ECLI:NL:PHR:2026:219
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer25/00467 J Zitting 3 maart 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007, hierna: de verdachte Inleiding 1. Het gerechtshof Amsterdam heeft in zijn arrest van 6 februari 2025 (parketnummer 23-001510-24) het vonnis bevestigd van de rechtbank van 25 juni 2024 (parketnummer 13-336318-22) waarbij de verdachte is veroordeeld wegens feit 1 subsidiair “medeplichtigheid aan doodslag” en feit 2 “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie”, met uitzondering van de strafoplegging en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen, en met aanvulling van de bewijsoverweging. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot jeugddetentie van 365 dagen waarvan 153 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daarbij bijzondere voorwaarden gesteld. Verder heeft het hof de vorderingen van drie benadeelde partijen toegewezen en daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, en de vordering van een benadeelde partij afgewezen en die benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Het eerste middel 4. Het eerste middel bevat klachten over het bewijs van medeplichtigheid aan de doodslag. Aangevoerd wordt ten eerste dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte een vuurwapen heeft ‘geleverd’ zoals bewezen is verklaard, en in het bijzonder dat daaruit niet kan volgen dat de verdachte het vuurwapen heeft geleverd waarmee het slachtoffer is doodgeschoten. Tegen de bewijsvoering wordt ten tweede aangevoerd dat daarin niet ligt besloten dat het opzet van de verdachte op het moment van de ondersteuning was gericht op doodslag, het misdrijf dat hij zou hebben ondersteund.
De bewezenverklaring en de bewijsmotivering 5. Ten laste van de verdachte is onder 1 subsidiair bewezen verklaard dat: “[medeverdachte] op 23 december 2022 te [plaats] , [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door van dichtbij met een vuurwapen in de borst van voornoemde [slachtoffer] te schieten, tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 december tot en met 23 december 2022 in Nederland opzettelijk middelen heeft verschaft door een vuurwapen te leveren”.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als vragen van voornoemde opsporingsambtenaren en als verklaring van [medeverdachte] , zakelijk weergegeven:
Op welk moment was het dat jij het vuurwapen weg gegeven of afgegeven hebt.
Kwart voor één.
Kun jij ons vertellen hoe het vuurwapen eruit zag? Wat jij toen had de 23e? Die avond?
Het was zwart.
Je hebt bij de rechter-commissaris verklaard dat het een Glock 19 is.
Ja klopt.
Ook wordt in jouw telefoon een foto gevonden. Deze foto is op 20 december 2022 in de map afbeeldingen opgeslagen. Tonen foto 17.
Dat is het vuurwapen die ik heb gebruikt. Die ik zeg maar ook had geleend.
Het handvuurwapen wat op de foto staat dat is het vuurwapen wat jij de 23e hebt gebruikt?
Klopt.
Jij geeft aan dat de foto is genomen in jouw kamer he?
Ja. Klopt.
Op 21 december om 14:46 uur stuur jij [verdachte] een foto. Tonen foto 18. Dus foto 17, diegene die je hiervoor hebt gezien, en foto 18. De handvuurwapens die je daar op de foto’s ziet, zijn dezelfde foto's? Zijn dezelfde handvuurwapens?
Ja. klopt.
Waar is dit handvuurwapen nu?
Zou ik niet weten, heb het gewoon terug gegeven, omdat ik het heb geleend.
De chat 23 december om 20:07. Dan is de tekst die binnenkomt, die jij ontvangt van [verdachte] : ‘Ey als je wil spinnen holi maak je klaar ben 21:18 [locatie] en 22:00 moet ik het inleveren’.
Wat moet hij inleveren?
Het vuurwapen, maar het was zeg maar via hem gegaan, dus hij heeft het voor mij geregeld. En dan moest hij het ook weer inleveren.
Dus als ik het samenvat: [verdachte] heeft het vuurwapen voor jou geregeld.
Ja.
Wat hij eigenlijk die dag moest inleveren.
Juist.”
