PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/03432 Zitting 23 januari 2026 CONCLUSIE F. Ibili In de zaak Stichting Elco Foundation,gevestigd te Amsterdam,eiseres tot cassatie tegen 1. Coöperatieve Rabobank U.A.,gevestigd te Amsterdam,de rechtspersonen naar buitenlands recht: 2. Lloyds Bank plc,gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk, 3. UBS AG,gevestigd te Zürich, Zwitserland, 4. UBS Securities Japan Co. Ltd,gevestigd te Tokio, Japan, 5. ICAP Europe Ltd,gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,verweersters in cassatie Partijen worden hierna verkort aangeduid als de Stichting respectievelijk Rabobank, Lloyds, UBS Zwitserland, UBS Japan en ICAP. Verweersters in cassatie worden tezamen aangeduid als Rabobank c.s. 1Inleiding 1.1 In deze collectieve actie op grond van art. 3:305a (oud) BW vordert de Stichting verklaringen voor recht over onrechtmatige gedragingen van Rabobank c.s. in verband met vermeende ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR rentebenchmark. De Stichting heeft hieraan ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat sprake is geweest van een samenwerking tussen Rabobank c.s. in de vorm van een op grond van art. 101 VWEU verboden kartel waarin (pogingen tot) de ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR onderling werd(
(3)doordat zij, althans haar werknemers, heeft/hebben samengespannen met een of meer medegedaagden, welke samenspanning een ‘overeenkomst’ althans ‘onderling afgestemde gedragingen’ vormt/vormen in de zin van art. 101 VWEU, teneinde rentebenchmarks te manipuleren;(B) gelet op het onrechtmatig manipuleren van rentebenchmarks door haar en/of een of meer medegedaagden, en gelet op de kans op het aldus door haar en/of een of meer medegedaagden toebrengen van schade aan belanghebbenden, zich had moeten onthouden van haar in groepsverband verrichte gedragingen ten aanzien van de rentebenchmarks met een of meer medegedaagden zoals bedoeld in art. 6:166 lid 1 BW;(C) (op structurele en/of doorlopende basis) in de periode van 1 januari 2005 t/m 30 november 2010 ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van belanghebbenden. 2.11 In deze procedure vordert de Stichting ten aanzien van Lloyds, UBS c.s. en ICAP (hierna gezamenlijk: Lloyds c.s.), voor zover van belang, dat voor recht zal worden verklaard dat Lloyds c.s.: (D) ieder voor zich, althans hun werknemers, in de periode van 1 januari 2006 t/m 31 juli 2009 (Lloyds), 1 januari 2001 t/m 30 juni 2010 (UBS c.s.) en 1 juli 2006 t/m 31 december 2010 (ICAP) (op structurele en/of doorlopende basis) onrechtmatig hebben gehandeld jegens belanghebbenden doordat zij, althans hun werknemers, hebben samengespannen met een of meer medegedaagden, welke samenspanning een ‘overeenkomst’ althans ‘onderling afgestemde gedragingen’ vormt/vormen in de zin van art. 101 VWEU, teneinde de JPY LIBOR te manipuleren;(E) ieder voor zich, althans hun werknemers, gelet op het onrechtmatig manipuleren van de JPY LIBOR door haar en/of een of meer medegedaagden, en gelet op de kans op het aldus door haar en/of een of meer medegedaagden toebrengen van schade aan belanghebbenden, zich had moeten onthouden van haar in groepsverband verrichte gedragingen ten aanzien van de JPY LIBOR met een of meer medegedaagden zoals bedoeld in art. 6:166 lid 1 BW. 2.12 Bij vonnis in incident van 14 augustus 2019 heeft de rechtbank Amsterdam, voor zover van belang, als volgt beslist. De Nederlandse rechter is internationaal bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen A, B en C (rov. 5.1). Ook is de Nederlandse rechter internationaal bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen D en E, voor zover het JPY LIBOR betreft. Voor het overige (vorderingen anders dan onder A t/m E, die in hoger beroep en cassatie geen rol spelen) komt de Nederlandse rechter geen internationale bevoegdheid toe. (rov. 7.1 t/m rov. 7.23) 2.13 Bij vonnis van 9 december 2020 heeft de rechtbank Amsterdam de Stichting niet-ontvankelijk verklaard in haar collectieve actie. 2.14 Bij tussenarrest van 5 maart 2024 heeft het hof Amsterdam, voor zover van belang, als volgt beslist. De rechtbank heeft zich terecht bevoegd geacht ten aanzien van de vorderingen A, B en C (rov. 4.6). Ook is de rechtbank bevoegd ten aanzien van vordering D (rov. 4.8 t/m 4.12). Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, komt de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toe ten aanzien van vordering E (rov. 4.13). De rechtbank heeft de Stichting terecht niet-ontvankelijk verklaard wat betreft vordering C. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is de Stichting wel ontvankelijk wat betreft de vorderingen A, B en D. (rov. 4.14 t/m 4.25) 2.15 Bij eindarrest van 11 juni 2024 heeft het hof Amsterdam de vonnissen van de rechtbank vernietigd (voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen) en, opnieuw rechtdoende, de Nederlandse rechter internationaal bevoegd verklaard om kennis te nemen van vordering D, de Nederlandse rechter onbevoegd verklaard om kennis te nemen van vordering E, de Stichting ontvankelijk verklaard wat betreft de vorderingen A, B en D, de Stichting niet-ontvankelijk verklaard wat betreft vordering C, en de zaak teruggewezen naar de rechtbank Amsterdam ter verdere afdoening. Ten slotte heeft het hof verlof verleend om cassatie in te stellen. 2.16 De Stichting heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen het tussen- en eindarrest van het hof. Rabobank c.s. hebben verweer gevoerd. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, gevolgd door re- en dupliek. 3Bespreking van het cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen. 3.2 Onderdeel 1 bestrijdt rov. 4.13 van het tussenarrest waarin het hof heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft om kennis te nemen van vordering E op Lloyds c.s. Alvorens de klachten tegen dit bevoegdheidsoordeel te bespreken, merk ik het volgende op. 3.3 De internationale bevoegdheid, ook wel rechtsmacht, van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van de vorderingen van de Stichting in deze collectieve actie moet worden beoordeeld volgens verschillende bronnen van internationaal privaatrecht. Hiervoor is het volgende van belang. De vorderingen A, B en C hebben betrekking op Rabobank en de vorderingen D en E hebben betrekking op Lloyds c.s. Voor zover het gaat om de vorderingen op Rabobank, geldt voor de beoordeling van de rechtsmacht de Verordening Brussel I-bis. Ingevolge art. 4 lid 1 jo. art. 63 lid 1 sub a Brussel I-bis is de Nederlandse rechter internationaal bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen A, B en C, omdat Rabobank statutair is gevestigd in Amsterdam. Dit is verder ook niet in geschil. Voor zover het gaat om de vorderingen op Lloyds en ICAP, moet de rechtsmacht eveneens worden beoordeeld volgens de Verordening Brussel I-bis. Beide vennootschappen zijn immers gevestigd in het Verenigd Koninkrijk en de onderhavige zaak is in temporele zin ingeleid vóór de Brexit. Voor zover het gaat om de vorderingen op UBS Zwitserland, geldt voor de beoordeling van de rechtsmacht het EVEX II-Verdrag (art. 64 lid 2 sub a EVEX II-Verdrag). Voor zover het gaat om de vorderingen op UBS Japan, geldt voor de beoordeling van de rechtsmacht (nu een verdrag tussen Japan en Nederland hierover ontbreekt) het Nederlandse commune bevoegdheidsrecht (art. 1 t/m 14 Rv). In de onderhavige cassatieprocedure staat de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter met betrekking tot vordering E op Lloyds c.s. ter discussie. 