← Nederland

ECLI:NL:PHR:2026:238

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/04699 Zitting 10 maart 2026 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, hierna: de verdachte Inhoudsopgave 1. Inleiding (1.1 - 1.2) 2. Waar het in cassatie om gaat (2.1 - 2.5) 3. Bewezenverklaring, bewijsvoering en belangrijke processtukken (3.1 - 3.5) 4. Omschrijving van het middel (4.1 - 4.5) 5. Begripsbepaling: wat is psychische mishandeling? (5.1 - 5.13) 6. Het belang van de rechtsvraag (6.1 - 6.34) Vervolgingsbeleid (6.2 - 6.4) Feitenrechtspraak (6.5 - 6.28) Voornemen tot wetsvoorstel (6.29 - 6.34) 7. Internationaalrechtelijke en Europeesrechtelijke verplichtingen tot strafbaarstelling van psychische mishandeling (7.1 - 7.54) Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) (7.3 - 7.6) Verdrag van Istanboel (7.7 - 7.17) EVRM (7.18 - 7.52) Richtlijn (EU) 2024/1385 (7.53 - 7.54) 8. Strafbaarheid van psychische mishandeling in andere landen (8.1 - 8.42) Denemarken (8.3 - 8.8) Engeland & Wales (8.9 - 8.14) Frankrijk (8.15 - 8.21) België (8.22 - 8.28) Duitsland (8.29 - 8.39) Conclusie landenbespreking (8.40 – 8.42) 9. Wetsgeschiedenis en rechtspraak van de Hoge Raad (9.1 - 9.20) 10. Slotbeschouwing over psychische mishandeling in relatie tot art. 300 Sr (10.1 - 10.10) 11. Beoordeling van het middel (11.1 - 11.17) 12. Afronding (12.1 - 12.3) 1Inleiding 1.1 Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 18 december 2024 (parketnr. 22-000349-23) wegens 1 “mishandeling, begaan tegen haar kind, meermalen gepleegd” en 2 “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” veroordeeld tot 120 uren taakstraf, subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren onder de algemene en bijzondere voorwaarden zoals in het arrest vermeld. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld door N.M. Boersma, advocaat-generaal bij het Ressortsparket Den Haag. Namens het openbaar ministerie heeft W.J.V. Spek, advocaat-generaal bij het Ressortsparket Den Haag, één middel van cassatie voorgesteld. 2Waar het in cassatie om gaat 2.1 In deze zaak beoogt het openbaar ministerie duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of “ook psychische mishandeling onder de reikwijdte van art. 300 lid 4 Sr valt en de juridische kaders die daarop van toepassing zijn”. Aan de verdachte is, voor zover in cassatie relevant, onder 1 ten laste gelegd mishandeling van haar kind [slachtoffer] . Uit de tenlastelegging valt af te leiden dat de mishandeling zowel fysiek als psychisch van aard zou zijn. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte [slachtoffer] meermalen met vlakke hand een klap in zijn nek heeft gegeven en eenmaal heeft gedreigd [slachtoffer] van een balkon te gooien. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van de mishandeling voor zover deze zou hebben bestaan uit [slachtoffer] onder een koude douche zetten, [slachtoffer] gedurende geruime tijd en/of onder dwang op een krukje zetten zonder eten en drinken, [slachtoffer] geruime tijd alleen in de auto achterlaten zonder eten en drinken en het kleinerend en/of denigrerend toespreken van [slachtoffer] door onder andere tegen hem te zeggen “kankerjong”, “je had nooit geboren mogen worden”, “je deugt niet” of woorden van gelijke strekking. Het hof heeft over deze laatste drie gedragingen geoordeeld dat “het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep onvoldoende bewijs opleveren dat deze gedragingen – voor zover bewezen – een strafbare mishandeling opleveren, in die zin dat bij het slachtoffer als gevolg daarvan pijn, letsel of een hevige onlust veroorzakende gewaarwording is ontstaan of dat het slachtoffer als gevolg daarvan in de gezondheid is benadeeld”. 2.2 In cassatie wordt geklaagd dat het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door het openbaar ministerie naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. 2.3 Deze conclusie houdt in dat het middel slaagt. 2.4 Vanuit een iets breder perspectief dan de door het openbaar ministerie opgeworpen vraag impliceert, wordt in deze conclusie ook uitgebreid ingegaan op het fenomeen psychische mishandeling in relatie tot art. 300 Sr. In essentie gaat het dan om de vraag of psychische mishandeling zelfstandig strafbaar kan zijn als mishandeling in de zin van art. 300 lid 1 en/of lid 4 Sr en, zo ja, onder welke voorwaarden. Ter beantwoording van deze vraag besteed ik achtereenvolgens aandacht aan wat psychische mishandeling is (begripsbepaling), het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie, feitenrechtspraak (rechtbanken en hoven), een aangekondigd wetsvoorstel, internationaal- en Europeesrechtelijke verplichtingen tot strafbaarstelling van psychische mishandeling (Verdrag inzake de rechten van het kind, Verdrag van Istanboel, EVRM en EU Richtlijn 2024/1385), de strafbaarheid van psychische mishandeling in diverse andere landen (Denemarken, Engeland & Wales, Frankrijk, België en Duitsland), de wetsgeschiedenis van art. 300 Sr en rechtspraak van de Hoge Raad over mishandeling. In de slotbeschouwing breng ik deze onderwerpen in verband met elkaar en is er bovendien ook aandacht voor het legaliteitsbeginsel en constitutionele verhoudingen c.q. de rechtsvormende taak van de Hoge Raad. 2.5 Een en ander leidt tot de slotsom dat psychische mishandeling onder het geldende positieve recht zelfstandig – dus zonder fysiek aspect of gevolg – niet strafbaar is op grond van art. 300 Sr en verder dat een rechterlijke interpretatie waarmee psychische mishandeling alsnog zelfstandig onder deze bepaling wordt gebracht op belangrijke bezwaren stuit. Gelet daarop beveel ik de Hoge Raad aan om de bestanddelen “mishandeling” (lid 1) en “benadeling van de gezondheid” (lid 4) niet op zodanige wijze uit te leggen dat op grond daarvan psychische mishandeling voortaan ook zelfstandig strafbaar is onder art. 300 Sr. Omdat dit de rechtszekerheid, rechtseenheid en daarmee de rechtsgelijkheid zou bevorderen, geef ik de Hoge Raad bovendien in overweging om nadrukkelijk uit te spreken dat psychische mishandeling niet zelfstandig tot strafrechtelijke aansprakelijkheid kan leiden op grond van art. 300 Sr of enige andere bepaling in het Tweede Boek, Titel XX (Mishandeling) van het Wetboek van Strafrecht en voorts om te verduidelijken wanneer psychische mishandeling met een fysiek aspect of gevolg binnen het thans geldende positieve recht wel kan worden bestraft. Vervolgens bespreek ik het middel. 3Bewezenverklaring, bewijsvoering en belangrijke processtukken 3.1 Aan de verdachte is onder 1 ten laste gelegd dat: “zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 december 2017 tot en met 22 februari 2022 te [plaats] , althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, telkens haar kind, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2012), opzettelijk heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer] : - (met vlakke hand) een klap in zijn gezicht en/of nek te geven en/of te slaan tegen zijn lichaam en/of - onder een koude douche te zetten en/of - te dreigen hem van een balkon te gooien en/of - (gedurende geruime tijd en/of onder dwang) op een krukje te zetten (zonder eten en drinken) en/of - geruime tijd (meer dan een uur) alleen in een auto achter te laten zonder eten en drinken en/of - te kleineren en/of denigrerend toe te spreken, door onder andere te zeggen ‘kankerjong’, ‘je had nooit geboren mogen worden’, ‘je deugt niet’, althans woorden van gelijke strekking waardoor [slachtoffer] pijn en/of letsel heeft bekomen en/of een hevige onlust veroorzakende gewaarwording bij hem is veroorzaakt en/of waardoor de gezondheid van die [slachtoffer] is benadeeld;” 3.2 Daarvan is ten laste van de verdachte onder 1 bewezen verklaard dat: “zij in de periode van 25 december 2017 tot en met 22 februari 2022 te [plaats] haar kind, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2012), opzettelijk heeft mishandeld door die [slachtoffer] : - meermalen met vlakke hand een klap in zijn nek te geven en - eenmaal te dreigen hem van een balkon te gooien waardoor [slachtoffer] pijn heeft bekomen en waardoor de gezondheid van die [slachtoffer] is benadeeld;” 3.3 De bewezenverklaring steunt op de volgende in de bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen): “1. De verklaring van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 4 december 2024 verklaard - zakelijk weergegeven -: Op de vraag van de voorzitter omtrent de opmerking over het van het balkon gooien van [slachtoffer] , antwoordt de verdachte: (..) Toen floepte het eruit. Het was de enige keer. 2. De verklaring van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 12 januari 2023 verklaard - zakelijk weergegeven -: Ik heb [slachtoffer] wel eens met de vlakke hand een tik achter op zijn hoofd verkocht als hij een grote mond had. Het gebeurde wel eens, maar niet vaak. Ik heb één keer tegen [slachtoffer] gezegd dat ik hem van het balkon zou gooien. 3. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 9 mei 2022 van de politie Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – […]: als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar: Omschrijving aangifte Plaats delict : [a-straat 1] , (…) [plaats] Pleegdatum (…) : Tussen woensdag 1 december 2021 (…) en zaterdag 19 februari 2022 (…) Ik ben als manager gerechtigd namens de RDOG HM /Hecht aangifte te doen. Ik doe aangifte van huiselijk geweld, psychische mishandeling, fysieke mishandeling en verwaarlozing van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] -2012 te [plaats] . Gepleegd door de moeder van [slachtoffer] . Bijlage 2 betreft de melding van Veilig Thuis aan de politie: Bijlage 2 De Melding van Veilig Thuis aan de politie: Datum melding 03.03.2022 (…) 22-02-2022 Kindgesprek [hof: verslag van een gesprek tussen Veilig Thuis en [slachtoffer] ] Ook krijgt hij wel eens andere vormen van straf: * zijn moeder slaat hem wel eens in zijn nek. * moeder heeft hem wel eens gedreigd van het balkon te gooien. [slachtoffer] was toen heel erg bang dat ze dit ook echt zou doen. Hij is hier nog steeds wel bang voor. (…) Letsel/symptomen [slachtoffer] heeft al langere tijd last van buikpijn/misselijkheid en zou dikwijls (meerdere keren per week) moeten overgeven. Hij vertelt dit vaak zelf op te moeten ruimen.” 3.4 Het hof heeft over de partiële vrijspraak in een nadere bewijsoverweging overwogen: “De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep bekend dat zij haar zoon [slachtoffer] op enig moment met zijn kleren aan onder de koude douche heeft gezet. Naar eigen zeggen deed de verdachte dit omdat [slachtoffer] kampte met een astma-aanval. Het hof is desondanks van oordeel dat het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep te weinig aanknopingspunten bieden om te kunnen vaststellen onder welke omstandigheden zij [slachtoffer] onder de koude douche heeft gezet en of dit bij hem een hevige onlust veroorzakende gewaarwording heeft veroorzaakt. Hierbij speelt een rol dat [slachtoffer] in het kindgesprek met Veilig Thuis op 22 februari 2022 hierover niet heeft verklaard. Ook anderszins bevat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs op dit punt. Het hof zal de verdachte dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken. Ten aanzien van de overige, door de verdachte ontkende gedragingen, te weten het gedurende geruime tijd en/of onder dwang op een krukje zetten zonder eten en drinken, geruime tijd alleen in de auto achterlaten zonder eten en drinken en het kleinerend en/of denigrerend toespreken door het uiten van de in de tenlastelegging opgenomen opmerkingen, is het hof van oordeel dat het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep onvoldoende bewijs opleveren dat deze gedragingen – voor zover bewezen – een strafbare mishandeling opleveren, in die zin dat bij het slachtoffer als gevolg daarvan pijn, letsel of een hevige onlust veroorzakende gewaarwording is ontstaan of dat het slachtoffer als gevolg daarvan in de gezondheid is benadeeld”. 