← Nederland

ECLI:NL:PHR:2025:958

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/00807 P Zitting 4 november 2025 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [betrokkene] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, hierna: de betrokkene 1Inleiding 1.1 Het gerechtshof Amsterdam heeft – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad – bij arrest van 29 februari 2024 (parketnr. 23-002622-22) het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 149.387,60 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 149.387,60 aan de Staat ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. M.J. van Berlo en R.J. Baumgardt, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld. 2Waar het in cassatie om gaat 2.1 In deze ontnemingszaak gaat het in cassatie om de (overschrijding van) de redelijke termijn. Het middel bestaat uit drie deelklachten. De eerste daarvan betreft het aanvangsmoment van de redelijke termijn in eerste aanleg. De tweede deelklacht verzet zich tegen het oordeel van het hof dat compensatie voor de overschrijding van de redelijke termijn in het eerdere hoger beroep in de strafzaak reeds heeft plaatsgevonden. De derde deelklacht richt zijn pijlen op het (impliciete) oordeel van het hof dat niet tot nadere compensatie hoeft te leiden dat in de eerdere cassatieprocedure de redelijke termijn is geschonden doordat het hof de stukken niet tijdig naar de Hoge Raad had gezonden. 2.2 Deze conclusie strekt tot verwerping van het middel. 3Het middel Eerste deelklacht 3.1 Deze klacht bestrijdt het oordeel van het hof dat als aanvangsmoment van de redelijke termijn in eerste aanleg geldt het moment waarop de officier van justitie het voornemen kenbaar heeft gemaakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, te weten op 18 juli 2018, zodat de redelijke termijn – omdat de rechtbank op 19 maart 2019 vonnis heeft gewezen – in eerste aanleg niet is overschreden. Volgens de steller van het middel getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting en/of is het onbegrijpelijk nu in het vonnis “is vastgesteld dat betrokkene reeds op 10 oktober 2016 op de hoogte is geraakt van de omstandigheid dat tegen hem een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in art. 126 Sv is ingesteld”. 3.2 Het hof heeft het volgende vastgesteld inzake het procesverloop: “Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 485.581,

  1. De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 6 september 2018 veroordeeld ter zake van - kort gezegd - het medeplegen van witwassen een gewoonte maken. Voorts heeft de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 19 maart 2019 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 485.581,19 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en bepaald dat de betrokkene tot een bedrag van € 407.033,55 hoofdelijk aansprakelijk is. Tegen beide vonnissen is door of namens de betrokkene hoger beroep ingesteld. De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 9 juni 2021 veroordeeld ter zake van - kort gezegd - het plegen van witwassen een gewoonte maken. Voorts heeft het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 9 juni 2021 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 298.766,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en bepaald dat de betrokkene voor het gehele bedrag hoofdelijk aansprakelijk is. Tegen beide arresten is door of namens de betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Op 4 oktober 2022 is het arrest in de strafzaak onherroepelijk geworden. Diezelfde dag heeft de Hoge Raad der Nederlanden (hierna: Hoge Raad) de bestreden uitspraak in de ontnemingszaak vernietigd, omdat bij toepassing van artikel 36e, derde lid, Sr oplegging van een hoofdelijke betalingsverplichting niet mogelijk is, en de zaak teruggewezen naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.” 3.3 Het hof heeft inzake de overschrijding van de redelijke termijn als volgt overwogen: “Verplichting tot betaling aan de Staat Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat aan de betrokkene de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 255.150,
  2. Ter onderbouwing heeft zij aangevoerd dat kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden, omdat die overschrijding gering is en de betrokkene daar geen last van heeft gehad. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht bij de oplegging van de betalingsverplichting rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Oordeel van het hof In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht van iedere betrokkene gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Uitgangspunt is dat een termijn van 2 jaren per instantie als redelijk is aan te merken. In eerste aanleg geldt als aanvangsmoment van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in dit geval het moment waarop de officier van justitie het voornemen kenbaar heeft gemaakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, te weten op 18 juli
  3. De rechtbank heeft binnen 2 jaren – namelijk op 19 maart 2019 – het vonnis gewezen zodat de redelijke termijn in eerste aanleg niet is overschreden. Op 21 maart 2019 is hoger beroep ingesteld. Het hof heeft op 9 juni 2021 arrest gewezen, zodat de redelijke termijn in hoger beroep met ruim 2 maanden is overschreden. Ook in de strafzaak is geoordeeld dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden en heeft die overschrijding een matiging van de aan de betrokkene opgelegde straf tot gevolg gehad. Daarmee is de schending van de redelijke termijn in hoger beroep, ook in deze ontnemingszaak, voldoende gecompenseerd. Daarom volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn ook in de ontnemingszaak in hoger beroep is overschreden. Op 21 juni 2021 is beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft op 4 oktober 2022 arrest gewezen. Bij deze stand van zaken, waarbij het hof in aanmerking neemt dat de behandeling in haar geheel, inclusief het beroep in cassatie en behandeling (opnieuw) door het hof, minder dan 6 jaren heeft geduurd, zal het hof geen matiging toepassen op de op te leggen betalingsverplichting. Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 149.387,60.” 3.4 Inzake de aanvang van de redelijke termijn heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis als volgt overwogen: “Toetsing door de Hoge Raad als cassatierechter 3.