3.4 In cassatie geldt als (onbestreden) uitgangspunt dat, naar het hof in rov. 4.6 van het tussenarrest heeft vastgesteld, art. 8 sub 1 Brussel I-bis, art. 6 sub 1 EVEX II-Verdrag en art. 7 lid 1 Rv de enige in aanmerking komende bevoegdheidsbepalingen zijn waarop de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter kan worden gebaseerd om kennis te nemen van vordering E op Lloyds c.s. Over deze bevoegdheidsbepalingen merk ik het volgende op. 3.5 De bevoegdheidsregels van art. 8 sub 1 Brussel I-bis en van art. 6 sub 1 EVEX II-Verdrag komen met elkaar overeen. Art. 6 sub 1 EVEX II-Verdrag is ontleend aan (de voorlopers van) art. 8 sub 1 Brussel I-bis. De rechtspraak van het HvJ EU over (de voorlopers van) art. 8 sub 1 Brussel I-bis is daarom ook van belang voor de uitleg van art. 6 sub 1 EVEX II-Verdrag. Bij het opstellen van de bevoegdheidsregel van art. 7 lid 1 Rv is aansluiting gezocht bij (de voorlopers van) art. 8 sub 1 Brussel I-bis. Bij de uitleg van art. 7 lid 1 Rv moet daarom in beginsel aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van het HvJ EU over (de voorlopers van) art. 8 sub 1 Brussel I-bis. De samenhang tussen deze verschillende bevoegdheidsregels en de relevantie van de rechtspraak van het HvJ EU over art. 8 sub 1 Brussel I-bis voor de uitleg van art. 6 sub 1 EVEX II-Verdrag en art. 7 lid 1 Rv, heeft het hof benoemd in rov. 4.7 van het tussenarrest. Over de uitleg van (de voorlopers van) art. 8 sub 1 Brussel I-bis bestaat de nodige rechtspraak van het HvJ EU. Dit verklaart waarom ik in mijn conclusie vooral aandacht zal besteden aan de rechtspraak van het HvJ EU over (de voorlopers van) art. 8 sub 1 Brussel I-bis, hoewel deze verordening in de kwestie jegens UBS c.s. formeel niet van toepassing is. Wat ik in het vervolg van mijn conclusie vermeld over de uitleg van art. 8 sub 1 Brussel I-bis geldt eveneens voor de uitleg van art. 6 sub 1 EVEX II-Verdrag en art. 7 lid 1 Rv. 3.6 De bevoegdheidsregel van art. 8 sub 1 Brussel I-bis komt terug in de voorlopers van de Verordening Brussel I-bis, te weten in art. 6 sub 1 Brussel I en art. 6 sub 1 EEX-Verdrag. Art. 8 sub 1 Brussel I-bis en art. 6 sub 1 Brussel I komen woordelijk overeen. Dit geldt niet voor art. 6 sub 1 EEX-Verdrag, zij het dat de uitleg die het HvJ EU aan deze bepaling heeft gegeven inhoudelijk overeenstemt met art. 8 sub 1 Brussel I-bis en art. 6 sub 1 Brussel I. Gelet op de inhoudelijke overeenstemming tussen deze elkaar opvolgende bevoegdheidsregelingen en het belang van continuïteit in de uitleg van deze regelingen, is de rechtspraak van het HvJ EU over art. 6 sub 1 Brussel I en art. 6 sub 1 EEX-Verdrag eveneens van belang voor de uitleg van art. 8 sub 1 Brussel I-bis. Dat verklaart waarom ik in mijn conclusie ook zal verwijzen naar rechtspraak van het HvJ EU over art. 6 sub 1 EEX-Verdrag en art. 6 sub 1 Brussel I, hoewel deze bepalingen in de onderhavige zaak in temporele zin niet van toepassing zijn. 3.7 Uitgangspunt in de Verordening Brussel I-bis is dat internationale bevoegdheid toekomt aan de gerechten van de lidstaat waar de verweerder zijn woonplaats heeft (art. 4 lid 1 Brussel I-bis). Op dit uitgangspunt worden verschillende uitzonderingen gemaakt, waaronder in art. 8 sub 1 Brussel I-bis. Deze bepaling is van belang wanneer dezelfde eiser nauw met elkaar samenhangende vorderingen heeft tegen meerdere verweerders die woonplaats hebben op het grondgebied van verschillende lidstaten van de Europese Unie. In plaats van afzonderlijke procedures te voeren bij de gerechten van de woonplaats van de verweerders in verschillende lidstaten (art. 4 lid 1 Brussel I-bis), kan de eiser ervoor kiezen om de behandeling van de vorderingen tegen alle verweerders te concentreren bij het bevoegde gerecht in de lidstaat van de woonplaats van één van hen. Met het oog hierop bepaalt art. 8 sub 1 Brussel I-bis dat een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft ook kan worden opgeroepen, indien er meer dan één verweerder is, voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op de voorwaarde dat tussen de vorderingen tegen de verschillende verweerders een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Art. 6 sub 1 EVEX II-Verdrag bevat een identieke bevoegdheidsregel. Art. 7 lid 1 Rv is iets anders geformuleerd (‘mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen’), maar sluit, wat betreft de vereiste samenhang tussen de vorderingen, aan bij art. 8 sub 1 Brussel I-bis. De gedaagde bij wiens woonplaats wordt aangeknoopt om rechtsmacht op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis aan te kunnen nemen tegen de medegedaagden uit andere lidstaten, wordt ook wel de ankergedaagde genoemd. De vordering tegen deze gedaagde wordt ook wel de ankervordering genoemd. 3.8 Voor zover van belang komt de rechtspraak van het HvJ EU over (de voorlopers van) art. 8 sub 1 Brussel I-bis neer op het volgende. Art. 8 sub 1 Brussel I-bis moet autonoom worden uitgelegd aan de hand van het stelsel en de doelstellingen van de verordening. Aangezien art. 8 sub 1 Brussel I-bis afwijkt van de hoofdregel van rechtsmacht in art. 4 lid 1 Brussel I-bis, moet deze bijzondere bevoegdheidsregel strikt worden uitgelegd. Deze uitleg mag zich enkel uitstrekken tot de in de verordening uitdrukkelijk bedoelde gevallen. Art. 8 sub 1 Brussel I-bis beoogt een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken, parallelle procedures bij de gerechten in verschillende lidstaten zo veel mogelijk te beperken en te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken tegen de verschillende verweerders beslissingen worden gegeven die onverenigbaar met elkaar zijn. Art. 8 sub 1 Brussel I-bis vereist dat tussen de vorderingen die tegen de verschillende verweerders zijn ingesteld een zodanige samenhang bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling. Beslissingen kunnen niet reeds onverenigbaar worden geacht op grond van een divergentie in de beslechting van het geschil (dat wil zeggen: de uitkomst van de procedure). Daartoe is bovendien vereist dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens. Immers, alleen in situaties die feitelijk en rechtens hetzelfde zijn bestaat het risico dat bij een gefragmenteerde behandeling van nauw met elkaar samenhangende vorderingen door gerechten in verschillende lidstaten beslissingen worden gegeven die onverenigbaar met elkaar zijn. De enkele omstandigheid dat de uitkomst van een procedure in een lidstaat haar weerslag kan hebben op de uitkomst van een procedure in een andere lidstaat, is onvoldoende om de toepassing van art. 8 sub 1 Brussel I-bis te rechtvaardigen. Het artikel vereist niet dat de vorderingen tegen de verschillende verweerders dezelfde rechtsgrondslag hebben; dit kan echter wel een relevante omstandigheid zijn. Art. 8 sub 1 Brussel I-bis verzet zich ertegen dat een eiser vorderingen tegen verweerders uit verschillende lidstaten instelt bij het bevoegde gerecht in de lidstaat van de woonplaats van de ankergedaagde, met als enig doel een van die verweerders te onttrekken aan de bevoegde gerechten in de lidstaat waar hij zijn woonplaats heeft. 