← Nederland

ECLI:NL:PHR:2026:224

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/00198 Zitting 6 maart 2026 CONCLUSIE G. Snijders In de zaak 1. Mercedes-Benz Group AG 2. Mercedes-Benz Nederland B.V. 3. ASV Automobielbedrijven B.V. 4. [eiseres 4] B.V. 5. Van Mossel MB B.V., mede als (indirect) rechtsopvolgster onder algemene titel van [A] B.V., [B] B.V. en [C] B.V. 6. [eiseres 6] B.V. 7. Louwman MB G B.V. 8. Louwman MB R B.V. 9. [eiseres 9] B.V. 10. [eiseres 10] B.V. 11. [eiseres 11] B.V. 12. Louwman MB B.V. 13. AGAM B.V., als rechtsopvolgster onder bijzondere titel van Mercedes-Benz Dealer Bedrijven B.V. 14. [eiseres 14] B.V. 15. [eiseres 15] B.V. 16. [eiseres 16] B.V. 17. Hedin Automotive 1M B.V., als rechtsopvolgster onder bijzondere titel van Stern 1M B.V. 18. Wensink Automotive B.V. eiseressen tot cassatie, advocaat: W.H. van Hemel, tegen Stichting Emission Claim, verweerster in cassatie, niet verschenen. Inhoudsopgave 1. Inleiding 2. Feiten en procesverloop 3. Inzet cassatiemiddel; hoofdlijnen regeling WAMCA en art. 3:305a (oud) BW Collectieve actie o.g.v. de WAMCA en art. 3:305a (oud) BW (3.2-3.4) Evaluatie WAMCA (3.5) 4. Bespreking onderdeel 1: internationale bevoegdheid Nederlandse rechter en relatieve bevoegdheid rechtbank Amsterdam t.a.v. vorderingen tegen Mercedes Bevoegdheid op grond van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis (4.3-4.5) Arrest in de zaak Apple (4.6-4.7) Standpunt Mercedes over bevoegdheid o.g.v. art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis (4.8) Slotsom t.a.v. art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis (4.9) Bespreking klachten onderdeel 1 (4.10) Bespreking subonderdelen 1.1-1.3 (4.11-4.20) Bespreking subonderdeel 1.4 (4.21-4.22) Geen speciale bevoegdheidsregels voor collectieve acties in Brussel I-bis (4.23) Hof van Justitie EU rechtspraak, algemeen (4.24-4.25) Arrest in zaak Apple (4.26) Toepassing van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis bij een collectieve actie (4.27-4.32) Concentratie bij één gerecht op grond van het nationaal procesrecht? (4.33-4.37) Bespreking subonderdelen 1.5-1.7 (4.38-4.43) 5. Onderdeel 2: toepasselijk collectieve actieregime Het belang van het overgangsrecht (5.2) Algemene uitgangspunten van overgangsrecht (5.3-5.4) Totstandkoming WAMCA overgangsrecht (5.5-5.8) Amendement van het lid Van Gent c.s. (5.9-5.13) Wijziging overgangsrecht naar aanleiding van Richtlijn (EU) 2020/1828 (5.14-5.16) Betekenis van het overgangsrecht bij de WAMCA, inleiding (5.17) Betekenis van het begrip ‘gebeurtenis’ (5.18-5.22) Lagere rechtspraak en literatuur (5.23) Betwisting gedaagde relevant? (5.24-5.26) Een of meerdere gebeurtenissen (5.27-5.28) Gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden zowel vóór als op en na 15 november 2016 (5.29) De tekst van art. 119a lid 2 ONBW en de toelichting van het Amendement duiden op een ‘knip’ in het toepasselijke collectieve actieregime (5.30-5.32) Consequentie van de knip (5.33) Uitzondering op knip voor een ‘reeks van gebeurtenissen’? (5.34) HR 11 maart 2022 (SMMT/Warner) (5.35-5.36) Toepassing van de uitzondering op de knip in lagere rechtspraak (5.37-5.40) Aanvaardbaarheid van uitzondering op de knip in het licht van de doelstellingen van het Amendement (5.41-5.43) Belgisch recht (5.44-5.46) Engels recht (5.47-5.48) Afronding van de beschouwingen over het overgangsrecht; slotsom (5.49-5.50) Toepasselijk collectieve actieregime bij subjectieve cumulatie (5.51-5.52) Bespreking van het oordeel van het hof over het overgangsrecht (5.53-5.55) Bespreking onderdeel 2; toepassing overgangsrecht (5.56-5.74) Slotsom m.b.t. onderdeel 2 (5.75) 6. Bespreking onderdeel 3; SEC niet-ontvankelijk vanwege ontbreken tijdig verlengingsverzoek dagvaardingstermijn Gevolg slagen onderdeel 3 (6.3) 7. Bespreking onderdeel 4; belang van SEC bij haar collectieve actie 8. Onderdeel 6; relatieve bevoegdheid rechtbank Amsterdam t.a.v. vorderingen tegen de Importeur en de Partners Geen hogere voorziening toegelaten (8.2) Onderdeel 6 toch behandelen? (8.3) Art. 107 Rv, vereiste van samenhang (8.4-8.5) Vereiste van samenhang in het internationale bevoegdheidsrecht (8.6-8.7) Collectieve actie en relatieve bevoegdheid (8.8-8.9) Forumkeuze voor een relatief bevoegd forum (8.10) Bespreking van de klachten van onderdeel 6 (8.11-8.13) 9. Afsluiting; terugwijzen door de appelrechter in WAMCA-zaken Slotsom beroep (9.1) Terugwijzen van de zaak door het hof naar de rechtbank (9.2-9.3) Terugwijzen in WAMCA-zaken (9.4-9.11) 10. Conclusie ***** Partijen worden hierna aangeduid als enerzijds Mercedes (eiseres tot cassatie onder 1), de Importeur (eiseres tot cassatie onder 2) en de Partners (eiseressen tot cassatie onder 3-18), gezamenlijk Mercedes c.s., en anderzijds SEC. 1Inleiding 1.1 In deze zaak stelt de belangenorganisatie SEC collectieve vorderingen in tegen Mercedes c.s. De vorderingen hebben betrekking op door Mercedes geproduceerde voertuigen met dieselmotoren, die door de Importeur in Nederland zijn geïmporteerd en die personen die behoren tot de achterban van SEC, hebben gekocht of geleased van de Partners. SEC heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat deze voertuigen zijn uitgerust met een verboden manipulatie-instrument, waardoor deze voertuigen, anders dan opgegeven door Mercedes c.s., in werkelijkheid niet voldeden aan de toepasselijke emissienormen Euro 5 en Euro 6. 1.2 SEC heeft gemeend dat de WAMCA op haar vorderingen van toepassing is. Zij heeft beoogd om met haar inleidende dagvaarding aan te sluiten bij een reeds op grond van de WAMCA ingestelde collectieve actie van een andere stichting, Stichting Diesel Emissions Justice (SDEJ), met betrekking tot dezelfde gebeurtenis(sen). Zij heeft zich overeenkomstig de WAMCA in de door die andere stichting begonnen procedure gemeld. De rechtbank heeft voor die procedure een procesorde vastgesteld, op grond waarvan in de eerste fase aan de orde zouden komen: (

  1. i)de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter, (
  2. ii)de toepasselijkheid van de WAMCA of art. 3:305a (oud) BW op elk van de vorderingen en (iii) de positie van SEC volgens de WAMCA. De rechtbank heeft hierna in haar vonnis met betrekking tot deze fase SEC niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen vanwege het ontbreken van een tijdig eigen verzoek om een verlengde dagvaardingstermijn zoals bedoeld in art. 1018d lid 2 Rv. Over de onderwerpen (
  3. i)en (
  4. ii)heeft de rechtbank ten opzichte van SEC geen oordeel gegeven. 1.3 SEC is van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gegaan. Het hof heeft op twee verschillende gronden geoordeeld dat de rechtbank SEC ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hof heeft zich mede uitgelaten over de hiervoor genoemde onderwerpen (
  5. i)en (ii). Het heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter op grond van art. 8 lid 1 Brussel I-bis internationaal bevoegd is om van de vorderingen van SEC tegen Mercedes kennis te nemen en dat de rechtbank Amsterdam ook relatief bevoegd is om van de vorderingen van SEC kennis te nemen, wat betreft de vorderingen tegen Mercedes op grond van opnieuw art. 8 lid 1 Brussel I-bis en wat betreft de vorderingen tegen de Importeur en de Partners op grond van art. 107 Rv. Verder heeft het hof geoordeeld dat de vorderingen van SEC, voor zover deze betrekking hebben op voertuigen waarvoor de Euro 5 emissienorm geldt, worden beheerst door art. 3:305a (oud) BW, en voor zover deze betrekking hebben op voertuigen waarvoor de Euro 6 emissienorm geldt, door de WAMCA. In cassatie komen Mercedes c.s. tegen al deze beslissingen en oordelen op. 1.4 In deze zaak spelen deels dezelfde vragen als in de bij de Hoge Raad aanhangige zaak 24/04589 tussen SDEJ en Stellantis c.s. Ook in die zaak is sprake van een collectieve actie met betrekking tot dieselvoertuigen die volgens de ingestelde vordering zijn uitgerust met een verboden manipulatie-instrument, waardoor zij, anders dan bij verkoop of bij leasing opgegeven, in werkelijkheid niet voldeden aan de toepasselijke emissienormen. Ook in die zaak spelen de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter en de toepasselijkheid van de WAMCA dan wel art. 3:305a (oud) BW op vorderingen die betrekking hebben op gebeurtenissen die dateren van vóór de invoering van de WAMCA. In beide zaken wordt vanwege deze samenhang (vandaag) gelijktijdig geconcludeerd door het parket. 1.5 Voorts zij opgemerkt dat op dit moment ook andere zaken bij de Hoge Raad lopen waarin vragen van uitleg van art. 3:305a (oud) BW dan wel de WAMCA aan de orde zijn. Het betreft de zaken 24/03432, 24/03443, 24/03448, 24/03449 en 24/03452 (LIBOR rentebenchmark), waarin ook de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter speelt, met betrekking tot een collectieve actie volgens art. 3:305a (oud) BW, en waarin A-G Ibili op 23 januari 2026 heeft geconcludeerd en de zaken 24/04650 en 24/04656 (AVG), waarin A-G de Bock op 30 januari 2026 heeft geconcludeerd. In een aantal van deze zaken speelt de vraag of het hof bij de vernietiging van een niet-ontvankelijkverklaring in eerste aanleg de zaak kan terugwijzen naar de rechtbank, zoals het hof ook in de onderhavige zaak heeft gedaan (zie de conclusies in zaak 24/03432, onder 3.44 e.v., en in zaken 24/04650 en 24/04656, onder 13.1 e.v.). 2Feiten en procesverloop 2.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. (
  6. i)SEC is op 11 december 2020 opgericht. Art. 2 van haar statuten luidt – voor zover van belang – als volgt: "De stichting heeft ten doel het behartigen van de belangen van de Gedupeerden die een of meer Gemanipuleerde Voertuigen hebben aangeschaft of geleased, waaronder begrepen maar niet beperkt tot: (
  7. a)het vaststellen en het onderzoeken van de gang van zaken die heeft geleid tot en betrekking heeft op (
  8. i)het ontwikkelen en het installeren van een of meer manipulatie-instrumenten in Gemanipuleerde Voertuigen en (
  9. ii)het verkopen en/of leveren van Gemanipuleerde Voertuigen aan de Gedupeerden; (
  10. b)het behartigen van de belangen van Gedupeerden en het vertegenwoordigen van Gedupeerden in juridische procedures binnen Nederland (...), zoals civiele (...) procedures, al naar gelang het geval; (
  11. c)het wereldwijd behartigen van de belangen van Gedupeerden in verband met de Claims; (
  12. d)het verkrijgen en verdelen van financiële compensatie voor (een gedeelte van) de schade die de Gedupeerden stellen te hebben geleden; (
  13. e)het behartigen van de collectieve belangen van Gedupeerden (...) in juridische procedures binnen Nederland (...) zoals civiele (...) procedures, al naar gelang het geval; (
  14. f)al hetgeen met vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord; In de statuten wordt verstaan onder: Gedupeerden: “(rechts)personen die één of meer Gemanipuleerde Voertuigen heeft gekocht of geleased”; Gemanipuleerd Voertuig: “een voertuig uitgerust met of voorzien van een Manipulatie-instrument of software of technologie die is geïnstalleerd om – als zodanig te werken”; Manipulatie-instrument: “een op grond van art. 5 lid 2 van EU Verordening (EG) nummer 715/2007 verboden constructieonderdeel van een motorvoertuig dat de temperatuur, de rijsnelheid, het motortoerental, de versnelling, de inlaatonderdruk of andere parameters meet om een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd onder omstandigheden die bij een normaal gebruik van het voertuig te verwachten zijn”; Claims: “een of meer klachten, eisen, stellingen en/of (rechts)vorderingen van de Gedupeerden en/of de stichting in het belang van de Gedupeerden, op welke rechtsgrondslag dan ook, jegens de Motorvoertuigfabrikanten of andere Entiteiten en/of hun Beleidsbepalers met betrekking tot iedere vorm van benadeling, verlies of schade die de Gedupeerden stellen te hebben geleden of te lijden, individueel of gezamenlijk, als gevolg van de manipulatie van de uitstoot van Gemanipuleerde Voertuigen in bepaalde testsituaties en/of de verkeerde voorstelling van zaken door Motorvoertuigfabrikanten, Entiteiten en/of hun Beleidsbepalers met betrekking tot de werkelijke niveaus van de uitstoot, inclusief maar niet beperkt tot vorderingen of stellingen van Gedupeerden in verband met de aankoop, het bezit of de lease van voertuigen en vorderingen in verband met de uitstoot van milieugevaarlijke stoffen.” (
  15. ii)Mercedes produceert onder meer voertuigen met dieselmotoren. De Importeur importeert onder meer deze voertuigen in Nederland. De Partners zijn onder te verdelen in ‘dealers’ en ‘servicepartners’. De dealers verkopen nieuwe Mercedesvoertuigen en voeren onderhoud aan deze voertuigen uit. De servicepartners verkopen geen nieuwe Mercedesvoertuigen. Zij handelen onder meer in gebruikte Mercedesvoertuigen en voeren onderhoud uit. (iii) Op 30 juli 2020 heeft SDEJ een dagvaarding uitgebracht in een collectieve actie tegen Mercedes c.s. waarin zij de belangen behartigt van (onder meer) personen die binnen Nederland in de periode van 1 januari 2009 tot 31 december 2019 een Mercedesdieselvoertuig met een Euro 5 of 6 goedkeuring hebben gekocht of hebben geleased. Deze dagvaarding is op 31 juli 2020 aangetekend in het WAMCA-register. (
  16. iv)Op verzoek van Stichting Car Claim (hierna: SCC), die wenste aan te sluiten bij de SDEJ-collectieve actie, is de dagvaardingstermijn voor collectieve acties met betrekking tot dezelfde gebeurtenis(sen) als de SDEJ-collectieve actie bij rolbeslissing van 30 september 2020 verlengd tot 31 december 2021. SCC heeft binnen deze termijn een dagvaarding uitgebracht in een collectieve actie tegen Mercedes c.s. (
