← Nederland

ECLI:NL:PHR:2026:137

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/04531 Zitting 3 februari 2026 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, hierna: de verdachte. 1Inleiding 1.1 In zijn arrest van 10 november 2023 heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnummer 20-002867-22) het vonnis bevestigd van de rechtbank Oost-Brabant van 14 december 2022 (parketnummer 01-192675-21) waarbij de verdachte is veroordeeld wegens "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" met uitzondering van de opgelegde straf en met verbetering van de gronden van de bewijsvoering en het opnemen van een aanvullend bewijsmiddel. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot vierentwintig maanden gevangenisstraf waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld. 2Het middel 2.1 Het middel bevat deelklachten tegen enerzijds de motivering van de opgelegde straf en anderzijds de kwalificatie van het bewezenverklaarde. De eerste deelklacht houdt in dat het hof bij het bepalen van de straf ten onrechte heeft overwogen dat de LOVS Oriëntatiepunten voor de bewezenverklaarde hoeveelheid amfetamineolie uitgaan van een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden. De tweede deelklacht houdt in dat het hof ten onrechte meerdaadse samenloop heeft aangenomen. 2.2 Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: “hij op of omstreeks 9 oktober 2018 te [plaats] tezamen en in vereniging mei een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 80 liter amfetamineolie en/of 1,5 kilogram amfetaminepasta, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet”. 2.3 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij: “op 9 oktober 2018 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 80 liter amfetamineolie en 1,5 kilogram amfetaminepasta, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I”. 2.4 Het hof heeft dit gekwalificeerd als “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd". 2.5 Voor de beoordeling van het middel is het niet nodig hier de bewijsvoering integraal weer te geven waarop de bewezenverklaring van de feiten berust. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep de feiten bekend. Het door de verdachte ingestelde hoger beroep richtte zich tegen de opgelegde straf. Nadat hij door de rechtbank was veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden waarvan negen maanden voorwaardelijk is hij in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van vierentwintig maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk. 2.6 Voor de beoordeling van het middel is van belang dat het hof ten aanzien van de op te leggen straf het volgende heeft overwogen: “Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben van ongeveer 80 liter amfetamineolie en 1,5 kilogram amfetaminepasta. De verdachte heeft geen openheid van zaken gegeven over het motief van zijn handelen. Het geheel van handelingen van de verdachte duidt er evenwel op dat hij een actieve en essentiële rol heeft gehad in de opslag van grondstoffen en tussenproducten ten behoeve van de productie van harddrugs, waarbij hij berekenend te werk is gegaan. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat op camerabeelden van 13 juli 2018 is te zien dat de verdachte en een andere persoon, die door de politie is herkend als [medeverdachte] , samen in de betreffende schuur staan en beiden in de camera kijken. De camera in de schuur is vervolgens door de verdachte afgeplakt. Daarnaast volgt uit het tapgesprek van 6 oktober 2018 dat de vrouw van de verdachte vermoedde dat zij uit hun huurwoning zouden worden gezet als gevolg van de vondst in hun schuur. Gelet hierop heeft de verdachte zich naar het oordeel van het hof welbewust bezig gehouden met het aanwezig hebben van de drugs in zijn schuur. De productie van synthetische drugs houdt de illegale handel van harddrugs in stand en veroorzaakt allerlei maatschappelijk ongewenste effecten waarmee de openbare orde ernstig kan worden ondermijnd. Daarnaast is wetenschappelijk aangetoond dat het frequent gebruik van harddrugs de volksgezondheid kan schaden, met name waar het geestelijke aandoeningen betreft. De verdachte heeft zich daar onvoldoende rekenschap van gegeven en heeft met zijn strafbare handelen, kennelijk uitsluitend met het oog op persoonlijk financieel gewin, de instandhouding van het criminele harddrugscircuit bevorderd. Bovendien gaat de productie van dergelijke drugs in de regel gepaard met risicovolle situaties en met het dumpen van het chemische afval, zulks met alle nadelige gevolgen voor het milieu van dien. (…) Naar het oordeel van het hof kan, ondanks de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de