3.9 De vraag of is voldaan aan het vereiste van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens zoals bedoeld in (de rechtspraak van het HvJ EU over) art. 8 sub 1 Brussel I-bis, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle relevante omstandigheden van het geval. Hierbij geldt dat het aangezochte gerecht in de fase van het onderzoek naar zijn rechtsmacht niet de ontvankelijkheid of de inhoudelijke gegrondheid van de vorderingen tegen de verschillende verweerders beoordeelt, maar uitsluitend de aanknopingspunten met de forumstaat (het land van het aangezochte gerecht) identificeert die zijn rechtsmacht kunnen rechtvaardigen. Het ligt primair op de weg van de eiser om de feiten te stellen die nodig zijn voor het bepalen van de rechtsmacht op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis. Het aangezochte gerecht dient zich evenwel niet te beperken tot de stellingen van de eiser, maar moet ook acht slaan op alle hem ter beschikking staande gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en, in voorkomend geval, op de stellingen van de verweerder. Wel geldt in dit verband de beperking dat, indien de verweerder de voor de rechtsmacht relevante stellingen van de eiser betwist, het aangezochte gerecht in het kader van het vaststellen van zijn rechtsmacht geen gelegenheid behoeft te geven voor bewijslevering. Deze wijze van toetsing van de internationale bevoegdheid zal ik in het vervolg aanduiden als de prima facie beoordeling van de rechtsmacht. 3.10 Ik keer terug naar de onderhavige zaak. De vorderingen B en E strekken ertoe om groepsaansprakelijkheid van Rabobank c.s. vast te stellen in verband met het vermeend onrechtmatig manipuleren van de JPY LIBOR. Aan de orde is de vraag of is voldaan aan (
- i)de voorwaarde op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis dat tussen vordering B op ankergedaagde Rabobank en vordering E op medegedaagden Lloyds en ICAP een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven, (
- ii)de voorwaarde op grond van art. 6 sub 1 EVEX II-Verdrag dat tussen vordering B op ankergedaagde Rabobank en vordering E op medegedaagde UBS Zwitserland een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven, en (iii) de voorwaarde op grond van art. 7 lid 1 Rv dat tussen vordering B op ankergedaagde Rabobank en vordering E op medegedaagde UBS Japan een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Anders gezegd: bestaat tussen ankervordering B en vordering E een zodanig nauwe band dat een goede rechtsbedeling rechtvaardigt dat deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld door de Nederlandse rechter (het thuisforum van ankergedaagde Rabobank), om te voorkomen dat bij afzonderlijke behandeling van deze vorderingen bij de bevoegde fora van de woonplaats van ieder van de gedaagden (in Nederland (Rabobank), het Verenigd Koninkrijk (Lloyds en ICAP), Zwitserland (UBS Zwitserland) en Japan (UBS Japan)) beslissingen worden gegeven die onverenigbaar met elkaar zijn? 3.11 Volgens het tussenarrest komt de Nederlandse rechter geen internationale bevoegdheid toe om kennis te nemen van vordering E op Lloyds c.s. Na vooropstelling in de rov. 4.4 t/m 4.8 van de kaders waarbinnen de rechtsmacht van de Nederlandse rechter moet worden getoetst en de vermelding in rov. 4.7 dat hetgeen in het arrest wordt overwogen over art. 8 sub 1 Brussel I-bis (Lloyds en ICAP) ook geldt voor art. 6 sub 1 EVEX II-Verdrag (UBS Zwitserland) en art. 7 lid 1 Rv (UBS Japan), heeft het hof in rov. 4.13 geoordeeld dat de vorderingen B en E niet dezelfde situatie rechtens betreffen in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis (en daarmee dus ook van art. 6 sub 1 EVEX II-Verdrag en art. 7 lid 1 Rv). Het hof heeft dit als volgt gemotiveerd: ‘Vordering E 4.13 Vordering E strekt ertoe groepsaansprakelijkheid zoals bedoeld in artikel 6:166 BW vast te stellen. Niet aannemelijk is dat de vorderingen tegen alle geïntimeerden worden beheerst door Nederlands recht. Evenmin is voldoende aannemelijk dat de mogelijk toepasselijk rechtsstelsels een regeling kennen met eenzelfde inhoud en strekking of die tot hetzelfde resultaat leidt als artikel 6:166 BW. Dat betekent dat niet is voldaan aan de voor toepassing van artikel 8 lid 1 Verordening Brussel-bis gestelde eis van eenzelfde situatie rechtens. Anders dan de rechtbank concludeert het hof dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft ten aanzien van vordering E.’ 3.12 Onderdeel 1 keert zich tegen dit bevoegdheidsoordeel. Het onderdeel bestaat uit vijf subonderdelen. Subonderdeel 1.1 bevat geen klacht. 3.13 Subonderdeel 1.2 betoogt dat het hof in rov. 4.13 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Art. 8 sub 1 Brussel I-bis vereist niet dat de vorderingen tegen alle verweerders worden beheerst door hetzelfde rechtsstelsel, dan wel dat de mogelijk toepasselijke rechtsstelsels regelingen kennen met een gelijke inhoud en strekking of die tot hetzelfde resultaat leiden. De (enkele) omstandigheid dat op de vorderingen tegen de verschillende verweerders (mogelijk) verschillende rechtsstelsels van toepassing zullen zijn, waarvan de inhoud, de strekking of het resultaat (mogelijk) ongelijk is, kan volgens de klacht (op zichzelf) niet tot de conclusie leiden dat geen sprake is van eenzelfde situatie rechtens in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis. 3.14 Om eenzelfde situatie rechtens in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis aan te kunnen nemen is het niet noodzakelijk dat de vorderingen tegen de verschillende gedaagden (bij de behandeling van die vorderingen door de bevoegde fora van de woonplaats van die gedaagden) door hetzelfde materiële recht worden beheerst. Voldoende is dat de (op grond van het internationaal privaatrecht van de bevoegde fora van de woonplaats van de gedaagden) toepasselijke rechtsstelsels (in hoofdzaak) hetzelfde rechtskader bevatten voor de beoordeling van de vorderingen tegen de verschillende gedaagden, althans dat de toepasselijke rechtsstelsels ertoe strekken (in hoofdzaak) dezelfde rechtsgevolgen te bewerkstelligen. Het oordeel van het hof in rov. 4.13 sluit hierbij aan. Ik leg dit als volgt uit. 3.15 In rov. 4.13 heeft het hof beoordeeld