  17. v)SEC beoogde eveneens met haar inleidende dagvaarding, die is uitgebracht binnen de verlengde termijn en is aangetekend in het WAMCA-register, aan te sluiten bij de SDEJ-collectieve actie. 2.2 Bij de deze procedure inleidende dagvaarding van 30 december 2020 heeft SEC Mercedes c.s. gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en gevorderd, voor zover van belang, dat voor recht zal worden verklaard dat Mercedes en de Importeur hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de als gevolg van hun onrechtmatig handelen door gedupeerden geleden schade en gehouden zijn die schade te vergoeden en dat Mercedes en de Importeur hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot vergoeding van de door de gedupeerden geleden schade, nader op te maken bij staat, en dat voor recht zal worden verklaard dat de door de Partners verkochte dieselvoertuigen non-conform zijn in de zin van art. 7:17 e.v. BW en dat de koopovereenkomsten tussen de Partners en een deel van de gedupeerden als gevolg van de non-conformiteit voor ontbinding vatbaar zijn. De vorderingen van SEC hebben betrekking op door Mercedes geproduceerde voertuigen met dieselmotoren die zijn goedgekeurd op basis van de Euro 5 en Euro 6 emissienormen, die door de Importeur in Nederland zijn geïmporteerd en op dergelijke voertuigen die door de Partners zijn verkocht. SEC heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat de voertuigen zijn voorzien van een verboden manipulatie-instrument, waardoor de voertuigen, anders dan opgegeven door Mercedes c.s., in werkelijkheid niet voldeden aan de toepasselijke emissienormen (Euro 5 en Euro 6). De gedupeerden waarvoor SEC opkomt, zijn alle (eerste en opvolgende) kopers of lessees van voertuigen die zijn voorzien van het instrument de Bosch EDC17 en die in de periode tussen 1 september 2009 en 1 september 2019 in Nederland zijn geïmporteerd, geregistreerd (bij de RDW) of verkocht of geleased, steeds met uitzondering van Mercedes c.s. SEC onderscheidt de gedupeerden in ‘groep A’, voor wie zij schadevergoeding vordert, en ‘groep B’, voor wie zij ontbinding van de koopovereenkomst vordert. 2.3 Bij rolbeslissing van 21 april 2021 heeft de rechtbank een procesorde voor de procedure vastgesteld. Deze procesorde houdt in, kort gezegd, dat de procedure uit drie fasen zal bestaan. De eerste fase heeft betrekking op de volgende onderwerpen: de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter, de toepasselijkheid van de WAMCA of art. 3:305a (oud) BW op elk van de vorderingen en de positie van SEC volgens de WAMCA. 2.4 Bij vonnis van 22 juni 2022 heeft de rechtbank SEC niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de rechtbank moet de positie van SEC worden beoordeeld aan de hand van de procesrechtelijke regels van de WAMCA, omdat de keuze van partijen – die daaruit blijkt dat SDEJ een dagvaarding heeft uitgebracht op de voet van art. 1018c Rv en SCC en SEC haar daarin zijn gevolgd – in beginsel het voor de ingang van de procedure geldende regime bepaalt. Omdat SEC haar dagvaarding niet binnen de wettelijke termijn van art. 1018d lid 1 Rv heeft uitgebracht en ook niet om verlenging van die termijn heeft verzocht op de voet van art. 1018d lid 2 Rv, moet zij niet-ontvankelijk worden verklaard, aldus de rechtbank (rov. 6.3-6.8). Voor het overige, en dus uitsluitend ten aanzien van SDEJ en SCC, heeft de rechtbank in het vonnis geoordeeld dat zij internationaal en relatief bevoegd is om van de vorderingen van SDEJ en SCC kennis te nemen, met uitzondering van de tegen Mercedes gerichte vorderingen die strekken tot bescherming van de belangen van (rechts)personen die niet bij een van de in Nederland gevestigde Partners een voertuig hebben gekocht of via lease onder zich hebben gekregen, maar bij een autodealer elders in de Europese Unie (rov. 6.10-6.23), en dat op grond van het toepasselijke overgangsrecht het oude recht van art. 3:305a (oud) BW van toepassing is op de vorderingen van SDEJ en SCC (rov. 6.24-6.33). 2.5 SEC heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank bij het hof Amsterdam. In hoger beroep heeft SEC haar eis vermeerderd en, voor zover van belang, mede gevorderd dat, voor zover de WAMCA niet van toepassing is, voor recht wordt verklaard dat Mercedes en de Importeur onrechtmatig hebben gehandeld jegens de gedupeerden en schadeplichtig zijn, en dat de door de Partners verkochte dieselvoertuigen non-conform zijn in de zin van art. 7:17 e.v. BW en dat de koopovereenkomsten tussen de Partners en een deel van de gedupeerden als gevolg van de non-conformiteit voor ontbinding vatbaar zijn. In hoger beroep heeft SEC betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om (allereerst) te beoordelen of zij rechtsmacht heeft en (vervolgens) of de WAMCA van toepassing is, ten onrechte heeft geoordeeld dat SEC geen gebruik mocht maken van de op verzoek van SCC verlengde dagvaardingstermijn, en, als de WAMCA niet van toepassing zou zijn – zoals de rechtbank heeft geoordeeld ten aanzien van de collectieve acties van SDEJ en SCC – SEC in staat had moeten stellen om haar collectieve actie op de voet van art. 3:305a (oud) BW te vervolgen. Mercedes en de Importeur hebben incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank en betoogd dat de rechtbank zich ten onrechte (impliciet) bevoegd heeft geacht om te oordelen over de collectieve actie van SEC. 2.6 Bij arrest van 13 augustus 2024 heeft het hof een regiezitting gelast. In dit arrest heeft het hof geoordeeld dat het vonnis van de rechtbank niet in stand kan blijven. Het hof heeft allereerst in het arrest geoordeeld dat de rechtbank Amsterdam internationaal en relatief bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SEC tegen Mercedes. Het heeft daarover overwogen: “Rechtsmacht met betrekking tot de vorderingen tegen Mercedes 4.4. De regels van internationaal bevoegdheidsrecht zijn van openbare orde. De rechtsmacht dient vast te staan alvorens toegekomen kan worden aan de verdere (inhoudelijke) beoordeling van de collectieve actie. Het hof moet dus (ook) ambtshalve beoordelen of de rechtbank Amsterdam bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van SEC tegen Mercedes. Dat moet in deze zaak gebeuren aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (PbEU 2012, L 351/1, Verordening Brussel I-bis). De bepalingen van deze verordening moeten autonoom worden uitgelegd aan de hand van het stelsel en de doelstellingen ervan waarbij als uitgangspunt geldt dat de bevoegdheidsregels in hoge mate voorspelbaar moeten zijn. Het hof zoekt aansluiting bij de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) over deze verordening en haar voorlopers: Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Vo) en het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1979, C 59) (EEX-Verdrag) in die gevallen waarin de toe te passen bepalingen van de verordening aan die van haar voorlopers gelijkluidend zijn. Het hof zal niet alleen acht slaan op de stellingen van SEC, maar ook op de beschikbare gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en op de stellingen van Mercedes c.s. en de Partners (zie HR 23 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, rov. 4.1.4). Er hoeft in de fase van de bepaling van de bevoegdheid echter geen bewijsprocedure te worden gevoerd met betrekking tot betwiste feiten (zie HvJEU 16 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:449 (Universal Music), punt 44-45). 4.5. Het tijdstip waarop de procedure in eerste aanleg aanhangig is gemaakt, dus het tijdstip waarop de inleidende dagvaarding is betekend, is in het algemeen beslissend voor de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Voorts moet de voor art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis vereiste samenhang bestaan op het tijdstip dat de vorderingen worden ingediend (zie onder meer HvJEU 21 mei 2015, C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335 (CDC/Akzo), punt 28). Het tijdens de procedure in hoger beroep uitgesproken faillissement van [D] heeft dan ook geen gevolg voor beoordeling van de internationale bevoegdheid om kennis te nemen van de vorderingen van SEC. 4.6. Verordening Brussel I-bis kent geen specifieke bevoegdheidsgrondslag of toepassingen van de (bijzondere) bevoegdheidsregels met betrekking tot collectieve acties. Partijen nemen terecht tot uitgangspunt dat de artt. 7 lid 2 en 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis de enige mogelijke bevoegdheidsgrondslagen zijn voor de vorderingen tegen Mercedes. Artikel 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis 4.7. Art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis bepaalt ter vermijding van onverenigbare beslissingen bij afzonderlijke berechting dat de verweerder, indien er meer dan één verweerder is, voor het gerecht van de woonplaats van een hunner kan worden opgeroepen op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting. Deze bevoegdheidsregel strekt ertoe een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken, parallel lopende processen zo veel mogelijk te beperken en dus te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Omdat met deze bevoegdheidsregel wordt afgeweken van de hoofdregel van Verordening Brussel I-bis dat de rechter van de woonplaats van de verweerder bevoegd is (art. 4), moet deze regel eng worden uitgelegd. Die uitleg mag zich enkel uitstrekken tot de in die verordening uitdrukkelijk bedoelde gevallen (zie onder meer HvJEU 20 april 2016, ECLI:EU:C:2016:282 (Profit Investments SIM), punt 63). Beslissingen kunnen niet reeds onverenigbaar worden geacht op grond van een divergentie in de beslechting van het geschil; daartoe is bovendien vereist dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens (zie onder meer arrest Profit Investments, punt 65). 4.8. Het hof ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van de antwoorden op de door dit hof op 19 september 2023 (ECLI:NL:GHAMS:2023:2570) gestelde prejudiciële vragen over de uitleg van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis. Onder meer is gevraagd of deze bepaling rechtstreeks, met terzijdestelling van de artt. 99 tot en met 110 Rv, zowel het internationaal als het relatief bevoegde gerecht aanwijst en of bij toepassing van deze bepaling slechts één verweerder kan fungeren als ankergedaagde. Bij deze stand van zaken, waarin de vragen nog niet zijn beantwoord, gaat het hof met betrekking tot de onderwerpen waarover de vragen gaan uit van de meest beperkte uitleg van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis. Het hof neemt tot uitgangspunt dat deze bepaling met terzijdestelling van de artt. 99 tot en met 110 Rv rechtstreeks zowel het internationaal als het relatief bevoegde gerecht aanwijst en dat bij toepassing van deze bepaling slechts één verweerder kan fungeren als ankergedaagde. Het hof ziet geen aanleiding om nadere prejudiciële vragen te stellen over art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis. 4.9. [eiseres 4] en [D] zijn voor de toepassing van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis de enige mogelijke ankergedaagden omdat zij hun hoofdvestiging in het arrondissement hebben en [D] daar is gevestigd (zie art. 63 Verordening Brussel I-bis). Mercedes stelt onweersproken dat zij alleen gebruikte Voertuigen kunnen hebben verkocht omdat zij servicepartners zijn. De onder 4 (in de nummering van de vorderingen door SEC) gevorderde verklaring voor recht ziet echter ook op gebruikte Voertuigen en kan dus fungeren als ankervordering. Voor zover de toewijsbaarheid van de vorderingen tegen de ankergedaagde van belang zou zijn voor de vaststelling van de rechtsmacht op grond van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis – dit hof heeft daar een vraag over gesteld aan het HvJEU (zie ECLI:NL:GHAMS:2023:2570) – en zou moeten worden aangenomen dat dit artikel niet kan worden toegepast bij een onvoldoende substantiëring van de vordering tegen de ankergedaagde, is daarin in het onderhavige geval gelet op de door SEC gegeven onderbouwing van haar vorderingen geen beletsel gelegen voor het aannemen van rechtsmacht. Bovendien hebben ook volgens Mercedes zowel [eiseres 4] als [D] (enkele) Voertuigen verkocht die mogelijk binnen de reikwijdte van de ankervordering vallen. 4.10. Voor rechtsmacht op grond van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis is vereist dat de vorderingen tegen Mercedes een ‘nauwe band’ in de zin van deze bepaling hebben met de ankervordering. Zowel met [eiseres 4] als met [D] als ankergedaagde, bestaat tussen de vorderingen tegen Mercedes en de ankervordering een zodanige verhouding waardoor bij afzonderlijke berechting van deze vorderingen een gevaar bestaat voor onverenigbare beslissingen in de zin van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis. Het aan het adres van Mercedes gemaakte verwijt van het onrechtmatig manipuleren van de Voertuigen is niet gericht tegen de ankergedaagde, maar de gegrondheid van de vorderingen tegen de ankergedaagde valt of staat (mede) met de gegrondheid van dit verwijt. Dat wordt niet anders door de door Mercedes genoemde verschillen in onder meer de verwijten, juridische grondslag en regimes en de niet ter discussie staande onbekendheid bij de ankergedaagde met de gestelde manipulatie door Mercedes. Voor de toewijsbaarheid van de vorderingen tegen Mercedes en de ankergedaagde moeten voorts gemeenschappelijke feitelijke vragen en rechtsvragen beantwoord worden, bijvoorbeeld de vraag naar het (nog steeds) niet voldoen aan de emissievoorschriften van de Voertuigen, de effecten daarvan en de vraag of die effecten adequaat zijn verholpen. De nauwe band tussen de vorderingen op de ankergedaagde en de vorderingen op Mercedes is niet beperkt tot dat deel van de collectieve actie dat ziet op de koop van een gebruikt Voertuig bij de ankergedaagde. Er zijn voor de ankergedaagde en Mercedes gemeenschappelijke feitelijke vragen en rechtsvragen die niets van doen hebben met de Voertuigen die de ankergedaagde heeft verkocht. Hieruit volgt dat in voldoende mate eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens, aan de orde is. Met gezamenlijke behandeling van de vorderingen tegen Mercedes en de ankergedaagde wordt voorkomen dat verschillende rechters ter zake daarvan dezelfde vragen moeten beantwoorden en tegenstrijdige beslissingen (kunnen) geven. Voor Mercedes was het voorts voorzienbaar dat zij zou kunnen worden gedagvaard voor de Nederlandse rechter, waaronder die in Amsterdam. Zij moest er immers rekening mee houden dat zij zou kunnen worden opgeroepen voor een rechter van een lidstaat waarin de door haar geproduceerde voertuigen op de markt zijn gebracht. Zij mocht in de gegeven omstandigheden niet ervan uit gaan dat zij binnen een lidstaat alleen kon worden gedaagd voor een vordering van, namens of ten behoeve van een koper of kopers in het desbetreffende arrondissement. 4.11. De slotsom luidt dat de rechtbank Amsterdam met toepassing van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis rechtsmacht heeft zowel in het geval [eiseres 4] de ankergedaagde is als wanneer [D] dat is. Onbesproken kan blijven of de rechtbank Amsterdam eveneens bevoegd is op grond van art. 7 lid 2 Verordening Brussel I-bis.” 2.7 Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de rechtbank Amsterdam ook relatief bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SEC tegen de Importeur en de Partners die niet in het arrondissement van de rechtbank Amsterdam zijn gevestigd of daar een filiaal hebben: “De Importeur en de Partners 4.12. De herstelfunctie van het hoger beroep brengt mee dat de door de Importeur en de Partners bestreden relatieve bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam alsnog dient te worden beoordeeld aan de hand van artt. 99 tot en met 110 Rv. 4.13. De Importeur en de Partners menen dat de rechtbank Amsterdam uitsluitend relatief bevoegd is ten aanzien van vorderingen tegen Partners die hun statutaire zetel hebben in het arrondissement Amsterdam, of (bij een statutaire zetel elders) indien Partners een filiaal hebben in Amsterdam en het aangelegenheden betreft die zien op dit filiaal. Dit betoog gaat niet op. [D] , [eiseres 4] , [eiseres 11] en Stern 1M zijn gevestigd in het arrondissement Amsterdam of hebben daar een filiaal. Ook als in aanmerking wordt genomen dat [D] en [eiseres 4] servicepartners zijn en dus geen nieuwe voertuigen verkopen – hetgeen SEC niet (gemotiveerd) betwist – bestaat tussen de vorderingen tegen deze vier Partners (voor zover nodig ieder voor zich) en die tegen de Importeur en de andere Partners een zodanige samenhang dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Deze vorderingen vloeien allemaal voort uit de aankoop bij een Partner van een gesteld non­conform Voertuig, dat is geïmporteerd door de Importeur. De eventuele verschillen in feitelijke en juridische grondslagen van de vorderingen tegen de Partners en/of de Importeur nemen niet weg dat bij beoordeling van de toewijsbaarheid van deze vorderingen in belangrijke mate dezelfde of met elkaar samenhangende feitelijke en juridische vragen zullen moeten worden beantwoord. De rechtbank Amsterdam is dan ook op grond van art. 107 Rv relatief bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen tegen de Importeur en de Partners die niet gevestigd zijn in Amsterdam of daar geen filiaal hebben. 