straffen die in soortgelijke gevallen door het hof plegen te worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Hoewel de rechtbank en de advocaat-generaal zulks eveneens hebben onderkend, is het hof van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf - waarvan de advocaat-generaal bevestiging heeft gevorderd - onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit. Het hof zal mitsdien overgaan tot oplegging van een gevangenisstraf van langere duur. Tegen voormelde achtergrond ziet het hof geen aanleiding om te volstaan met de door de raadsman bepleite strafmodaliteit van een taakstraf. Gezien de ernst van het bewezenverklaarde en de proceshouding van de verdachte, waardoor geen inzicht kan worden verkregen in het recidivegevaar, acht het hof evenmin oplegging van een geheel voorwaardelijke straf aan de orde. Het hof heeft tevens de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van overtreding van de Opiumwet, bij de straftoemeting in aanmerking genomen. Het hof merkt in dit verband op dat die oriëntatiepunten voor de bewezenverklaarde hoeveelheid uitgaan van een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om van dat uitgangspunt enigszins ten voordele van de verdachte af te wijken en te bepalen dat een deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk zal zijn. Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Met oplegging van het voorwaardelijke deel van deze straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Met betrekking tot het procesverloop in deze zaak overweegt het hof nog het navolgende. Het hof stelt voorop dat elke verdachte het recht heeft op een afdoening van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. In de onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn in de fase van eerste aanleg is overschreden. Ofschoon in de regel de datum van het eerste verhoor bij de politie (in deze zaak op 23 april 2021) heeft te gelden als het moment waarop de redelijke termijn aanvangt, stelt het hof vast dat reeds op 9 oktober 2018 de doorzoeking van de woning en de schuur van de verdachte heeft plaatsgevonden en dat, gezien de specifieke omstandigheden waaronder dat is gebeurd, de verdachte daaraan in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat hij strafrechtelijk zou worden vervolgd. Nadat de verdachte was gedagvaard voor de rechtbank en de zaak inhoudelijk is behandeld, heeft de rechtbank op 14 december 2022 vonnis gewezen. Gelet hierop is er in eerste aanleg sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim 26 maanden. Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop rechtvaardigen, zal het hof de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof een groter voorwaardelijk deel aan de op te leggen gevangenisstraf zal verbinden. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.” 2.7 De eerste klacht houdt in dat het hof bij het bepalen van de straf ten onrechte heeft overwogen dat de LOVS Oriëntatiepunten voor de bewezenverklaarde hoeveelheid uitgaan van een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden. Aangevoerd wordt dat de bewezenverklaarde amfetamineolie nog niet het daadwerkelijke product (harddrugs) betreft maar een product ten behoeve van de productie daarvan (synthetische drugs) waarvoor andere straffen gelden zoals onder meer blijkt uit de Richtlijn voor strafvordering voorbereiding/bevordering synthetische drugs (art. 10a Opiumwet). 2.8 Het hof heeft niet aangegeven welke LOVS Oriëntatiepunten het heeft toegepast. De stellers van het middel gaan ervan uit dat het hof de LOVS Oriëntatiepunten heeft toegepast die betrekking hebben op “Art. 2 onder C Opiumwet aanwezig hebben harddrugs” en de daar opgenomen “trede 17” die betrekking heeft op het aanwezig hebben van 9.000 – 10.000 gram harddrugs. Zij stellen hiertegenover dat voor de bewezenverklaarde amfetamineolie toepassing gegeven had moeten worden aan de hierboven genoemde Richtlijn en dat de rol van de verdachte op grond daarvan gelijk gesteld kan worden aan de rol van ‘katvanger’. 2.9 Het beroep op de Richtlijn faalt omdat de rechter bij de straftoemeting niet gehouden is een beleidsregel van het openbaar ministerie toe te passen; overigens is de Richtlijn op 1 oktober 2020 in werking is getreden terwijl de bewezenverklaarde feiten zijn begaan op 9 oktober 2018,. Bovendien gaat het bij de bewezenverklaarde feiten niet om de in artikel 10a Opiumwet strafbaar gestelde voorbereiding of bevordering, waarop de Richtlijn betrekking heeft, maar om het (medeplegen van het opzettelijk) aanwezig hebben van amfetamine. 