3.5 Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 december 2024 heeft het openbaar ministerie daar het woord gevoerd overeenkomstig het schriftelijke requisitoir dat aan het proces-verbaal is gehecht. Dit requisitoir houdt onder meer het volgende in (met overneming van een aantal voetnoten): “1. Inleiding […] Het Openbaar Ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank omdat zij zich niet kan verenigen met de partiele vrijspraken van feit 1. Dat is dan ook de reden dat we opnieuw praten over waar verdachte van is vrijgesproken. Het OM kan zich niet vinden in de vrijspraak voor met name die onderdelen die psychische kindermishandeling opleveren. […] Het gaat vandaag voor een groot deel over psychische kindermishandeling. […] 2. Toetsingskader psychische kindermishandeling [...] Voor psychische mishandeling of emotionele verwaarlozing van kinderen hanteert het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) de volgende definitie: Aanhoudende of extreme frustratie van elementaire emotionele behoeften van het kind, waaronder ongevoeligheid van de ouders met betrekking tot het ontwikkelingsniveau van het kind alsmede het uiten van bedreigingen (zonder verwondingen). In art. 1.1 van de Jeugdwet (en art. 1.1.1 Wet maatschappelijke ondersteuning) is de definitie van kindermishandeling als volgt gegeven: Elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel”. In jurisprudentie over strafbare kindermishandeling wordt bij deze twee definities aansluiting gezocht. Artikel 300 lid 4 Wetboek van Strafrecht bepaalt dat “met mishandeling wordt gelijkgesteld opzettelijke benadeling van de gezondheid.” De in artikel 300, vierde lid, Sr. genoemde gelijkstelling van mishandeling met opzettelijke benadeling van de lichamelijke en/of psychische gezondheid biedt aanknopingspunten voor strafbaarheid van niet alleen het veroorzaken van lichamelijke pijn, letsel of een hevig onlust veroorzakende lichamelijke en/of geestelijke gewaarwording – dat valt onder het eerste lid – maar ook voor mishandeling van psychische aard. In een arrest uit 2017 overwoog uw Hof het volgende: De vraag die het hof moet beantwoorden is of psychische mishandeling kan worden aangemerkt als mishandeling in de zin van artikel 300 Sr. Het hof is van oordeel dat de bewoordingen van genoemd artikel dat niet uitsluiten. Hoewel in de wetsgeschiedenis van artikel 300 Sr niet wordt gesproken over de geestelijke gezondheid, kan naar het oordeel van het hof niet worden uitgesloten dat de wetgever ook dit belang beoogt te beschermen. In ieder geval biedt de in het vierde lid van artikel 300 Sr genoemde gelijkstelling van mishandeling met benadeling van de gezondheid aanknopingspunten voor strafbaarheid van niet alleen het veroorzaken van lichamelijke pijn, letsel of onlust, maar ook voor mishandelingen van psychische aard. Meerdere rechtbanken en hoven zijn gevolgd. Diverse belangrijke uitspraken zijn in de voetnoten benoemd. Ik zal deze niet voorlezen, maar verzoek deze als integraal onderdeel van het requisitoir mee te wegen. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat onder de benadeling van gezondheid zoals bedoeld in lid 4, ook benadeling van de geestelijke gezondheid valt. Of denigrerende en/of kleinerende handelingen en opmerkingen ook strafbare psychische (kinder)mishandeling oplevert, hangt volgens dit arrest verder af van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht of gemaakt. Het vereiste dat er sprake moet zijn van een patroon, zoals door sommige rechtbanken en hoven wordt overwogen, volgt echter niet uit de wet noch uit hetgeen de wetgever heeft bedoeld met de strafbaarstellingen in 300 lid 1 en lid 4 Sr. Er moet worden vastgesteld dat het handelen van verdachte psychisch letsel heeft veroorzaakt dan wel daaraan een voldoende substantiële bijdrage is geleverd. Pijnigen, kleineren en uitschelden door een ouder kan een reële kans opleveren op beschadiging van de geestelijke gezondheid en ontwikkeling van het kind. Er hoeft dan ook geen sprake te zijn van een patroon of van een bepaalde duur in tijd om strafbaar handelen te kunnen vaststellen. Niet alleen fysiek aantoonbaar letsel, maar ook de onaangename verandering in de innerlijke gezondheid kan bij de beoordeling worden betrokken. Ook is het een feit van algemene bekendheid dat een gevoel van affectie en veiligheid een basisbehoefte is voor een kind en dat op de opvoedende ouders de verplichting rust om voor die veilige omgeving te zorgen. Vanwege deze twee definities is het vaststellen van psychisch letsel door een deskundige geen vereiste om het handelen van een verdachte te kwalificeren als mishandeling in de zin van lid 1 dan wel opzettelijke benadeling van de (psychische) gezondheid in de zin van lid 4 van artikel 300 Sr. Immers, daarvan is reeds sprake als door de handelingen psychisch letsel kán ontstaan. Bevestiging daarvan – dat een deskundigenoordeel geen kwalificatievereiste – valt ook af te leiden uit de Kamerstukken uit 2020. […] 3. De feiten […] In de zaak tegen [verdachte] gaat het dus om meerdere varianten van kindermishandeling die vallen onder lid 1 en lid 4 van artikel 300 Sr. Dat onderscheid is ook gemaakt in de tenlastelegging bij feit 1. De eerste twee gedragingen behorend bij feit 1 van de tenlastelegging hebben betrekking op lid 1. De overige gedragingen hebben betrekking op artikel 300 lid 4 Sr. Ik zal nu aan de hand van de aanwezige bewijsmiddelen per gedraging ingaan op de vraag of die verweten gedragingen ook daadwerkelijk bewezen kunnen worden verklaard. 3.1.2. Gevolgen voor [slachtoffer] […] [slachtoffer] is volgens de Raad voor de Kinderbescherming - verder de Raad - zwaar beschadigd geraakt. Aan de hand van het rapport van de Raad stel ik vast dat [slachtoffer] werd bedreigd in zijn fysieke, cognitieve, sociaal- emotionele en persoonlijke ontwikkeling. Verdachte heeft tegenover de Raad verklaard dat [slachtoffer] ontlasting tegen de muur smeerde en in zijn broek poepte. Dit zou allemaal vier jaar daarvoor zijn begonnen en deed hij nog steeds. Volgens verdachte veroorzaakt door stress. De schade volgt ook uit omstandigheden:  dat [slachtoffer] op een leeftijd waarop hij zindelijk behoort te zijn in zijn broek poept en (uit frustratie) met zijn ontlasting smeert (waar moeder jarenlang niet voor aan de bel heeft getrokken, schending zorgplicht 1:247 BW)  na een week uithuisplaatsing was dit voorbij;  dat [slachtoffer] al jarenlang veel misselijk is en vaak moet overgeven (ook op school) zonder vaststelling van ziektebeeld  na een week uithuisplaatsing was dit voorbij;  school, familie en artsen omschrijven [slachtoffer] als verdrietig jongetje  na de uithuisplaatsing zien zij duidelijk een vrolijker en socialer kind. Het kan dan ook niet anders dan dat [slachtoffer] zich in een voor hem bijzonder schadelijke situatie bevond. Een situatie waarin hij te maken heeft gehad met fysiek geweld, bedreigingen, scheldpartijen en kleinerend en denigrerende uitspraken van zijn eigen moeder. […] 3.1.4 Gedraging […] IV: […] [slachtoffer] (gedurende een ruime tijd en/of onder dwang) op een krukje zetten (zonder eten en drinken) […] Dan het laten zitten op een krukje, onder dwang, zonder eten en/of drinken. De rechtbank heeft naar oordeel van het Openbaar Ministerie ten onrechte overwogen dat [getuige 1] dit niet zelf heeft waargenomen. Zij heeft verklaard wel degelijk zelf te hebben waargenomen dat [slachtoffer] op het krukje zat. Ook [getuige 2] heeft verklaard dat hij zelf heeft waargenomen dat hij bij verdachte thuis kwam en zag dat [slachtoffer] op een krukje zat. Verdachte vertelde tegen hem dat hij daar al de hele dag op zat zonder eten en drinken omdat hij straf had. [slachtoffer] heeft daarnaast zelf tegen [getuige 1] verteld dat hij kapot werd geslagen als hij van het krukje af zou gaan. Kort en goed: ook het […] op een krukje zetten (zonder eten en drinken) van [slachtoffer] kan wettig en overtuigend worden bewezen. 3.1.5 Gedraging III & IV : dreigen [slachtoffer] van het balkon te gooien en hem geruime tijd alleen in een auto achterlaten Verdachte is vrijgesproken van de psychische mishandeling van [slachtoffer] in de vorm van het dreigen hem van het balkon af te gooien en hem in een auto achter te laten, omdat de rechtbank niet kon vaststellen dat sprake was van een dusdanige aard van handelingen of handelingen binnen een zodanig patroon van kleineringen / afstand / afwijzing door en van verdachte dat hierdoor bij [slachtoffer] de lichamelijke en geestelijke gezondheid is benadeeld. Ook voor de waardering van deze gedragingen verwijs ik naar hetgeen ik onder de inleiding bij dit feit reeds heb opgemerkt. Het vereiste dat er sprake moet zijn van een patroon volgt niet uit de wet of hetgeen de wetgever heeft bedoeld met de strafbaarstellingen in 300 lid 1 en lid 4 Sr. Er moet worden vastgesteld dat het handelen van verdachte psychisch letsel heeft veroorzaakt of kan veroorzaken dan wel daaraan een voldoende substantiële bijdrage is geleverd of kan leveren. De rechtbank heeft naar oordeel van het Openbaar Ministerie het verkeerde criterium toegepast. Dat het handelen van verdachte psychisch letsel bij [slachtoffer] heeft opgeleverd en hij - door alle gedragingen tezamen - ernstig in zijn gezondheid is benadeeld moge wel blijken uit hetgeen ik reeds over de gevolgen voor [slachtoffer] heb opgemerkt en uit het onderzoek door de Raad en Veilig Thuis is gevolgd. Daarbij komt dat het onmiddellijk een stuk beter met [slachtoffer] ging toen hij uit de situatie met verdachte was verwijderd met de uithuisplaatsing Met betrekking tot het van het balkon “kankeren” van [slachtoffer] het volgende. Dat verdachte deze bewoordingen meermaals heeft gebruikt tegen [slachtoffer] blijkt uit de anonieme Veilig Thuis meldingen en de getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 3] , de broer van verdachte, en [getuige 4] , de schoonzus van verdachte. Ook verklaarde [getuige 2] dat verdachte diverse keren heeft gezegd dat zij [slachtoffer] van het balkon af zou gooien, met daarbij de toevoeging kankerjong Daarnaast verklaarde [getuige 5] dat verdachte dit vaker tegen [slachtoffer] heeft gezegd. Verdachte zou ik “gooi je van het balkon” tegen [slachtoffer] hebben gezegd, zoals andere mensen zeggen “ik plak je achter het behang”. Verdachte erkent ook dat ze eigenlijk wilde zeggen “ik plak je achter het behang”, die ene keer dat ze erkent dit tegen [slachtoffer] gezegd te hebben. Uit het voorgaande kan naar mijn oordeel wel degelijk worden vastgesteld dat er sprake was van een patroon van het uiten van de ten laste gelegde bewoordingen. Verdachte zou dit immers hebben gezegd zoals een ander zei: “ik plak je achter het behang”. Dan nog het alleen laten in de auto. Op 19 februari 2022 heeft [slachtoffer] voor straf in de auto gezeten, zonder eten en drinken. Dit kan worden vastgesteld aan de hand van de volgende bewijsmiddelen. […] Anders dan de rechtbank oordeelt, is het Openbaar Ministerie van oordeel dat wel degelijk is vast te stellen dat deze handelingen in gezamenlijkheid de lichamelijke en geestelijke gezondheid van [slachtoffer] hebben benadeeld. [slachtoffer] was bang dat verdachte hem van het balkon zou gooien, zo vertelde hij in het Kindgesprek met Veilig Thuis. Dit heeft dus wel degelijk een impact heeft gehad op de psychische gezondheid van [slachtoffer] . Dat is ook logisch, want als klein kind is het enorm impactvol als je moeder deze bewoordingen herhaaldelijk tegen je uit. Het is ook uitermate schadelijk om op zo’n jonge leeftijd alleen te worden gelaten in een auto als straf en daarmee buiten te worden gesloten van een verjaardag. Het kan niet anders dan dat dit impact heeft gehad op de psychische gezondheid en het zelfbeeld van [slachtoffer] . Ik zal bij de gedragingen hierna uiteenzetten hoe de gezondheid van [slachtoffer] precies is benadeeld door het handelen van verdachte. Resumerend: De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat nog niet valt vast te stellen dat daarmee reeds sprake was van een dusdanige aard van handelingen of handelingen binnen een zodanig patroon van kleineringen / afstand / afwijzing door en van verdachte dat hierdoor bij [slachtoffer] de lichamelijke en geestelijke gezondheid is benadeeld. Ook deze handelingen kunnen wettig en overtuigend worden bewezen. 