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven:| Op 23 december 2022 heeft er een dodelijk schietincident plaatsgevonden, waarbij [medeverdachte] en [verdachte] als verdachten zijn aangemerkt. Uit de uitgelezen telefoon van [medeverdachte] bleek dat [medeverdachte] (en mogelijk ook [verdachte] ) zich na het schietincident heeft verplaatst naar het adres [b-straat 2] te [plaats] . Hierop heeft het onderzoeksteam de camerabeelden gevorderd van de portiek [b-straat 1] te [plaats] .
23-12-2022 23:10:52 Ik zag drie personen vanaf het voertuig naar de portiek lopen. Ik herkende de voorste twee personen als de verdachten [medeverdachte] en [verdachte] . De personen stapten vervolgens in de lift. (...).
24-12-2022 00:41:03 Ik zag [verdachte] met de trap naar beneden komen. Hij liep meteen de deur uit en verdween links uit beeld.
24-12-2022 00:46:08 Om 00:45 uur stopte een onbekend voertuig voor de deur. Ik zag dat [verdachte] vanaf dit voertuig richting de voordeur liep. Het voertuig reed meteen weg. [verdachte] pakte de trap naar boven en was daarbij met iemand aan het bellen (of verstuurde een voicebericht).”
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven:
Tijdens het uitlezen van de iPhone 14 pro (onder verdachte [medeverdachte] in beslag genomen) worden er onder meer twee filmpjes aangetroffen, het uitlees programma geeft aan dat dit op 23 december 2022 te 22.15 uur via TIKTOK is verstuurd. [medeverdachte] heeft gebruik gemaakt van het volgende TIKTOK account: [accountnummer] .
Op de screenshots van filmpje 1, opgeslagen als […] .mp4, staat [medeverdachte] met een zwart kleurig vuurwapen in zijn hand en ligt [verdachte] op het bed met een mobiele telefoon in zijn hand.
Op de screenshots van filmpje 2 staat [verdachte] , liggend op bed, afgedeeld met een zwartkleurig vuurwapen op zijn lichaam.
De filmpjes worden in de slaapkamer van [medeverdachte] . [c-straat 1] [plaats] opgenomen en vermoedelijk verstuurd middels TIKTOK.”
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven:
In de periode gelegen tussen 24 maart 2023 en 17 mei 2023 zijn de telefoongesprekken van [verdachte] opgenomen en afgeluisterd. De bedoelde opgenomen gesprekken worden in dit proces-verbaal samengevat. De volledige uitwerking van de opgenomen gesprekken zijn als afzonderlijke bijlages bij dit proces-verbaal gevoegd.
De bijlage bij dit proces-verbaal houdt onder meer in als bijlage sessie 73g van 5 april 2023, doorgenummerde pagina 546: [verdachte] zegt dat hij verdacht wordt van wapens en munitie en medeplichtigheid aan moord. [betrokkene 1] vertelt wat [medeverdachte] hem gisteren verteld heeft. [verdachte] zal niet lang zitten. Ze vroegen hoe hij aan die wrap (fon) kwam. Hij zei via via. Ze vroegen van wie is die Pee (fon). Van beide. Toen vroegen ze heb je hem, heb je hem van [verdachte] gekregen en toen zij hij ja. [verdachte] vindt het snitchen.
De bijlage bij dit proces-verbaal houdt onder meer in als bijlage sessie 165 van 16 april 2023,doorgenummerde pagina’s. 554-555: [verdachte] belt uit met [betrokkene 2] Een persoon wordt aan het gesprek gevoegd. De persoon wordt [medeverdachte] genoemd. [medeverdachte] is [medeverdachte] (sh) [medeverdachte] : Jij bent een kanker flikker jij. Ooo G. ik maak 1 fout in mijn leven, ik heb jou alle erge dingen bespaard. dan ga je zeggen ik ben snitta en die mannen moeten mij doven. Je bent kanker swan. joesoe. Ik zweer het. Als man. je laat mij dit niet eens fiksen. Je hebt me... ntv gegeven. [verdachte] : Yo, hoor je me? [medeverdachte] : Broer. Je hebt me niet eens te kans gegeven om die fout gewoon goed te maken. Terwijl ..... ntv (door geschreeuw van [verdachte] ) [verdachte] : Hoe ga je die fout daar goed maken broer? Voor dit zit ik gewoon staffe. [medeverdachte] : Je doet überhaupt. Watte? [verdachte] : Voor dit zit ik gewoon staffe broer, voor die fout he daar broer. [verdachte] : Jij bent snitta. wat is je motif. jij zegt toch dat ik die boellie heb geleverd.”