2.10 Het hof heeft vastgesteld dat de amfetamineolie en de amfetaminepasta vallen onder de in lijst I Opiumwet vermelde amfetamine. Tegen dat oordeel wordt in cassatie terecht niet opgekomen. Dat amfetamineolie nog niet het beoogde eindproduct is, doet niet af aan de kwalificatie van amfetamine. De bewezenverklaarde amfetamineolie en amfetaminepasta zijn twee chemische vormen van amfetamine. De European Union Drugs Agency beschrijft het als volgt: “Amphetamine exists in two chemical forms, base and salt. The pure base is a clear, colourless oil that is insoluble in water and can easily be converted into the most common salt form on the European market, amphetamine sulfate. (…)Illicit amphetamine products mostly consist of powders or pastes, usually mixed with other ingredients, such as lactose, dextrose or caffeine, but tablets containing amphetamine are also available (…) The paste form is simply a powder mixed with alcohol to give it the appearance of being recently produced.” 2.11 Op basis van de bewezenverklaarde hoeveelheid amfetamineolie heeft het hof klaarblijkelijk de berekening toegepast uit de LOVS Oriëntatiepunten. Bij de berekening wordt 5 ml aangemerkt als een halve gram. De 80 liter amfetamineolie bestaat dan uit 80.000 milliliter, wat als ik dat deel door vijf (=16.000) en vervolgens deel door de helft (0,5 gram), uitkomt op 8.000 gram. In combinatie met de 1.500 gram amfetaminepasta, waarvan de berekening in cassatie niet wordt betwist, kom ik op een hoeveelheid van 9.500 gram en trede 17, wat daar in de tabel ‘Standaard’ correspondeert met 28 maanden gevangenisstraf onvoorwaardelijk. 2.12 Het oordeel van het hof dat de LOVS Oriëntatiepunten voor de bewezenverklaarde hoeveelheid uitgaan van een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden is niet onbegrijpelijk. 2.13 De hiertegen gerichte klacht faalt. 2.14 Ook de klacht over de kwalificatie faalt; vanuit cassatietechnisch oogpunt al wegens gebrek aan belang. De opgelegde straf ligt ruimschoots onder de gevangenisstraf van ten hoogste zes jaar waarmee het (niet meermalen) medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van amfetamine is bedreigd. Verder is mij niet duidelijk wat het middel precies beoogt. In de toelichting lijkt betoogd te worden dat sprake is van eendaadse samenloop of een voortgezette handeling, maar de steller van het middel maakt daarin geen keuze, laat staan dat die keuze wordt beargumenteerd. Hoe dan ook, uit de voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte kan worden afgeleid dat de amfetaminepasta weliswaar is aangetroffen in dezelfde metalen kasten in de schuur bij zijn woning als de amfetamineolie maar dat deze daarvan afgescheiden was opgeborgen in pakken. Verder is van belang dat de bewezenverklaring betrekking heeft op twee (in het productieproces van synthetische drugs) te onderscheiden chemische vormen van amfetamine. Hieruit heeft het hof kennelijk afgeleid dat de verdachte ten aanzien van het opzettelijk voorhanden hebben van de amfetaminepasta in pakken en ten aanzien van het opzettelijk voorhanden hebben van de containers met amfetamineolie niet in wezen één verwijt kan worden gemaakt. 2.15 Het middel faalt in alle onderdelen. 3Afronding 3.1 Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering. 3.2 Ambtshalve wijs ik erop dat inmiddels twee jaar is verstreken nadat op 23 november 2023 beroep in cassatie is ingesteld wat betekent dat inbreuk is gemaakt op het in artikel 6 lid 1 EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Op basis van bestendige rechtspraak leidt dit tot strafvermindering. 3.3 Andere gronden die ambtshalve tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen. 3.4 Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Het arrest is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl Het daar opgenomen arrest met ECLI:NL:GHSHE:2023:3764 betreft een arrest van dezelfde datum in een andere zaak, met parketnummer 20-002762-22, maar vermeldt per abuis het parketnummer van deze zaak in de kop. De overwegingen met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heb ik weggelaten. Stcrt. 2020, nr. 49836. Vgl. J.C. van der Pijl, ‘De synthetische drugsproductie: tijd voor zwaardere straf?’, DD 2021/31, par. 3.5. EUDA & Europol, EU Drug Market: Amphetamine – Introduction, geraadpleegd op <www.euda.europa.eu/publications/eu-drug-markets/amphetamine/introduction_en> Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken, geldend sinds 17 november 2017 bijgewerkt september 2022, p. 20. Dezelfde berekening is opgenomen in de sinds 1 januari 2026 geldende LOVS Oriëntatiepunten. De tabel ‘Organisatie’ correspondeert in trede 17 met 38 maanden gevangenisstraf onvoorwaardelijk. Vgl. HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2067. Vgl. HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.