3.1.6 Gedraging VI: [slachtoffer] kleineren en/of denigrerend toespreken […] Zoals hiervoor overwogen volgt bovendien niet uit de wet dat sprake moet zijn van een patroon. De rechtbank heeft dus ook hier een onjuist criterium gehanteerd. Bovendien kan in deze zaak wel degelijk worden gesproken van een patroon naar oordeel van het Openbaar Ministerie. [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte heeft gezegd dat [slachtoffer] zo bang moet zijn dat hij nooit meer geluid zal maken. Hij hoort van haar al zijn hele leven dat dat hij nooit geboren had moeten worden en dat hij niet deugt, dat hij een mongool is. Aan de hand van deze getuigenverklaring kan ook worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] vaak dreigde met een uithuisplaatsing. Als verdachte boos is op [slachtoffer] , dan gebruikte ze altijd de woorden: “kanker jong, ondankbaar kankerjong, je had niet geboren moeten worden” zo verklaarde [getuige 1] . [slachtoffer] heeft niets anders dan in zijn jonge leven gehoord dan dat hij niet gewenst is, hij een niksnut is en nooit iets goeds kan doen in de ogen van zijn moeder. Volgens [getuige 1] gebeurde dit iedere week, soms wel meerdere keren. Zij stond erbij als verdachte dit tegen [slachtoffer] zei. Ook aan de hand van een WhatsApp-bericht van [getuige 5] aan [getuige 1] stel ik vast dat verdachte [slachtoffer] op deze nare wijze heeft toegesproken en behandeld, zo schrijft hij: “ gaat hieraan kapot is ziek hoe ze hem behandeld. Wil hem eigenlijk nog wel helpen maar k kan net met haar in 1 ruimte meer zijn. Ze dreigt hem elke keer dat hij naar een pleeggezin moet en hij mag dan niet piepen want dan draait ze bijna zn arm uit de kom. Ben daar al een paar keer tussen gesprongen.” In zijn verhoor komt [getuige 5] terug op het door hem in 2020 verstuurde WhatsApp-bericht aan [getuige 1] . Zijn verklaring, dat hij er bij [getuige 1] goed op wilde staan, en om die reden dit bericht heeft verstuurd, acht ik ongeloofwaardig. Je had nooit geboren mogen worden, je deugd niet, kankerjong, je bent een mongool. Vastgesteld kan worden dat verdachte deze opmerkingen gedurende een langere periode, meermalen, tegenover [slachtoffer] heeft gemaakt. Ook stel ik vast dat ze [slachtoffer] meermalen heeft gedreigd met een uithuisplaatsing en dat zij andere lelijke opmerkingen over hem, in zijn bijzijn, heeft gemaakt. Zij heeft zich, zoals verdachte zelf in een sms-bericht stelt, afgereageerd op hem. Niet iedere kleinerende of denigrerende handeling of opmerking kan worden aangemerkt als psychische mishandeling in de zin van artikel 300 lid 4 Sr. In dit geval kan worden vastgesteld dat gedurende een langere periode sprake is van een patroon van kleinerende, denigrerende opmerkingen en scheldpartijen. Zoals in de inleiding al overwogen kan psychische mishandeling en/of verwaarlozing gedurende de kindertijd verschillende psychische stoornissen veroorzaken. De raadsonderzoeker van de Raad van de Kinderbescherming ziet een jongetje dat zwaar beschadigd is. Op basis van eigen onderzoek maakt de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) zich ernstige zorgen om de ontwikkeling van [slachtoffer] . Aan de hand van het rapport van de raad kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] werd bedreigd in zijn fysieke, cognitieve, sociaal- emotionele en persoonlijke ontwikkeling door de situatie waar hij zich in bevond. Bij [slachtoffer] kwam dit daarnaast fysiek tot uiting zoals hiervoor al aangehaald. Hij moest vaak spugen, was vaak misselijk en smeerde vaak met ontlasting. Dit gebeurde alleen thuis bij moeder en niet op school. Op basis van informatie van de school, getuigen en de Raad kan worden gesteld dat na uithuisplaatsing, [slachtoffer] veel beter in zijn vel lijkt te zitten. Hij had na de uithuisplaatsing weer een open en blij gezicht. Ook was hij niet meer misselijk en hoefde hij niet meer te spugen. Ook uit wat [slachtoffer] vertelde tegen [getuige 1] kan worden vastgesteld dat hij psychisch beschadigd is geraakt door de situatie. Zo vertelde hij: “Oma ik weet een oplossing zodat mama nooit meer boos op mij is. Ik moet gewoon maar dood, dan kan mama nooit meer boos op mij worden.” Naar oordeel van het Openbaar Ministerie kan aan de hand van het voorgaande worden gesteld dat [slachtoffer] langdurig werd bedreigd in zijn fysieke, cognitieve, sociaal-emotionele en persoonlijke ontwikkeling door de situatie waar hij zich in bevond, waaronder het kleinerend en denigrerend toespreken van [slachtoffer] . Kort en goed: ook deze gedragingen kunnen wettig en overtuigend worden bewezen. Conclusie feit 1: Alle aan verdachte ten laste gelegde gedragingen kunnen afzonderlijk en zeker als geheel, gelet op hetgeen ik reeds over het bewijsminimum heb opmerkt, bewezen worden verklaard. Het vonnis dient dan ook te worden vernietigd. […] 4. Bewezenverklaring en kwalificatie Zoals hiervoor uiteengezet, ben ik van oordeel dat feit 1 en feit 2 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Deze feiten kunnen als volgt worden gekwalificeerd: Feit 1 kan worden gekwalificeerd als kindermishandeling in de zin van artikel 300 lid 1 en artikel 300 lid 4 Wetboek van Strafrecht juncto artikel 304 Wetboek van Strafrecht.” 4Omschrijving van het middel 4.1 Het middel klaagt dat het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door het openbaar ministerie naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt houdt volgens de steller van het middel in “

  1. i)dat onder ‘benadeling van de gezondheid’ als omschreven in art. 300 lid 4 Sr, ook dient te worden verstaan ‘benadeling van de geestelijke gezondheid’
  2. ii)dat de tenlastegelegde handelingen geschikt waren om de geestelijke gezondheid van [slachtoffer] te benadelen iii) dat de geestelijke gezondheid van [slachtoffer] door die handelingen ook daadwerkelijk is benadeeld
  3. iv)dat de tenlastegelegde (psychische) mishandeling dus wettig en overtuigend kan worden bewezen en kan worden gekwalificeerd als mishandeling in de zin van art. 300 Sr”. 4.2 Ten eerste werpt de toelichting op het middel op dat het hof de vraag of de gedragingen strafbare mishandeling opleveren, ten onrechte heeft beantwoord bij de beoordeling of het ten laste gelegde in zoverre kan worden bewezen verklaard. Volgens de toelichting had de beantwoording moeten plaatsvinden bij de beoordeling of het alsdan bewezen verklaarde kan worden gekwalificeerd als mishandeling. Deze klacht gaat mijns inziens de reikwijdte van het middel te buiten, hetgeen de steller van het middel overigens ook zelf lijkt te erkennen gelet op de toevoeging “Wat daar verder van zij” in randnr. 5.2 van de schriftuur. Aan deze klacht zal bij de beoordeling van het middel onder 11 dan ook worden voorbijgegaan. 4.3 Ten tweede houdt de toelichting op het middel in dat hetgeen door de advocaat-generaal op de terechtzitting in hoger beroep van 4 december 2024 naar voren is gebracht bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten ondersteund en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie aan het hof is voorgelegd. Dit standpunt heeft volgens de steller van het middel niet alleen betrekking op de vraag of deze onderdelen van de tenlastelegging kunnen worden bewezen verklaard, maar tevens of deze onderdelen van de tenlastelegging na bewezenverklaring kunnen worden gekwalificeerd als mishandeling in de zin van art. 300 Sr. 4.4 Ten derde wordt aangevoerd dat het hof van voornoemd uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is afgeweken door de verdachte vrij te spreken van voornoemde onderdelen van het onder 1 ten laste gelegde terwijl het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die tot die afwijking hebben geleid. Uit de motivering door het hof zou niet duidelijk worden of het hof van oordeel is (
  4. i)dat benadeling van de geestelijke gezondheid geen benadeling kan opleveren van de gezondheid als bedoeld in art. 300 lid 4 Sr, (
  5. ii)dat de onderdelen onder het 4de, 5de en 6de gedachtestreepje van het onder 1 ten laste gelegde feit niet geschikt of ernstig genoeg waren voor het benadelen van de geestelijke gezondheid van [slachtoffer] en (iii) dat niet kan worden aangetoond dat [slachtoffer] ’s geestelijke gezondheid ten gevolge van voornoemde gedragingen daadwerkelijk is benadeeld. Dit zou volgens de steller van het middel temeer klemmen nu het hof wel heeft bewezen verklaard dat de verdachte heeft gedreigd [slachtoffer] van het balkon te gooien en het hof dit bewezen verklaarde onderdeel kennelijk wel heeft gekwalificeerd als benadeling van de gezondheid in de zin van art. 300 lid 4 Sr. 4.5 Volgens de steller van het middel is het belang voor het openbaar ministerie in deze zaak vooral gelegen in “het verkrijgen van meer duidelijkheid omtrent de vragen of ook psychische mishandeling onder de reikwijdte van art. 300 lid 4 Sr valt en de juridische kaders die daarop van toepassing zijn”. Deze vragen zouden “niet eerder aan de Hoge Raad voorgelegd” zijn en “daarom niet uitgekristalliseerd” zijn. 5Begripsbepaling: wat is psychische mishandeling? 5.1 Psychische mishandeling is geen vastomlijnd begrip. Het betreft een fenomeen dat diffuus en complex van aard is. Een eenduidige of algemeen geaccepteerde definitie is niet voorhanden. Bovendien bestaan er naast het begrip psychische mishandeling talloze andere (combinaties van) termen die nu eens naast elkaar worden gebruikt, dan weer worden beschouwd als synoniem voor psychische mishandeling, zoals psychisch geweld, psychologisch geweld, geestelijk geweld en emotioneel geweld. Het aantal termen geeft reeds aan hoe lastig het verschijnsel psychische mishandeling is te duiden. Desalniettemin kunnen uit de definities die door diverse organisaties worden gehanteerd en de omschrijvingen van het verschijnsel die voorkomen in de nationale en internationale literatuur een aantal karakteristieken worden afgeleid die een indruk geven van waar het bij psychische mishandeling om gaat. Benadrukt moet worden dat ik daarmee niet beoog om hier tot een juridische definitie te komen. 