  4. Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad het oordeel van de feitenrechter inzake het tijdsverloop vòòr de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld. Dat onderzoek wordt als volgt begrensd: a. Het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter. b. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. 3.
  5. Bij deze toetsing geldt als uitgangspunt dat de rechter ambtshalve dient te onderzoeken of inbreuk is gemaakt op de onderhavige garantie van art. 6, eerste lid, EVRM. Hij behoeft in zijn uitspraak echter alleen in de volgende gevallen te doen blijken van dat onderzoek: a. Als ter terechtzitting door of namens de verdachte ter zake verweer is gevoerd, aangezien op een zodanig verweer een gemotiveerde beslissing dient te worden gegeven. b. […] 3.
  6. Opmerking verdient dat in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop vòòr de bestreden uitspraak: a. Wanneer de zaak in laatste feitelijke aanleg in tegenwoordigheid van de verdachte en/of diens raadsman is behandeld en ter terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd, en b. […] In deze gevallen moet immers worden aangenomen dat de verdachte niet langer dan redelijk is onder de sub 3.11 bedoelde dreiging van een (verdere) strafvervolging heeft geleefd. 3.
  7. Bij zijn toetsing van het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kent de Hoge Raad gewicht toe aan onder meer de volgende factoren. […] Aanvang van de redelijke termijn 3.12.
  8. In strafzaken kan op het aan de verdachte toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Een meer specifieke regel daaromtrent valt niet te geven. Anders dan wel wordt aangenomen, dwingt art. 6 EVRM niet tot de opvatting dat het eerste verhoor van de verdachte door de politie steeds als zodanige handeling heeft te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt. 3.12.
  9. Ook in ontnemingszaken kan op het recht op een beslissing op de ontnemingsvordering binnen een redelijke termijn inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Dat moment zal in de regel niet samenvallen met dat waarop de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in de met de ontnemingsvordering samenhangende strafzaak begint. Het is aan de feitenrechter om, gelet op de omstandigheden van het geval, dit moment vast te stellen. Hoewel een meer specifieke regel daaromtrent niet valt te geven, zal in het algemeen als aanvangsdatum voor de redelijke termijn aangenomen kunnen worden: a. het in art. 311, eerste lid, Sv bedoelde moment waarop de officier van justitie uiterlijk bij gelegenheid van zijn requisitoir in de hoofdzaak in eerste aanleg zijn voornemen kenbaar maakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, of b. het moment waarop de betrokkene ervan op de hoogte geraakt dat tegen hem een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in art. 126 Sv is ingesteld, of c. het moment waarop de in art. 511b Sv bedoelde vordering aan de betrokkene is betekend. Onder omstandigheden zijn ook andere aanvangsmomenten aan te wijzen, bijvoorbeeld in het geval dat de positie van de betrokkene in belangrijke mate wordt beïnvloed door een specifiek op voordeelsontneming gerichte beslaglegging op grond van art. 94a Sv.” 3.5 De rechtbank heeft in het vonnis van 19 maart 2019 inzake het aanvangsmoment van de redelijke termijn onder meer overwogen: “Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval als aanvangsmoment van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn aan te merken het moment waarop de betrokkene ervan op de hoogte geraakt dat tegen hem een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in art. 126 Sv is ingesteld, te weten 10 oktober 2016.” 3.6 In de ter terechtzitting in hoger beroep van 1 februari 2024 overgelegde pleitnota heeft de raadsman inzake de overschrijding van de redelijke termijn het volgende aangevoerd (met overneming van twee voetnoten): “Primair en meer subsidiair ten aanzien van de schending van de redelijke termijn:
  10. Mocht u de verdediging volgen in diens primair gevoerde verweer dan wil ik u vragen om bij de oplegging van de uiteindelijk betalingsverplichting rekening te houden met de schending van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg, als het eerste hoger beroep. Daarnaast wil ik u vragen acht te slaan op de lengte van de procedure in zijn geheel welke momenteel al bijna 7 ½ jaar beslaat.