4.14. MBDB en [eiseres 14] beroepen zich op de forumkeuzes die zij met hun klanten zijn overeengekomen voor de rechtbanken Den Haag respectievelijk Limburg. Deze forumkeuzes kunnen niet worden tegengeworpen aan SEC, die in deze procedure een eigen vorderingsrecht uitoefent en geen partij is bij de koopovereenkomsten waarop deze forumkeuzes van toepassing zijn. Daarnaast moest SEC haar vorderingen waarmee zij beoogde aan te haken bij de SDEJ-collectieve actie, voor zover de WAMCA daarop van toepassing is op grond van art. 1018d lid 2 Rv instellen bij de rechtbank Amsterdam. Uit deze bepaling vloeit voort dat de keuze voor de rechtbank waar de collectieve actie wordt behandeld wordt overgelaten aan de eerste rechtspersoon die een collectieve vordering aanhangig maakt. In het zich hier niet voordoende geval dat de eerste collectieve vordering is ingesteld bij een niet relatief bevoegde rechtbank, kunnen de belangenbehartigers die ook een collectieve vordering willen instellen voor dezelfde gebeurtenis(sen) over soortgelijke feitelijke en rechtsvragen wijzen op de relatieve onbevoegdheid van deze rechtbank en vragen om verwijzing. Zie Kamerstukken II 2017-2018, 34 608, nr. 7, p. 6, waar wordt opgemerkt dat het belangrijkste is dat alle collectieve vorderingen voor de dezelfde gebeurtenis over soortgelijke feitelijke en rechtsvragen eerst als één zaak worden aangemerkt en na eventuele verwijzing naar de wel relatief bevoegde rechter verder ook als één zaak worden behandeld.” 2.8 Het hof heeft verder geoordeeld dat de collectieve vorderingen van SEC, voor zover deze betrekking hebben op Euro 5 voertuigen, worden beheerst door het oude recht van art. 3:305a (oud) BW, en voor zover deze betrekking hebben op Euro 6 voertuigen, door de WAMCA: “Toepasselijk collectieveactieregime 4.15. Met de invoering van de WAMCA is art. 3:305a BW, dat het instellen van collectieve vorderingen regelt, gewijzigd en zijn nieuwe processuele bepalingen voor dergelijke vorderingen toegevoegd in titel 14A Rv. Het relevante overgangsrecht voor art. 3:305a BW is neergelegd in art. 119a lid 2 Overgangswet NBW (ONBW). Deze bepaling bevat een uitzondering op de hoofdregel van onmiddellijke werking (art. 68a ONBW) die inhoudt dat art. 3:305a (oud) BW van toepassing blijft voor na 1 januari 2020 ingestelde collectieve vorderingen “voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016.” Het overgangsrecht dat geldt voor de met de WAMCA ingevoerde titel 14A Rv houdt in dat deze titel van toepassing is op gedingen die op of na 1 januari 2020 aanhangig zijn gemaakt en betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016 (art. III onder 2 WAMCA). De met de WAMCA doorgevoerde wijzigingen in het BW en het Rv zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Gelet hierop en omdat het WAMCA-overgangsrecht uitzondering maakt op het uitgangspunt van onmiddellijke werking van wijzigingen van het BW en het Rv, is de WAMCA niet van toepassing op collectieve vorderingen die (uitsluitend) betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016 (vlg. HR 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:347, rov. 3.1.4). Dit strookt met de met het WAMCA-overgangsrecht nagestreefde rechtszekerheid en het voorkomen van procedures over dezelfde gebeurtenis(sen) onder verschillende collectieve actie regimes. Voor de vaststelling of sprake is van een gebeurtenis of gebeurtenissen die (uitsluitend) voor dan wel vanaf 15 november 2016 heeft of hebben plaatsgevonden dient acht geslagen te worden op de stellingen van SDEJ en de betwistingen van geïntimeerden. Bewijs is dus niet aan de orde, een aanwijzing op grond van de stellingen van partijen is voldoende (vgl. HR 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:347, rov. 3.1.4). 4.16. De gemene deler van de collectieve vorderingen van SEC is dat alle, op verschillende juridische grondslagen stoelende, verwijten aan Mercedes, de Importeur en de Partners zien op in Nederland in het verkeer gebrachte Voertuigen die zouden zijn voorzien van emissiebeheersingssoftware (een vermeend manipulatie-instrument) waardoor zij niet voldeden en nog steeds niet voldoen aan de toepasselijke emissievoorschriften. Het hof merkt daarom het in Nederland in het verkeer brengen van Voertuigen die zijn voorzien van een vermeend manipulatie-instrument aan als de ‘gebeurtenis(sen)’ waarop de collectieve vorderingen van SEC zien. Het hof onderschrijft dus niet de door de rechtbank bepaalde ‘gebeurtenis’, te weten het ontwikkelen van de emissiebeheersingssoftware. De door SEC voorgestane gebeurtenis(sen), waaronder de herprogrammering van de betreffende software, betreffen het voortduren of het niet wegnemen van de gestelde schade die het gevolg is van het in Nederland in het verkeer brengen van Voertuigen die niet aan de emissievoorschriften voldoen. Het (ook) aanmerken daarvan als de voor toepassing van het overgangsrecht relevante gebeurtenis(sen) zou leiden tot strijd met de met het overgangsrecht beoogde rechtszekerheid. 4.17. Bij toepassing van art. 119a lid 2 ONBW op de collectieve vorderingen van SEC dient onderscheid te worden gemaakt tussen Voertuigen waarvoor de Euro 5 respectievelijk Euro 6 emissienormen gelden. De Euro 5 norm gold tot september 2015, daarna gold de Euro 6 norm. Gezien de partijdiscussie is er geen aanwijzing dat op of na 15 november 2016 Euro 5 Voertuigen waarop de collectieve vorderingen van SEC zien in Nederland in het verkeer zijn gebracht. De collectieve vorderingen van SEC met betrekking tot de Euro 5 Voertuigen hebben daarmee uitsluitend betrekking op gebeurtenissen die voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden en worden beheerst door art. 3:305a (oud) BW. De keuze van SEC om in één procedure collectieve vorderingen in te stellen met betrekking tot Voertuigen die in een lange periode zijn geproduceerd waarin verschillende emissievoorschriften (Euro 5/Euro 6) gelden, kan niet ertoe leiden dat collectieve vorderingen met betrekking tot Voertuigen die op en na 15 november 2016 niet langer werden geproduceerd onder het WAMCA-regime worden gebracht. Dat strookt niet de door de wetgever met art. 119a ONBW beoogde rechtszekerheid. 4.18. De partijdiscussie biedt voldoende aanwijzingen dat de Euro 6 Voertuigen waarop de collectieve vorderingen van SEC zien (ook) op en na 15 november 2016 in Nederland in het verkeer zijn gebracht. De collectieve vorderingen met betrekking tot deze Voertuigen hebben dan ook niet (uitsluitend) betrekking op gebeurtenis(sen) van voor 15 november 2016. De WAMCA is daarop van toepassing. Dit strookt met het uitgangspunt van de WAMCA dat alle vorderingen met betrekking tot dezelfde gebeurtenis(sen) geconcentreerd worden in één collectieveactieprocedure, de bedoeling van de wetgever om te voorkomen dat tegelijkertijd verschillende regimes van toepassing zijn op collectieve acties over dezelfde gebeurtenis(sen) en de door de wetgever nagestreefde rechtszekerheid, die onder meer inhoudt dat (potentiële) gedaagden kunnen verwachten dat zij met betrekking tot gebeurtenissen die niet of niet uitsluitend voor 15 november 2016 hebben plaatsgehad kunnen worden geconfronteerd met een collectieve actie waarop de WAMCA van toepassing is. 4.19. De slotsom luidt dat de collectieve vorderingen van SEC, voor zover deze betrekking hebben op Euro 5 Voertuigen worden beheerst door art. 3:305a (oud) BW. Voor zover de vorderingen zien op Euro 6 Voertuigen worden zij beheerst door de WAMCA. Dit kan onmiskenbaar leiden tot processuele complicaties. Dit is echter de consequentie van het door SEC in één collectieveactieprocedure samenvoegen van vorderingen met betrekking tot van elkaar te onderscheiden gebeurtenissen die wel en niet (uitsluitend) voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden.” 2.9 Het hof heeft hierna op twee verschillende gronden geoordeeld dat de rechtbank SEC ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar vorderingen vanwege het ontbreken van een tijdig eigen verzoek om een verlengde dagvaardingstermijn zoals bedoeld in art. 1018d lid 2 Rv. In de eerste plaats is deze bepaling volgens het hof niet toepasselijk voor zover de collectieve vorderingen van SEC zien op Euro 5 voertuigen, aangezien die worden beheerst door art. 3:305a (oud) BW, bij welke bepaling geen termijn geldt voor het instellen daarvan. Voor zover de collectieve vorderingen van SEC zien op Euro 6 voertuigen, en daarom naar het oordeel van het hof wel worden beheerst door de WAMCA, heeft de rechtbank volgens het hof SEC ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, omdat de verlengde dagvaardingstermijn ook geldt voor belangenorganisaties die zelf niet om verlenging hebben verzocht (rov. 4.20-4.24). 2.10 Tot slot heeft het hof overwogen dat het betoog van de Partners dat het hoger beroep van SEC reeds bij gebrek aan belang moet stranden omdat dit haar niet in een betere positie kan brengen, niet opgaat “gezien het voorgaande”, en dat het betoog van de Partners dat belang ontbreekt bij de collectieve actie van SEC omdat deze louter financieel gedreven is en geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van de collectieve acties van SDEJ en SCC, waarmee de belangen van de achterban van SEC reeds worden gediend, als onvoldoende concreet gemotiveerd en onderbouwd wordt gepasseerd (rov. 4.25). De regiezitting heeft het hof gelast om met partijen over het vervolg van de procedure te praten, onder meer wat betreft terugwijzing van de zaak naar de rechtbank. 2.11 Bij arrest van 22 oktober 2024 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd, de zaak teruggewezen naar de rechtbank ter verdere afdoening, en verlof verleend om (tussentijds) cassatieberoep in te stellen. 2.12 Bij herstelarrest van 26 november 2024 heeft het hof op de voet van art. 31 Rv een kennelijke verschrijving hersteld in rov. 4.17 eerste zin van het tussenarrest van 13 augustus 2024. 2.13 Mercedes c.s. hebben tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de arresten van het hof van 13 augustus 2024, 22 oktober 2024 en 26 november 2024. SEC is in cassatie niet verschenen. Mercedes c.s. hebben hun standpunt schriftelijk doen toelichten. 3Inzet cassatiemiddel; hoofdlijnen regeling WAMCA en art. 3:305a (oud) BW 3.1 Het middel richt uitsluitend klachten tegen het arrest van 13 augustus 2024 (dat daarom hierna verder kort als ‘het arrest’ (van het hof) zal worden aangeduid). Het middel telt zes onderdelen. Onderdeel 1 is gericht tegen het oordeel van het hof dat de rechtbank Amsterdam internationaal en relatief bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SEC tegen Mercedes. Onderdeel 2 keert zich tegen het oordeel van het hof dat de collectieve vorderingen van SEC, voor zover deze betrekking hebben op Euro 6 voertuigen, worden beheerst door de WAMCA. Onderdeel 3 bestrijdt het oordeel van het hof dat de rechtbank SEC ten onrechte niet-ontvankelijk in haar vorderingen heeft verklaard wegens het ontbreken van een tijdig eigen verzoek om een verlengde dagvaardingstermijn als bedoeld in art. 1018d lid 2 Rv. Onderdeel 4 is gericht tegen rov. 4.25, waarin het hof het beroep van de Partners op een gebrek aan belang bij het hoger beroep en de collectieve actie van SEC heeft verworpen. Onderdeel 5 bevat een voortbouwklacht tegen de proceskostenveroordeling in het arrest van 22 oktober 2024. Die klacht mist zelfstandige betekenis en behoeft daarom geen bespreking. Deze klacht komt daarom hierna niet meer ter sprake. Onderdeel 6 is gericht tegen het oordeel van het hof dat de rechtbank Amsterdam op grond van art. 107 Rv relatief bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SEC tegen de Importeur en de Partners. Collectieve actie o.g.v. de WAMCA en art. 3:305a (oud) BW 3.2 Alvorens de onderdelen te bespreken, schets ik eerst kort de mogelijkheid om een collectieve actie in te stellen ten behoeve van de gedupeerden van een bepaalde gebeurtenis of van bepaalde gebeurtenissen. Die mogelijkheid werd en wordt gegeven in art. 3:305a e.v. BW. Vóór 1 januari 2020 voorzag de regeling van de collectieve actie niet in het verkrijgen van schadevergoeding voor de gedupeerden, maar enkel in het verkrijgen van andere voorzieningen, zoals een verbod, bevel of verklaring voor recht. Hierin is verandering gekomen met de inwerkingtreding op 1 januari 2020 van de WAMCA, waarbij de regeling van 3:305a e.v. BW vrij ingrijpend is gewijzigd. De WAMCA heeft een collectieve schadevergoedingsprocedure geïntroduceerd. In de WAMCA-procedure – die goeddeels is geregeld in de nieuwe titel 14A van Boek 3 Rv – worden massazaken gecoördineerd door de rechter afgedaan. Het doel van de WAMCA is volgens de bij het ontwerp daarvan gegeven toelichting om een efficiënte en effectieve collectieve afwikkeling van massaschade te bevorderen. De coördinatie bestaat erin dat collectieve acties over dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen over soortgelijke feitelijke of rechtsvragen bij één rechter in één procedure worden behandeld en beslist. Nadat de eerste actie aanhangig is gemaakt, bestaat een korte termijn voor andere belangenorganisaties om betrekking tot dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen ook een collectieve actie in te stellen (art. 1018d leden 1 en 2 Rv). De acties worden tezamen behandeld en beslist als één zaak (art. 1018d lid 3 Rv). Van de belangenorganisaties wordt de meest geschikte door de rechter als exclusieve belangenbehartiger aangewezen (art. 1018e lid 1 Rv). Deze voert de procedure tegen de gedaagde partij(en), in overleg met de andere organisaties (vgl. art. 1018e lid 3 Rv). De uitspraak die de rechter in de procedure doet, is bindend is voor alle gedupeerden op wie de zaak betrekking heeft en die geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid van een opt-out (art. 1018k lid 1 Rv). De bedoeling is dat in de procedure exclusief voor eenieder over de massaschade wordt beslist. Weliswaar is een opt-out mogelijk (art. 1018f lid 1 Rv), maar wie daarvan gebruik maakt, zal individueel moeten procederen. Een collectieve actie is niet meer mogelijk, zo bepaalt de wet uitdrukkelijk (art. 1018f lid 4 Rv). In verband met de ingevoerde wijzigingen stelt het nieuwe art. 3:305a BW in beginsel ook zwaardere eisen dan het oude recht aan de organisatie die een collectieve vordering wil instellen (art. 3:305a leden 1-2 BW). Die bepaling stelt bovendien nu ook bepaalde ontvankelijkheidsvoorwaarden (art. 3:305a lid 3 BW). 