hij heeft gewerkt. De verhorend [verbalisant 4] heeft in het verhoor opgemerkt dat het inschrijvingsnummer van het bedrijf “ [B ] ” vermeld op de site van de Kamer van Koophandel niet overeenkomt met het op de huurovereenkomst vermelde inschrijvingsnummer. [verbalisant 4] heeft verder gerelateerd dat hij zag dat de handtekening die [betrokkene 3] zette tijdens zijn verhoor leek op de handtekening op het bij de huurovereenkomst gevoegde identiteitsbewijs, maar dat deze niet leek op de handtekening die [betrokkene 3] op de huurovereenkomst gezet zou hebben. De rechtbank stelt aldus vast dat de huurovereenkomst onregelmatigheden bevat ten aanzien van de handtekening en het inschrijvingsnummer van de Kamer van Koophandel. Uit die onregelmatigheden blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de huurovereenkomst valselijk is opgemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank kan de huurovereenkomst de verklaring van verdachte dan ook niet onderbouwen. Voor het overige heeft verdachte op geen enkele wijze informatie verstrekt waarmee nader onderzoek kon worden gedaan naar de betrokkenheid van de door hem genoemde huurders. Verdachte stelt geen regulier telefonisch contact met de huurders te hebben gehad – enkel via WhatsApp – en de huur werd altijd contant voldaan. Hij beschikte in het verleden wel over telefoonnummers, maar die zouden verloren zijn gegaan toen zijn telefoon het niet meer bleek te doen. Deze telefoon heeft hij vervolgens, achtergelaten bij [D] te [plaats] . [getuige] (de rechtbank begrijpt: een medewerker van belwinkel [D] ) heeft, na confrontatie van de verhorend [verbalisant 4] met de verklaring van verdachte, verklaard dat hij voor 300% zeker weet dat verdachte zijn oude GSM daar niet heeft achtergelaten. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte ten aanzien van zijn telefoon, gelet op de verklaring van [getuige] , leugenachtig is. Verdachte heeft daarmee bewust de mogelijkheid om nader onderzoek te verrichten naar zijn verklaring over de verhuur van het pand willen uitsluiten, zo concludeert de rechtbank. Voorts acht de rechtbank onaannemelijk dat wanneer huurders verantwoordelijk waren voor de aangetroffen goederen in zijn bedrijfspand, verdachte niet alles zou hebben geprobeerd om de identiteit en contactgegevens van de huurders te achterhalen om zijn onschuld te bewijzen en om op hen de forse schade aan het pand te verhalen. Gelet op vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte als onaannemelijk en/of ongeloofwaardig terzijde kan worden gesteld. De rechtbank concludeert dat sprake is van een valse huurovereenkomst met als doel om verdachte, de werkelijke eigenaar van de in het bedrijfspand aangetroffen verdovende middelen, hardware en chemicaliën, buiten het bereik van de justitiële autoriteiten te houden. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat verdachte voornoemde feiten tezamen met een of meer anderen heeft gepleegd. Verdachte zal van dit gedeelte van de tenlastelegging dan ook voor alle vier de feiten worden vrijgesproken.’ 7. Het hof heeft zich verenigd met de door de rechtbank gebezigde bewijsoverwegingen en deze aangevuld met de volgende overwegingen: ‘I Het hof is van oordeel dat de door de raadsman gevoerde verweren in hoger beroep reeds zijn weerlegging in de bewijsmiddelen vinden. Het hof ziet – met de rechtbank – geen redenen om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. II Het hof is voorts van oordeel dat voor de vaststelling of de verdachte handelde in de uitoefening van een beroep of bedrijf in ieder geval zal vast moeten komen staan dat het handelen van de verdachte valt aan te merken als een economische activiteit van een zekere stelselmatigheid en duurzaamheid, gericht op het behalen van winst. Dat een kwekerij op gedegen of zelfs professionele wijze is ingericht kan daarbij een indicatie zijn, maar hoeft niet doorslaggevend