of ten aanzien van ankervordering B op Rabobank en vordering E op Lloyds c.s. (‘de vorderingen tegen alle geïntimeerden’) sprake is van eenzelfde situatie rechtens in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis. Allereerst heeft het hof erop gewezen dat het niet aannemelijk is dat de vorderingen B en E (bij de behandeling van die vorderingen door de bevoegde fora van de woonplaats van de gedaagden) worden beheerst door Nederlands recht (rov. 4.13, tweede volzin). Als dit wel het geval zou zijn, dan zouden beide vorderingen beoordeeld moeten worden volgens dezelfde maatstaf van art. 6:166 BW. Hiermee zou sprake zijn van eenzelfde situatie rechtens in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis, nu de vorderingen B en E op dezelfde rechtsgrondslag zijn gebaseerd. Dit geldt ook wanneer de vorderingen (bij de behandeling daarvan door de bevoegde fora van de woonplaats van de gedaagden) worden beheerst door verschillende rechtsstelsels die (in hoofdzaak) hetzelfde rechtskader bevatten ten aanzien van het vestigen van groepsaansprakelijkheid, althans deze rechtsstelsels (in hoofdzaak) hetzelfde rechtsgevolg beogen te bewerkstelligen. Materieel zouden beide vorderingen, die op dezelfde rechtsgrondslag zijn gebaseerd, in dat geval worden beheerst door (in hoofdzaak) dezelfde rechtsnormen. Naar het oordeel van het hof is dit laatste evenmin het geval (rov. 4.13, derde volzin). Hiermee heeft het hof de maatstaf die geldt voor het beoordelen van eenzelfde situatie rechtens in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis, en het belang van het (al dan niet uiteenlopen van de inhoud, de strekking en het beoogde rechtsgevolg van het) toepasselijke recht op de vorderingen, niet miskend. De andersluidende klacht faalt. 3.16 Subonderdeel 1.3 voert het volgende aan. Bij de beantwoording van de vraag naar (de inhoud van) het op de vorderingen B en E toepasselijke recht heeft het hof in rov. 4.13 de aannemelijkheidsmaatstaf gehanteerd. Hiermee heeft het hof miskend dat die maatstaf alleen bij feitelijke beslissingen kan worden toegepast. Die maatstaf geldt niet voor de vraag naar (de inhoud van) het toepasselijke recht, omdat de rechter zelfstandig de inhoud van het (buitenlandse) recht moet onderzoeken. Voor zover het hof de inhoud, de strekking en/of het resultaat van de (mogelijk) toepasselijke rechtsstelsels relevant heeft geacht voor de beoordeling of sprake is van eenzelfde situatie rechtens in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis, had het hof de daarmee verband houdende rechtsvragen zelfstandig kunnen en moeten beantwoorden. 3.17 Met deze klacht gaat het middel voorbij aan het prima facie karakter van de beoordeling van de rechtsmacht op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis. Bij de prima facie beoordeling van de rechtsmacht mag het gerecht zijn bevoegdheid toetsen aan alle te zijner beschikking staande gegevens, waaronder de stellingen van partijen, zonder gelegenheid hoeven te bieden voor bewijslevering. Dit geldt naar mijn mening ook voor het vaststellen van (de inhoud, strekking of het beoogde rechtsgevolg van) het toepasselijke recht op de vorderingen met het oog op de beoordeling van eenzelfde situatie rechtens in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis. Voor de in dat verband rijzende vraag naar het toepasselijke recht op de vorderingen, mag het gerecht, zo komt mij voor, zich baseren op de stellingen van partijen. Art. 10:2 BW (‘De regels van internationaal privaatrecht en het door die regels aangewezen recht worden ambtshalve toegepast.’) staat hieraan niet in de weg, omdat de vraag naar het toepasselijke recht zich slechts aandient in het kader van de beoordeling van eenzelfde situatie rechtens in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis. Het zou hoogst onwenselijk zijn om van het aangezochte gerecht te verlangen bij de prima facie beoordeling van de rechtsmacht ambtshalve (de inhoud, strekking of het beoogde rechtsgevolg van) het toepasselijke recht op de vorderingen vast te stellen uitsluitend om te bepalen of sprake is van eenzelfde situatie rechtens in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis. Bij pluraliteit van verweerders met verschillende (en mogelijk zelfs talrijke) vorderingen zou dat op gespannen voet komen te staan met het (in de sleutel van de rechtszekerheid geplaatste) uitgangspunt in de Verordening Brussel I-bis dat het aangezochte gerecht zich gemakkelijk over zijn eigen bevoegdheid moet kunnen uitspreken, zonder de zaak ten gronde te onderzoeken. De vraag naar (de inhoud, strekking en het beoogde rechtsgevolg van) het toepasselijke recht op de vorderingen hoort thuis in de fase van de inhoudelijke beslechting van het geschil. In die fase zal de Nederlandse rechter ambtshalve toepassing moeten geven aan de verplichtingen op grond van art. 10:2 BW. 3.18 Volgens subonderdeel 1.4 is rov. 4.13 onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof niet inzichtelijk maakt waarop het zijn aannames heeft gebaseerd dat (
- i)de vorderingen tegen alle verweerders niet worden beheerst door hetzelfde rechtsstelsel en (
- ii)de mogelijk toepasselijke rechtsstelsels niet steeds regelingen kennen met een gelijke inhoud en strekking of die tot hetzelfde resultaat leiden, terwijl het hof evenmin (kenbaar) heeft onderzocht in hoeverre deze aannames juist zijn. Dit geldt te meer, zo vervolgt het middel, omdat de Stichting heeft aangevoerd dat het (op de vorderingen voor toepassing in aanmerking komende) Nederlandse, Japanse, Zwitserse en Engelse recht het concept van groepsaansprakelijkheid kennen. Het middel wijst hiervoor op de volgende stellingen van de Stichting in de inleidende dagvaarding: ‘18.1.1. Elk van de Gedaagden is tevens aansprakelijk op grond van artikel 6:166 BW. (…) (…) 18.1.9. Toepassing van het Japanse recht leidt tot eenzelfde aansprakelijkheid van Gedaagden. Ook het Japanse recht kent het concept van de groepsaansprakelijkheid. Artikel 719 lid 1 van het Japanse Burgerlijk Wetboek luidt (in het Engels): (…)18.1.10. Naar Zwitsers of Engels recht is dit niet anders. Het voorgaande laat onverlet dat de relevante gedragingen naar vreemd recht steeds ook individueel beschouwd verwijtbaar en aan Gedaagden toerekenbaar zijn.’ Ook wijst het middel op de volgende stellingen van de Stichting in de memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel: ‘5.14. Anders dan Lloyds en ICAP opperen, heeft de rechtbank de feitelijke stellingen van de Stichting kenbaar gewogen en voldoende bevonden voor het bestaan van eenzelfde feitelijke situatie. De rechtbank heeft daartoe de door de Stichting bepleitte, door Lloyds en UBS erkende, en door ICAP niet ontkende, manipulaties gewogen. Op basis van die communicaties/manipulaties oordeelde zij dat ‘op het eerste gezicht’ (prima facie) sprake is van deelname van Lloyds, UBS en ICAP aan een kartel met Rabobank en dat zij allen met Rabobank als groep hebben gehandeld. De vraag of dit een schending oplevert van art. 101 VWEU en/of art. 6:166 BW – althans haar gelijke onder Engels recht zoals ICAP en Lloyds stellen – kan in de hoofdzaak in volle omvang aan de orde komen. (…) 5.48. Ten overvloede: zelfs indien sprake zou zijn van verscheidenheid van toepasselijke rechtsstelsels, kan dat Incidenteel Appellanten niet baten. Immers, niet voorstelbaar is dat het aan hen verweten gedrag, indien bewezen, onder het ene stelsel niet onrechtmatig is en onder het andere wel. Fraude is onrechtmatig in elke geciviliseerd rechtstelsel.’ 3.19 Hoewel de rechtbank in het vonnis in incident (rov. 7.15, tweede alinea) nog had geoordeeld dat de vorderingen B en E dezelfde situatie rechtens betreffen (‘(…) ook al zijn (mogelijk) verschillende rechtsstelsels van toepassing, voldoende (