Bij de beantwoording van die vraag, leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen onder meer het volgende af. [medeverdachte] had in december 2022 al lange tijd een conflict met een groep jongeren uit de buurt. Eén van de jongens met wie hij problemen had, was [betrokkene 3] . Verdachte wist van het conflict dat [medeverdachte] had. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij er klaar mee was dat hij lastiggevallen werd en dat hij daarom een vuurwapen nodig had. [medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte het vuurwapen voor hem heeft geregeld.
Verdachte heeft ontkend dat hij het vuurwapen heeft geregeld en heeft er terecht op gewezen dat [medeverdachte] eerst een anders luidende verklaring heeft afgelegd. Die verklaring hield, kort gezegd, in dat verdachte tot aan het moment dat [medeverdachte] het vuurwapen trok, niet wist van de aanwezigheid van het vuurwapen. Die eerdere verklaring van [medeverdachte] vindt echter geen steun in de bewijsmiddelen en is met een aantal daarvan duidelijk niet in overeenstemming. Een dag voor het schietincident hebben verdachte en [medeverdachte] een chatgesprek over een ‘p’ een vuurwapen. Het gesprek gaat onder meer over doorladen. Op de dag van het schietincident zegt verdachte in de chat tegen [medeverdachte] : (...) maak je klaar ben 21:18 [locatie] en 22:00 moet ik het inleveren’.
Vervolgens zijn filmpjes aangetroffen, waarop verdachte en [medeverdachte] zijn herkend met een zwart vuurwapen. Het is onduidelijk wanneer deze filmpjes zijn opgenomen, maar de filmpjes zijn een kwartier voor het schietincident gepost op Tiktok. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij met dat zwarte vuurwapen heeft geschoten tijdens het schietincident als gevolg waarvan [slachtoffer] is overleden. Het kan daarom niet zo zijn dat verdachte pas op het moment dat [medeverdachte] het wapen trok, weet had van liet vuurwapen. Daarom gelooft de rechtbank de eerdere verklaring van [medeverdachte] niet. De rechtbank gaat uit van de juistheid van de latere verklaring van [medeverdachte] dat verdachte het vuurwapen voor hem heeft geregeld en het later weer moest inleveren. Die verklaring wordt namelijk ondersteund door het chatgesprek tussen verdachte en [medeverdachte] in de avond van 23 december 2022, waarin verdachte aangeeft dat hij ‘het’ moet inleveren. Ook de camerabeelden van de [b-straat] passen bij het scenario dat verdachte het vuurwapen weer heeft ingeleverd. Ook past bij dit scenario de boosheid van verdachte die uit de afgeluisterde gesprekken blijkt, nadat hem bekend is geworden dat [medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte hem het vuurwapen heeft geleverd. Hij vindt dat snitchen en zegt tegen [medeverdachte] : ‘jij bent snitta’. [medeverdachte] kondigt vervolgens aan dat hij bij de rechtbank zal gaan verklaren dat hij zelf het vuurwapen heeft geregeld.