te zijn. Daarnaast kan ook de hoeveelheid gekweekte hennepplanten een aanwijzing vormen voor een beroep- of bedrijfsmatige teelt. Vastgesteld kan worden dat de verdachte een aanzienlijke investering heeft gedaan met de bedoeling een hennepkwekerij op te zetten waarmee verschillende keren kon worden geoogst ten behoeve van de verkoop van de geoogste hennep, dat hij hiervoor meerdere kweekruimtes heeft opgezet waarin eerder is geteeld en geoogst, dat de capaciteit van de kwekerij niet gering was (1.618 planten zoals aangetroffen door de politie) dat het teeltproces geschiedde in afzonderlijke daartoe ingerichte ruimtes onder gecontroleerde condities en in belangrijke mate geautomatiseerd verliep met behulp van technische middelen, kennelijk ter optimalisering van het teeltproces en minimalisering van de daarvoor van de teler vereiste inspanning. Gelet op de hiervoor genoemde vaststellingen is het hof van oordeel dat het handelen van verdachte gekwalificeerd kan worden als hennepteelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.’ 8. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 december 2022 en 12 januari 2023 houdt onder meer het volgende in: ‘De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven. De verdachte geeft op ten onrechte te zijn veroordeeld. Ter toelichting daarop verklaart de verdachte als volgt. Ik heb absoluut niets mee te maken met deze zaak. Ik had een bedrijfsruimte in de verhuur waarin die hennepkwekerij is aangetroffen. Het is zeer misplaatst dat ik daarvoor straf heb gekregen en dat mij een ontneming is opgelegd. (…) Op vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt. Het klopt dat ik een deel van de onderhavige loods had verhuurd aan [betrokkene 3] en [betrokkene 2] . Op de datum waarop het huurcontract is opgemaakt heb ik de sleutel aan hen afgegeven en dat is ook de datum waarop zij de loods in gebruik hebben genomen. Zij hebben vervolgens pallets en dergelijke in de loods gezet. In het gedeelte van de loods dat ik zelf in gebruik had, stonden grote machines van ons bedrijf. [betrokkene 3] en [betrokkene 2] wilden in onze unit ook grote dingen neerzetten en vroegen of dat mogelijk was. Zij zouden anders een probleem hebben, omdat het dan tien keer weggezet moest worden voordat zij verder konden. Ik heb hun de sleutel gegeven en zij hebben daar pallets neergezet. Ik heb daar toen niets raars gezien. Ik durf niet meer te zeggen op welke datum het huurcontract is ingegaan. Dat is zo lang geleden voor mij. Ik blijf bij mijn eerder afgelegde verklaringen. Ik heb zeer veel schade aan het pand overgehouden. Dat heb ik zelf allemaal moeten oplossen. Ik blijf bij de verklaring die ik bij de politie heb afgelegd, waarvan de rechtbank zegt dat ik dat in eerste aanleg allemaal heb herhaald. Ik heb [betrokkene 3] en [betrokkene 2] achteraf niet meer kunnen bereiken omdat ik hun telefoonnummers niet meer had. Achteraf gezien was dat ontzettend dom van mij. Iemand die bij de verhuur had bemiddeld, [betrokkene 4] , stond nog in het oude huurcontract. Die man heb ik nog wel benaderd, maar voor het nieuwe contract moest ik wel die nieuwe mensen hebben, die bij mij gehuurd hebben. [betrokkene 4] heeft de auto ook gesigneerd. Ik leen geen auto van andere mensen. Achteraf is bij mij het kwartje gevallen toen bij die meneer een XTC-laboratorium is geëxplodeerd. Die meneer had eerst bij mij voor een paar maanden een andere loods gehuurd, maar daarmee was niets aan de hand. Na een paar maanden is die man weer weggegaan en vervolgens kwam hij weer kijken voor deze loods. Mijn schoondochter heeft vervolgens een huurcontract opgemaakt op naam van [betrokkene 4] en [betrokkene 3] . Daarop zei [betrokkene 4] dat hij niet met naam op het contract terecht wilde komen en dat alleen [betrokkene 3] de loods zou huren. Het kwartje is pas onlangs bij mij gevallen. Bij het opmaken van het huurcontract heeft [betrokkene 2] zijn legitimatiebewijs gegeven. [betrokkene 2] was ook daadwerkelijk bij ons. Ik heb niet naar zijn handschrift gekeken. Ik heb er nooit op gelet of zij dezelfde handtekening hebben gezet als op het identiteitsbewijs. Ik denk dat niemand controleert of dat wel overeenkomt. Nu doe ik dat inmiddels wel. Die man leek op de foto die op zijn identiteitsbewijs stond. Diegene die het huurcontract heeft getekend, heeft ook dat identiteitsbewijs afgegeven. Degenen die het huurcontract hebben afgesloten, waren met z’n tweeën bij ons. Het adres in [plaats] is het adres van mijn zoon en schoondochter. Zij hadden daar tijdelijk een kantoor gehuurd. U houdt mij voor dat [betrokkene 3] heeft verklaard dat het nummer van de Kamer van Koophandel dat is vermeld op het huurcontract niet klopt met het nummer van zijn bedrijf en ook dat zijn legitimatiebewijs kwijtgeraakt kan zijn. Ik heb er geen belang bij om een nummer van de Kamer van Koophandel te veranderen. Het klopt dat mijn telefoon kapot is gegaan en dat ik die voor reparatie naar een winkel in [plaats] heb gebracht. Ik ben naar die man gegaan met mijn telefoon. Hij zei tegen mij: “Jij komt hier al zolang als klant, ik zal nooit jouw telefoon meegeven aan de politie”. De politie had maar met een vordering moeten komen, dan had hij de telefoon wel meegegeven. Ik zei tegen hem: “Had het maar wel gedaan”. (…) Op verdere vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt. [betrokkene 3] en [betrokkene 2] kwamen wel eens koffie drinken in [plaats] vanuit [plaats] . Het klopt dat ik ook een ruimte gebruikte in de loods die zij van mij huurden. Ik heb dat al gezegd. Zij hebben een ruimte van mij gehuurd waarin machines en spullen stonden die tijdelijk waren opgeslagen in de loods. Feitelijk gezien huurden zij een deel van mijn loods. Ik had geen kantoor in de loods in [plaats] . Ik had wel een kantoortje in [plaats] . Ik had in [plaats] de opslag van een bedrijf dat ik niet gebruikte. Die jongens hadden tijdelijk een aantal weken extra ruimte nodig voor opslag van spullen. Ze wilden die spullen tijdelijk bij mij in de loods zetten totdat ze die spullen weer konden terugzetten. Ik had in diezelfde loods ook eigen spullen staan. Ik heb tegen hen gezegd: “Hier heb je mijn sleutels. Sla het daar maar op”. Ik ben één keer in de loods in [plaats] geweest om te kijken. Ik zag toen pallets staan met zwarte folie er omheen. Zij transporteerden dat van het ene naar het andere bedrijf. Ik ga dat niet openmaken om te kijken wat erin zit. Die pallets stonden niet in de ruimte waar die hennepkwekerij was. Dat was aan de andere kant, waar ik niet kwam. Zij waren daar aan het werken, maar niet in een hennepkwekerij. Ik heb nooit iets van hennep geroken toen ik daar was. Alles was nog maar net geplaatst toen de politie daar binnen kwam. Toen de politie binnenviel, was alles netjes achter de wand geplaatst. Zij waren een kantine en zaagruimte aan het maken. Ik ben er toentertijd eenmaal komen kijken. De roldeur stond altijd open. Als ik hennep had geroken, dan had ik daar wel iets van gezegd. Ik heb er niets van gemerkt dat daar mensen met spullen aan het sjouwen waren. Voor zover ik weet, ben ik daar eenmaal geweest toen ze de deur open hadden. Ik durf niet meer te zeggen hoe lang dat was voordat de politie kwam. Ik kan niet zeggen of ik hun de sleutels van de loods in april of juni heb gegeven. Alles wat ik nu vertel is wat ik feitelijk allemaal uit mijn hoofd weet. Ik heb het niet meer in het dossier teruggelezen. Ik hoef voor mijzelf niet meer na te denken over iets wat ik niet gedaan heb. Ik hoef mij niet in te lezen in wat er is gebeurd in het verleden, omdat ik daar niets mee te maken heb gehad. [betrokkene 3] en [betrokkene 2] kwamen geen koffie drinken met mij in de loods in [plaats] . Zij kwamen af en toe wel langs in [plaats] . Ik ben eenmaal bewust gaan kijken in de loods in [plaats] en toen hadden zij in mijn ruimte een aantal pallets neergezet. Ik kwam daar binnen en zag dat mijn ruimte gewoon vol stond met pallets. Ik zag toen ook dat zij mij mijn heftruck hadden gebruikt. (…) De voorzitter deelt mede de korte inhoud van de dossierstukken betreffende de vordering van [benadeelde] . De gemachtigde van de benadeelde partij geeft te kennen. De benadeelde partij handhaaft haar aanvankelijke vordering en verzoekt uw hof om ook de proceskosten tot een bedrag van 150 euro toe te kennen. De advocaat van de benadeelde partij heeft slechts de vordering ingediend, maar is niet op de terechtzitting aanwezig geweest namens de benadeelde partij. De gevorderde schadevergoeding is gebaseerd op de diefstal van elektriciteit gedurende enkele weken en moet ook op die basis worden toegekend. De vordering van de benadeelde partij mag niet beperkt worden door een kortere periode waarin de hennep is geteeld. Er bestaat een rechtstreeks verband met het ten laste gelegde feit en de gevorderde schade als gevolg van de diefstal. De vordering kan geheel worden toegewezen. Ik verwijs naar de conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad met nummer ECLI:NL:PHR:2017:1064 d.d. 30 juni 2020, waarin het ging om het aanwezig hebben van hennep op slechts één enkele dag, terwijl wij uitgingen van een langere periode van diefstal van energie. Ik wijs ook op het arrest van uw hof met nummer ECLI:NL:GHSHE:2020:2506. (…) Na hervatting van het onderzoek voert de advocaat-generaal het woord tot requisitoir als volgt. Volgens de verdachte hebben anderen deze feiten begaan, maar volgens de officier van justitie en de rechtbank is dat een flauwekulverhaal. Ik ben het met zowel de officier als de rechtbank eens. Bij de behandeling van de feiten viel mij toch op dat de verklaring van verdachte vol zit met eigenaardigheden met betrekking tot de huurovereenkomst, zijn telefoon en met betrekking tot de vraag hoe vaak hij nu wel of niet in het pand is geweest waar de kwekerij was gevestigd. De verdachte komt telkens met een verklaring waarvan je kunt zeggen: “Als dat het enige is, dan valt het wel mee”. Van hetgeen hij verklaart over de handtekening van [betrokkene 3] op het identiteitsbewijs kun je zeggen: “Ja, dat zou kunnen. Dat geldt eigenlijk ten aanzien van alle delen van zijn verklaring, maar je moet kijken naar de som van al die eigenaardigheden. Alles bij elkaar opgeteld moet je concluderen dat het een onaannemelijk/ongeloofwaardig verhaal is. De rechtbank overweegt terecht dat de verdachte een schijnconstructie hanteert en ik ben het daarmee eens. De rechtbank is langs de juiste weg tot een bewezenverklaring van alle feiten is gekomen Het vonnis kan worden bevestigd en dat geldt ook voor de opgelegde straf en voor de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. De gemachtigde van de benadeelde partij heeft op een arrest van uw hof gewezen, maar volgens mij gaat dat wel om een ander geval. In die zaak was slechts één dag ten laste gelegd, maar heeft uw hof gezegd dat de 49 dagen waarin de diefstal van stroom heeft plaatsgevonden rechtstreeks te koppelen is aan hetgeen ten laste was gelegd. In de onderhavige zaak gaat het echter om een eerdere kweek die niet in de tenlastelegging is opgenomen en dan kun je niet meer zeggen dat er een rechtstreeks verband bestaat. Ik ben het eens met wat de rechtbank heeft beslist ten aanzien van die periode. (…) De gemachtigde van de benadeelde partij krijgt het woord om te reageren op het standpunt van de advocaat-generaal en brengt als volgt naar voren. Ik vind het onjuist om een knip te zetten in de onderhavige periode door te zeggen dat er toch geen sprake is van een aaneengesloten periode waarbinnen de diefstal van energie door middel van een illegale aftakking heeft plaatsgevonden. Ik meen dat er voldoende verband bestaat tussen de gevorderde schade en de voorgaande hennepteelt. Indien uw hof toch uitsluitend naar de schade op basis van de aangetroffen teelt wenst te kijken, dan stel ik namens cliënte bij tussenvariant de schade op € 6.057,44. De raadsman voert het woord tot verdediging en verklaart daartoe overeenkomstig de inhoud van de door hem overgelegde pleitnota, die aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.’ 