5.2 In de eerste plaats valt op dat psychische mishandeling doorgaans wordt geplaatst in de context van huiselijk geweld, in het bijzonder ouder-kind-verhoudingen en partnerrelaties. Bij psychische mishandeling binnen partnerrelaties wordt onder psychische mishandeling doorgaans ook begrepen “coercive control”, wat kan worden vertaald als “dwingende controle”, maar ook wel wordt aangeduid als “intieme terreur”.Het gaat daarbij om “a course of calculated, malevolent conduct deployed almost exclusively by men to dominate women by interweaving repeated physical abuse with three equally important tactics: intimidation, isolation and control”.De controle kan op verschillende manieren worden bereikt, bijvoorbeeld door fysiek geweld, bedreigen, intimideren, vernederen, kleineren, pesten, “gaslighten”, monitoren en isoleren. Hoewel de nadruk dus veelal ligt op huiselijk geweld komt psychische mishandeling in het Nederlandse politieke debat ook aan de orde in de context van onder meer veiligheid op scholen, geweld in de jeugdzorg, uitsluiting van religieuze gemeenschappen, conversietherapie en prostitutie. Het veld wordt nog ruimer wanneer men breder kijkt naar psychische consequenties van onrechtmatig gedrag, zoals bijvoorbeeld blijkt in discussies over schadelijke gevolgen van online seksuele interactie en ongewenste seksuele berichten. Ook in het Verdrag van Istanboel wordt bovendien onder psychisch geweld niet alleen psychisch geweld in de huiselijke kring verstaan, maar eveneens in andere contexten, zoals op het werk of op school. 5.3 Psychische mishandeling manifesteert zich op verschillende manieren. Dit is goed te zien in de definitie van Janssen, Dreissen & Juncker, die psychisch geweld als volgt omschrijven: “Psychisch geweld kan onder andere bestaan uit belaging, intimidatie, sociaal isoleren, vernedering, het beheersen en controleren van gedrag en het beperken van de toegang tot financiële middelen, werkgelegenheid, onderwijs of medische zorg. De gevolgen van psychisch geweld kunnen ernstig en van langdurige aard zijn, denk aan depressie, angst, complexe PTSS-klachten, verslavingen en eetstoornissen.” Deze omschrijving lijkt niet te impliceren dat de daarin genoemde gedragingen altijd zonder meer in psychische mishandeling resulteren. Zo kunnen het beheersen en controleren van gedrag – mede afhankelijk van wat men daaronder precies verstaat – tot op zekere hoogte tot de normale opvoeding van kinderen behoren. De omschrijving biedt dus geen scherpe afgrenzing maar reikt veeleer een enigszins open indicatie aan. Datzelfde geldt voor de volgende aanduiding. 5.4 In het informatieprotocol beleidsinformatie Veilig Thuis in Bijlage A van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 wordt de volgende typering van psychische mishandeling gehanteerd: “Psychische mishandeling kan bestaan uit belaging, intimidatie, sociaal isoleren, vernedering en manipulatie, evenals belediging, kleineren, bedreigingen, het beheersen en controleren van gedrag, waaronder het isoleren van een persoon ten aanzien van familie en vrienden, en het beperken van de toegang tot financiële middelen, werkgelegenheid, onderwijs of medische zorg.” 5.5 Meer specifiek in relatie tot kinderen houdt het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (hierna: WODC) de volgende definitie aan van psychische mishandeling of emotionele verwaarlozing: “aanhoudende of extreme frustratie van elementaire emotionele behoeften van het kind, waaronder ongevoeligheid van de ouders met betrekking tot het ontwikkelingsniveau van het kind alsmede het uiten van bedreigingen (zonder verwondingen). Onder psychische mishandeling of emotionele verwaarlozing valt ook het getuige zijn van het kind van geweld tussen de ouders of een van de ouders en zijn/haar (ex-)partner”. Deze definitie is in elk geval in die zin iets beperkter dan voorgaande omschrijvingen doordat de gedragingen daarin worden verbonden met de feitelijkheid van extreme frustratie van elementaire emotionele behoeften van het kind. 5.6 Vermelding verdient verder de begripsbepaling van “kindermishandeling” die is opgenomen in zowel art. 1.1. Jeugdwet als art. 1.1.1 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015: “elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel”. 5.7 Voorts zijn in de contourenbeschrijving ten behoeve van een – hierna onder 6.29 t/m 6.34 te bespreken – voornemen voor een wetsvoorstel tot afzonderlijke strafbaarstelling van psychisch geweld van 10 juli 2025 de volgende voorbeelden genoemd van gedragingen die “kunnen” vallen onder de psychische mishandelingsvorm “dwingende controle”: “- het stelselmatig onthouden aan de ander van levensbehoeften (bijvoorbeeld eten, slaap, medicatie) of van de toegang tot middelen (bijvoorbeeld telefoon, financiële middelen, rijbewijs), - het beperken van de bewegingsvrijheid van de ander (bijvoorbeeld opsluiten in huis, verbieden om (alleen) naar bepaalde plekken te gaan), - het beperken of controleren van (al dan niet online) sociale interacties van de ander met derden of het voortdurend in de gaten houden van de ander door middel van (al dan niet digitale) monitoring en surveillance, - het kleineren of vernederen, het intimideren of het manipuleren van de ander, in welk verband ook het fenomeen ‘gaslighting’ (het verdraaien van de waarheid om iemand aan zichzelf te laten twijfelen) wordt genoemd.” 5.8 Naast de reeds genoemde verschijningsvormen bedreigen, intimideren, vernederen, kleineren, pesten, “gaslighten”, monitoren/controleren, belagen, isoleren, beperken van toegang tot financiële middelen, werkgelegenheid, onderwijs en medische zorg, komen in tenlasteleggingen in de Nederlandse feitenrechtspraak ook nog de volgende gedragingen voor: het getuige zijn van huiselijk geweld, het tonen van video’s van martelingen, systematische emotionele afwijzing, het onthouden van fysieke affectie, het opsluiten in een kamer ten gevolge waarvan het kind zijn behoefte in die kamer moet doen en seksueel misbruik. 5.9 Als kenmerk van psychische mishandeling wordt ook wel gewezen op het structurele en patroonmatige karakter ervan. Het gaat om een patroon van gedragingen die op zichzelf bezien onbeduidend zijn, maar waarvan “the cumulative effect […] is far greater than the mere sum of its parts”. 5.10 De beschermde rechtsbelangen die in veel omschrijvingen van psychische mishandeling terugkomen zijn autonomie en vrijheid en psychische/psychologische integriteit. Psychische mishandeling impliceert dan dus een inbreuk op zulke belangen. 5.11 Volgens Timmers kunnen voor de vraag wat moet worden verstaan onder psychische mishandeling twee benaderingen worden onderscheiden. In de eerste benadering is het psychische aspect gelegen in de aard van de interactie, oftewel het handelen of nalaten van de dader. Psychische mishandeling wordt dan beschouwd als paraplubegrip voor alle gedragingen die een ernstige inbreuk maken op de geestelijke integriteit zonder dat er fysiek contact is geweest tussen de dader en het slachtoffer, zoals schelden, dwingen, kleineren, isoleren, verwaarlozen en vernederen. Een voorbeeld van deze benadering is de werkdefinitie die wordt gegeven in de Consultatienota over de aanpak van psychisch geweld uit 2020 van de Kamerleden Bergkamp, Özütok en Van den Hul. Daarin wordt “psychisch geweld” gebruikt als: “overkoepelende term voor wederrechtelijke handelingen en omissies die, zonder dat sprake is van fysiek geweld, ernstige inbreuken op de psychische integriteit van slachtoffers veroorzaken of voorzienbaar kunnen veroorzaken. Dit kan bijvoorbeeld zijn een patroon van stelselmatig kleinerend en vernederend gedrag, isolatie, ernstige verwaarlozing, het afsluiten van levensbehoeften en het creëren van een vergaande afhankelijkheidsrelatie.” 5.12 In de tweede benadering verwijst het psychische naar de aard van het gevolg. De schade van het slachtoffer is psychisch, terwijl de aard van de gedraging van de verdachte niet relevant is. Het verschil tussen deze benaderingen kan tot op zekere hoogte worden gezien in relatie tot de indeling van strafbare feiten in materiële delicten (een gevolg staat centraal) en formele delicten (waarbij een bepaalde gedraging voldoende is voor strafbaarheid). 5.13 Het voorgaande toont dat het fenomeen psychische mishandeling moeilijk grijpbaar en diffuus is, vele verschijningsvormen kent en dat daarover – zoals hierna nog verder zal blijken – uiteenlopende visies bestaan en benaderingen mogelijk zijn. In deze conclusie wordt gekeken naar psychische mishandeling in brede zin, maar wel slechts tegen de achtergrond van het strafbare feit mishandeling in de zin van art. 300 Sr. Dit betekent dat ik niet inga op de mogelijkheid dit verschijnsel strafrechtelijk aan te pakken via onder meer belediging (art. 266 Sr), dwang (art. 284 Sr), bedreiging (art. 285 Sr) en/of belaging (art. 285b Sr). Gezien de beperkte reikwijdte van deze conclusie en erop gelet dat in de cassatieschriftuur het begrip “psychische mishandeling” wordt gebezigd, zal ik voorbijgaan aan de mogelijke nuanceverschillen tussen de diverse termen, deze als inwisselbaar beschouwen en in deze conclusie beide aanduidingen gebruiken. 6Het belang van de rechtsvraag 6.1 Het belang van de door het openbaar ministerie opgeworpen rechtsvraag voor de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling kan worden geïllustreerd aan de hand van het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie inzake psychische mishandeling, de feitenrechtspraak over psychische mishandeling in relatie tot art. 300 Sr en een aangekondigd wetsvoorstel. Vervolgingsbeleid 6.2 De Aanwijzing huiselijk geweld en kindermishandeling (2022A001) houdt onder meer in dat in de context van huiselijk geweld als strafbare feiten “emotionele of psychische mishandeling” en “emotionele of psychische verwaarlozing” kunnen voorkomen. De officier van justitie houdt bij de beoordeling van de noodzaak om het strafrecht in te zetten rekening met de schade, waarbij opgemerkt is dat het gaat om “zowel fysieke als psychische schade aan personen”. In de Richtlijn voor strafvordering huiselijk geweld (2020R010) wordt niet uitdrukkelijk aandacht besteed aan psychische mishandeling en lijkt de aard van het lichamelijk letsel leidend voor de strafeis. In de Richtlijn voor strafvordering kindermishandeling (2022R005) wordt daarentegen wel expliciet ingegaan op psychische kindermishandeling. Overwogen wordt (met weglating van een voetnoot): “Psychische (kinder)mishandeling kent geen aparte strafbaarstelling in Nederland. Vervolging is wél mogelijk, op basis van de artikelen 284, 285, 285b en 300 Sr. De beoordelaar bekijkt of één of meer van deze strafbepalingen van toepassing zijn op een specifieke casus. Denk bij bijvoorbeeld opsluiting van een kind ook aan wederrechtelijke vrijheidsbeneming (282 Sr) of dwang (284 Sr).” 6.3 Verder wordt psychische mishandeling in de tabellen waarin de uitgangspunten voor een strafeis zijn genoemd, uitdrukkelijk genoemd onder vermelding van een aantal voorbeelden, namelijk “opsluiting/ vernedering/ verwaarlozing/ blootstelling aan partnergeweld”. Bij psychische mishandeling is in geval van een first offender een taakstraf voor de duur van 120 uren plus een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden (“evt deels vw”) als uitgangspunt voorgeschreven en bij “1x recidive” een gevangenisstraf vanaf 3 maanden (“evt deels vw”). Opgemerkt wordt dat de ernst, duur en frequentie van de psychische mishandeling strafmaat verhogend kunnen werken. Opvallend is dat als aparte categorie wordt genoemd “PCF – Pediatric Condition Falsification (Münchausen by Proxy) en/of opzettelijk benadelen van de gezondheid (vanaf duur half jaar)”, waarbij een gevangenisstraf tussen de 15 en 24 maanden (“evt. deels vw”) is voorgeschreven bij een first offender en maatwerk bij een recidivist. 