  11. Het hof heeft de schending van de redelijke termijn in hoger beroep verdisconteert in de opgelegde gevangenisstraf maar het staat uw hof vanzelfsprekend vrij om hier alsnog in de ontnemingszaak een rechtsgevolg aan te verbinden. De verdediging zou dit met het oog op de lengte van de procedure in zijn geheel - en mede in het licht van de jurisprudentie van het EHRM waar in beginsel wordt uitgegaan van de vuistregel van grofweg 1 jaar per instantie - redelijk en billijk achten.
  12. Mocht u de verdediging niet volgen in het primair gevoerde verweer en het voorwaardelijk gedane getuigenverzoek afwijzen, dan wil ik Uw hof meer subsidiair vragen om op eenzelfde gronden als aangevoerd onder randnummers 15 en 10 rekening te houden met de schending van de redelijke termijn en dit te verdisconteren in de op te leggen terugbetalingsverplichting.” 3.7 Het hof heeft geoordeeld dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, omdat het aanvangsmoment van de redelijke termijn 18 juli 2018 is, het moment waarop de officier van justitie het voornemen “kenbaar heeft gemaakt” een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, en de rechtbank vonnis heeft gewezen op 19 maart
  13. 3.8 Vaststaat dat de rechtbank 10 oktober 2016 als aanvangsmoment van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn heeft genomen. Omdat de rechtbank uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven als aanvangsmoment aan te merken “het moment waarop de betrokkene ervan op de hoogte geraakt” dat tegen hem een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, impliceren de overwegingen van de rechtbank dat dit was op 10 oktober
  14. De rechtbank en het hof hebben dus niet alleen andere tijdstippen als aanvangsmoment aangemerkt, maar hebben ook verschillende gronden gebruikt om het aanvangsmoment te bepalen. De enkele omstandigheid dat het hof op basis van een andere grond van een ander aanvangsmoment dan de rechtbank is uit gegaan, betekent nog niet dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is, aangezien het hof daarvoor goede redenen kan hebben. 3.9 Ook bij nadere inspectie getuigt het bestreden oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel niet onbegrijpelijk. In hoger beroep is door de raadsman niet aangevoerd dat de betrokkene op 10 oktober 2016 ervan op de hoogte is geraakt dat tegen hem een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in art. 126 Sv is ingesteld, maar is enkel in een voetnoot opgemerkt dat 10 oktober 2016 het “startpunt strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in art. 126 Sv” is. Gelet op het onder 3.4 genoemde arrest HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, r.o. 3.9 kan in de onderhavige zaak in cassatie niet met vrucht worden geklaagd dat het hof het aanvangsmoment had moeten bepalen aan de hand van het moment waarop de betrokkenen op de hoogte raakte. Overigens heeft niet alleen de verdediging in hoger beroep geen gegevens aangedragen aan de hand waarvan dat moment zou kunnen hebben worden bepaald, ook de rechtbank onthult niet waaruit haar zou zijn gebleken dat de betrokkene op 10 oktober 2016 op de hoogte is geraakt van het strafrechtelijk financieel onderzoek, en dit blijkt trouwens evenmin uit het cassatiemiddel en de toelichting daarop. Ook daarom getuigt het niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het ook niet onbegrijpelijk dat het hof 18 juli 2018 als aanvangsmoment van de redelijke termijn in eerste aanleg heeft genomen op de grond dat dit het moment is waarop de officier van justitie het voornemen kenbaar heeft gemaakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken. 3.10 Voor verder onderzoek van feitelijke aard naar het aanvangsmoment van de redelijke termijn is in cassatie in het onderhavige geval in mijn ogen geen plaats. Het antwoord op de vraag op welk moment een betrokkene op de hoogte is geraakt van een tegen hem ingesteld strafrechtelijk financieel onderzoek is namelijk niet steeds eenvoudig te achterhalen en/of eenduidig, mede omdat dit moment niet uit de stukken hoeft te blijken, zelfs niet uit de stukken achter de papierenmuur. Dat ligt anders bij handelingen jegens de betrokkene waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Een voorbeeld daarvan is de inverzekeringstelling. In HR 31 