9. De pleitnota van de raadsman van de verdachte houdt onder meer het volgende in: ‘De [verdachte] sprak in verband met het aantreffen van hennepplanten en hardware en stoffen bestemd voor het vervaardigen van synthetische drugs, en ook het aantreffen van een geringe hoerveelheid MDMA en amfetamine al over de huurovereenkomst die hij had gesloten met een [betrokkene 3] , een huurder die zich vooral liet zien, vergezeld van een man die [betrokkene 2] werd genoemd. De rechtbank overwoog dat de getoonde huurovereenkomst onregelmatigheden bevatte en vals moet zijn (vonnis blz 9 en 10). Cliënt bestrijdt dat, althans van zijn zijde hebben geen onregelmatigheden plaatsgevonden. Ik kom er nog op terug, maar eerst de nieuw verkregen inzichten. [betrokkene 4] De [verdachte] stelt dat deze (kandidaat-)huurder werd aangedragen door een kennis van hem, die eerder al ruimte van hem huurde in [plaats] . Deze man, [betrokkene 4] , introduceerde [betrokkene 3] (en in diens kielzog die [betrokkene 2] ) omdat zij opslagruimte zochten voor door het timmerbedrijf van [betrokkene 3] gefabriceerde kozijnen. Dat klonk niet als onlogisch en die [betrokkene 4] had zich eerder als een goed huurder opgesteld; [verdachte] kreeg op geen enkele wijze argwaan. Na de inval door de politie in het bedrijfspand op 19 oktober 2016 werd [verdachte] geconfronteerd met wat ik nu maar gemakshalve de tenlastegelegde contrabande noem, en hij besloot de politie te vertellen wat hij (op dat moment rond de politie-inval) wist. Dat [betrokkene 4] zelf met die contrabande iets van doen zou kunnen hebben, kwam op geen wijze op in het hoofd van [verdachte] . Als gezegd, hij beschouwde hem als slechts de aanbrenger van een nieuwe huurder, die met het huren van de loods zelf geen feitelijke bemoeienis had. Hij kende [betrokkene 4] als een correcte huurder. Bovendien sprak [betrokkene 4] hem al snel na de inval aan met de mededeling dat hij zelf ook door de politie was verhoord en vervolgens weer kon gaan. Het sterkte [verdachte] in de gedachte dat [betrokkene 4] er niks mee te maken zou hebben. Steun voor de redenering, dat [betrokkene 4] als aanbrenger iets te maken had met de huurder [betrokkene 3] , kan worden gevonden in de documentsnamen die het opgemaakte huurcontract kreeg op de pc van de secretaresse van [verdachte] , [betrokkene 5] . Daarin komt de naam [betrokkene 4] voor, omdat het document al moest worden opgemaakt voordat de persoons- en bedrijfsgegevens van [betrokkene 3] bij [verdachte] en [betrokkene 5] bekend waren. Er was voor [verdachte] geen enkele reden om de naam van [betrokkene 4] als een potentiële verdachte te noemen; hij beschouwde hem simpelweg niet als zodanig. Dat veranderde onlangs toen in de media bekend werd dat begin juni van dit jaar een 53-jarige man uit [plaats] bij een explosie in een drugslab in [plaats] om het leven was gekomen. Al snel werd bekend dat het [betrokkene 4] betrof, en dat was de aanleiding voor [verdachte] om te gaan veronderstellen dat deze [betrokkene 4] wel meer te maken zou kunnen hebben bij de in [plaats] ontdekte hennepkwekerij en synthetische drugs en voorbereidingshandelingen. Ik merk op dit moment nog op dat er zich in deze strafzaak Superia een MMA-melding bevindt die inhoudt dat een auto gekentekend op naam van [betrokkene 4] kort voor de inval van de politie nog bij de loods was geweest, kennelijk op een verdachte wijze; daarvan zijn ook camerabeelden van een buurman veiliggesteld. [betrokkene 4] werd daarnaar bevraagd en ontkende; de auto zou wel geleend zijn