6.4 Hieruit blijkt dat psychische mishandeling op dit moment – ook in relatie tot art. 300 Sr – al uitdrukkelijk onderdeel is van het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie wanneer het gaat om kindermishandeling. Feitenrechtspraak 6.5 In lagere rechtspraak is expliciet geoordeeld dat psychische mishandeling onder art. 300 Sr kan vallen. In deze paragraaf zal de Nederlandse feitenrechtspraak over psychische mishandeling in relatie tot art. 300 Sr in hoofdlijnen worden besproken (de rechtspraak van de Hoge Raad komt aan de orde onder 9.7 e.v.). Niet is beoogd een uitputtend overzicht van deze rechtspraak te bieden. 6.6 In 2001 overwoog het hof Den Bosch het volgende over art. 300 lid 4 Sr: “Gelet op de uitdrukkelijke bewoordingen van de wet bestaat er naar het oordeel van het hof geen reden -ook in de wetsgeschiedenis is, mede gelet op het voortgeschreden medisch inzicht, geen indicatie te vinden die een andere uitkomst zou rechtvaardigen- om het veroorzaken van een psychische ongesteldheid niet als een benadeling van de gezondheid te kwalificeren”. 6.7 Het hof Den Bosch achtte psychische mishandeling dus strafbaar op grond van art. 300 Sr aangezien dit zou vallen onder “opzettelijke benadeling van de gezondheid” in de zin van art. 300 lid 4 Sr. De argumentatie van het hof houdt in dat de bewoordingen van de wet en de wetsgeschiedenis geen indicatie bevatten dat psychische mishandeling niet onder benadeling van de gezondheid zou kunnen worden geschaard. Naast dit argument wijst het hof op “voortgeschreden medisch inzicht”. 6.8 De opvatting dat psychische mishandeling onder het opzettelijk benadelen van de gezondheid valt komt regelmatig terug in feitenrechtspraak van latere datum. De volgende vooropstelling van het hof Den Haag in zijn arresten van 31 mei 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1539 en 1540, lijkt in veel van die zaken als basis te hebben gediend: “De vraag die het hof moet beantwoorden is of psychische mishandeling kan worden aangemerkt als mishandeling in de zin van artikel 300 Sr. Het hof is van oordeel dat de bewoordingen van genoemd artikel dat niet uitsluiten. Hoewel in de wetsgeschiedenis van artikel 300 Sr niet wordt gesproken over de geestelijke gezondheid, kan naar het oordeel van het hof niet worden uitgesloten dat de wetgever ook dit belang beoogt te beschermen. In ieder geval biedt de in het vierde lid van artikel 300 Sr genoemde gelijkstelling van mishandeling met benadeling van de gezondheid aanknopingspunten voor strafbaarheid van niet alleen het veroorzaken van lichamelijke pijn, letsel of onlust, maar ook voor mishandelingen van psychische aard. Het hof is van oordeel dat niet iedere kleinerende of denigrerende handeling of opmerking als mishandeling in de zin van artikel 300 Sr kan worden aangemerkt. Het komt aan op de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht of gemaakt.” 6.9 Net als in de onder 6.6 besproken uitspraak van het hof Den Bosch, komt ook in deze vooropstelling de redenering erop neer dat psychische mishandeling onder art. 300 Sr kan vallen, omdat de bewoordingen van de wet en de wetsgeschiedenis dit niet uitsluiten. Hieraan wordt nog als argument toegevoegd dat de gelijkstelling van mishandeling met het benadelen van de gezondheid aanknopingspunten biedt voor strafbaarheid van psychische mishandeling. 6.10 Een andere reden om psychische mishandeling als strafbaar aan te merken op grond van art. 300 Sr is te vinden in Rb. Amsterdam 10 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5663: “Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat niet is uitgesloten dat de benadeling van de gezondheid ook de psychische gezondheid omvat. Het psychische welbevinden is een wezenlijk onderdeel van de algemene gezondheid. Daarop een inbreuk maken, is een ernstige schending van de vrijheid en integriteit waarop elke burger in dit land recht heeft en in feite niet te onderscheiden van een schending van de fysieke integriteit van een mens door fysieke mishandeling. De politierechter gaat er daarom van uit dat ook vormen van psychisch geweld via de weg van lid 4 strafbare mishandeling kunnen opleveren.” 6.11 Verder komt in diverse uitspraken als argument voor dat de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 1 september 2020 ter beantwoording van Kamervragen over de strafrechtelijke aanpak van psychische mishandeling als volgt heeft verwezen naar art. 300 Sr: “Hoewel psychische mishandeling in het Wetboek van Strafrecht (Sr) niet expliciet is gedefinieerd, biedt de wet reeds de mogelijkheid om psychische mishandeling strafrechtelijk aan te pakken. Dit kan op basis van artikel 300 Sr, eerste en vierde lid, gericht op respectievelijk het «toebrengen van pijn of letsel» en het «opzettelijk benadelen van de gezondheid». Het Gerechtshof van Den Haag heeft dit in een arrest bevestigd.” 6.12 Voor de vraag welke gedragingen kunnen worden aangemerkt als psychische mishandeling wordt verder geregeld aangesloten bij een definitie van psychische kindermishandeling van het WODC (zie onder 5.5) en de definitie van kindermishandeling in de Jeugdwet en de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (zie onder 5.6). 6.13 Het valt op dat de strafbaarheid van psychische mishandeling in de meeste gevallen mogelijk wordt geacht op grond van het “benadelen van de gezondheid” in de zin van art. 300 lid 4 Sr en niet op grond van de andere varianten van art. 300 Sr (zie hierna onder 9.9). 6.14 In dit verband verdient allereerst Hof Den Haag 8 april 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:806 aandacht. Het hof overwoog in deze uitspraak: “Het hof overweegt dat onder de verbodsnorm van artikel 300 Wetboek van Strafrecht niet alleen lichamelijk letsel is begrepen maar ook psychisch letsel. Het veroorzaakt zijn van letsel, pijn of (psychische) schade voor de gezondheid vormt een voorwaarde voor strafbaarheid. Het hof is in dit opzicht voorts van oordeel dat niet iedere kleinerende of denigrerende handeling of opmerking, en niet iedere emotionele verwaarlozing, als mishandeling in de zin van artikel 300 Wetboek van Strafrecht kan worden aangemerkt. Het komt aan op de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.” Hoewel het hof in deze uitspraak spreekt over “psychisch letsel” meen ik dat psychische mishandeling ook in deze uitspraak wordt aangemerkt als een vorm van benadeling van de gezondheid in de zin van art. 300 lid 4 Sr en niet als een andere variant van art. 300 Sr. Daarbij is van belang dat het hof alleen bij “schade voor de gezondheid” het woord “psychische” toevoegt. 6.15 In dit kader is een aantal uitspraken opvallend. In Rb. Midden-Nederland 28 september 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:4652 houdt de bewezenverklaring van art. 300 lid 1 Sr in: “waardoor die [slachtoffer] pijn en letsel heeft bekomen en/of een hevige onlust veroorzakende geestelijke gewaarwording bij haar is veroorzaakt”. Tegelijkertijd overwoog de rechtbank dat er een grote waarschijnlijkheid bestond “dat dit de psychische gezondheid van de kinderen ernstig zou benadelen.” Rb. Overijssel 6 april 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:1242 bevat als bewezenverklaring onder meer: “waardoor voornoemde kinderen psychisch letsel hebben bekomen en waardoor opzettelijk de gezondheid van voornoemde kinderen werd benadeeld”. De rechtbank overwoog ook: “Gelet op de omvang, de aard en de duur van de gedragingen van verdachte richting [slachtoffer] in het bijzijn van de kinderen en van de gedragingen van verdachte richting de kinderen bestond er een grote waarschijnlijkheid dat dit de psychische gezondheid van de kinderen ernstig zou benadelen.” In Rb. Zeeland-West-Brabant 15 februari 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:878 hield de bewezenverklaring in dat de verdachte “heeft mishandeld en/ de gezondheid heeft benadeeld […] waardoor die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] psychisch letsel hebben bekomen en een hevige onlust veroorzakende lichamelijke en geestelijke gewaarwording bij hun is veroorzaakt”, maar luidde de bewijsoverweging onder meer: “Gelet op de omvang, duur en aard van de gedragingen van verdachte tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], bestond er een aanmerkelijke kans op de benadeling van hun (psychische) gezondheid.” Daarmee plaatsten deze rechtbanken de gedragingen telkens uiteindelijk alsnog in de context van art. 300 lid 4 Sr. 6.16 In Rb. Zeeland-West-Brabant 22 februari 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:843 luidt de bewezenverklaring dat de verdachte het slachtoffer “heeft mishandeld en de gezondheid heeft benadeeld […] waardoor die [slachtoffer] pijn heeft bekomen en een hevige onlust veroorzakende lichamelijke en geestelijke gewaarwording bij haar is veroorzaakt”. De rechtbank lijkt te suggereren dat psychisch letsel ook strafbaar is, door te overwegen: “Evenmin kan worden bewezen dat [Slachtoffer] psychisch letsel door toedoen van verdachte heeft opgelopen.” Verder overweegt de rechtbank bij de bewijsvoering: “Volgens vaste jurisprudentie geldt dat onder ‘mishandeling’ in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht niet alleen moet worden verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, maar onder omstandigheden ook het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende lichamelijke en/of geestelijke gewaarwording (ECLI:NL:HR:2014:2677, ECLI:NL:GHDHA:2017:1540). Het hoeft geen betoog dat voornoemde vastgestelde handelingen van verdachte, mede gelet op het ruime tijdsbestek waarin die hebben plaatsgehad, tot een min of meer hevige onlust veroorzakende lichamelijke én geestelijke gewaarwording bij [Slachtoffer] hebben geleid” [cursiveringen PHvK]. In deze uitspraak wordt psychische mishandeling dus wel uitdrukkelijk onder de andere varianten van art. 300 Sr geschaard. 6.17 Verder noem ik Rb. Midden-Nederland 20 december 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6977. Daarin hield de bewezenverklaring in: “waardoor een hevig onlust veroorzakende geestelijke gewaarwording bij hem is veroorzaakt en waardoor opzettelijk de gezondheid van voornoemd kind werd benadeeld”. Daarbij overwoog de rechtbank: “Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat door het geweld van verdachte tegenover aangeefster bij [slachtoffer 4] een hevige onlust veroorzakende geestelijke gewaarwording is veroorzaakt en dat [slachtoffer 4] in zijn gezondheid is benadeeld.” Daarmee wordt psychische mishandeling mede gekwalificeerd als het veroorzaken van een hevige onlust veroorzakende gewaarwording. 6.18 In de vonnissen Rb. Midden-Nederland 8 juni 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2376 en Rb. Noord-Holland 14 oktober 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:9068 wordt weliswaar gesproken over “psychisch letsel”, maar zijn de bewezenverklaringen wel toegesneden op het opzettelijk benadelen van de gezondheid. In Rb. Midden-Nederland 28 september 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:4652 luidde de bewezenverklaring “waardoor die [slachtoffer 1] pijn en letsel heeft bekomen en/of een hevige onlust veroorzakende gewaarwording bij haar is veroorzaakt”, maar blijkt uit de vooropstelling eveneens van een directe link met art. 300 lid 4 Sr. 6.19 Hoewel in sommige uitspraken wordt gesteld dat in “de feitenrechtspraak […] inmiddels [lijkt] aanvaard dat ook benadeling van de geestelijke gezondheid valt binnen het bereik van art. 300 Sr”, schaart niet elk gerecht zich achter die benadering. Zo oordeelde het Hof Arnhem-Leeuwarden in zijn recente uitspraken van 17 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:8129 en 8130, r.o. 4.4 (met weglating van de voetnoten op één na): “Het hof stelt voorop dat artikel 300 Sr niet slechts ziet op het zonder rechtvaardigingsgrond toebrengen van lichamelijke pijn of letsel, maar op iedere aantasting van de lichamelijke integriteit. Volgens vaste rechtspraak worden in dit verband drie categorieën onderscheiden: -