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1470 had de raadsman van de verdachte in hoger beroep aangevoerd dat het eerste verhoor van de verdachte als aanvangsmoment diende te gelden. Het hof oordeelde dat geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, omdat de inleidende dagvaarding was betekend op 11 januari 2019 en de rechtbank op 13 juni 2019 vonnis had gewezen. In cassatie werd aangevoerd dat het hof het eerste verhoor op 8 november 2016 en/of doorzoekingen op 24 november 2016 als aanvangsmoment had moeten nemen. De Hoge Raad blikte over de papieren muur en overwoog dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk was, omdat het hof had miskend dat “de verdachte op 8 november 2016 in verzekering is gesteld en dat tussen die datum en de datum waarop de rechtbank vonnis heeft gewezen, meer dan twee jaren en zeven maanden zijn verstreken”. Een dergelijke eenvoudige en precieze vaststelling is in gevallen zoals in de onderhavige zaak niet mogelijk. 3.11 De eerste deelklacht faalt. Tweede deelklacht 3.12 De tweede deelklacht betwist het oordeel van het hof dat in het eerdere hoger beroep in de ontnemingszaak de redelijke termijn is overschreden, maar dat dit niet tot matiging hoeft te leiden, nu ook in de strafzaak is geoordeeld dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden en de overschrijding in de strafzaak reeds matiging tot gevolg heeft gehad zodat ook de schending van de redelijke termijn in hoger beroep in de ontnemingszaak voldoende is gecompenseerd en het hof kan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn ook in de ontnemingszaak in hoger beroep is overschreden. De stellers van het middel voeren aan dat dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en/of onbegrijpelijk is, omdat het hof niet heeft vastgesteld dat “in de strafzaak (telkens) sprake is geweest van hetzelfde tijdsverloop” en omdat de strafzaak was beëindigd op het moment waarop de straf is gematigd, terwijl dat niet het geval was in de ontnemingszaak. 3.13 Het arrest in hoger beroep in de strafzaak is van 9 juni
  15. Daarin heeft het hof inzake de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep overwogen dat de rechtbank op 6 september 2018 uitspraak heeft gedaan, dat gelet op de datum van het arrest de procedure in hoger beroep een periode van 2 jaar en 9 maanden heeft belopen en de redelijke termijn met 9 maanden is overschreden. Dit heeft het hof ertoe gebracht om van de gevangenisstraf van 16 maanden 6 maanden voorwaardelijk op te leggen. 3.14 In het ontnemingsarrest van 9 juni 2021 – dat is het arrest dat is gewezen op het eerste hoger beroep, dat werd ingesteld tegen het ontnemingsvonnis van 19 maart 2019 – heeft het hof inzake de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep overwogen dat in de samenhangende strafzaak is geoordeeld dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden, dat die overschrijding matiging van de aan de betrokkene opgelegde straf tot gevolg heeft gehad, dat daarmee de schending van de redelijke termijn in hoger beroep ook in de ontnemingszaak voldoende is gecompenseerd en dat het hof daarom volstaat met de constatering dat de redelijke termijn ook in de ontnemingszaak in hoger beroep is overschreden. 3.15 In lijn hiermee heeft het hof in het thans in cassatie bestreden ontnemingsarrest van 29 februari 2024 – dat door het hof is gewezen nadat de Hoge Raad de zaak in de eerdere cassatieprocedure heeft teruggewezen – geoordeeld dat op 21 maart 2019 hoger beroep is ingesteld, dat het hof op 9 juni 2021 arrest heeft gewezen, dat de redelijke termijn in hoger beroep met ruim 2 maanden is overschreden, dat ook in de strafzaak is geoordeeld dat de redelijke termijn is overschreden en dat die overschrijding een matiging van de aan de betrokkene opgelegde straf tot gevolg heeft gehad, dat daarmee de schending van de redelijke termijn in hoger beroep ook in de ontnemingszaak voldoende is gecompenseerd en dat het hof daarom volstaat met de constatering dat de redelijke termijn ook in de ontnemingszaak in hoger beroep is overschreden. 