De voorgaande, uit de bewijsmiddelen afgeleide feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank in onderlinge samenhang beschouwd in beginsel redengevend voor het bewezen verklaren van het door verdachte leveren van het vuurwapen. Onder omstandigheden zou het anders kunnen zijn en zou die redengevendheid toch kunnen ontbreken, maar van dergelijke omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. Dat geldt temeer nu verdachte zich, geconfronteerd niet het voorgaande, heeft beroepen op zijn zwijgrecht. Hij heeft dan ook geen enkele uitleg gegeven over de genoemde chats en filmpjes. De rechtbank gaat daarom uit van de uit de bewijsmiddelen afgeleide feiten en omstandigheden die redengevend zijn voor het bewijs dat verdachte opzettelijk het vuurwapen heeft geleverd.
De vraag die vervolgens moet worden gesteld is, of verdachte opzet heeft gehad op het plegen van een levensdelict met dat vuurwapen. Omdat ‘gewoon’ opzet niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, moet de vraag worden beantwoord of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op een levensdelict. Voorwaardelijk opzet op een bepaald, gevolg - zoals in dit geval de dood - is aanwezig als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
Naar het oordeel van de rechtbank levert de aanwezigheid van een vuurwapen een aanmerkelijke kans op het gebruik daarvan, met fatale afloop op. Verdachte heeft aan [medeverdachte] het vuurwapen met daarin de bijbehorende munitie geleverd en is daarna met hem de straat op gegaan in de omgeving van de woning van [medeverdachte] . Verdachte wist dat [medeverdachte] een conflict had met jongens uit de buurt, waaronder [betrokkene 3] . Toch is hij, met [medeverdachte] die een doorgeladen vuurwapen bij zich droeg, de straat op gegaan. Door zo met [medeverdachte] de straat op te gaan, in de wetenschap van het bestaande conflict en met het risico op een confrontatie met de rivalen van [medeverdachte] , heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans op een confrontatie met dodelijke afloop aanvaard.”
Terecht oordeelt de Rechtbank nog wel dat er geen sprake is van ‘gewoon’ opzet maar ten onrechte komt de Rechtbank wel tot de conclusie dat er sprake is van voorwaardelijk opzet in de zin dat client bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er een levensdelict zou volgen.
Bij uw beoordeling is van belang dat [medeverdachte] al eerder een pistool had (PD [medeverdachte] blz. 79, en dossier blz. 642) en met messen (verklaring van diens moeder) rondliep en dat dat -voor zover kan worden vastgesteld- nimmer tot een dergelijk gevolg heeft geleid, althans niet voor zover [verdachte] bekend. Daarbij had [medeverdachte] dat wapen al een week en is er eerder die week niets met dat wapen gebeurd. Dat [verdachte] moet hebben geweten dat [medeverdachte] met een wapen op zak de straat op ging is niet gebleken, laat staan dat [verdachte] wist dat dat wapen doorgeladen was. Dat [verdachte] moet hebben geweten dat zij liepen in de omgeving van de woning van [slachtoffer] en dat er een (aanmerkelijke) kans was dat zij hem en/of [betrokkene 3] zouden tegenkomen blijkt ook nergens uit. Dat [verdachte] tevoren wist dat [medeverdachte] een conflict had met meerdere jongens waaronder [betrokkene 3] blijkt niet althans onvoldoende. [verdachte] heeft op de inhoudelijke zitting op de vraag of hij daarvan wist gezegd dat hij dat wist maar daaruit kan niet volgen dat het al wist voorafgaande aan het incident.
Ik heb uiteraard het chatgesprek gezien waarbij gesproken wordt over het doorladen van die ‘p’ en waarin kennelijk geconcludeerd wordt dat het wapen niet goed is doorgeladen. Dit gesprek is van een dag voor het incident en de conclusie op basis van dit gesprek is kennelijk dat de ‘p’ niet is doorgeladen; dat die ‘p’ nadien wel nu goed is doorgeladen kan hieruit niet volgen, en bovendien kan niet blijken dat [verdachte] daarvan wetenschap heeft gehad.