  6. a)gedragingen die pijn of lichamelijk letsel veroorzaken; -
  7. b)gedragingen die geen direct letsel veroorzaken, maar wel een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam teweegbrengen; -
  8. c)gedragingen die leiden tot opzettelijke benadeling van de gezondheid. […] De advocaat-generaal heeft in zijn requisitoir gesteld dat voor alle slachtoffers geldt dat steeds sprake is van mishandeling met (ook) één of meer lichamelijke componenten. Als de advocaat-generaal heeft bedoeld te betogen dat er altijd een lichamelijke component was omdat die in de totale context van de zorgboerderij telkens wel ergens aanwezig was, miskent dat betoog dat niet het samenstel van alle gedragingen van verdachten bepaalt of in individuele gevallen van mishandeling sprake is. De verdediging heeft terecht aangevoerd dat de diverse gedragingen als afzonderlijke mishandelingen zijn ten laste gelegd en dus ook als zodanig moeten worden beoordeeld. Er zal dus per geval moeten worden beoordeeld of een lichamelijke component aanwezig is. Waar die lichamelijke component ontbreekt, kan geen sprake zijn van mishandeling. Ook niet bij mishandeling van categorie c. Dat volgt uit het gegeven dat de strafbaarstelling van mishandeling in onder meer artikel 300 Sr strekt ter bescherming van de lichamelijke integriteit. In de tenlastelegging is categorie c uitgebreid door er benadeling van de psychische gezondheid aan toe te voegen. De rechtbank spreekt in haar vonnis van benadeling van de geestelijke gezondheid. In de rechtspraak waar de rechtbank in haar vonnis naar verwijst wordt gerept van psychische mishandeling. Ook in enige andere rechtspraak wordt overwogen dat de bewoordingen van artikel 300 Sr niet uitsluiten dat psychische mishandeling kan worden aangemerkt als mishandeling. De advocaat-generaal heeft in dit kader verwezen naar het requisitoir van de officieren van justitie. Daarin wordt betoogd dat uit vaste jurisprudentie afdoende blijkt dat de wetgever met artikel 300 Sr het belang van de geestelijke gezondheid beoogt te beschermen. Dat ligt naar het oordeel van het hof genuanceerder. De min of meer hevige onlust (
  9. b)hoeft weliswaar niet per se lichamelijk te zijn, maar de gedraging van de verdachte moet wel een lichamelijke component of uitwerking hebben om onder art. 300 Sr te kunnen vallen. Dat is naar het oordeel van het hof bij categorie c niet anders. Verder verwijst het hof nog een keer naar de eerdergenoemde conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad, die concludeert dat de louter psychische mishandeling niet onder het strafrechtelijke mishandelingsbegrip van artikel 300 Sr valt. Het hof deelt die conclusie. Voor zover met het ten laste leggen van benadeling van de psychische gezondheid is bedoeld psychische mishandeling ten laste te leggen, dus mishandeling zonder gedragingen van de verdachte met een lichamelijke component of uitwerking, kan naar het oordeel van het hof van mishandeling in de zin van artikel 300 Sr geen sprake zijn.” 6.20 Er zijn nog andere belangrijke verschillen waar te nemen tussen de uitspraken van de feitenrechters over psychische mishandeling in relatie tot art. 300 Sr. Hoewel in de meeste uitspraken wordt vooropgesteld dat “niet iedere kleinerende of denigrerende handeling of opmerking als mishandeling in de zin van artikel 300 Sr kan worden aangemerkt” en het afhangt van “de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht of gemaakt”, wordt de stelselmatigheid van de gedragingen in sommige zaken als een noodzakelijke voorwaarde voor strafbaarheid gepresenteerd, terwijl in andere uitspraken juist wordt benadrukt dat stelselmatigheid weliswaar een relevante factor is, “maar geen vereiste”. 6.21 Verder valt op dat in de feitenrechtspraak verschillend wordt gedacht over de vraag of de psychische gezondheid daadwerkelijk moet zijn benadeeld. Enerzijds is in diverse uitspraken vrijspraak gevolgd vanwege het ontbreken van bewijs dat de psychische gezondheid daadwerkelijk is benadeeld. In die situaties wordt soms belang gehecht aan de aanwezigheid van een deskundigenrapport waaruit blijkt dat daadwerkelijk sprake is van benadeling van de gezondheid. In andere gevallen wordt dit niet nodig geacht en wordt het ontstaan van psychische schade afgeleid uit algemene ervaringsregels. Anderzijds wordt ook wel betoogd dat de mogelijkheid dat door een gedraging psychisch letsel kan ontstaan reeds voldoende is voor de kwalificatie van psychische mishandeling. Dit is opvallend nu art. 300 Sr in de literatuur wordt aangeduid als materieel krenkingsdelict, waarbij het gevolg daadwerkelijk moet zijn ingetreden en de wijze waarop het gevolg is ontstaan niet is omschreven. 6.22 Tot slot verdient aandacht dat de feitenrechtspraak over psychische mishandeling nagenoeg altijd betrekking heeft op huiselijk geweld. Het gaat daarbij niet altijd om kinderen, maar ook wel om volwassenen, zoals de partner. Buiten de context van de huiselijke kring ben ik slechts één zaak tegengekomen, te weten Hof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:8129 en ECLI:NL:GHARL:2025:8130. In deze zaak – die overigens hiervoor al aan de orde kwam onder 6.19 en wat betreft psychische mishandeling tot een vrijspraak leidde – ging het om de mishandeling van de bewoners van een zorgboerderij. 6.23 Al met al blijkt uit voorgaande bespreking van de feitenrechtspraak over psychische mishandeling in relatie tot art. 300 Sr dat in de feitenrechtspraak kwantitatief gezien weliswaar niet unaniem maar toch tamelijk algemeen is aanvaard dat psychische mishandeling (in de context van huiselijk geweld) zelfstandig strafbaar kan zijn op grond van art. 300 Sr. In de meeste uitspraken wordt dit mogelijk geacht op grond van art. 300 lid 4 Sr, in een handjevol zaken op grond van art. 300 lid 1 Sr. Kwalitatief bezien verdient opmerking dat niet al deze uitspraken wezenlijk zijn onderbouwd, terwijl in uitspraken die een uitzonderingspositie innemen daaraan een motivering ten grondslag is gelegd. 6.24 De argumenten om psychische mishandeling aan te merken als het opzettelijk benadelen van de gezondheid in de zin van art. 300 lid 4 Sr die in de feitenrechtspraak naar voren komen, houden kort gezegd in dat: (
  10. i)de bewoordingen van de wet en de wetsgeschiedenis niet uitsluiten dat psychische mishandeling kan worden aangemerkt als mishandeling in de zin van artikel 300 Sr; (
  11. ii)de gelijkstelling van benadeling van de gezondheid in art. 300 lid 4 Sr met mishandeling aanknopingspunten biedt; (iii) voortschrijdend medisch inzicht ertoe noopt om onder mishandeling ook psychische mishandeling te verstaan en dat het psychisch welbevinden een wezenlijk deel is van de gezondheid, dat niet te onderscheiden is van de fysieke integriteit; (
  12. iv)in de beantwoording van Kamervragen door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor de aanpak van psychische mishandeling is verwezen naar art. 300 Sr. 6.25 De argumenten die in de feitenrechtspraak naar voren komen om psychische mishandeling juist niet zelfstandig aan te merken als mishandeling in de zin van art. 300 lid 4 Sr zijn kort gezegd dat: (
  13. i)art. 300 Sr betrekking heeft op iedere aantasting van de lichamelijke integriteit, in welk verband drie categorieën worden onderscheiden waarvan psychische mishandeling geen deel van uitmaakt, zodat ingeval een lichamelijke component ontbreekt geen sprake kan zijn van mishandeling (ook niet onder de noemer van opzettelijke benadeling van de gezondheid); (
  14. ii)het argument dat de wetgever met art. 300 Sr het belang van de geestelijke gezondheid zou beogen te beschermen niet betekent dat psychische mishandeling zelfstandig strafbaar is onder deze strafbepaling; (iii) in conclusie ECLI:NL:PHR:2025:318 (voor HR 27 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:774, NJ 2025/166) door de advocaat-generaal bij de Hoge Raad (A-G Harteveld) is geconcludeerd dat de louter psychische mishandeling niet valt onder het strafrechtelijke mishandelingsbegrip van art. 300 Sr. 6.26 In onder meer de slotbeschouwing onder 10 kom ik tot een meer inhoudelijke beoordeling en waar mogelijk aanvulling van deze en andere argumenten. Wel stel ik hier al vast dat de aangevoerde argumenten veel onduidelijkheid laten nu de wetsgeschiedenis wordt gebruikt om tot tegengestelde conclusies te komen. Bovendien zijn de argumenten niet nader onderbouwd en is het gewicht ervan niet nader geduid, terwijl van een toetsing aan bijvoorbeeld het legaliteitsbeginsel niet uitdrukkelijk sprake is. 6.27 Daarbij komt dat er zelfs ook belangrijke verschillen bestaan tussen uitspraken van feitenrechters die aannemen dat psychische mishandeling wel zelfstandig strafbaar kan zijn op grond van art. 300 Sr. Zo wordt verschillend geoordeeld over de vraag of stelselmatigheid al dan niet een noodzakelijk voorwaarde voor strafbaarheid is. Van verschillende uitgangspunten blijkt verder wat betreft de vraag of de psychische gezondheid door het handelen van de verdachte daadwerkelijk moet zijn benadeeld dan wel dat de mogelijkheid daartoe reeds voldoende is, evenals of die schade wel of niet door een deskundige moet zijn vastgesteld. 6.28 Uit het voorgaande blijkt dat de feitenrechtspraak nogal verschillende benaderingen kent bij de beantwoording van de vraag of en zo ja onder welke voorwaarden psychische mishandeling zelfstandig strafbaar kan zijn op grond van art. 300 Sr. Met het oog op onder meer rechtsgelijkheid, rechtseenheid, legaliteit en legitimiteit is het dan ook van belang dat er duidelijkheid komt over psychische mishandeling in relatie tot art. 300 Sr. Voornemen tot wetsvoorstel 6.29 Tijdens het commissiedebat Zeden en (on)veiligheid van vrouwen op 16 oktober 2024 heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid toegezegd een wetsvoorstel in te dienen dat strekt tot afzonderlijke strafbaarstelling van psychisch geweld. Een contourenbeschrijving ten behoeve van dit wetsvoorstel is op 10 juli 2025 naar de Tweede Kamer gestuurd. Daarin ligt de nadruk op “dwingende controle”. De contourenbeschrijving houdt onder meer in (met weglating van een voetnoot): “Uitkomsten verkennende gesprekken Zoals in de brief van 1 april 2025 beschreven heeft het ministerie van Justitie en Veiligheid in de afgelopen periode gesprekken gevoerd met betrokken organisaties en experts. Uit deze verkennende gesprekken is het volgende beeld naar voren gekomen. Bepaalde vormen van psychisch geweld zijn op dit moment al strafbaar, bijvoorbeeld als dwang (artikel 284 Sr), bedreiging (artikel 285 Sr), belaging (artikel 285b Sr) of mishandeling (artikel 300 Sr). Er wordt vooral een leemte ervaren als het gaat om het stelselmatige of patroonmatige handelen dat wordt aangeduid als ‘dwingende controle’. Dit is een patroon van gedragingen, al dan niet escalerend in mate en ernst, waarbij iemand een ander inperkt in diens zelfbeschikkingsrecht, door die ander op stelselmatige basis dominerend, bedreigend of controlerend te bejegenen. Van dit patroon kunnen de volgende gedragingen onderdeel uitmaken: - het stelselmatig onthouden aan de ander van levensbehoeften (bijvoorbeeld eten, slaap, medicatie) of van de toegang tot middelen (bijvoorbeeld telefoon, financiële middelen, rijbewijs), - het beperken van de bewegingsvrijheid van de ander (bijvoorbeeld opsluiten in huis, verbieden om (alleen) naar bepaalde plekken te gaan), - het beperken of controleren van (al dan niet online) sociale interacties van de ander met derden of