3.16 De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep in de strafzaak bedroeg 9 maanden terwijl de overschrijding in de ontnemingszaak neerkwam op ruim 2 maanden. Erop gelet dat de overschrijding in de strafzaak groter is dan in de ontnemingsprocedure, staat het verschil in overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep er op zichzelf niet aan in de weg dat het hof in het bestreden ontnemingsarrest heeft kunnen oordelen dat in de strafzaak is geoordeeld dat de redelijke termijn is overschreden, dat die overschrijding een matiging van de aan de betrokkene opgelegde straf tot gevolg heeft gehad en dat daarmee de schending van de redelijke termijn in hoger beroep ook in de ontnemingszaak voldoende is gecompenseerd. Niet is immers vereist dat de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep in de ontnemingszaak hetzelfde is als in de achterliggende strafzaak. 3.17 Het hof heeft vastgesteld dat ook in de strafzaak is geoordeeld dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden en dat die overschrijding een matiging van de aan de betrokkene opgelegde straf tot gevolg heeft gehad. Hieruit volgt dat het hof kennis heeft genomen van de overwegingen van het hof in de strafzaak, die mede inhouden dat het “een overschrijding van de redelijke termijn van negen maanden” betreft, en dat het hof de overschrijding in de strafprocedure bij diens oordeel onder ogen moet hebben gezien. Hoewel het duidelijker zou zijn geweest als het hof hierbij zou hebben geëxpliciteerd dat de termijnoverschrijding in de strafprocedure in hoger beroep 9 maanden betrof, maakt dit het oordeel van het hof – dat met de in de strafzaak geboden compensatie de schending van de redelijke termijn in hoger beroep ook in deze ontnemingszaak voldoende is gecompenseerd – niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk. Dat is niet anders in het licht van het door de stellers van het middel genoemde arrest HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1287, aangezien dit betrekking heeft op een andere situatie dan waarom het in de onderhavige zaak gaat. 3.18 Dat de strafzaak was beëindigd op het moment waarop de straf is gematigd, terwijl dat niet het geval was in de ontnemingszaak, maakt het bestreden oordeel van het hof eveneens niet onbegrijpelijk en dit oordeel getuigt om die reden evenmin van een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheid dat in de ontnemingszaak na het hoger beroep cassatie is ingesteld, het arrest door de Hoge Raad is vernietigd en de zaak is teruggewezen, laat de (overschrijding van de) redelijke termijn in (het eerste) hoger beroep onverlet. De appelprocedure tot aan de – gecasseerde – uitspraak, de cassatiefase en de appelprocedure na terugwijzing of verwijzing van de zaak door de Hoge Raad moeten immers als onderscheidenlijke procesfases afzonderlijk worden beoordeeld. Ten overvloede wijs ik er verder nog op dat zich in de onderhavige zaak niet het geval voordoet dat in (het eerste) hoger beroep in de ontnemingszaak op een later tijdstip uitspraak is gedaan dan in het hoger beroep in de strafzaak, nu beide uitspraken van 9 juni 2021 zijn. 3.19 De tweede deelklacht faalt. Derde deelklacht 3.20 Tot slot verzet het middel zich – als ik het goed begrijp – tegen het (impliciete) oordeel van het hof dat niet tot nadere compensatie hoeft te leiden dat in de eerdere cassatieprocedure de redelijke termijn is geschonden doordat het hof de stukken niet tijdig naar de Hoge Raad had gezonden. 3.21 Het hof heeft inzake de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie in de eerste cassatieprocedure als volgt overwogen: “Op 21 juni 2021 is beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft op 4 oktober 2022 arrest gewezen. Bij deze stand van zaken, waarbij het hof in aanmerking neemt dat de behandeling in haar geheel, inclusief het beroep in cassatie en behandeling (opnieuw) door het hof, minder dan 6 jaren heeft geduurd, zal het hof geen matiging toepassen op de op te leggen betalingsverplichting. Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 149.387,60.” 3.22 De conclusie in de eerste cassatieprocedure in deze zaak van A-G Aben voorafgaand aan HR 4 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1359 houdt het volgende in: “Het tweede middel
  16. Het tweede middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
  17. Namens de verdachte is op 21 juni 2021 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 8 maart 2022 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Het middel is terecht voorgesteld.