3.3 Opmerking verdient dat de WAMCA het materiële aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht als zodanig onverlet heeft gelaten, dat de basis vormt voor de collectieve afwikkeling van schadeclaims. Op dit punt is er dus geen wijziging. Aansprakelijkheid en schadevergoeding moeten in de WAMCA-procedure derhalve volgens de gewone regels van het BW worden vastgesteld. Dat betekent dat gekeken moet worden naar de vorderingen van de individuen die de achterban van de belangenorganisatie vormen. 3.4 Zoals hiervoor bleek, is in deze procedure, op grond van de beslissing van het hof over de ingestelde vorderingen, sprake van een combinatie van een WAMCA-procedure – waarin SEC onder meer schadevergoeding voor de gedupeerden vordert – en van een procedure op basis van art. 3:305a (oud) BW – waarin SEC alleen verklaringen voor recht voor haar achterban vordert. Evaluatie WAMCA 3.5 De WAMCA is al in 2025 geëvalueerd, in opdracht van het WODC, waarvan een rapport is verschenen. Het eerste deel van dit evaluatierapport betreft een onderzoek naar nadere eisen voor de representativiteit van belangenorganisaties met een ideëel doel. Het tweede deel van het rapport betreft een breder onderzoek naar de vraag hoe de collectieve actie werkt in het licht van de doelstellingen van de WAMCA. De bevindingen van de evaluatie zullen hierna, waar relevant, worden vermeld. Naar aanleiding van het tweede deel van het rapport heeft de staatssecretaris bij brief van 19 november 2025 de Tweede Kamer geïnformeerd dat hij, gelet op de demissionaire status van het kabinet, geen aanleiding ziet om op dit moment wetgevende maatregelen te treffen ten aanzien van de WAMCA en dat hij het aan het volgende kabinet laat om met een nadere inhoudelijke reactie te komen op het onderzoek. 4. Bespreking onderdeel 1: internationale bevoegdheid Nederlandse rechter en relatieve bevoegdheid rechtbank Amsterdam t.a.v. vorderingen tegen Mercedes 4.1 Onderdeel 1 is als gezegd gericht tegen het oordeel van het hof dat de rechtbank Amsterdam internationaal en relatief bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SEC tegen Mercedes (rov. 4.4-4.11). SEC heeft voor de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en de rechtbank Amsterdam een beroep gedaan op art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis, dat bepaalt dat ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad bevoegd is het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan (dat is onder meer het Erfolgsort). Het hof heeft in rov. 4.6 overwogen dat als mogelijke bevoegdheidsgrondslagen die bepaling en art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis in aanmerking komen. Art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis bepaalt dat indien er meer dan één verweerder is, het gerecht van de woonplaats van een hunner bevoegd is, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Het hof heeft in rov. 4.9-4.10 geoordeeld dat aan de voorwaarde voor toepasselijkheid van de laatstgenoemde bepaling is voldaan. Over de bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam op grond van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis heeft het hof zich daarom niet uitgelaten (rov. 4.11). Het onderdeel bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 4.9-4.11 dat de rechtbank Amsterdam op grond van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis internationaal en relatief bevoegd is om van de vorderingen van SEC tegen Mercedes kennis te nemen. Het onderdeel bevat een groot aantal klachten tegen dat oordeel, die zijn vervat in zeven subonderdelen. 4.2 Het onderdeel kan reeds niet tot cassatie leiden omdat als vaststaand in deze procedure moet worden aangenomen dat de rechtbank Amsterdam in elk geval bevoegd is om van de vorderingen van SEC tegen Mercedes kennis te nemen op grond van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis. Daarvoor valt te wijzen op het volgende. Bevoegdheid op grond van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis 4.3 Het Hof van Justitie EU heeft zich in de zaak VKI/Volkswagen uitgelaten over de plaats waar de schade is ingetreden (het Erfolgsort) in de zin van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis in een geval, zoals ook hier aan de orde, waarin een fabrikant van voertuigen op grond van onrechtmatige daad wordt aangesproken voor het gebruik van een verboden manipulatie-instrument in haar voertuigen. De eiser VKI is een vereniging, die onder meer tot statutair doel heeft het in rechte geldend maken van vorderingen die consumenten aan haar hebben overgedragen met het oog op procesvoering. VKI vorderde schadevergoeding van Volkswagen, die bestond uit het prijsverschil tussen de door de consumenten betaalde prijs en de daadwerkelijke marktwaarde gelet op het in de voertuigen aanwezige gebrek. Het Hof van Justitie EU oordeelde dat wanneer voertuigen door de fabrikant in een lidstaat op onrechtmatige wijze zijn voorzien van software die de emissiegegevens manipuleert alvorens deze voertuigen bij een derde in een andere lidstaat worden gekocht, de plaats waar de schade intreedt, zich in deze laatste lidstaat bevindt. Dat oordeel achtte het Hof in overeenstemming met de doelstelling van voorspelbaarheid van de bevoegdheidsregels, aangezien een in een lidstaat gevestigde autofabrikant die zich schuldig maakt aan onrechtmatige manipulaties van in andere lidstaten in de handel gebrachte voertuigen, redelijkerwijs mag verwachten te worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaten. 4.4 Zoals hiervoor in 2.2 tweede alinea al vermeld, komt SEC in deze zaak uitsluitend op voor de belangen van personen die in Nederland een door Mercedes geproduceerd voertuig met een manipulatie-instrument hebben gekocht of geleased. Zij vordert voor hen (de gedupeerden), zoals eveneens hiervoor in 2.2 al vermeld, een verklaring voor recht tegen Mercedes dat Mercedes hoofdelijk aansprakelijk is voor de als gevolg van haar onrechtmatig handelen door de gedupeerden geleden schade en gehouden is die schade te vergoeden, en een veroordeling van Mercedes tot vergoeding van de door de gedupeerden geleden schade. De gevorderde schadevergoeding bestaat in de eerste plaats uit de ‘cumulatieve overcharge’, dat wil zeggen het bedrag dat kopers en lessees volgens SEC teveel voor een voertuig van Mercedes hebben betaald. Grondslag van al deze vorderingen is dat Mercedes onrechtmatig jegens de gedupeerden heeft gehandeld. Deze vorderingen vallen onmiskenbaar onder de omschrijving ‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’ als bedoeld in art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie EU in het arrest VKI/Volkswagen. In het licht van dat arrest is ook duidelijk dat het schadebrengende feit zich bij de vorderingen van SEC tegen Mercedes heeft voorgedaan in Nederland en dat de Nederlandse rechter dus bevoegd is. 4.5 Art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis wijst niet alleen het internationaal bevoegde gerecht aan, maar ook het relatief bevoegde gerecht. In de zaak Volvo overweegt het Hof van Justitie EU daarover: “33. Wat de vraag betreft welk gerecht binnen de aldus aangewezen lidstaat bevoegd is, volgt reeds uit de bewoordingen van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 dat die bepaling zowel de internationale als de relatieve bevoegdheid rechtstreeks en onmiddellijk toekent aan het gerecht van de plaats waar de schade is ingetreden. Zoals de advocaat-generaal in punt 46 van zijn conclusie heeft opgemerkt, wordt die analyse met name kracht bijgezet door het rapport van P. Jenard over het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1979, C 59, blz. 1).” De vraag moet dus worden beantwoord of art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis in dit geval niet alleen de Nederlandse rechter aanwijst, maar ook de rechtbank Amsterdam. Het antwoord op deze vraag volgt voor dit geval uit het recente arrest van het Hof van Justitie EU in zaak Apple. Arrest in de zaak Apple 4.6 In dit arrest heeft het hof zich, naar aanleiding van prejudiciële vragen van de rechtbank Amsterdam, uitgelaten over de uitleg van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis in een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW. In de zaak die tot het arrest heeft geleid, hebben twee stichtingen een collectieve actie ingesteld tegen Apple Distribution International Ltd en Apple Inc., omdat zij onrechtmatig zouden hebben gehandeld jegens gebruikers van apps die werken op basis van het iOS-besturingssysteem. Aan hun vorderingen hebben de stichtingen onder meer ten grondslag gelegd dat Apple c.s. een machtspositie innemen op de markt voor de distributie van apps voor Apple-apparaten en het betalingssysteem van de App Store en dat zij misbruik maken van hun positie door een buitensporige commissie van 30% in te houden op de prijs die voor de aankoop van die apps is betaald. De rechtbank had reeds in de zaak vastgesteld dat zij internationaal bevoegd is om van de vorderingen van de stichtingen kennis te nemen, omdat de schade in Nederland is ingetreden. Zij vroeg zich af, kort gezegd, hoe tot een relatief bevoegde rechter kan worden gekomen in een collectieve actie die betrekking heeft op een online platform dat is gericht op de lidstaat als geheel. Het hof heeft die vraag als volgt beantwoord: “58 Gelet op de in punt 50 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte uitlegging die het Hof heeft gegeven aan artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012, volgens welke door deze bepaling zowel de internationale als de territoriale bevoegdheid rechtstreeks en onmiddellijk wordt toegekend aan het gerecht van de plaats waar de schade is ingetreden, vraagt de verwijzende rechter zich evenwel af welk of welke van deze internationaal bevoegde gerechten territoriaal bevoegd is of zijn om kennis te nemen van dit geding. 59 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het Hof, met betrekking tot een vordering tot vergoeding van de schade die is veroorzaakt door heimelijke afspraken over prijzen en prijsverhogingen van goederen, reeds heeft geoordeeld dat op de markt die door die afspraken wordt beïnvloed, de internationale en territoriale bevoegdheid om op grond van de plaats waar de vermeende schade is ingetreden kennis te nemen van een dergelijke vordering berust bij de rechter in wiens rechtsgebied de rechtspersoon die stelt schade te hebben geleden de goederen waarop die afspraken betrekking hebben heeft gekocht, dan wel, wanneer die rechtspersoon de goederen op verschillende plaatsen heeft gekocht, bij de rechter in wiens rechtsgebied de zetel van die rechtspersoon is gevestigd (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Volvo e.a., C‑30/20, EU:C:2021:604, punt 43). 60 In casu moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat deze aanknopingscriteria niet mutatis mutandis kunnen worden toegepast in een geval als dat in de hoofdgedingen, waarin op een onlineplatform digitale producten zijn aangekocht door een onbepaald aantal natuurlijke personen en/of rechtspersonen die op het tijdstip waarop de vordering is ingesteld niet zijn geïdentificeerd. 61 De moeilijkheden bij de toepassing van die aanknopingscriteria vereisen dan ook dat deze criteria worden aangepast om het nuttig effect van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 te behouden en bij te dragen tot een goede rechtsbedeling. 62 Aangezien de NL App Store specifiek is ontworpen voor de Nederlandse markt en de Nederlandse taal hanteert om apps te koop aan te bieden aan gebruikers met een aan Nederland gekoppeld Apple ID, waaronder bepaalde apps die specifiek voor die markt zijn ontwikkeld, kan in casu voor de vaststelling van de plaats waar de schade is ingetreden overeenkomstig artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012, worden geoordeeld dat de virtuele ruimte die de NL App Store vormt en waarbinnen de aankopen hebben plaatsgevonden overeenkomt met het gehele grondgebied van die staat. De schade die bij aankopen in deze virtuele ruimte is geleden kan dus op dat grondgebied intreden, ongeacht waar de betrokken gebruikers zich op het tijdstip van de betrokken aankoop bevonden. 63 In de tweede plaats moet ook worden opgemerkt dat verzoeksters in de hoofdgedingen – anders dan de entiteit die de collectieve vordering heeft ingesteld die aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide (C‑352/13, EU:C:2015:335) – zich niet beroepen op een reeks schadevorderingen die aan hen zouden zijn overgedragen door geïdentificeerde benadeelden van een mededingingsverstorende gedraging. 64 Zoals blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing treedt een stichting of vereniging die een representatieve vordering instelt, naar Nederlands recht immers op als zelfstandige belangenbehartiger van personen die, ook al zijn zij niet individueel geïdentificeerd, gelijksoortige belangen hebben. Verzoeksters in de hoofdgedingen oefenen aldus een eigen recht uit, namelijk het recht om de collectieve belangen te behartigen en te beschermen van een „nauw omschreven groep” die bestaat uit niet-geïdentificeerde maar wel identificeerbare personen, te weten de gebruikers – zowel consumenten als professionele gebruikers – die door de ontwikkelaars ontworpen apps hebben gekocht in de NL App Store waartoe zij toegang hebben via hun aan Nederland gekoppelde Apple ID en waarvan de woonplaats of zetel zich voor de meeste gebruikers op het gehele grondgebied van die staat zal bevinden. 65 Deze groep moet voldoende nauwkeurig worden omschreven om de belanghebbenden in staat te stellen hun standpunt over de uitkomst van de betrokken procedure kenbaar te maken en, in voorkomend geval, schadevergoeding te ontvangen. In dit verband heeft de Nederlandse regering ter terechtzitting verduidelijkt dat de uitkomst van een representatieve vordering ter bescherming van de collectieve belangen van niet-geïdentificeerde maar wel identificeerbare personen bindend is voor de in Nederland gevestigde personen die deel uitmaken van die groep en niet hebben aangegeven dat zij wensen af te zien van deelname aan die procedure. 66 In die omstandigheden kan van een gerecht niet worden verlangd dat het met het oog op de vaststelling van zijn territoriale bevoegdheid om kennis te nemen van een dergelijke vordering op grond van de plaats waar de schade is ingetreden in de zin van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012, voor iedere beweerde benadeelde individueel de specifieke plaats bepaalt waar de mogelijk geleden schade is ingetreden – aangezien deze benadeelden op het tijdstip waarop het zijn bevoegdheid toetst (nog) niet zijn geïdentificeerd –, noch dat het een benadeelde of een aantal daarvan identificeert. 67 Ten slotte kan, anders dan Apple in haar schriftelijke opmerkingen aanvoert, niet worden geoordeeld dat de omstandigheid dat niet voor iedere persoon die beweert benadeeld te zijn door mededingingsverstorende gedragingen kan worden vastgesteld waar de schade is ingetreden in de zin van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012, impliceert dat deze bepaling niet van toepassing is. Zoals in punt 62 van het onderhavige arrest is uiteengezet, komt die plaats in casu immers overeen met een afgebakend geografisch gebied, namelijk het gehele grondgebied waarop zich de markt bevindt die door de betrokken mededingingsverstorende gedragingen wordt beïnvloed, zodat het niet onmogelijk is om die plaats vast te stellen, hetgeen in voorkomend geval zou kunnen rechtvaardigen dat het algemene bevoegdheidscriterium van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 wordt toegepast, namelijk dat van de woonplaats van de verweerder (zie naar analogie arrest van 19 februari 2002, Besix, C‑256/00, EU:C:2002:99, punten 49 en 50). 68 Uit het voorgaande volgt dat in situaties als die in de hoofdgedingen iedere rechterlijke instantie die materieel bevoegd is om kennis te nemen van een representatieve vordering die is ingesteld door een instantie die bevoegd is om de collectieve belangen van een aantal niet-geïdentificeerde maar wel identificeerbare gebruikers te beschermen, op grond van de plaats waar de schade is ingetreden in de zin van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012, internationaal en territoriaal bevoegd is om kennis te nemen van de gehele vordering. 69 Een dergelijke conclusie is in overeenstemming met de doelstellingen van verordening nr. 1215/2012. (…) 76 Gelet op een en ander dient op de tweede vraag, onder