- is)toegelicht dat ook rechtens sprake is van eenzelfde situatie aangezien dit handelen in elk van de toepasselijke rechtsstelsel onrechtmatig/ongeoorloofd is’), heeft het hof in rov. 4.13 de hiervoor weergegeven stellingen van de Stichting anders gewogen. Die weging is voorbehouden aan de feitenrechter en laat zich in cassatie slechts beperkt toetsen. Kennelijk en niet onbegrijpelijk is het hof in het kader van de prima facie beoordeling van de rechtsmacht van oordeel, dat op basis van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht het niet aannemelijk is dat (bij behandeling van) de vorderingen B en E (in verschillende bevoegde fora deze) worden beheerst door hetzelfde rechtsstelsel en evenmin aannemelijk is dat de mogelijk toepasselijke rechtsstelsels een regeling kennen met (in hoofdzaak) eenzelfde inhoud of strekking of die (in hoofdzaak) tot hetzelfde resultaat leidt als art. 6:166 BW. De hiertegen gerichte klacht faalt. 3.20 Subonderdeel 1.5 voert aan dat rov. 4.13 onvoldoende is gemotiveerd, omdat de Stichting aan de vorderingen tegen alle verweerders aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (in groepsverband) ten grondslag heeft gelegd, zodat de rechtsgrondslag van alle vorderingen identiek is. Dat het volgens het hof niet aannemelijk is dat de vorderingen tegen alle verweerders worden beheerst door hetzelfde rechtsstelsel, dan wel dat de mogelijk toepasselijke rechtsstelsels steeds regelingen kennen met een gelijke inhoud en strekking of die tot hetzelfde resultaat leiden, maakt dit niet anders omdat de vorderingen steeds op basis van hetzelfde materieelrechtelijke leerstuk beoordeeld moeten worden en de Stichting met deze vorderingen steeds hetzelfde resultaat wenst te bereiken. 3.21 De klacht is gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat aan eenzelfde situatie rechtens in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis steeds is voldaan, wanneer de vorderingen tegen de verschillende gedaagden op dezelfde rechtsgrondslag zijn gebaseerd. 3.22 De slotsom is dat geen van de klachten tegen rov. 4.13 slaagt. Dit betekent dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft om kennis te nemen van vordering E op Lloyds c.s. 3.23 Onderdeel 2 van het cassatiemiddel is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de Stichting wat betreft vordering C. Het hof heeft dit als volgt gemotiveerd: ‘4.21 Het met vordering C door de Stichting beoogde algemene oordeel dat aannemelijk is dat er Belanghebbenden zijn die zijn verarmd waarbij Rabobank zich heeft verrijkt (MvG 5.2) is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, zo algemeen dat aannemelijk is dat de collectieve actie op dit punt geen voordeel biedt boven individuele vorderingen. De rechtbank heeft de collectieve actie van de Stichting voor zover betreffend vordering C terecht niet-ontvankelijk verklaard.’ 3.24 Onderdeel 2 valt uiteen in zes subonderdelen. Subonderdeel 2.1 bevat geen klacht. Subonderdeel 2.2 betoogt dat het hof in rov. 4.21, gelezen in samenhang met rov. 4.18, heeft miskend dat art. 3:305a (oud) BW niet bij wijze van zelfstandig criterium vereist dat een collectieve actie meer effectieve en/of efficiënte rechtsbescherming biedt dan individuele procedures, dan wel dat een collectieve actie meerwaarde of voordeel heeft boven het procederen op naam van de belanghebbenden zelf. 3.25 Ik stel het volgende voorop. De vraag is of het hof in rov. 4.18, ‘dat een collectieve actie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard indien een collectieve actie geen enkel voordeel biedt boven procederen op naam van de belanghebbenden zelf’, als afzonderlijke ontvankelijkheidseis heeft gesteld dat het instellen van een collectieve actie meerwaarde moet hebben boven individuele geschillenbeslechting. Indien het hof een dergelijke eis heeft gesteld, heeft het een onjuiste maatstaf aangelegd voor de beoordeling van de ontvankelijkheid. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt namelijk dat de wetgever bewust ervan heeft afgezien om in art. 3:305a (oud) BW als afzonderlijke ontvankelijkheidseis op te nemen dat het instellen van een collectieve actie meerwaarde heeft boven individuele geschillenbeslechting. Aan een dergelijke eis bestaat geen behoefte, zo is de gedachte, omdat de meerwaarde van een collectieve actie boven individuele geschillenbeslechting, met het oog op het bevorderen van een effectieve en efficiënte rechtsbescherming, (reeds) besloten ligt in het gelijksoortigheidsvereiste van art. 3:305a lid 1 (oud) BW. 3.26 Aannemelijker is dat het hof het aspect van de meerwaarde van een collectieve actie boven individuele geschillenbeslechting heeft willen plaatsen in de sleutel van het waarborgvereiste van art. 3:305a lid 2 (oud) BW. Volgens de parlementaire geschiedenis dient op grond van het waarborgvereiste onder meer te worden nagegaan ‘(…) in hoeverre de betrokkenen uiteindelijk baat hebben bij de collectieve actie indien het gevorderde wordt toegewezen (…)’. Daarop zou de overweging van het hof in rov. 4.20, laatste volzin, kunnen slaan, ‘De Benadeelden hebben dus baat bij deze collectieve actie.’, nadat het hof in rov. 4.20, eerste volzin, heeft overwogen, ‘De onder A, B en D gevraagde verklaringen voor recht zijn niet zo algemeen geformuleerd dat deze collectieve actie geen enkel voordeel biedt boven individuele vorderingen.’, en in rov. 4.20, vierde volzin, ‘Dat neemt niet weg dat beoordeling van de vorderingen A, B en D in deze collectieve actie kan bijdragen aan een efficiënte en effectieve rechtsbescherming.’ Bij deze lezing van het bestreden arrest heeft het hof in rov. 4.18, ‘dat een collectieve actie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard indien een collectieve actie geen enkel voordeel biedt boven procederen op naam van de belanghebbenden zelf’, geen onjuiste maatstaf aangelegd voor de beoordeling van de ontvankelijkheid. 