Daarbij kan er met een vuurwapen een levensdelict worden gepleegd, en deze zaak is daar illustratief voor, maar een wapen heeft meer functies: er kan mee op blikjes worden geschoten, er kan mee worden gedreigd (al dan niet door daarmee in de lucht te schieten, of -zoals tegenwoordig vaak gebeurt op panden worden geschoten, hetgeen meestal ten laste wordt gelegd als bedreiging en vernieling), het kan worden gebruikt om filmpjes mee te maken om die op social media te posten (zoals ze dat nog in de aanloop naar het incident hebben gedaan), er kunnen berovingen mee gepleegd worden en zo valt er nog wel meer te verzinnen.
Daarbij was tevens niet te voorzien dat [medeverdachte] dat wapen daadwerkelijk zou gebruiken: eerder had hij het niet gedaan dus waarom nu wel, en een reden voor hem om een vuurwapen onder zich te houden kan ook zijn dat hij zich minder angstig zou voelen, zonder daarbij dat wapen daadwerkelijk te willen gebruiken.
Dat iets mogelijk is betekent niet dat het een aanmerkelijke kans oplevert. Ik merk op dat het geen feit van algemene bekendheid is dat er een aanmerkelijke kans is dat het voorhanden hebben van een wapen een levensdelict tot gevolg heeft, ook niet gelet op alle genoemde toepassingen. De officier van justitie heeft in eerste aanleg opgemerkt dat het opzet van de medeplichtige zich niet hoeft uit te strekken over alle elementen van het strafbare feit dat door de hoofddader is gepleegd maar dat tussen het opzet van de medeplichtige en die van de hoofddader een niet te ver verwijderd verband moet bestaan om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, en heeft daarbij gewezen op een uitspraak van de Hoge Raad (LJN: BO4471).
Zoals altijd zijn ook hier de omstandigheden van belang. Hetgeen client wordt verweten is dat hij ervoor heeft gezorgd dat [medeverdachte] in het bezit is gekomen van een vuurwapen, hetgeen door de verdediging wordt betwist; dat [verdachte] daarbij meer opzet dan dat enkele regelen van dat vuurwapen indien U daartoe komt, blijkt uit niets. Hij heeft uitdrukkelijk niet gezorgd dat dat vuurwapen aan [medeverdachte] zou worden gegeven om daar een strafbaar feit mee te plegen, buiten dat het voorhanden hebben van dat vuurwapen op zichzelf al een strafbaar feit is. Anders dan in de aangehaalde casus heeft [verdachte] er niet voor gezorgd dat [medeverdachte] terwijl het incident al gaande was in het bezit van dat wapen is gekomen om daar het slachtoffer mee te bedreigen. Daarmee gaat de vergelijking mank. Op het moment dat [medeverdachte] in het bezit van dat wapen werd gesteld was het uiteindelijke incident op geen enkele wijze voorzienbaar.
Gelet op het voorgaande is er in de optiek van de verdediging geen sprake van voorwaardelijk opzet op de levensberoving. Voor zover u zou oordelen dat het betrokken zijn bij het verkrijgen van een wapen, indien U dat bewezen acht, wel een aanmerkelijke kans op een levensdelict met zich meebrengt, dan zal uit het bewijs moet blijken dat [verdachte] niet alleen op de hoogte was van die aanmerkelijke kans maar ook, dat hij zich ten tijde van de gedraging hiervan bewust is geweest, terwijl ook hiervoor geen bewijs is. Er kunnen onvoldoende vaststellingen worden gedaan omtrent de aard van de samenwerking, het handelen van [verdachte] en zijn overwegingen daarbij, om ten aanzien van [verdachte] tot het oordeel te komen dat hij de levensberoving bewust heeft aanvaard.”
De eerste deelklacht van het eerste middel: het ‘regelen’ van het wapen 15. In cassatie wordt op het hiervoor weergegeven bewijsverweer voortgebouwd met de klacht dat het ‘regelen’ van een vuurwapen iets anders is dan het ‘leveren’ ervan en dat het hof uit de verklaring van de schutter, te weten dat de verdachte het vuurwapen heeft ‘geregeld’, niet heeft kunnen afleiden dat de verdachte een vuurwapen heeft ‘geleverd’.