  18. a)en b), te worden geantwoord dat artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat binnen een markt van een lidstaat die beweerdelijk wordt beïnvloed door mededingingsverstorende gedragingen waarbij de beheerder van een onlineplatform dat op alle in die staat gevestigde gebruikers is gericht een buitensporige commissie inhoudt op de prijs van apps en digitale in-appproducten die op dat platform worden verkocht, iedere rechterlijke instantie van die lidstaat die materieel bevoegd is om kennis te nemen van een representatieve vordering die is ingesteld door een instantie die bevoegd is om de collectieve belangen te beschermen van een aantal niet-geïdentificeerde maar wel identificeerbare gebruikers die op dat platform digitale producten hebben gekocht, op grond van de plaats waar de schade is ingetreden internationaal en territoriaal bevoegd is om kennis te nemen van deze vordering ten aanzien van al die gebruikers.” 4.7 Het Hof van Justitie EU heeft dus geoordeeld dat in de collectieve actie tegen Apple c.s. ieder gerecht dat materieel bevoegd is om kennis te nemen van de collectieve vordering, waaronder de rechtbank Amsterdam, ook relatief bevoegd is om dat te doen. Bij de bepaling van zijn bevoegdheid op grond van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis mag het gerecht abstraheren van de (kenmerken van
  19. de)individuele leden van de achterban voor wie de belangenorganisatie in de collectieve actie opkomt. Dit oordeel berust kennelijk op twee gronden. De eerste grond houdt verband met de feiten van de zaak: de schade die bij aankopen in de virtuele ruimte van de App Store is geleden, kan optreden in het gehele grondgebied van de staat waarop de App Store is gericht, ongeacht waar de betrokken gebruikers zich op het tijdstip van de betrokken aankoop bevonden (punt 60-62). De tweede grond houdt verband met de aard van een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW: de belangenorganisatie oefent een eigen recht uit, namelijk het recht om de collectieve belangen te behartigen en te beschermen van een ‘nauw omschreven groep’ die bestaat uit niet-geïdentificeerde maar wel identificeerbare personen (punt 63-65). Opmerking verdient dat de weergave van het Nederlandse recht door het hof, inhoudende dat de belangenorganisatie bij collectieve actie optreedt op grond van een eigen recht – en dus niet (slechts) de rechten van haar achterban uitoefent – juist is, zowel onder art. 3:305a (oud) BW als onder de WAMCA. Uit de als tweede in het arrest genoemde grond volgt m.i. onmiskenbaar – in de zin van een acte clair of acte éclairé – dat de rechtbank Amsterdam in de onderhavige zaak op grond van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis als materieel bevoegd gerecht relatief bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van SEC tegen Mercedes ten aanzien van haar gehele achterban. Standpunt Mercedes over bevoegdheid o.g.v. art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis 4.8 Mercedes heeft in de feitelijke instanties van deze procedure – nog niet bekend met het arrest in de zaak Apple – betoogd dat in een collectieve actie naar zijn aard geen 'individualiseerbare' schade aan de orde is, zodat het Erfolgsort geen bruikbaar aanknopingspunt voor bevoegdheid in collectieve acties vormt, en dat, als dat anders zou zijn, de bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam is beperkt tot de vorderingen van SEC in verband met schade die concreet is geleden in het arrondissement Amsterdam, gelet op het gegeven dat art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis ook de relatief bevoegde rechter binnen een lidstaat aanwijst. Vergelijkbare argumenten zijn aan de orde gesteld in de zaak Apple. Ten aanzien van het eerstgenoemde argument heeft het Hof van Justitie EU geoordeeld dat niet kan worden geoordeeld dat de omstandigheid dat in een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW niet voor iedere persoon die beweert te zijn benadeeld, kan worden vastgesteld waar de schade is ingetreden in de zin van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis, impliceert dat deze bepaling niet van toepassing is, aangezien die plaats in die zaak immers overeenkomt met een afgebakend geografisch gebied, namelijk het gehele grondgebied van een lidstaat, zodat het niet onmogelijk is om die plaats vast te stellen (punt 67). Ten aanzien van het als tweede genoemde argument heeft het Hof van Justitie EU geoordeeld dat ieder gerecht dat materieel bevoegd is om kennis te nemen van een collectieve vordering van een belangenorganisatie op grond van de plaats waar de schade is ingetreden in de zin van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis, zowel internationaal als relatief bevoegd is om van die collectieve vordering kennis te nemen ten aanzien van de gehele achterban van de belangenorganisatie (punt 76). Op dit punt onderscheidt de onderhavige zaak zich ook van de zaak VKI/Volkswagen, nu het in die zaak niet ging om een collectieve actie, maar werd geprocedeerd ten behoeve van een achterban die haar vorderingen aan VKI had gecedeerd. De door Mercedes aangevoerde argumenten kunnen volgens het Hof van Justitie EU dus in beginsel niet in de weg staan aan de internationale en relatieve bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam ten aanzien van de (gehele) collectieve vordering van SEC tegen Mercedes in deze zaak. Slotsom t.a.v. art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis 4.9 Het voorgaande wordt niet anders door het feit dat SEC tegen de Partners geen vorderingen uit onrechtmatige daad heeft ingesteld, maar uitsluitend vorderingen wegens non-conformiteit van de verkochte dan wel geleasede voertuigen. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie EU moet de bevoegdheid per vordering en grondslag daarvoor worden bepaald. De internationale bevoegdheid vormt ten aanzien van de Importeur en de Partners geen probleem, nu zij allen in Nederland zijn gevestigd. Er is dus geen andere conclusie mogelijk dan dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is om van de vorderingen van SEC tegen Mercedes kennis te nemen, ook als de daartoe door het hof in rov. 4.9-4.10 genoemde grond van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis niet juist zou zijn. Als al gezegd kan onderdeel 1 daarom niet tot cassatie leiden en behoeft het daarom geen behandeling. Bespreking klachten onderdeel 1 4.10 Volledigheidshalve en mede ten behoeve van de praktijk – waarin met regelmaat sprake is van grensoverschrijdende collectieve acties, terwijl collectieve acties veel van de tijd en menskracht van de gerechten vragen – bespreek ik de klachten van onderdeel 1. In de conclusie van heden van A-G Ibili in de hiervoor in 1.4 genoemde zaak 24/04589 tussen SDEJ en Stellantis c.s. wordt uitvoerig ingegaan op de bevoegdheidsregel van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis. Ik verwijs dan ook in de eerste plaats naar de uiteenzettingen daarover in die conclusie onder 3.2-3.8. Hierna zal ik uitsluitend op die aspecten van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis ingaan die niet in de conclusie van A-G Ibili aan de orde komen. Dat zijn steeds aspecten die specifiek betrekking hebben op het oordeel van het hof en het middel in deze zaak en die geen (belangrijke) rol spelen in zaak 24/04589. Bespreking subonderdelen 1.1-1.3 4.11 Subonderdeel 1.1 heeft betrekking op de overwegingen van het hof in rov. 4.9 eerste alinea dat [eiseres 4] en [D] voor de toepassing van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis de enige mogelijke ankergedaagden zijn, dat Mercedes onweersproken heeft gesteld dat zij alleen gebruikte voertuigen kunnen hebben verkocht omdat zij servicepartners zijn, maar dat de onder 4 (in de nummering van de vorderingen door SEC) gevorderde verklaring voor recht ook ziet op gebruikte voertuigen en dus kan fungeren als ankervordering. Het subonderdeel klaagt dat het laatstgenoemde oordeel onbegrijpelijk is, omdat de vorderingen tegen de Partners uitsluitend strekken ten behoeve van kopers van nieuwe voertuigen. Het subonderdeel wijst op de wijze waarop SEC haar vorderingen tegen de Partners heeft geformuleerd, de toelichting en onderbouwing van die vorderingen door SEC en op het betoog van Mercedes dat die vorderingen tot die groep zijn beperkt. 4.12 Het hof heeft, als al gezegd, in rov. 4.1.2 vastgesteld dat SEC met haar collectieve actie opkomt voor alle eerste en opvolgende kopers en alle lessees van voertuigen die zijn voorzien van een manipulatie-instrument en in de periode tussen 1 september 2009 en 1 september 2019 in Nederland zijn geïmporteerd, geregistreerd en/of verkocht of geleased. Verder heeft het hof in rov. 4.1.2 vastgesteld dat SEC onderscheid maakt tussen de gedupeerden van ‘groep A’, voor wie zij een schadevergoeding vordert en die geen opt-out verklaring zullen indienen als bedoeld in art. 1018f Rv, en de gedupeerden van ‘groep B’ bestaande uit “de Gedupeerden die (cumulatief) 1) de Sjoemeldiesel nieuw hebben gekocht van een [Partner], 2) op dit moment nog in het bezit zijn van de Sjoemeldiesel, 3) bij registratie bij [SEC] of op een later moment specifiek hebben aangeven (of zullen aangeven) dat zij de koopovereenkomst met de [Partner] willen ontbinden en 4) geen opt-out verklaring hebben ingediend als bedoeld in art. 1018f Rv”. Uit deze vaststellingen, die als zodanig in cassatie niet worden bestreden, volgt dat de collectieve vorderingen van SEC in algemene zin zowel betrekking hebben op nieuwe voertuigen (‘eerste kopers’) als op gebruikte voertuigen (‘opvolgende kopers’), en dat de beperking tot nieuwe voertuigen alleen geldt voor de groep van gedupeerden (‘groep B’) die ontbinding van de koopovereenkomst wenst. Deze beperking is, door de verwijzing naar groep B, tevens tot uitdrukking gebracht in de door SEC gevorderde verklaring voor recht, zoals weergegeven door het hof in rov. 4.1.1, dat de koopovereenkomsten tussen de Partners en de gedupeerden van groep B ten gevolge van non-conformiteit voor ontbinding vatbaar zijn. SEC heeft echter daarnaast, zoals het hof in rov. 4.9 vaststelt en ook al volgt uit zijn vaststelling in rov. 4.1.2, een verklaring voor recht gevorderd dat de door de Partners verkochte voertuigen non-conform zijn, zonder die vordering te beperken tot groep B. Dat heeft SEC gedaan in het petitum van haar inleidende dagvaarding onder 4, waarnaar het hof in rov. 4.9 met zoveel woorden verwijst. De vaststelling van het hof in rov. 4.9 dat ‘de onder 4 [in het petitum door SEC] gevorderde verklaring voor recht’ ook ziet op gebruikte voertuigen, is dus niet onbegrijpelijk, zoals in het subonderdeel ook wel wordt erkend (onder 28). 4.13 Die vaststelling is, anders dan het subonderdeel met name betoogt, evenmin onbegrijpelijk in het licht van de toelichting en onderbouwing van de vorderingen door SEC. In de dagvaarding heeft SEC uiteengezet dat zij ten behoeve van de gedupeerden – die door haar zijn omschreven als ‘alle eerste en opvolgende kopers en alle lessees van de voertuigen die in de relevante periode in Nederland zijn verkocht, geleaset en/of geregistreerd’ – schadevergoeding vordert van Mercedes en de Importeur en verklaringen voor recht tegen de Partners dat de voertuigen non-conform zijn en dat de koopovereenkomsten met betrekking tot de voertuigen voor ontbinding vatbaar zijn wegens non-conformiteit. De reden dat SEC niet ook tegen de Partners een vordering heeft ingesteld die strekt tot betaling van schadevergoeding, is, naar zij heeft uiteengezet, dat zij niet kan uitsluiten dat er gedupeerden zijn die geen schadevergoeding van de Partners wensen, maar de koopovereenkomst met de desbetreffende Partner wensen te ontbinden. Door schadevergoeding noch ontbinding van de overeenkomsten tegen de Partners te vorderen, maar enkel verklaringen voor recht te verlangen die voor individuele gedupeerden grond voor beide vorderingen kunnen vormen, kan, zo volgt uit haar betoog, worden bewerkstelligd dat gedupeerden na afloop van de collectieve actie, op grond van de beide uit te spreken verklaringen voor recht, kunnen kiezen welke vordering zij tegen de Partners zullen uitoefenen: die tot schadevergoeding wegens non-conformiteit of die tot ontbinding wegens non-conformiteit. SEC heeft voorts uiteengezet de ontbinding van overeenkomsten alleen mogelijk te willen maken voor de kopers van nieuwe voertuigen. De kopers van nieuwe voertuigen die deze ontbinding wensen, heeft zij aangeduid als groep B. Zoals hiervoor in 4.12 al opgemerkt, is de door SEC gevorderde verklaring voor recht dat de koopovereenkomsten voor ontbinding vatbaar zijn, uitdrukkelijk beperkt tot de koopovereenkomsten die met deze groep zijn gesloten. De gedupeerden die schadevergoeding wensen, heeft SEC aangeduid als groep A. Daarvan heeft zij gesproken als gedupeerden ‘voor wie zij schadevergoeding zal vragen’ en ‘gedupeerden die schadevergoeding vorderen’. De hiervoor in 4.12 genoemde tegen de Partners gevorderde verklaring voor recht onder 4 van het petitum van de inleidende dagvaarding dat de voertuigen non-conform zijn, is klaarblijkelijk mede ten behoeve van deze groep A ingesteld. Het onderscheid tussen beide groepen is dus gelegen in het resultaat dat de personen die tot deze groepen behoren, (blijken