3.27 Dat geldt ook voor rov. 4.21 waarin het hof voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van de Stichting wat betreft vordering C dezelfde maatstaf heeft aangelegd (‘zo algemeen dat aannemelijk is dat de collectieve actie op dit punt geen voordeel biedt boven individuele vorderingen’) als wat betreft de vorderingen A, B en D in rov. 4.20 (‘niet zo algemeen geformuleerd dat deze collectieve actie geen enkel voordeel biedt boven individuele vorderingen’). Aldus beschouwd heeft het hof het aspect van de meerwaarde van een collectieve actie boven individuele geschillenbeslechting, zowel wat betreft de vorderingen A, B en D als vordering C, geplaatst in de sleutel van het waarborgvereiste van art. 3:305a lid 2 (oud) BW. 3.28 Indien het hof is uitgegaan van een onjuiste maatstaf, zoals bedoeld in 3.25 van mijn conclusie, neemt dit niet weg dat de overwegingen van het hof over de vraag of deze collectieve actie voordeel biedt boven individuele geschillenbeslechting, relevant blijven in het kader van het waarborgvereiste, zoals bedoeld in 3.26 en 3.27 van mijn conclusie. Hoe dan ook, de vraag is of de behandeling van de vorderingen A, B, C en D in deze collectieve actie kan bijdragen aan het met art. 3:305a (oud) BW beoogde doel van een efficiënte en effectieve rechtsbescherming voor de belanghebbenden. Dat is ook de toets die het hof uiteindelijk heeft aangelegd in rov. 4.20 voor wat betreft de vorderingen A, B en D (‘Dat neemt niet weg dat beoordeling van de vorderingen A, B en D in deze collectieve actie kan bijdragen aan een efficiënte en effectieve rechtsbescherming.’) en in het verlengende daarvan in rov. 4.21 voor wat betreft vordering C (‘dat aannemelijk is dat de collectieve actie op dit punt geen voordeel biedt boven individuele vorderingen’). 3.29 Tegen deze achtergrond kan de klacht van subonderdeel 2.2 niet tot cassatie leiden. 3.30 Subonderdeel 2.3 voert aan dat het oordeel van het hof in rov. 4.21 onjuist is, omdat een vordering tot het verkrijgen van een verklaring voor recht dat een verweerder ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van belanghebbenden van de eiser niet zo algemeen is dat aannemelijk is dat een collectieve actie geen voordeel biedt boven individuele vorderingen. Dit oordeel is in ieder geval onvoldoende gemotiveerd, zo vervolgt het middel, omdat het hof niet toelicht om welke reden(
- en)vordering C zo algemeen is dat aannemelijk is dat een collectieve actie geen voordeel biedt boven individuele vorderingen. 3.31 Naar mijn mening faalt de klacht. Met vordering C heeft de Stichting een verklaring voor recht gevraagd dat Rabobank in de periode 1 januari 2005 t/m 30 november 2010 (op structurele en/of doorlopende basis) ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van belanghebbenden. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof in rov. 4.21 geoordeeld dat vordering C een te algemeen karakter heeft, anders gezegd: onvoldoende concreet is toegesneden op de belangen van de belanghebbenden, waardoor zij geen baat hebben bij deze collectieve actie. In dit oordeel ligt besloten dat het hof, gelet op het te algemene karakter van vordering C, niet ervan is overtuigd dat de belanghebbenden in individuele vervolgprocedures of schikkingsonderhandelingen baat zullen hebben bij toewijzing van vordering C. Dit oordeel is niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk. 3.32 In subonderdeel 2.4 wordt betoogd dat het oordeel van het hof in rov. 4.21 onvoldoende is gemotiveerd, omdat het hof niet (kenbaar) heeft gerespondeerd op verschillende (in het middel onder (
- i)t/m (viii) genoemde) stellingen van de Stichting die erop neerkomen dat deze collectieve actie, ook wat betreft vordering C, wel meerwaarde heeft boven individuele vorderingen. 3.33 De klacht faalt in het voetspoor van het vorige subonderdeel. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof in de stellingen van de Stichting geen aanleiding gezien om anders te oordelen over de vraag of deze collectieve actie, wat betreft vordering C, voordeel biedt boven individuele geschillenbeslechting. 3.34 Subonderdeel 2.5 betoogt dat, voor zover het hof heeft geoordeeld dat de Stichting niet-ontvankelijk is wat betreft vordering C omdat niet is voldaan aan het gelijksoortigheidsvereiste van art. 3:305a lid 1 (oud) BW, zijn oordeel onjuist is dan wel onvoldoende gemotiveerd. Het hof onderzoekt immers, anders dan in rov. 4.19 en 4.20 wat betreft de vorderingen A, B en D, niet (kenbaar) of de belangen ter bescherming waarvan de op vordering C gebaseerde vordering strekt zich lenen voor bundeling, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd, maar oordeelt (enkel) dat aannemelijk is dat een collectieve actie wat betreft vordering C geen voordeel biedt boven individuele vorderingen. 3.35 De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft de niet-ontvankelijkverklaring van de Stichting in rov. 4.21 wat betreft vordering C niet gebaseerd op het gelijksoortigheidsvereiste van art. 3:305a lid 1 (oud) BW. 3.36 Subonderdeel 2.6 betoogt dat, voor zover het hof heeft geoordeeld dat de Stichting niet-ontvankelijk is wat betreft vordering C omdat niet is voldaan aan het waarborgvereiste van art. 3:305a lid 2 (oud) BW, zijn oordeel onjuist is dan wel onvoldoende gemotiveerd. Het hof onderzoekt immers, anders dan in rov. 4.23 en 4.24 wat betreft de vorderingen A, B en D, niet (kenbaar) of de belangen van de personen ten behoeve van wie vordering C is ingesteld met die vordering voldoende gewaarborgd zijn, dan wel in hoeverre de belanghebbenden daarbij baat zouden kunnen hebben en/of in hoeverre erop vertrouwd mag worden dat de Stichting over voldoende kennis en vaardigheden beschikt om de procedure te voeren, maar oordeelt (enkel) dat aannemelijk is dat een collectieve actie op dit punt geen voordeel biedt boven individuele vorderingen. 3.37 Zoals ik hiervoor onder 3.26 en 3.27 van mijn conclusie heb opgemerkt, ben ik van mening dat uit rov. 4.21, gelezen in samenhang met rov. 4.20, kan worden afgeleid dat het hof het aspect van de meerwaarde van deze collectieve actie boven individuele vorderingen, (ook) wat betreft vordering C, heeft geplaatst in de sleutel van het baatvereiste als onderdeel van het waarborgvereiste van art. 3:305a lid 2 (oud) BW. Aan een ander onderdeel van het waarborgvereiste, te weten: dat de eisende organisatie over voldoende kennis en vaardigheden beschikt om de collectieve actie te voeren, heeft het hof aandacht besteed in de (in cassatie niet bestreden) rov. 4.23 en 4.24. De klacht faalt dan ook. 3.38 Onderdeel 2 kan niet tot cassatie leiden. 3.39 Onderdeel 3 van het cassatiemiddel keert zich tegen de beslissing van het hof in rov. 3.2 van het eindarrest om de zaak ter verdere afdoening terug te wijzen naar de rechtbank. De achtergrond hiervan is als volgt. 3.40 In het vonnis van 9 december 2020 heeft de rechtbank de Stichting niet-ontvankelijk verklaard in haar collectieve actie. Aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van de Stichting is de rechtbank niet toegekomen. In het tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat de collectieve actie wat betreft de vorderingen A, B en D voldoet aan de ontvankelijkheidseisen in art. 3:305a (oud) BW (rov. 4.14 e.v.). Anders dan de rechtbank heeft het hof de Stichting in zoverre ontvankelijk verklaard in deze collectieve actie (rov. 4.25). 