door [verdachte] . Hij kwam er mee weg, alhoewel de politie uit het onderzoek naar de pc van [betrokkene 5] wist dat zijn naam voorkwam in de bestandsnaam van de opgeslagen huurovereenkomst. En hij mogelijk bij de politie ook wel bekend was in relatie tot de productie van synthetische drugs. [verdachte] ontkent ooit de auto van [betrokkene 4] te hebben gebruikt. Hij heeft zelf voldoende auto’s tot zijn beschikking. Dat [verdachte] bij deze tenlastegelegde contrabande-feiten als pleger of medepleger betrokken was kan overigens niet uit de bewijsmiddelen blijken. Meer bepaald niet dat hij wetenschap had van de aanwezigheid van die stoffen en voorwerpen of dat hij daar enige beschikkingsmacht over had. (Totstandkoming) Huurovereenkomst Ik kom nog terug op de belastend geachte omstandigheden rond de totstandkoming van de huurovereenkomst. Onregelmatigheden, dus een vals document, volgens de Rechtbank. Op blz 8 van het vonnis wordt de verklaring van [verdachte] over de totstandkoming van de huurovereenkomst samengevat weergegeven. Dat deze werkelijk bestaande [betrokkene 3] , daarmee door een verhorend politieambtenaar geconfronteerd, alles bloot ontkent, hoeft echter geen waarheidsgetrouwe weergave van de feitelijkheden te zijn. Sterker nog, als de [betrokkene 3] zou erkennen dat de stellingen van [verdachte] waar zijn, maakt hij zichzelf serieus verdachte in deze strafzaak. Ontkennen door deze [betrokkene 3] is derhalve niet gemakkelijk op voorhand voor waarheid aan te nemen. Indien [betrokkene 3] de huurder was, zal hij weten waarom hij de ruimtes van [verdachte] huurt: namelijk om er hardware ten behoeve van synthetische drugsproductie en kennelijk ook een hoeveelheid eindproduct (mogelijk achtergebleven in stoffen waarmee het eindproduct gemaakt werd) in te stallen. Dan zal [betrokkene 3] ook maatregelen hebben getroffen om ontdekking te bemoeilijken, en om na een onverhoopte ontdekking zélf buiten schot te blijven. Het is dan juist niet aan [verdachte] tegen te werpen dat het bij de huurovereenkomst gevoegde uittreksel Kamer van Koophandel een onjuist inschrijvingsnummer vermeld. Het klopte dat deze [betrokkene 3] tot voor kort een eigen timmerbedrijf had, hij was dus ingeschreven geweest bij de KvK, en had alle redenen om daarop wat vervalsingen aan te brengen alvorens hij dat exemplaar van het uittreksel aan [verdachte] overhandigde. Niet [verdachte] maar juist deze [betrokkene 3] had alle reden om onjuiste gegevens in de huuroverkomst op te (doen) nemen. En omgekeerd: [verdachte] zou er juist belang bij hebben om alle gegevens (zoals het juiste inschrijvingsnummer KvK) op juiste manier in/bij het document te laten opnemen. Ook in mijn pleidooi van eerste aanleg merkte ik al op dat uit het aanvullend dossier d.d. 27 november 2017 van de hand van inspecteur [verbalisant 4] (blz 94) blijkt dat [betrokkene 3] over zijn where-abouts ten tijde van de totstandkoming van de huurovereenkomst had gelogen. Hij verklaarde in die periode in dienst te zijn geweest bij/via een uitzendbureau [C] te [plaats] . Dat blijkt volgens de manager van het dat uitzendbureau niet het geval geweest te zijn. Dat geeft toch te denken, en in elk geval durf ik daardoor niet rechtens voor waar aan te nemen dat het [verdachte] is die liegt over de totstandkoming van de huurovereenkomst, en niet [betrokkene 3] En wat moet ik denken van de verklaring van [betrokkene 3] dat hij voor- en achterkant van zijn identiteitsbewijs heeft gefotografeerd en opgeslagen op zijn mobiele telefoon, en die fotobestandjes aan Jan en alleman verstuurde (kennelijk suggererend dat derden die ontvangen bestandjes daarna gemakkelijk kunnen misbruiken). Ik stel vast dat uit het dossier niet blijkt dat hij die ook ooit heeft verzonden aan [verdachte] , die daar vervolgens mee frauderen kon. En dan kon [verdachte] dus ook nog beschikken over een te vervalsen uittreksel KvK? Nee, het