  20. te)wensen. Het subonderdeel verwijst voor een andere uitleg van de vorderingen naar de toelichting die SEC in de inleidende dagvaarding heeft gegeven op de vorderingen voor groepen A en B. Daarin wijst SEC er inderdaad niet op dat ook de al meermalen genoemde verklaring voor recht onder 4 van het petitum van de inleidende dagvaarding mede wordt ingesteld voor groep A. Dat laatste moet echter toch wel door SEC bedoeld zijn, gelet op de hiervoor genoemde toelichting die zij op haar vorderingen heeft gegeven – kort gezegd: kopers moeten kunnen kiezen tussen schadevergoeding en ontbinding wegens non-conformiteit –, en de omstandigheid dat uitgaande van de uitleg van het subonderdeel de onder 4 van het petitum van de inleidende dagvaarding gevorderde verklaring voor recht geheel overbodig zou zijn en niet meer zou aansluiten op genoemde toelichting. In elk geval is, in het licht van een en ander, deze uitleg van de vorderingen door het hof – die als zodanig van feitelijke aard is – niet onbegrijpelijk. Het subonderdeel faalt dus. 4.14 Subonderdeel 1.2 heeft betrekking op het oordeel van het hof in rov. 4.9 tweede alinea dat, voor zover de toewijsbaarheid van de vordering tegen de ankergedaagde van belang zou zijn voor de vaststelling van rechtsmacht op grond van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis en zou moeten worden aangenomen dat dit artikel niet kan worden toegepast bij een onvoldoende substantiëring van de vordering tegen de ankergedaagde, in dat gegeven in het onderhavige geval, gelet op de door SEC gegeven onderbouwing van haar vorderingen, geen beletsel is gelegen voor het aannemen van rechtsmacht. Het subonderdeel klaagt dat dit laatste oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk is, mede gelet op de stellingen van Mercedes dat [eiseres 4] hooguit drie en [D] hooguit een verwaarloosbaar aantal gebruikte voertuigen hebben verkocht, welke feiten in cassatie volgens het subonderdeel als juist moeten worden aangenomen, en dat de tegen [eiseres 4] en [D] ingestelde collectieve acties kansloos zijn en geen ander doel dienen dan het creëren van rechtsmacht. Ook ambtshalve had het hof tot het oordeel moeten komen dat de vorderingen tegen [eiseres 4] en [D] niet als ankervorderingen kunnen fungeren, aldus het subonderdeel. Tot slot klaagt het subonderdeel dat, voor zover het hof van oordeel was dat het de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding niet in aanmerking had hoeven nemen, zijn oordeel onjuist is, althans, voor zover het hof heeft onderkend dat het dat wel had moeten doen, onbegrijpelijk is. 4.15 Bij de bespreking van dit subonderdeel stel ik, in aanvulling op hetgeen in 3.6-3.7 van de genoemde conclusie van A-G Ibili is vermeld, het volgende voorop. De keuze voor de ankergedaagde staat ter vrije keuze van de eiser. De tekst van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis stelt als enige eis dat een ankergedaagde woonplaats dient te hebben in het arrondissement van het gerecht waar de eiser het geschil aanbrengt. Art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis stelt geen eisen aan de inhoud of het gewicht van de vordering tegen de ankergedaagde of de positie van de ankergedaagde ten opzichte van de andere gedaagden. Anders dan in de gevallen als bedoeld in art. 8 aanhef en onder 2 (vrijwaring, voeging of tussenkomst) en onder 3 (reconventie) Brussel I-bis bestaat er geen vooraf gegeven ‘procedurele orde’ die als vanzelf meebrengt dat prioriteit moet worden toegekend aan een bepaald gerecht (in die gevallen volgens die bepalingen het gerecht waarvoor de oorspronkelijke vordering aanhangig is gemaakt). De vorderingen tegen de verschillende gedaagden zijn in dit verband gelijkwaardig aan elkaar. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU kan art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis echter niet zodanig worden uitgelegd dat een eiser een vordering tegen meerdere gedaagden kan instellen met het enkele doel om één van hen te onttrekken aan de rechter van de staat waar hij zijn woonplaats heeft en aldus de bevoegdheidsregel van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis te omzeilen door de voorwaarden voor de toepassing ervan op kunstmatige wijze te creëren of te handhaven. De kans dat een eiser een vordering tegen meerdere gedaagden heeft ingesteld met een dergelijk doel, is volgens het hof echter uitgesloten wanneer de nauwe band bestaat tussen de tegen elk van de gedaagden ingestelde vorderingen zoals deze in art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis wordt geëist voor het bestaan van rechtsmacht op grond van subjectieve cumulatie. Het aangezochte gerecht kan genoemde omzeiling slechts vaststellen indien er afdoende bewijs is op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de eiser de voorwaarden voor toepassing van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis kunstmatig heeft gecreëerd of gehandhaafd. Van misbruik in deze zin zal niet snel sprake zijn. In een geval waarin naar nationaal recht de vordering tegen de ankergedaagde reeds op het tijdstip van de instelling ervan niet-ontvankelijk werd geoordeeld vanwege een lopende faillissementsprocedure, overwoog het Hof van Justitie EU dat ook in een dergelijk geval een beroep kan worden gedaan op art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis en dat geen sprake is van misbruik in de hiervoor bedoelde zin. In een geval waarin de eiser na aanvang van de procedure, maar nog vóór het verstrijken van de termijn voor indiening van de verweerschriften, afstand had gedaan van de vordering tegen de ankergedaagde, en een deel van de gedaagden had aangevoerd dat de eiser reeds voor aanvang van de procedure een schikking met de ankergedaagde had getroffen, maar de formele sluiting daarvan had uitgesteld tot na de instelling van de procedure, oordeelde het Hof van Justitie EU dat om art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis niet van toepassing te doen zijn voor die bewering afdoende bewijs moest worden overgelegd dat de betrokken partijen zich schuldig hebben gemaakt aan samenspanning. De enkele omstandigheid dat onderhandelingen zijn aangegaan om een eventuele schikking te bereiken, vormt nog geen bewijs voor het bestaan van een dergelijke samenspanning. Dat zou anders zijn, aldus het hof, als blijkt dat de gestelde transactie inderdaad is gesloten, maar is verheimelijkt om de schijn te wekken dat aan de voorwaarden voor toepassing van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis is voldaan. 4.16 In het oordeel van het hof in rov. 4.10 – dat een nauwe band bestaat tussen de ingestelde vorderingen – ligt als zijn oordeel besloten dat SEC de bevoegdheidsregel van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis niet heeft getracht te omzeilen door de voorwaarden voor de toepassing ervan op kunstmatige wijze te creëren of te handhaven. In die omstandigheid kan in deze zaak dus geen grond zijn gelegen om art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis niet van toepassing te oordelen. In rov. 4.9 is het hof er echter veronderstellenderwijs van uitgegaan (“voor zover (…) van belang zou zijn”) dat de toewijsbaarheid van de vorderingen tegen de ankergedaagden [eiseres 4] en [D] van belang is voor de vaststelling van de rechtsmacht van de rechtbank Amsterdam op grond van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis. Kennelijk heeft het hof hiermee een vereiste op het oog gehad dat verder strekt dan de hiervoor genoemde toets op misbruik. De grond voor dat oordeel is vermoedelijk daarin gelegen dat het hof in twee kartelschadezaken aan het Hof van Justitie EU de prejudiciële vragen heeft gesteld of bij de vaststelling van de rechtsmacht ook acht moet worden geslagen op de toewijsbaarheid van de vordering jegens de ankergedaagde, en zo ja, of voor die beoordeling toereikend is dat niet op voorhand uitgesloten kan worden dat de vordering zal worden toegewezen. Op 3 april 2025 heeft A-G Kokott in deze zaken geconcludeerd en de vraag als volgt beantwoord (voetnoten weggelaten): “36. Zoals het Hof in zijn arrest in de zaak Athenian Brewery en Heineken heeft benadrukt, beoordeelt de aangezochte rechter in de fase van het onderzoek van de internationale bevoegdheid noch de ontvankelijkheid noch de gegrondheid van de vordering, maar uitsluitend de aanknopingspunten met de forumstaat die zijn bevoegdheid op grond van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening rechtvaardigen. De aangezochte rechter moet zich namelijk op grond van de doelstelling van rechtszekerheid over zijn eigen bevoegdheid kunnen uitspreken zonder uitspraak ten gronde te doen. 37. Artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening mag echter niet worden misbruikt door op grond daarvan een vordering tegen meerdere verweerders in te stellen met het enkele doel om één van hen te onttrekken aan de bevoegdheid van de rechter van de staat waar hij zijn woonplaats heeft. Dit zou het geval zijn indien op grond van afdoende bewijs kan worden geconcludeerd dat de verzoeker de voorwaarden voor toepassing van genoemde bepaling kunstmatig heeft gecreëerd of gehandhaafd. 38. Dat kan echter niet als de vordering tegen de ankergedaagde alleen maar (mogelijk) ongegrond lijkt. Veeleer moet deze vordering op het tijdstip dat zij wordt ingesteld, kennelijk ongegrond of kunstmatig of zonder enig werkelijk belang voor de verzoeker zijn. 39. Bijgevolg moet de tweede prejudiciële vraag in beide zaken aldus worden beantwoord dat er bij de toetsing van de bevoegdheid op grond van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening weliswaar rekening moet worden gehouden met de toewijsbaarheid van de vordering jegens de ankergedaagde, maar alleen als een aanwijzing dat de verzoeker de voorwaarden voor toepassing van genoemde bepaling niet kunstmatig heeft gecreëerd, hetgeen wel het geval kan zijn wanneer de vordering kennelijk ongegrond is.” A-G Kokott komt aldus tot de conclusie dat de toewijsbaarheid van de vordering tegen de ankergedaagde niet van belang is voor de toepasselijkheid van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis, en dat het geval dat een kennelijk ongegronde vordering wordt ingesteld, moet worden beoordeeld aan de hand van de toets op misbruik. Het Hof van Justitie EU heeft ten tijde van het nemen van deze conclusie nog geen uitspraak gedaan in deze zaken. Uitgaande van de conclusie van A-G Kokott, die op dit punt grotendeels berust op de hiervoor besproken rechtspraak van het Hof van Justitie EU, heeft het hof in de onderhavige zaak de toewijsbaarheid van de vorderingen tegen [eiseres 4] en [D] niet behoeven te beoordelen om vast te stellen of op grond van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis rechtsmacht bestaat. Indien het Hof van Justitie EU de conclusie van A-G Kokott volgt – zoals voor de hand ligt –, moet subonderdeel 1.2 stranden, omdat in het oordeel van het hof in rov. 4.10 besloten ligt dat geen sprake is van misbruik. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. 4.17 Ook uitgaande van de maatstaf aan de hand waarvan het hof heeft beslist, gaat het subonderdeel niet op. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof in rov. 4.9 heeft geoordeeld dat SEC haar vorderingen tegen [eiseres 4] en [D] voldoende heeft onderbouwd ten behoeve van de bepaling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter, nu [eiseres 4] en [D] volgens SEC allebei voertuigen met een manipulatie-instrument hebben verkocht aan leden van de achterban van SEC. Anders dan het subonderdeel lijkt te veronderstellen, kan in dit stadium van de zaak nog geen beoordeling ten gronde plaatsvinden van de toewijsbaarheid van de vorderingen van SEC op [eiseres 4] en [D] of van de mogelijkheid voor SEC om voor gedupeerden op te komen met collectieve acties tegen [eiseres 4] en [D] . Het hof heeft immers nog slechts over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter beslist en niet over de zaak ten gronde. Zoals het subonderdeel zelf ook tot vertrekpunt neemt, vindt de beslissing over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter plaats op basis van een prima facie beoordeling aan de hand van de stellingen van eiser, de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding, en in voorkomend geval, de reactie van gedaagde. Het hof is blijkens rov. 4.4 tweede alinea ook van die beoordelingsmaatstaven uitgegaan, anders dan het subonderdeel aan het slot daarvan (onder 42) nog aanneemt. Derhalve kan, anders dan het subonderdeel onder 36 meent, in cassatie evenmin op grond van de stellingen van Mercedes c.s. tot uitgangspunt worden genomen dat [eiseres 4] en [D] hooguit enkele gebruikte voertuigen aan de gedupeerden zouden hebben verkocht. Dat zal in het vervolg van de procedure nog moeten blijken. Dat het hof de stellingen van SEC in het stadium van de beoordeling van de rechtsmacht genoegzaam heeft geoordeeld voor een collectieve vordering tegen [eiseres 4] en [D] – voldoende gesubstantieerd, zoals het letterlijk overweegt, waarmee het impliceert: niet bij voorbaat zonder grond –, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Onjuist is de stelling van het subonderdeel dat SEC geen verwijt zou hebben geformuleerd aan het adres van [eiseres 4] en [D] . Dat heeft zij wel, in de vorm van de hiervoor al meermalen genoemde stelling dat de (mede door hen) verkochte voertuigen non-conform waren. 4.18 Subonderdeel 1.2 faalt dus. 4.19 Subonderdeel 1.3 is gericht tegen de vaststelling van het hof in rov. 4.9 laatste zin dat ook volgens Mercedes zowel [eiseres 4] als [D] (enkele) voertuigen hebben verkocht die mogelijk binnen de reikwijdte van de ankervordering vallen. Het subonderdeel klaagt dat deze vaststelling onbegrijpelijk is, nu Mercedes steeds uitdrukkelijk heeft betwist dat SEC enige vordering tegen [eiseres 4] en [D] kan instellen en ook heeft gesteld dat op die grond geen sprake kan zijn van een aan SEC toekomende vordering tegen [eiseres 4] of [D] die als ankervordering zou kunnen fungeren. Het subonderdeel klaagt verder dat, ook als Mercedes dat wel zou hebben erkend, het hof heeft miskend dat het erkennen van de (enkele) mogelijkheid dat iets binnen de reikwijdte van een vordering valt, niets zegt over de (onderbouwing, substantiëring