3.41 Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het verdere verloop van de procedure, in het bijzonder over de vraag of de zaak al dan niet kan of moet worden teruggewezen naar de rechtbank (rov. 4.28). De Stichting heeft het hof verzocht om de zaak aan zich te houden, terwijl Rabobank c.s. het hof hebben verzocht om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank. 3.42 In rov. 3.2 van het eindarrest heeft het hof als volgt beslist: ‘Het hof zal de zaak ter verdere afdoening terugverwijzen naar de rechtbank. Terugverwijzing past bij de door de rechtbank respectievelijk het hof geaccordeerde processuele afspraken die partijen in eerste aanleg en in hoger beroep hebben gemaakt. Deze afspraken strekken ertoe dat de behandeling en beoordeling van deze zaak vooralsnog is beperkt tot de in het tussenarrest behandelde voorvragen van processuele aard en dat pas wordt toegekomen aan behandeling van het materiële geschil nadat over deze voorvragen is beslist. Los daarvan is het zich hier voordoende geval, waarin de Stichting in eerste aanleg ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in haar op de voet van artikel 3:305a (oud) BW ingestelde collectieve vorderingen, op één lijn te stellen met het geval waarin een uitzondering op het verbod op terugverwijzing is aanvaard omdat ten onrechte ontslag van instantie is verleend. Er is op louter processuele gronden niet toegekomen aan een inhoudelijke behandeling van de zaak. Dit is voorts een duidelijk omschreven en in de praktijk goed te hanteren geval waarin uitzondering op het verbod op terugverwijzing gerechtvaardigd is. Dat dit leidt tot een langere procedure dan als het hof de zaak aan zich houdt en het materiële geschil in één feitelijke instantie wordt afgedaan, leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan de Stichting betoogt, doet dit geen afbreuk aan de door de wetgever met de collectieve actie beoogde efficiëntie en doelmatigheid, die ziet op de gebundelde afdoening van vorderingen in één collectieve actie in twee feitelijke instanties.’ 3.43 Het middel klaagt dat dit oordeel onjuist dan wel onbegrijpelijk is. De klachten komen neer op het volgende. (Subonderdeel 3.1 bevat geen klacht bevat.) Het hof heeft miskend dat de appelrechter de zaak na vernietiging van een einduitspraak (in beginsel) niet mag terugwijzen naar de rechter in eerste aanleg. Deze regel geldt ook indien de rechter in eerste aanleg een partij ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. (subonderdeel 3.2) Het hof heeft miskend dat het verbod van terugwijzing van openbare orde is, zodat partijen daarvan niet onderling kunnen afwijken, althans dat partijen slechts kunnen overeenkomen dat de appelrechter de zaak terugwijst naar de rechter in eerste aanleg of de zaak zelf zal afdoen, indien een van de uitzonderingen op deze regel zich voordoet. (subonderdeel 3.3) Onbegrijpelijk is dat terugwijzing van de zaak past bij de door de rechtbank en het hof geaccordeerde processuele afspraken van partijen, omdat (
- i)partijen enkel zijn overeengekomen dat het hoger beroep vooralsnog is beperkt tot de processuele voorvragen die in eerste aanleg speelden en waarover is geoordeeld en (
- ii)partijen in die processuele afspraken juist hebben neergelegd dat zij zich mogen en zullen uitlaten over het door hen gewenste vervolg van de procedure. Partijen zijn niet overeengekomen dat de zaak naar de rechtbank zal worden teruggewezen. (subonderdeel 3.4) 3.44 Ik stel het volgende voorop. Naar vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat de appelrechter na vernietiging van een einduitspraak de zaak niet mag terugwijzen naar de rechter in eerste aanleg. De appelrechter dient de zaak aan zich te houden en inhoudelijk te behandelen. Aan deze rechtspraak ligt ten grondslag dat door het hoger beroep tegen een einduitspraak in beginsel de gehele zaak, zoals zij voor de rechter in eerste aanleg diende, naar de appelrechter wordt overgebracht ter beslissing door deze en dat de appelrechter zich niet deels aan deze hem opgedragen taak mag onttrekken door een gedeelte van de beslissing van het aan zijn oordeel onderworpene over te laten aan de rechter die zijn oordeel over de zaak reeds heeft gegeven. Op dit uitgangspunt is een aantal uitzonderingen aanvaard. De appelrechter mag de zaak terugwijzen indien de rechter in eerste aanleg op louter processuele gronden niet aan een inhoudelijke behandeling van de zaak is toegekomen, hetgeen aan de orde is wanneer de rechter in eerste aanleg zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard van het geschil kennis te nemen of de rechter in eerste aanleg ten onrechte ontslag van de instantie heeft verleend. Met deze uitzonderingen is op één lijn gesteld het geval dat de appelrechter heeft vastgesteld dat de einduitspraak vernietigd moet worden omdat die (mede) is gewezen door een daartoe niet meer bevoegde rechter in eerste aanleg. 3.45 In voormelde rechtspraak is onderkend dat onverkorte toepassing van het verbod van terugwijzing meebrengt dat in een aantal gevallen een substantieel gedeelte van het geschil tussen partijen slechts in één feitelijke instantie zal worden beslecht. Maar ‘nu die gevallen zich niet met behulp van een duidelijk en in de praktijk eenvoudig te hanteren criterium laten onderscheiden’, heeft de Hoge Raad herhaaldelijk geoordeeld dat het verbod van terugwijzing steeds toepassing dient te vinden, met uitzondering van de hiervoor in 3.44 genoemde specifieke gevallen die zich duidelijk laten afbakenen. Het verbod van terugwijzing geldt ook als partijen zelf om terugwijzing van de zaak naar de rechter in eerste aanleg vragen, maar geen van de erkende uitzonderingen op dit verbod zich voordoet. Doet zich wel een van de erkende uitzonderingen voor, dan hebben partijen de mogelijkheid om de appelrechter te vragen de zaak aan zich te houden en niet terug te wijzen naar de rechter in eerste aanleg. Het verbod van terugwijzing wordt gezien als een gerechtvaardigde inbreuk op het uitgangspunt van de behandeling van een zaak in twee feitelijke instanties. 3.46 Ondanks herhaalde pleidooien voor een (meer algemene) verruiming van de mogelijkheden om af te wijken van het verbod van terugwijzing met het oog op (het belang van) de behandeling van een zaak in twee feitelijke instanties, moet worden vastgesteld dat de Hoge Raad strikt de hand houdt aan de toepassing van dit verbod. Buiten de hiervoor in 3.44 genoemde specifieke gevallen die zich duidelijk laten afbakenen, heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om een meer algemene uitzondering op het verbod van terugwijzing aan te nemen, wanneer de rechter in eerste aanleg op louter processuele gronden niet aan een inhoudelijke behandeling van de zaak is toegekomen. Het dragende argument hiervoor is dat ‘die gevallen zich niet met behulp van een duidelijk en in de praktijk eenvoudig te hanteren criterium laten onderscheiden’. Indien de rechter in eerste aanleg de eiser ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard op zuiver processuele gronden, rechtvaardigt dat – buiten de erkende en duidelijk af te bakenen specifieke gevallen genoemd in 3.44 – geen uitzondering op het verbod van terugwijzing. 