heeft er meer dan de schijn van dat [betrokkene 3] zelf zowel zijn identiteitsbewijs en dat uittreksel heeft overhandigd aan [verdachte] of [betrokkene 5] , ten behoeve van het opmaken van de huurovereenkomst. [verdachte] verklaart de persoon op de pasfoto van het identiteitsbewijs positief te herkennen ais degene met wie hij de huurovereenkomst is aangegaan. Dat [betrokkene 3] dat vervolgens ontkent zegt mij niet dat het daarom [verdachte] is die van deze twee de waarheid niet spreekt. Ook secretaresse van [verdachte] [betrokkene 5] verklaart deze [betrokkene 3] zelf te hebben gezien. De politie laat echter na om haar te onderwerpen aan foto-confrontatie of iets dergelijks om de verklaring van [verdachte] omtrent de persoon van de werkelijke huurder te verifiëren dan-wel te falsificeren. In verband met deze totstandkoming van de huurovereenkomst heb ik geprobeerd de handtekening op het identiteitsbewijs te vergelijken met die op de huurovereenkomst., Nu ben ik, net als alle andere professionele deelnemers aan deze behandeling ter zitting, daarin niet deskundig te achten, maar ik durf de conclusie niet te trekken dat de huurovereenkomst duidelijk niet door [betrokkene 3] kan zijn ondertekend. Telefoon achterlaten bij [D] Dan is er nog de verklaring van [verdachte] over het achterlaten van zijn telefoon bij het bedrijf [D] . Omdat een medewerker van dat bedrijf ( [getuige] ) dat ontkent, wordt de verklaring van [verdachte] leugenachtig genoemd, daarmee bewust de mogelijkheid frustrerend om nader onderzoek te doen. Dat is nogal wat! Ik vernam van [verdachte] dat hij veel later die [getuige] nog eens sprak, en die vertelde dat hij omtrent de telefoon van [verdachte] was gehoord door de politie, maar dat hij natuurlijk niet zomaar telefoons van cliënten aan de politie zal afgeven. In dat geval dus een jokkende [getuige] (in plaats van [verdachte] ), in een poging om [verdachte] van dienst te zijn. De politie had gemakkelijk een vordering aan de Officier van Justitie moeten vragen, strekkende tot uitlevering van de telefoon door [getuige] . Het is achterwege gelaten. Zo is meer onderzoek achterwege gelaten: Geen fotoconfrontatie mbt de persoon van de huurder aan [betrokkene 5] Kennelijk geen onderzoek naar het voorkomen van namen van deze [betrokkene 3] en [betrokkene 4] in de politieregisters. Na de simpele en blote (dat wil zeggen niet geschraagde) ontkenning door [betrokkene 3] (en [betrokkene 4] ) hadden voor een korte tijd historische printgegevens van hun telefoons kunnen worden opgevraagd en bestudeerd. Nieuwere auto’s zijn vanzelf al uitgerust met een gps-systeem of een computer-verbinding (met een uniek ip-nummer). (…) Uit de processtukken kan niet een voldoende mate van overtuiging worden bekomen dat [verdachte] zich als pleger of medepleger heeft schuldig gemaakt aan de tenlastegelegde feiten. In eerste aanleg werd door de verdediging gewezen op een tweetal overwegingen uit een Conclusie van Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad Harteveld, met betrekking tot de aan te leggen maatstaven omtrent die rechterlijke overtuiging bij een ontkennende verdachte. Zonder in herhaling te willen vallen verwijs ik naar die samengevatte regels, en verzoek u om [verdachte] vrij te spreken van het hem tenlastegelegde, al was het maar vanwege het geldende principe: in dubio pro reo.’ Bespreking van het eerste middel 10. Het middel bevat de klacht dat het hof ‘ten onrechte althans onbegrijpelijk danwel ontoereikend gemotiveerd de in het arrest vermelde feiten bewezen heeft verklaard terwijl dit niet (in voldoende mate) uit de bewijsmiddelen kan volgen’ en/of dat het hof ‘niet in voldoende mate heeft gerespondeerd op zijdens de verdediging aangevoerde uitdrukkelijk onderbouwde standpunten’. Aangevoerd wordt dat het verweer is gevoerd dat de verdachte de onderhavige ruimte(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.