Deelklachten over de redengevendheid van afzonderlijke bewijsmiddelen 17. Verder bevat het middel klachten over de waarde van drie bewijsmiddelen voor de bewijsvoering dat de verdachte het vuurwapen heeft ‘geregeld’ en het heeft ‘ingeleverd’ nadat de schutter het had gebruikt. Het regelen zou niet worden gesteund door de voor het bewijs gebruikte uitlating van de verdachte waarin hij de schutter beschuldigt van ‘snitchen’ (bewijsmiddel 11), terwijl het chatgesprek van 22 december (bewijsmiddel 5) en de op camerabeelden waargenomen activiteiten van de verdachte bij de portiek van [b-straat 1] in [plaats] (bewijsmiddel 6) geen steun zouden bieden aan het door de verdachte inleveren van het vuurwapen gelet op de daarbij vermelde tijdstippen die niet aansluiten bij het tijdstip waarop de verdachte het vuurwapen zou hebben moeten inleveren.
Deelklachten over het ‘dubbel opzet’ van de medeplichtige Een nadere toelichting op de klacht 20. De steller van het middel brengt naar voren dat uit de bewijsvoering niet het voor medeplichtigheid vereiste ‘dubbel opzet’ kan volgen. Het opzet van de medeplichtige dient niet alleen gericht te zijn op ondersteuning maar ook op het (ondersteunde) misdrijf, in deze zaak doodslag. Dat opzet moet aanwezig zijn op het moment van de ondersteuning.
De bespreking van deelklachten over het ‘dubbel opzet’ van de medeplichtige 22. Uit de hierboven onder randnummer 14 weergegeven aanvullende bewijsoverweging blijkt dat het hof het voorwaardelijk opzet van de verdachte gericht op de doodslag niet heeft gebaseerd op “enkele aanwezigheid” van een vuurwapen. De rechtsklacht mist feitelijke grondslag.
Zonder enige verklaring daarover (anders dan de door de raadsvrouw ter terechtzitting geopperde mogelijkheden) kan in cassatie niet met succes worden geklaagd over een gebrek in de bewijsvoering dat erop neerkomt dat [medeverdachte] het vuurwapen op een manier heeft gebruikt waarop het opzet van de verdachte niet (ook niet in voorwaardelijke zin) was gericht. De voor het bewijs gebruikte verklaring van de schutter dat hij het vuurwapen pakte en gewoon wou dreigen ondersteunt daarom niet een versie waarin de verdachte het vuurwapen slechts heeft geleverd om te dreigen.
Het tweede middel 26. Het tweede middel bevat een klacht over de duur van de jeugddetentie ter hoogte van 365 dagen. De steller van het middel wijst erop dat het bewezen verklaarde feit is begaan acht dagen voordat de verdachte de leeftijd van zestien jaren bereikte. In artikel 77i lid 1 onder a Sr is bepaald dat de duur van de jeugddetentie ten hoogste twaalf maanden is voor degene die ten tijde van het misdrijf de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt. Ingevolge artikel 88 Sr, waarin is bepaald dat onder ‘een maand’ een tijd van dertig dagen wordt verstaan, komen twaalf maanden overeen met 360 dagen jeugddetentie en niet met 365 dagen.
Slotsom 28. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG ECLI:NL:GHAMS:2025:622.
ECLI:NL:RBAMS:2024:3802.
Gerechtshof Amsterdam 18 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3586.
Vgl. HR 2 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1023, r.o. 2.10.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 januari 2025 houdt in: “Desgevraagd delen de advocaat-generaal en de raadsman mede geen vragen te hebben over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De voorzitter werpt de vraag op hoelang de verdachte in totaal in voorarrest heeft gezeten. Volgens de berekening van het hof komt het neer op 212 dagen.
De raadsman deelt mede:
Ik ben uitgegaan van hetgeen de rechtbank heeft opgeschreven, zijnde 216 dagen.”