het voortdurend in de gaten houden van de ander door middel van (al dan niet digitale) monitoring en surveillance, - het kleineren of vernederen, het intimideren of het manipuleren van de ander, in welk verband ook het fenomeen ‘gaslighting’ (het verdraaien van de waarheid om iemand aan zichzelf te laten twijfelen) wordt genoemd. […] In de tot nu toe gevoerde gesprekken wordt dwingende controle vooral geplaatst in de context van de privésfeer en (verbroken) intieme relaties. Veelal gaat het daarbij om (ex-)partnerrelaties of (pleeg)ouder-kindrelaties. Het is met name in deze context dat door de betrokken organisaties en andere experts de oproep wordt gedaan om over te gaan tot strafbaarstelling van het patroonmatige geweld dat kenmerkend is voor het proces van dwingende controle. Contouren wetsvoorstel De staatssecretaris Rechtsbescherming constateert op basis van deze verkenning dat er vooral behoefte aan is om het hiervoor beschreven patroonmatige handelen onder het bereik van de strafwet te brengen, om het in de praktijk ervaren gat in het huidige strafrechtelijk kader te dichten. Daarom zal het wetsvoorstel, ook om dit zo effectief mogelijk te maken, zich hierop richten. Bij het formuleren van de strafbaarstelling zal de hiervoor genoemde, in de gevoerde en nog te voeren gesprekken naar voren gebrachte inbreng een belangrijke leidraad zijn. Bij de vormgeving zal verder rekening worden gehouden met internationale en Europese verdragen die (mede) betrekking hebben op of relevant zijn in het kader van psychisch geweld. In het bijzonder gaat het daarbij om het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. […] Omdat dwingende controle tot gevolg kan hebben dat het slachtoffer in voortdurende angst leeft voor degene die dwingende controle uitoefent, vervreemd raakt van diens eigen oorspronkelijke normen en waarden, zichzelf schaamt of de schuld bij zichzelf legt, zal er geen klachtvereiste worden gekoppeld aan de beoogde strafbepaling. Dit betekent dat de mogelijkheid om een strafvervolging in te stellen niet afhankelijk zal zijn van de wens daartoe van het slachtoffer. […] Het wetsvoorstel zal naar verwachting voor de zomer van 2026 in (internet)consultatie gaan.” 6.30 Uit een brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 2 oktober 2025 blijkt dat de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid op 11 september 2025 nadere vragen heeft gesteld over de beschrijving van de contouren van dit wetsvoorstel en dat een van deze vragen inhoudt of ook zal worden ingezet op verduidelijking van art. 300 lid 4 Sr. Dit wordt niet met zoveel worden bevestigd door de staatssecretaris. Uit het verslag van een notaoverleg van 22 september 2025 van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid wordt meer duidelijk. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zei daar het volgende: “In Nederland hebben er nog heel weinig vervolgingen en veroordelingen plaatsgevonden in zaken waarin er een verdenking bestond van alleen psychisch geweld met een volwassen slachtoffer. Dat is ook de reden waarom ik nu hard werk aan de verbetering van de strafrechtelijke aanpak van psychisch geweld, onder meer door middel van een afzonderlijke strafbaarstelling. Daarin wordt expliciet gekeken naar psychisch geweld tegen minderjarige en volwassen slachtoffers.” 6.31 In het Coalitieakkoord 2026-2030 is het voornemen om een aparte strafbaarstelling voor psychisch geweld in te voeren overgenomen. 6.32 Het kabinet zag dit nog anders in 2022. De Minister voor Rechtsbescherming gaf toen te kennen dat zou worden ingezet op versterking van de strafrechtelijke aanpak van psychisch geweld binnen de mogelijkheden die het Wetboek van Strafrecht al biedt, waarbij hij opmerkte dat het kabinet de meerwaarde van een aparte strafbaarstelling van psychisch geweld betwijfelt “[g]ezien de reeds bestaande wettelijke mogelijkheden voor de strafrechtelijke aanpak van psychisch geweld, ook voor situaties waarin dit niet gepaard gaat met fysiek geweld”. Hij wees er in dat kader op dat art. 284, 285, 285b en 300 Sr “(ten dele) rechtsgronden voor vervolging bij ernstig psychisch geweld” bieden. Ten aanzien van het misdrijf mishandeling (art. 300 Sr) merkte hij nog op dat dit misdrijf aanknopingspunten biedt voor vervolging van psychisch geweld: “Met mishandeling wordt gelijkgesteld opzettelijke benadeling van de gezondheid. In de lagere rechtspraak zijn verschillende voorbeelden terug te vinden van gevallen waarin is geoordeeld dat het hierbij naast de fysieke gezondheid ook om de psychische gezondheid kan gaan (voornamelijk met betrekking tot mishandeling van kinderen). Zoals de onderzoekers constateren zou een uitspraak van de Hoge Raad kunnen bijdragen aan juridische duidelijkheid op dit punt, ook ten aanzien van volwassenen.” 6.33 Verder schreef de Minister voor Rechtsbescherming in een brief van 20 maart 2023 (met weglating van voetnoten): “Gevallen van psychisch geweld kunnen ook gekwalificeerd worden als mishandeling (artikel 300 Sr). Hoewel dit artikel van oudsher betrekking heeft op handelingen die een inbreuk maken op lichamelijke integriteit van het slachtoffer zijn er in de lagere rechtspraak ook uitspraken gedaan die een inbreuk op de psychische integriteit van het slachtoffer als mishandeling aanmerken. In deze uitspraken wordt psychische mishandeling beschouwd als het opzettelijk benadelen van de gezondheid van een ander, dat in het vierde lid van art. 300 Sr expliciet gelijkgesteld is aan mishandeling. Het artikel stelt daarmee een duidelijke strafrechtelijke norm die mede strekt tot bescherming tegen psychisch geweld. Ook in de literatuur wordt betoogd dat het misdrijf mishandeling zich uitstrekt tot de bescherming van de psychische gezondheid van slachtoffers. Ernstige aantastingen van de geestelijke integriteit van een slachtoffer kunnen dus worden beschouwd als een «opzettelijke benadeling van de gezondheid» van het slachtoffer en daardoor strafbaar zijn op grond van artikel 300 Sr. […] Gelet op het voorgaande concludeer ik dat een afzonderlijke strafbaarstelling van psychisch geweld op het punt van aanvullende strafbaarheid geen wezenlijke meerwaarde ten opzichte van de bestaande strafbaarstellingen zal hebben. Wel zou zo’n afzonderlijke strafbaarstelling kunnen leiden tot allerlei afbakeningsvragen. Niet uitgesloten is dat daardoor de hierboven besproken algemene en ruim opgezette strafbepalingen restrictiever dan nu toepassing zullen vinden. Dat potentieel negatieve effect weegt voor het kabinet zwaar, te meer omdat in de rechtspraktijk gevallen van psychische mishandeling steeds vaker succesvol worden vervolgd en in toenemende mate als een vorm van strafbare mishandeling (artikel 300 Sr) worden gekwalificeerd. De introductie van een afzonderlijke strafbaarstelling zou tot gevolg kunnen hebben dat deze toe te juichen rechtsontwikkeling zal worden verstoord of in elk geval ongewild tot onduidelijkheden zal leiden. Die prijs is de enkele signaalwerking van een aparte strafbaarstelling naar de mening van het kabinet niet waard.” 6.34 Geconcludeerd kan worden dat sprake is van een gewijzigd inzicht van het kabinet over de noodzaak om een zelfstandige strafbaarstelling van psychisch geweld – in elk geval in de zin van dwingende controle – op te nemen in het Wetboek van Strafrecht, in die zin dat thans het voornemen bestaat zodanige strafbaarstelling te introduceren. Volgens de met het oog daarop verschenen contourenbeschrijving (zie onder 6.29) zijn “bepaalde vormen van psychisch geweld” op dit moment al strafbaar als onder meer mishandeling (art. 300 Sr), maar wordt “een leemte ervaren als het gaat om het stelselmatige of patroonmatige handelen dat wordt aangeduid als ‘dwingende controle’.” Ook gelet op de gedragingen die van dit patroon onderdeel zouden kunnen uitmaken – waaronder onthouding van levensbehoeften of van de toegang tot middelen, beperking van de bewegingsvrijheid, beperking of controle van sociale interacties en kleinering, vernedering, intimidatie, manipulatie of “gaslighting” – is niet duidelijk welke gedragingen dan thans al wel strafbaar zouden zijn als psychische mishandeling onder art. 300 Sr. Over de precieze inhoud van het wetsvoorstel zal naar verwachting meer duidelijk worden in de loop van 2026. Vooralsnog staat niet vast of met het wetsvoorstel wordt gekozen voor een nieuwe strafbepaling die alle vormen van psychische mishandeling omvat die volgens de wetgever strafwaardig zijn. Ook in zoverre blijft van belang dat er meer helderheid over komt of psychische mishandeling onder omstandigheden zelfstandig strafbaar is op grond van art. 300 Sr. Andersom kan voor de beantwoording van die vraag door de rechter ook relevant zijn dat de wetgever het onderwerp aan zich heeft getrokken. 7. Internationaalrechtelijke en Europeesrechtelijke verplichtingen tot strafbaarstelling van psychische mishandeling 7.1 Uit drie internationaalrechtelijke verdragen en een EU-Richtlijn vloeit voort dat de partij- of lidstaten bij deze instrumenten zorg dienen te dragen voor het psychisch welzijn van hun burgers, in het bijzonder vrouwen en kinderen. Het betreft het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK), het Verdrag van Istanboel, het EVRM en Richtlijn (EU) 2024/1385 van 14 mei 2024 ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Een aantal van deze instrumenten verplicht partij- of lidstaten ((vormen van) psychisch) geweld strafbaar te stellen. Ik bespreek de uit deze verdragen en Richtlijn voortvloeiende verplichtingen achtereenvolgens, in het bijzonder in hoeverre inzet van het strafrecht (telkens) is vereist en wat die inzet dan moet inhouden. 7.2 Daarbij merk ik op dat het bestaan van deze verplichtingen op zichzelf niet de vraag beantwoordt of het aan de wetgever, de rechter of beide is of kan zijn om de vereiste mogelijkheden voor strafrechtelijke aansprakelijkheid voor psychische mishandeling binnen het bereik van de strafwet te brengen. Niettemin geldt dat wanneer daartoe wordt overgegaan, internationale verplichtingen tot strafbaarstelling van psychisch geweld in het oog zullen moeten worden gehouden, dus ook wanneer door rechterlijke interpretatie in de strafbaarheid daarvan wordt voorzien. Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) 7.3 Deel I van het Verdrag inzake de rechten van het kind van de Verenigde Naties bevat algemene bepalingen en artikelen over de rechten van het kind, waaronder het recht op bescherming, opvoeding, gezondheid, onderwijs en participatie. Art. 19 IVRK luidt: “1. De Staten die partij zijn, nemen alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen en maatregelen op sociaal en opvoedkundig gebied om het kind te beschermen tegen alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld, letsel of misbruik, lichamelijke of geestelijke verwaarlozing of nalatige behandeling, mishandeling of exploitatie, met inbegrip van sexueel misbruik, terwijl het kind onder de hoede is van de ouder(s), wettige voogd(
  15. en)of iemand anders die de zorg voor het kind heeft. 2. Deze maatregelen ter bescherming dienen, indien van toepassing, doeltreffende procedures te omvatten voor de invoering van sociale programma's om te voorzien in de nodige ondersteuning van het kind en van degenen die de zorg voor het kind hebben, alsmede procedures voor andere vormen van voorkoming van en voor opsporing, melding, verwijzing, onderzoek, behandeling en follow-up van gevallen van kindermishandeling zoals hierboven beschreven, en, indien van toepassing, voor inschakeling van rechterlijke instanties.” 7.4 Het VN Comité voor de Rechten van het Kind is toezichthouder op het Verdrag. Daartoe interpreteert het Comité bepalingen van het Verdrag in ‘General Comments’. In ‘General Comment No. 13