  18. Indien de Hoge Raad mij volgt in de slotsom dat het eerste middel leidt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het hof, zal dit punt over de redelijke termijn bij de nieuwe behandeling van de zaak door het hof aan de orde kunnen worden gesteld.” 3.23 In dat arrest van 4 oktober 2022 vernietigde de Hoge Raad de uitspraak van het hof en wees de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw kon worden berecht en afgedaan. 3.24 In HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, NJ 2024/133, r.o. 3.2 heeft de Hoge Raad overwogen dat kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden ingeval de overschrijding van de redelijke termijn minder dan één maand bedraagt. De overschrijding van de inzendtermijn van 8 maanden in de eerste cassatieronde behelst 2 weken en 1 dag. 3.25 Voorts overwoog de Hoge Raad in HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, r.o. 3.5.2 dat bij overschrijding van de inzendingstermijn geen vermindering van de in laatste feitelijke instantie opgelegde straf onderscheidenlijk het vastgestelde ontnemingsbedrag plaatsvindt indien de overschrijding door een bijzonder voortvarende behandeling van het cassatieberoep is gecompenseerd. Daarvan is hier sprake: de termijn voor de voortvarende afdoening in de eerste cassatieronde liep af op 21 oktober 2022, terwijl de Hoge Raad uitspraak deed op 4 oktober
  19. De overschrijding van de inzendtermijn hoeft daarom niet tot (verdere) compensatie te leiden. 3.26 Tot slot merk ik op dat de verdediging zich in voetnoot 10 van de in hoger beroep van 1 februari 2024 overgelegde pleitnota (zie onder 3.6) uitlaat over de voortvarende afdoening door de Hoge Raad in de eerste cassatieronde: “De verdediging heeft de schending van de inzendtermijn in cassatie overigens buiten beschouwing gelaten nu de HR wel met de benodigde voortvarendheid uitspraak gedaan heeft.” Bij deze stand van zaken was het hof niet gehouden tot een nadere motivering wat betreft de overschrijding van de inzendingstermijn dan waarvan reeds blijkt uit diens arrest. 3.27 Ook de derde deelklacht faalt. 4Afronding 4.1 Het middel faalt. De tweede en derde deelklacht kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO. 4.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 4.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG HR 4 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:
  20. De voetnoot houdt in: “10 De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het hof na terugverwijzing door de HR acht dient te slaan op tijdsverloop voor gecasseerde uitspraak als op tijdsverloop incassatiefase en periode van hoger beroep na terugverwijzing door de Hoge Raad: HR 15 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:
  21. De verdediging heeft de schending van de inzendtermijn in cassatie overigens buiten beschouwing gelaten nu de HR wel met de benodigde voortvarendheid uitspraak gedaan heeft.” De voetnoot houdt in: “11 Uitgaande van 10 oktober 2016 (startpunt strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in art. 126 Sv) als startpunt van de redelijke termijn.” Zie over de papieren muur A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 256-
  22. Zie HR 17 juni 2008, ECLI: NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, r.o. 3.12.1, opgenomen onder 3.4 HR 31 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1470, r.o. 5.
  23. In dit arrest overwoog de Hoge Raad: “Het oordeel van het hof dat kan worden volstaan met de constatering van de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep, omdat in de strafzaak compensatie plaatsvindt voor deze overschrijding is niet zonder meer begrijpelijk, nu uit de overwegingen van het hof in de strafzaak volgt dat die strafvermindering enkel wordt toegepast ter compensatie van de schending van de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep, en dus niet voor het tijdsverloop in eerste aanleg.” HR 15 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:88, NJ 2022/98, r.o. 2.3 en HR 11 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:347, r.o. 2.
  24. Vgl. HR 15 maart 2024, ECLI:NL:HR:2025:577, r.o. 2.3.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.