  21. of)toewijsbaarheid van die vordering, althans, niet voldoende om tot het oordeel te (kunnen) komen dat zij (in deze zaak) zou kunnen fungeren als ankervordering. 4.20 Het subonderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest van het hof. Zoals in subonderdeel 1.2 wordt vermeld (onder 36, met vermelding van vindplaatsen in de stukken), hebben Mercedes c.s. aangevoerd dat [eiseres 4] en [D] slechts enkele gebruikte voertuigen hebben verkocht. Die stelling heeft het hof kennelijk op het oog in de laatste zin van rov. 4.9. Gelet op het gebruik van het woord ‘mogelijk’, heeft het hof, anders dan het subonderdeel veronderstelt, daarin geen erkenning door Mercedes c.s. gelezen dat SEC een vordering heeft op [eiseres 4] of [D] dan wel dat die vorderingen als ankervordering kunnen fungeren. Bespreking subonderdeel 1.4 4.21 Subonderdeel 1.4 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.10 dat zowel met [eiseres 4] als met [D] als ankergedaagde er tussen de vorderingen tegen Mercedes en de ankervordering een nauwe band als bedoeld in art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis bestaat. Het subonderdeel klaagt dat dit oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk is, omdat (Mercedes heeft aangevoerd dat) aan het vereiste van een nauwe band alleen kan zijn voldaan als zou zijn vastgesteld dat alle personen in het belang van wie SEC met haar collectieve vordering tegen Mercedes optreedt, een voertuig bij [eiseres 4] of [D] zouden hebben gekocht, althans het overgrote deel van die personen, althans de meerderheid daarvan, althans een aanzienlijk deel daarvan. In cassatie moet als uitgangspunt gelden dat hooguit enkele personen een voertuig hebben gekocht bij [eiseres 4] of [D] . Voor zover die omstandigheid niet aan rechtsmacht ten aanzien van Mercedes op grond van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis in de weg staat, heeft de rechter die rechtsmacht hooguit voor zover SEC daarmee de belangen behartigt van personen die een voertuig hebben gekocht van [eiseres 4] of [D] . Het hof heeft dat miskend, zodat ook om die reden het oordeel van het hof onjuist, althans, mede gelet op het betoog van Mercedes, onbegrijpelijk is, aldus het subonderdeel. Aan deze klachten leggen Mercedes c.s. ten grondslag dat, kort gezegd, een belangenorganisatie niet ruimer gebruik zou mogen kunnen maken van de bevoegdheidsregel van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis dan haar achterban op individuele basis zou kunnen doen. Volgens Mercedes c.s. strekt de bevoegdheidsregel van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis niet zover dat Mercedes op grond van die bepaling voor de rechtbank Amsterdam kan worden gedaagd ten aanzien van een collectieve actie die strekt tot de behartiging van belangen van personen van wie het overgrote deel geen individuele vorderingen had kunnen instellen tegen Mercedes bij de rechtbank Amsterdam (zie onder 54-68 van de procesinleiding). 4.22 Het subonderdeel stelt in essentie de wijze aan de orde waarop de bevoegdheidsregel van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis moet worden toegepast bij een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW. In 3.22 van de genoemde conclusie van A-G Ibili is uiteengezet dat wanneer wordt vastgesteld dat is voldaan aan de vereisten voor het aannemen van rechtsmacht op grond van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis, dat voor het aangezochte gerecht in de lidstaat van de woonplaats van de ankergedaagde de bevoegdheid oplevert om in volle omvang te oordelen over de samenhangende vorderingen tegen de medegedaagden uit andere lidstaten. Verder volgt uit hetgeen in 4.7 van die conclusie is vermeld, dat voor de toepassing van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis niet is vereist dat tussen de groep van gedupeerden ten behoeve van wie de vordering tegen de ankergedaagde is ingesteld en tussen de groep van gedupeerden ten behoeve van wie de vorderingen tegen de in een andere lidstaat gevestigde gedaagde is ingesteld, een bepaalde mate van overlap bestaat, anders dan dat de vorderingen waarmee voor de beide groepen wordt opgekomen nauw met elkaar samenhangen in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis. In aanvulling hierop merk ik het volgende op. Geen speciale bevoegdheidsregels voor collectieve acties in Brussel I-bis 4.23 In Brussel I-bis zijn geen speciale bevoegdheidsregels voor collectieve acties opgenomen. Evenmin bevat Brussel I-bis bepalingen op grond waarvan vorderingen van verschillende eisers tegen dezelfde gedaagde(
  22. n)kunnen worden ingesteld bij één gerecht. De ‘gewone’ bevoegdheidsregels van Brussel I-bis zijn dus van toepassing op de vorderingen van belangenorganisaties in collectieve acties. Hierin is geen verandering gekomen met Richtlijn (EU) 2020/1828, die erop is gericht om te verzekeren dat een doelmatig en doeltreffend procedureel mechanisme voor representatieve vorderingen beschikbaar is voor consumenten in elke lidstaat en die voorziet in een collectieve actie voor consumenten in het geval van een inbreuk op hun Unierechten. In de preambule onder

(21)van deze richtlijn is uitdrukkelijk bepaald dat deze geen afbreuk mag doen aan de toepassing van regels inzake internationaal privaatrecht betreffende de rechterlijke bevoegdheid, en evenmin dergelijke regels mag vaststellen, en dat de bestaande rechtsinstrumenten van de Unie zoals Brussel I-bis van toepassing moeten zijn op de door de richtlijn vereiste procedurele mechanismen voor representatieve vorderingen. De lidstaten zullen het dus moeten doen met Brussel I-bis. Hof van Justitie EU rechtspraak, algemeen 4.24 Het Hof van Justitie EU heeft zich slechts in enkele gevallen uitgelaten over de toepassing van de bevoegdheidsregels van Brussel I-bis in procedures met een collectief karakter. In de zaak die heeft geleid tot het reeds aangehaalde arrest CDC/Akzo Nobel had het claim vehicle CDC een reeks schadevorderingen die aan haar waren overgedragen door meerdere ondernemingen die meenden te zijn benadeeld door het waterstofperoxidekartel, gebundeld ingesteld. Bij de beantwoording van de prejudiciële vraag hoe de plaats van het schadebrengende feit als bedoeld in thans art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis moet worden bepaald in een geval dat in meerdere lidstaten gevestigde gedaagden in rechte worden aangesproken tot schadevergoeding ter zake van één enkele voortdurende inbreuk van het Europese mededingingsrecht, stelde het hof voorop dat de overdracht van vorderingen door de oorspronkelijke schuldeiser geen invloed kan hebben op de bepaling van het bevoegde gerecht volgens de genoemde bevoegdheidsregel en dat bijgevolg de plaats van het schadebrengende feit voor iedere schadevordering moet worden bepaald, ongeacht een eventuele overdracht of bundeling ervan. In het arrest Schrems/Facebook heeft het Hof van Justitie EU deze regel bevestigd. Schrems had verschillende vorderingen ingesteld met betrekking tot particuliere Facebookaccounts van zowel hemzelf als van zeven andere personen die hun rechten in dat verband aan hem hadden gecedeerd. Het hof overwoog dat het niet mogelijk is dat andere dan de uitdrukkelijk door de verordening aangeduide gerechten bevoegd worden wanneer meerdere rechten bij een enkele eiser worden gebundeld. In het voorliggende geval brengt die regel mee dat de bevoegdheidsregel voor consumenten van thans art. 17 Brussel I-bis (het forum actoris) niet van toepassing is op de vordering van een consument die ertoe strekt om niet alleen zijn eigen rechten geldend te maken, maar ook rechten die hem werden gecedeerd door andere consumenten. 4.25 De vraag of de aard en de kenmerken van een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW meebrengen dat over de toepassing van de bevoegdheidsregels van Brussel I-bis anders moet worden geoordeeld dan in bovenstaande rechtspraak is lange tijd onbeantwoord gebleven door het Hof van Justitie EU. In de zaak VEB/BP, waarin VEB op de voet van art. 3:305a BW een collectieve actie had ingesteld ten behoeve van personen die via een beleggingsrekening aandelen in BP hadden gekocht, aangehouden of verkocht, heeft de Hoge Raad aan het Hof van Justitie EU de prejudiciële vraag voorgelegd of en, zo ja, hoe in een dergelijk geval bijkomende specifieke omstandigheden die voor de bepaling van de plaats waar de schade is ingetreden als bedoeld in art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis (het Erfolgsort) van belang kunnen zijn, zoals de individuele (aankoop)transacties, moeten worden vastgesteld. De Hoge Raad vroeg zich namelijk af of de “strenge regels” zoals geformuleerd in het arrest CDC/Akzo Nobel ook gelden voor het lokaliseren van het Erfolgsort in een collectieve actie, nu daarin slechts sprake is van een collectief belang en die regels aan de effectiviteit van het instrument van art. 3:305a BW afbreuk zouden doen. Volgens A-G Campos Sánchez-Bordona moest uit de besproken rechtspraak van het Hof van Justitie EU worden afgeleid dat de collectieve belangenbehartiging niets wijzigt aan de voorwaarden van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis. Daarbij nam hij aan dat VEB in haar collectieve actie opkwam voor de individuele belangen van beleggers die haar hun bescherming ten overstaan van de rechter hebben toevertrouwd en dat daarom het arrest CDC/Akzo Nobel van toepassing is. Die aanname is onjuist, gelet op het hiervoor in 4.7 vermelde kenmerk van de collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW dat daarbij sprake is van een eigen recht van de belangenorganisatie. Het Hof van Justitie EU heeft de vraag niet beantwoord, omdat uit zijn overwegingen over het Erfolgsort volgde dat de woonplaats van de beleggers – kennelijk de enige bijkomende specifieke omstandigheid die door het hof van belang werd geacht – daarvoor op zichzelf beschouwd niet beslissend is. Een vergelijkbare prejudiciële vraag heeft de rechtbank Midden-Nederland nadien gesteld in een zaak waarin de curator in het faillissement van BMA Nederland een Peeters/Gatzen-vordering had ingesteld tegen de in Duitsland gevestigde grootmoedermaatschappij van BMA. In de procedure was een belangenorganisatie die opkwam voor de belangen van de schuldeisers van BMA tussengekomen met een collectieve vordering op de voet van art. 3:305a BW. De rechtbank wilde vernemen of de plaats van het schadebrengende feit als bedoeld in art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis anders moet worden vastgesteld in het geval van de belangenorganisatie, gelet op de omstandigheid dat in een collectieve actie geen rekening wordt gehouden met de individuele omstandigheden van de schuldeisers. Het Hof van Justitie EU liet beantwoording van die vraag wederom achterwege, nu de belangenorganisatie slechts tussenkomende partij was en haar situatie en de procedurele voorrechten die haar door het toepasselijke recht zijn verleend, geen invloed hebben op de vraag of de verwijzende rechter bevoegd is om kennis te nemen van de door de curator ingestelde vordering. Ten aanzien van de Peeters/Gatzen-vordering oordeelde het Hof van Justitie EU dat de plaats van het schadebrengende feit zich bevindt op de plaats van de zetel van de failliete vennootschap, in welk verband volgens het hof irrelevant is dat bij een dergelijke vordering geen rekening wordt gehouden met de individuele positie van elk van de schuldeisers. Arrest in zaak Apple 4.26 In het hiervoor in 4.6 weergegeven arrest in de zaak Apple heeft het Hof van Justitie EU zich voor het eerst daadwerkelijk uitgelaten over de betekenis van de collectieve actie bij de toepassing van Brussel I-bis. Het arrest is baanbrekend te achten. A-G Campos Sánchez-Bordona had in zijn conclusie vóór het arrest nog betoogd dat het voor de uitleg van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis geen verschil maakt dat de vordering is ingesteld door een organisatie die naar nationaal recht bevoegd is om in eigen naam representatieve vorderingen in te stellen om de belangen van een groot aantal gebruikers te behartigen. De huidige regels brengen volgens hem mee dat de belangenorganisatie die een collectieve actie wil instellen wegens inbreuken die zich op verschillende plaatsen in Nederland voordoen en waarvan de gevolgen zich in verschillende arrondissementen van dat land doen voelen, haar vordering moet instellen in een andere lidstaat indien zij deze richt tegen een gedaagde die daar is gevestigd, dat wil zeggen op grond van de hoofdregel van art. 4 onder 1 Brussel I-bis. In de tot nu toe over het arrest verschenen commentaren is, overeenkomstig deze zienswijze, wel de kritiek geuit dat het Hof van Justitie EU daarmee de toepassing van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis zodanig heeft opgerekt dat zij treedt in het domein van de Uniewetgever. Dat het arrest voorziet in een behoefte is echter wel duidelijk. In een recent rapport, dat nog dateert van voor het arrest, heeft de Europese Commissie opgemerkt dat de toepassing van de bevoegdheidsregels van Brussel I-bis in collectieve acties bij een volgende herziening van Brussel I-bis haar aandacht verdient: “Het lijkt erop dat de verordening onnodige lasten met zich mee kan brengen voor de eisers bij vorderingen tot collectief verhaal, omdat zij zich in de meeste gevallen tot meer dan één rechter zouden moeten wenden om een zaak aanhangig te maken. Dit kan dan weer leiden tot onverenigbare beslissingen. Hoewel de regel inzake samenhangende vorderingen in artikel 30 van de verordening [dat een regeling kent voor litispendentie en connexiteit] een oplossing kan bieden voor deze situatie, moeten de eisers het verzoek nog steeds bij verschillende gerechten indienen vóór een eventuele voeging bij het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht. Dit leidt tot bijkomende lasten voor de eisers, met name wanneer zij zwakkere partijen zijn. Derhalve zou bij een mogelijke toekomstige herziening van de verordening verder over deze aangelegenheid kunnen worden nagedacht, met name over de vraag of de verordening de rechterlijke bevoegdheid bij collectieve (consumenten)vorderingen op bevredigende wijze regelt.” Toepassing van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis bij een collectieve actie 4.27 In de onderhavige zaak heeft het hof als gezegd de rechtsmacht van de rechtbank Amsterdam gebaseerd op art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis. Het Hof van Justitie EU heeft zich nog niet uitgelaten over de toepassing van deze bevoegdheidsregel op vorderingen bij een collectieve actie. In de literatuur wordt op grond van de tekst van die bepaling aangenomen dat art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis, net als art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis, niet alleen de internationale bevoegdheid, maar ook de relatieve bevoegdheid van een gerecht binnen een lidstaat bepaalt. In de al genoemde kartelschadezaken waarvan het hof er één in deze zaak noemt in rov. 4.8, heeft het hof de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie EU gesteld of art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis het relatief bevoegde gerecht rechtstreeks en onmiddellijk aanwijst, met terzijdestelling van het nationale recht. De aanleiding van deze vraag was in die zaken gelegen in de omstandigheid dat de in Amsterdam gevestigde gedaagde mogelijk geen ankergedaagde kon zijn vanwege het ontbreken van een nauwe band met de vorderingen tegen de in een andere lidstaat gevestigde gedaagden, maar een andere in Nederland gevestigde medegedaagde wel. A-G Kokott heeft deze vraag in haar conclusie in die zaken bevestigend beantwoord, op de grond dat de bewoordingen die ook in andere artikelen van Brussel I-bis voorkomen (“het gerecht van” een bepaalde plaats vs. de “gerechten van een lidstaat”), door het Hof van Justitie EU steeds op dezelfde wijze worden uitgelegd. Een dergelijke uitleg vindt bovendien bevestiging in het rapport van P. Jenard over het EEX-Verdrag, waaruit ten aanzien van de voorloper van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis, ook specifiek volgt dat het gerecht bedoeld is “van de plaats” waar zich de woonplaats van een van de gedaagden zich bevindt, aldus de A-G. Het Hof van Justitie EU heeft, als gezegd, in deze zaken nog geen uitspraak gedaan, maar gelet op het voorgaande ligt een bevestigende beantwoording voor de hand. In deze conclusie wordt dan ook, met het hof in de onderhavige zaak in rov. 4.8, tot uitgangspunt genomen dat art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis ook de relatief bevoegde rechter binnen een lidstaat aanwijst. 