3.47 Het beleid van de Hoge Raad met betrekking tot het toestaan van uitzonderingen op het verbod van terugwijzing lijkt mij hiermee vrij duidelijk. Anders dan Rabobank c.s. in cassatie hebben aangevoerd, zie ik in de aard van de onderhavige procedure, te weten een collectieve actie op grond van art. 3:305a (oud) BW waarin de belangen in de regel groot zijn en (veelal) complexe materiële geschillen aan de orde zijn, geen reden om (de Hoge Raad te adviseren) van dit beleid af te wijken. Ik meen dan ook dat het middel terecht klaagt over de beslissing van het hof in rov. 3.2 van het eindarrest om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank. De onderhavige zaak wijkt niet af van de zaken waarin de Hoge Raad geen uitzondering heeft willen toestaan op het verbod van terugwijzing in geval van een in hoger beroep vernietigde beslissing van de rechter in eerste aanleg waarin de eiser op processuele gronden niet-ontvankelijk is verklaard. Anders dan het hof in rov. 3.2 van het eindarrest heeft overwogen, kan de onderhavige zaak niet op één lijn worden gesteld met een van de specifieke en duidelijk af te bakenen gevallen (genoemd in 3.44 van mijn conclusie) waarin een uitzondering op het verbod van terugwijzing is erkend. Dat terugwijzing van de zaak naar de rechtbank past bij de door de rechtbank respectievelijk het hof geaccordeerde processuele afspraken die partijen in eerste aanleg en in hoger beroep hebben gemaakt, doet aan het voorgaande niet af. Nog daargelaten wat partijen precies zijn overeengekomen over de processuele gang van zaken, geldt dat een uitzondering op het verbod van terugwijzing niet afhankelijk is van de procesafspraken van partijen. 3.48 Dit betekent dat het eindarrest niet in stand kan blijven. Na vernietiging van het eindarrest zal de zaak voor een inhoudelijke behandeling teruggewezen moeten worden naar het hof Amsterdam. 3.49 Onderdeel 4 ziet op het dictum van het eindarrest. De klacht komt erop neer dat het hof in het dictum van het eindarrest ten onrechte heeft verzuimd om te bepalen dat de rechtbank Amsterdam internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen A, B en C op Rabobank. 3.50 Ik kan het middel hierin niet volgen. Ik leg dit als volgt uit. In het bevoegdheidsincident in eerste aanleg hebben Lloyds c.s. gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de tegen hen ingestelde vorderingen. Rabobank heeft geen beroep gedaan op de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter wat betreft de vorderingen A, B en C. In het lichaam van het vonnis in incident heeft de rechtbank ambtshalve vastgesteld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de vorderingen A, B en C op Rabobank, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is (rov. 5.1). In het dictum van het vonnis in incident heeft de rechtbank de incidentele vorderingen van Lloyds c.s. deels toegewezen. Nu de incidentele vorderingen van Lloyds c.s. geen betrekking hadden op de rechtsmacht van de Nederlandse rechter wat betreft de vorderingen A, B en C, Rabobank geen onbevoegdheidsverweer heeft gevoerd ten aanzien van deze vorderingen, en de rechtbank zich niet ambtshalve onbevoegd heeft verklaard wat betreft deze vorderingen, heeft de rechtbank in het dictum van het vonnis in incident niets vermeld omtrent de rechtsmacht ten aanzien van de vorderingen A, B en C op Rabobank en hoefde zij dat ook niet te doen. 3.51 In rov. 4.2 van het tussenarrest heeft het hof overwogen dat de rechtbank in het vonnis in incident heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is ten aanzien van de vorderingen A, B en C op Rabobank en de vorderingen D en E op Lloyds c.s. Deze overweging van het hof moet worden gelezen tegen de achtergrond van hetgeen hierover in 3.50 van mijn conclusie is vermeld. In rov. 4.3 van het tussenarrest heeft het hof overwogen dat het (onder de voorwaarde van ontvankelijkheid van de Stichting in haar collectieve actie ingestelde) hoger beroep van Lloyds c.s. zich richt tegen de beslissing in het vonnis in incident van de rechtbank dat de Nederlands rechter internationaal bevoegd is ten aanzien van de vorderingen D en E op Lloyds c.s. In rov. 4.4 van het tussenarrest heeft het hof – terecht – overwogen dat in hoger beroep de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ambtshalve moet worden beoordeeld. En in rov. 4.6 van het tussenarrest heeft het hof overwogen dat de rechtbank zich terecht internationaal bevoegd heeft geacht om kennis te nemen van de vorderingen A, B en C op Rabobank. 3.52 Nu in hoger beroep niet is gevorderd dat de Nederlandse rechter zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen A, B en C op Rabobank en het hof zich niet ambtshalve onbevoegd heeft verklaard ten aanzien van deze vorderingen, was het hof niet gehouden om in het dictum van zijn eindarrest te bepalen dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen A, B en C op Rabobank. Dat het hof om praktische redenen het vonnis in incident van de rechtbank heeft vernietigd en opnieuw een dictum heeft geformuleerd (rov. 3.1 van het eindarrest), maakt het voorgaande niet anders. Immers, het dictum van het vonnis in incident van de rechtbank bevat geen bevoegdheidsoordeel met betrekking tot de vorderingen A, B en C op Rabobank. 3.53 Hoe dan ook staat buiten kijf dat zowel de rechtbank als het hof van oordeel zijn, en alle partijen het erover eens zijn, dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen A, B en C op Rabobank. 4Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden eindarrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam, en tot verwerping van het cassatieberoep tegen het tussenarrest. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Zie rov. 3 van het tussenarrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 maart 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:451, JIN 2024/74, m.nt. A.J. Kok & J.J. van Bruggen; zie ook rov. 2 van het vonnis in incident van 14 augustus 2019 van de rechtbank Amsterdam, ECLI:NL:RBAMS:2019:5827, in samenhang met rov. 2 van het vonnis van 9 december 2020 van de rechtbank Amsterdam, ECLI:NL:RBAMS:2020:6122, JOR 2021/42, m.nt. T.M.C. Arons. JPY LIBOR staat voor: Japanese Yen London InterBank Offered Rate. Zie ook rov. 2.5 van het vonnis in incident van de rechtbank Amsterdam van 14 augustus 2019, waarin onder andere wordt vermeld dat in de Verenigde Staten vanaf 2011 in totaal zeventien collectieve acties (class actions) aanhangig zijn gemaakt tegen (onder meer) Rabobank. De vorderingen worden hierna aangeduid als vorderingen A (