4.28 In de genoemde kartelschadezaken heeft het hof Amsterdam tevens de prejudiciële vraag gesteld of voor de toepassing van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis verschillende in dezelfde lidstaat gevestigde gedaagden (tezamen) ankergedaagde kunnen zijn. Het hof wenst te vernemen of voor de toepassing van die bepaling zou kunnen worden volstaan met een nauwe band tussen de vorderingen tegen de in een andere lidstaat gevestigde gedaagden en de vordering tegen een ankergedaagde die niet in het arrondissement Amsterdam is gevestigd, maar wel elders in Nederland. A-G Kokott heeft in haar conclusie in de zaken opgemerkt dat deze vraag een hypothetisch karakter heeft, maar ten overvloede opgemerkt, in lijn met het voorgaande, dat de bewoordingen van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis duidelijk verwijzen naar een specifieke gedaagde die in het arrondissement van de aangezochte rechter woonplaats heeft, zodat een medegedaagde die woonplaats heeft in een ander arrondissement, als ankergedaagde geen bevoegdheid kan scheppen voor de aangezochte rechter. 4.29 Als met subonderdeel 1.4 tot uitgangspunt wordt genomen dat bij collectieve actie moet worden gekeken naar de vorderingen die de gerepresenteerde individuen pretenderen te hebben, dan kan het gegeven dat art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis ook de relatief bevoegde rechter binnen de lidstaat aanwijst, snel tot aanzienlijke complicaties leiden. Het kan zich immers makkelijk voordoen – en doet zich in de praktijk dan ook regelmatig voor; deze zaak is een voorbeeld – dat een belangenorganisatie in een collectieve actie vorderingen tegen gedaagden instelt die niet alle strekken ten behartiging van de belangen van haar gehele achterban, maar slechts van een deel daarvan of – onder omstandigheden – slechts enkele individuen daarvan. In de onderhavige zaak bestaat de achterban van SEC uit benadeelden die bij de verschillende Partners een voertuig hebben gekocht of geleased. Volgens SEC hebben zij allen een vordering op Mercedes en de Importeur, maar niet op ieder van de Partners. De benadeelden die hun voertuig hebben gekocht of geleased bij Partner A, hebben immers slechts een vordering op Partner A, en niet op Partner B, terwijl beide Partners wel als gedaagden in dezelfde collectieve actie zijn betrokken, gelet op de samenhang en verwantschap tussen die vorderingen. Mercedes c.s. hebben op grond van genoemd uitgangspunt betoogd dat in een dergelijk geval – en dus in dit geval – de toepassing van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis ertoe leidt dat binnen Nederland de bevoegdheid om kennis te nemen van een collectieve actie wordt verdeeld over de rechters in de verschillende arrondissementen waar de Partners zijn gevestigd, met als gevolg dat ieder van die rechters slechts bevoegd is om kennis te nemen van de collectieve vorderingen jegens Mercedes voor zover die zijn gericht tegen de Partners die in zijn arrondissement is gevestigd. Aanvaarding van dit betoog brengt mee dat het niet mogelijk is dat in gevallen als het onderhavige – zoals in de voorgaande alinea omschreven – één rechter kan kennisnemen van de collectieve actie als geheel, behoudens in het bijzondere geval dat alle leden van de achterban een vordering hebben op een ankergedaagde die in het arrondissement van de aangezochte rechter is gevestigd. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijzen Mercedes c.s. onder meer naar de hiervoor in 4.24 besproken rechtspraak van het Hof van Justitie EU waaruit volgt, kort gezegd, dat een bundeling van vorderingen niet kan afdoen aan de op grond van Brussel I-bis te bepalen bevoegdheid van een gerecht. De internationale en relatieve bevoegdheid van een gerecht zou volgens hen op grond van die rechtspraak moeten worden beoordeeld alsof de leden van de achterban van een collectieve belangenbehartiger zelf een vordering zouden hebben ingesteld tegen meerdere gedaagden, waarvan er ten minste een in een andere lidstaat is gevestigd. 4.30 Dit standpunt lijkt me niet juist. Ten eerste kan de hiervoor in 4.24 besproken rechtspraak van het Hof van Justitie EU niet zonder meer worden toegepast op een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW, nu de bundeling van vorderingen in die zaken berustte op een cessie van de vorderingen van de oorspronkelijke schuldeisers aan de eiser. Dit verschilt fundamenteel van een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW. Daarin procedeert een belangenorganisatie als gezegd op grond van een eigen recht ter bescherming van de belangen van andere personen (zie hiervoor in 4.7). De wetgever is daarvan ook uitdrukkelijk uitgegaan bij de totstandkoming van de WAMCA wat betreft de relatieve bevoegdheid naar Nederlands recht (zie de passage uit de wetsgeschiedenis die hierna in 8.8 wordt aangehaald). Ten tweede heeft de hiervoor in 4.24 besproken rechtspraak van het Hof van Justitie EU geen betrekking op de bevoegdheidsregel van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis, maar op art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis en art. 17 Brussel I-bis (het forum consumentis). Dit is van belang, omdat de bevoegdheidsregel van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis een andere ratio heeft dan die bepalingen. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU dat de bevoegdheidsregel van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis berust op het bestaan van een bijzonder nauwe samenhang tussen de vordering en de gerechten van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich dreigt voor te doen, op grond waarvan het om redenen verband houdend met een goede rechtsbedeling en nuttige procesinrichting gerechtvaardigd is dat deze laatste bevoegd zijn. De bijzondere bevoegdheidsregel van art. 17 Brussel I-bis strekt tot bescherming van de consument die als zwakkere partij wordt beschouwd. De ratio van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis is enkel van processuele aard. Die bepaling beoogt een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken, parallelle procedures bij de gerechten in verschillende lidstaten zo veel mogelijk te beperken en te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken tegen de verschillende verweerders beslissingen worden gegeven die onverenigbaar met elkaar zijn. Art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis kent, overeenkomstig de hoofdregel van art. 4 onder 1 Brussel I-bis, bevoegdheid toe aan het gerecht van de woonplaats van een van de gedaagden. De bevoegdheid ten aanzien van de medegedaagden berust uitsluitend op een nauwe band tussen de vordering tegen de ankergedaagde en de vorderingen tegen de medegedaagden. Zoals kort aangestipt in 4.7 van de genoemde conclusie van A-G Ibili (zie ook hiervoor in 4.22), valt niet in te zien dat genoemde ratio van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis zou meebrengen dat voor het vaststellen van een nauwe band tussen de door een belangenorganisatie tegen verschillende gedaagden ingestelde vorderingen in een collectieve actie, vereist is dat de ‘onderliggende’ individuele vorderingen van de leden van haar achterban zich tegen dezelfde gedaagden zouden moeten richten. Tot slot volgt uit het arrest van het Hof van Justitie EU in de zaak Apple onmiskenbaar dat een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW juist anders moet worden behandeld dan een bundeling van gecedeerde vorderingen. Het Hof van Justitie EU heeft, als al gezegd, in dat arrest geoordeeld dat gelet op de aard en de kenmerken van de collectieve actie van een gerecht niet kan worden verlangd dat het met het oog op de vaststelling van zijn relatieve bevoegdheid de achterliggende vorderingen van de benadeelden op het relevante aanknopingspunt – in die zaak: het Erfolgsort – onderzoekt (punt 66), dat de onmogelijkheid daartoe niet impliceert dat de bevoegdheidsregel van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis niet van toepassing is (punt 67), en dat in een collectieve actie zoals in die zaak aan de orde was, ieder internationaal bevoegd gerecht ook relatief bevoegd is om van de collectieve vorderingen kennis te nemen (punt 68). Het Hof van Justitie EU heeft daarbij ook uitdrukkelijk een onderscheid gemaakt met het geval van bundeling van gecedeerde vorderingen dat in de zaak CDC/Akzo Nobel aan de orde was. Dat betreft naar zijn oordeel een ander geval dat anders wordt behandeld (punt 63). Uit het arrest kan worden afgeleid dat in een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW de relatieve bevoegdheid van een gerecht zich steeds laat vaststellen zonder acht te slaan op de (vorderingen van de) benadeelden waarvoor in de collectieve actie wordt opgekomen, zolang vaststaat dat het aangezochte gerecht internationaal bevoegd is om van de collectieve vorderingen kennis te nemen. Niet valt immers in te zien waarom dit uitsluitend zou gelden bij art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis. De bijzondere aard van de collectieve actie, die is om tot een efficiënte en effectieve behandeling en beslissing van massazaken te komen, vormt daarvoor voldoende rechtvaardiging. Die rechtvaardiging past naadloos bij de al genoemde ratio van Brussel I-bis in het algemeen en van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis in het bijzonder om zoveel mogelijk een goede rechtsbedeling te bevorderen. 4.31 Wanneer het voorgaande als regel wordt toegepast in de onderhavige zaak, heeft het hof met juistheid geoordeeld dat de rechtbank Amsterdam op grond van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis internationaal en relatief bevoegd is om van de vorderingen van SEC kennis te nemen. De Nederlandse rechter is dan immers internationaal bevoegd om op grond van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis kennis te nemen van de vorderingen tegen Mercedes, gelet op het feit dat haar medegedaagden de Partners en de Importeur in Nederland zijn gevestigd. Ook de relatieve bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam is dan gegeven, omdat elk gerecht in het arrondissement waarin een Partner is gevestigd, waaronder dus ook de rechtbank Amsterdam, relatief bevoegd is om van de vorderingen van SEC kennis te nemen, ongeacht de vraag welk deel van de achterban van SEC van die Partner een voertuig heeft gekocht of geleased. Ik meen dat de overwegingen van het Hof van Justitie EU in zijn arrest in de zaak Apple dat oordeel kunnen dragen. 4.32 Het Hof van Justitie EU heeft echter, als gezegd, nog geen uitspraak gedaan over hoe art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis moet worden toegepast met betrekking tot een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW. De hiervoor besproken rechtspraak van het hof heeft ook geen betrekking op de bevoegdheidsregel van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis. De zaak Apple kan hiernaast feitelijk worden onderscheiden van de onderhavige zaak, aangezien in die zaak de relevante aankopen hebben plaatsvonden in een virtuele ruimte, zodat de plaats van de aankoop door een individuele gebruiker niet kan worden bepaald, terwijl in de onderhavige zaak de aankopen hebben plaatsgevonden op fysieke verkooppunten, die theoretisch bezien per gebruiker kunnen worden bepaald. Het arrest gaat mede op dat aspect in. Het is mogelijk dat het Hof van Justitie EU in de al meermalen genoemde kartelschadezaken meer duidelijkheid zal geven over de toepassing van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis bij een collectieve actie. Zoals in 3.19 van de conclusie van A-G Ibili wordt opgemerkt, wordt op korte termijn een uitspraak verwacht. In die zaken ligt echter niet uitdrukkelijk de prejudiciële vraag voor of de collectieve aard van de vorderingen van invloed is op de vaststelling van een nauwe band tussen de vordering op de ankergedaagde en de vorderingen op de in een andere lidstaat gevestigde medegedaagde, en ja, op welke wijze. Gelet op het voorgaande kan in dit stadium worden geaarzeld over het antwoord op de vraag of sprake is van een acte clair of van een acte éclairé. Het antwoord op de vraag wat geldt, lijkt moeilijk anders te kunnen luiden dan zoals hiervoor is vermeld. Het Hof van Justitie EU heeft echter nog geen uitspraak in die zin gedaan. Daarom zou kunnen worden gedacht aan het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU op dit punt. In verband daarmee wijs ik nog op een andere route. Concentratie bij één gerecht op grond van het nationaal procesrecht? 4.33 De hiervoor in 4.29 omschreven problematiek laat zich namelijk ook op een andere wijze oplossen dan met het internationale bevoegdheidsrecht. Het Nederlandse procesrecht kent verschillende mogelijkheden om samenhangende zaken te concentreren bij één gerecht. In dit cassatieberoep moet worden aangenomen dat die concentratie niet mogelijk is op grond van de nationaalrechtelijke regels over relatieve bevoegdheid, zoals art. 107 Rv, nu het hiervoor in 4.27 omschreven uitgangspunt dat art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis ook een relatief bevoegde rechter aanwijst, meebrengt dat die regels niet van toepassing zijn. Er zijn echter ook andere mogelijkheden om naar nationaal recht tot concentratie te komen. Zo maakt art. 220 Rv het mogelijk dat zaken over hetzelfde onderwerp of verknochte zaken door middel van verwijzing worden geconcentreerd bij één gerecht. Verder geldt onder de WAMCA het uitgangspunt dat collectieve vorderingen voor dezelfde gebeurtenissen over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen als één zaak, en dus voor één gerecht, worden afgedaan (art. 1018d lid 3 Rv). In hoeverre staat Brussel I-bis toe dat op grond van nationaal recht een geschil wordt onttrokken aan het op grond van die verordening internationaal en relatief bevoegde gerecht ten behoeve van de concentratie van gelijksoortige geschillen bij een ander gerecht in dezelfde lidstaat? 4.34 Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU dat art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis zich er niet tegen verzet dat een lidstaat besluit om een bepaald soort geschillen aan één enkel gerecht toe te wijzen, dat dus bij uitsluiting bevoegd is, ongeacht de plaats waar de schade in die lidstaat is ingetreden. Een dergelijke concentratie van bevoegdheid bij één gespecialiseerde rechterlijke instantie kan volgens het Hof van Justitie EU gerechtvaardigd zijn in het belang van een goede rechtsbedeling. Het Hof van Justitie EU heeft nog geen beslissing gegeven over de vraag of nationaal recht ook mag voorzien in concentratie van geschillen bij één gerecht ex post, dat wil zeggen nadat de desbetreffende v

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.