(2011)The Right of the Child to freedom from all forms of violence’ definieert het VN Comité geweld als volgt (met weglating van een voetnoot): “4. Definition of violence. For the purposes of the present general comment, “violence” is understood to mean “all forms of physical or mental violence, injury or abuse, neglect or negligent treatment, maltreatment or exploitation, including sexual abuse” as listed in article 19, paragraph 1, of the Convention. The term violence has been chosen here to represent all forms of harm to children as listed in article 19, paragraph 1, in conformity with the terminology used in the 2006 United Nations study on violence against children, although the other terms used to describe types of harm (injury, abuse, neglect or negligent treatment, maltreatment and exploitation) carry equal weight. In common parlance the term violence is often understood to mean only physical harm and/or intentional harm. However, the Committee emphasizes most strongly that the choice of the term violence in the present general comment must not be interpreted in any way to minimize the impact of, and need to address, non-physical and/or non-intentional forms of harm (such as, inter alia, neglect and psychological maltreatment).” 7.5 In het commentaar op art. 19 IVRK geeft het Comité vervolgens een niet-uitputtende lijst van vormen van geweld (met weglating van voetnoten): “20. Neglect or negligent treatment. Neglect means the failure to meet children’s physical and psychological needs, protect them from danger, or obtain medical, birth registration or other services when those responsible for children’s care have the means, knowledge and access to services to do so. It includes: (
  1. a)Physical neglect: failure to protect a child from harm,6 including through lack of supervision, or failure to provide the child with basic necessities including adequate food, shelter, clothing and basic medical care; (
  2. b)Psychological or emotional neglect: including lack of any emotional support and love, chronic inattention to the child, caregivers being “psychologically unavailable” by overlooking young children’s cues and signals, and exposure to intimate partner violence, drug or alcohol abuse; (
  3. c)Neglect of children’s physical or mental health: withholding essential medical care; (
  4. d)Educational neglect: failure to comply with laws requiring caregivers to secure their children’s education through attendance at school or otherwise; and (
  5. e)Abandonment: a practice which is of great concern and which can disproportionately affect, inter alia, children out of wedlock and children with disabilities in some societies. 21. Mental violence. “Mental violence”, as referred to in the Convention, is often described as psychological maltreatment, mental abuse, verbal abuse and emotional abuse or neglect and this can include: (
  6. a)All forms of persistent harmful interactions with the child, for example, conveying to children that they are worthless, unloved, unwanted, endangered or only of value in meeting another’s needs; (
  7. b)Scaring, terrorizing and threatening; exploiting and corrupting; spurning and rejecting; isolating, ignoring and favouritism; (
  8. c)Denying emotional responsiveness; neglecting mental health, medical and educational needs; (
  9. d)Insults, name-calling, humiliation, belittling, ridiculing and hurting a child’s feelings; (
  10. e)Exposure to domestic violence; (
  11. f)Placement in solitary confinement, isolation or humiliating or degrading conditions of detention; and (
  12. g)Psychological bullying and hazing by adults or other children, including via information and communication technologies (ICTs) such as mobile phones and the Internet (known as “cyberbullying”). 22. Physical violence. […] 23. Children with disabilities may be subject to particular forms of physical violence […] 24. Corporal punishment. […] 25. Sexual abuse and exploitation. […] 26. Torture and inhuman or degrading treatment or punishment. […] 27. Violence among children. […] 28. Self-harm. […] 29. Harmful practices. […] 30. Violence in the mass media. […] 31. Violence through information and communications technologies. […] 32. Institutional and system violations of child rights. […]” 7.6 Duidelijk is dat staten kinderen dienen te beschermen tegen “geestelijke” vormen van geweld. Onder die noemer vallen ook de onder 1 ten laste gelegde gedragingen in de onderhavige zaak. De verplichting om kinderen te beschermen tegen geestelijk geweld houdt evenwel niet in dat dergelijk geweld strafbaar moet worden gesteld. Over de inschakeling van rechterlijke instanties, als bedoeld in art. 19 lid 2 IVRK, merkt het Comité op dat “Judicial involvement may consist of the following: […] (
  13. c)Criminal law procedures, which must be strictly applied in order to abolish the widespread practice of de jure or de facto impunity, in particular of State actors”. Gelet op het gebruik van het woord “may” verplicht het Verdrag daartoe niet. Dit blijkt ook uit de mede op het IVRK gebaseerde “Model Strategies”, die onder meer inhouden dat niet noodzakelijk criminalisering van “all forms of violence” is vereist. Daarbij wordt opgemerkt dat “some forms of neglect or improper disciplinary practices in the home included in the broad definition of violence may call for other forms of interventions than criminalization.”In de “Model Strategies” is psychische mishandeling ook niet uitdrukkelijk opgenomen in de lijst van gedragingen die wel strafbaar moeten zijn gesteld. Verdrag van Istanboel 7.7 Een van de doelstellingen van het Verdrag van Istanboel van de Raad van Europa is vrouwen te beschermen tegen alle vormen van geweld en geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld te voorkomen, te vervolgen en uit te bannen. De partijstaten zelf zijn onder het Verdrag verplicht om zich te onthouden van elke betrokkenheid bij daden van geweld tegen vrouwen. Art. 5 van het Verdrag verplicht de staten daarnaast tot het nemen van “de nodige wetgevende en andere maatregelen teneinde de vereiste zorgvuldigheid in acht te nemen bij het voorkomen, onderzoeken, bestraffen en bewerkstelligen van herstel na daden van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit verdrag en worden gepleegd door actoren die niet behoren tot het staatsapparaat”.Onder die groep actoren vallen dus ook derden. Uit het explanatory report bij het Verdrag blijkt dat de “due diligence”-verplichting in art. 5 een inspanningsverplichting is: “Parties are required to organise their response to all forms of violence covered by the scope of this Convention in a way that allows relevant authorities to diligently prevent, investigate, punish and provide reparation for such acts of violence. Failure to do so incurs state responsibility for an act otherwise solely attributed to a non-state actor.” 7.8 Het Verdrag is van toepassing op alle vormen van geweld tegen vrouwen, met inbegrip van huiselijk geweld, dat vrouwen buitenproportioneel treft. Het Verdrag verstaat onder “geweld tegen vrouwen” alle vormen van gendergerelateerd geweld die leiden of waarschijnlijk zullen leiden tot fysiek, seksueel of psychologisch letsel of leed of economische schade voor vrouwen, met inbegrip van bedreiging met dit soort geweld, dwang of willekeurige vrijheidsberoving, ongeacht of dit in het openbaar of in de privésfeer geschiedt” (cursivering PHvK). Onder “huiselijk geweld” wordt verstaan “alle vormen van fysiek, seksueel, psychologisch of economisch geweld dat plaatsvindt binnen het gezin of het huishouden of tussen voormalige of huidige echtgenoten of partners, ongeacht of de dader in dezelfde woning als het slachtoffer verblijft of heeft verbleven” (cursivering PHvK). Huiselijk geweld is in het Verdrag niet beperkt tot alleen geweld tegen vrouwen, het omvat ook (ander) geweld binnen het gezin of huishouden. Het kan dus ook gaan om geweld tegen mannen of kinderen. Huiselijk geweld omvat hoofdzakelijk twee soorten geweld: geweld tussen huidige of voormalige echtgenoten of partners en intergenerationeel geweld dat doorgaans voorkomt tussen ouders en kinderen. 7.9 Art. 33 Verdrag van Istanboel heeft uitdrukkelijk betrekking op psychisch geweld. De bepaling luidt: “De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat opzettelijke gedragingen tot het door middel van dwang of bedreiging ernstig beschadigen van de geestelijke integriteit van een ander, strafbaar worden gesteld.” Het artikel verplicht partijstaten dus om ervoor te zorgen dat opzettelijke gedragingen tot het door middel van dwang of bedreiging ernstig beschadigen van de geestelijke integriteit van een ander strafbaar zijn. Uit het explanatory report bij het Verdrag blijkt dat de “[t]he drafters agreed to criminally sanction any intentional conduct that seriously impairs another person’s psychological integrity through coercion or threats”.De verplichting tot strafbaarstelling in art. 33 heeft dus enkel betrekking opzettelijk handelen. De interpretatie van “opzettelijk” wordt overgelaten aan het nationale recht. Uit de toelichting op het Verdrag blijkt voorts dat de opzettelijke gedraging slechts strafbaar moet worden gesteld indien de psychologische integriteit van een persoon ernstig wordt beschadigd. Een definitie van ernstige beschadiging wordt niet gegeven, wel is duidelijk dat “[u]se must be made of coercion or threats for behaviour to come under this provision”. Psychisch geweld is niet beperkt tot de huishoudelijke setting, maar kan ook plaatsvinden in een andere context, zoals op werk of op school. 7.10 Uit de toelichting blijkt ook dat art. 33 betrekking heeft op een “course of conduct rather than a single event. It is intended to capture the criminal nature of an abusive pattern of behaviour occurring over time – within or outside the family”.Met andere woorden, art. 33 van het Verdrag beoogt niet incidenten maar patronen van psychisch geweld strafbaar te stellen. De verplichting tot strafbaarstelling betreffende psychisch geweld geldt dus – kort gezegd – alleen voor zover sprake is van een patroon van opzettelijk gepleegde gedragingen waarbij het gaat om dwang of bedreiging en die tot een ernstige beschadiging van de psychische integriteit leiden. Verderop onder 7.14 en 7.17 komt de vraag aan de orde of alleen dwingende of bedreigende gedragingen die dit gevolg zelfstandig kunnen veroorzaken van betekenis mogen zijn of dat het slechts erom gaat dat dergelijke gedragingen bij elkaar genomen dit gevolg hebben. 7.11 Art. 33 vereist ondertussen niet dat de ernstige beschadiging van de geestelijke integriteit gepaard moet gaan met fysieke mishandeling of moet uitmonden in fysieke gevolgen en ook uit de toelichting blijkt niet van dergelijke beperkingen. Integendeel: de door deze bepaling vereiste dwang of bedreiging impliceren juist dat het in de kern gaat om niet-fysieke mishandeling en gevolgen. De tekst van art. 33 en de toelichting daarop impliceren mijns inziens dan ook dat deze bepaling staten er – kort gezegd – toe dwingt te garanderen dat psychische mishandeling zelfstandig strafbaar is wanneer deze gepaard gaat met dwang of bedreiging. 7.12 Op grond van art. 78 lid 3 van het Verdrag kunnen partijstaten een voorbehoud maken bij art. 33 opdat kan worden volstaan met niet-strafrechtelijke sancties in plaats van strafrechtelijke sancties. Uit de toelichting op art. 33 van het Verdrag blijkt niettemin dat het de bedoeling van de opstellers van het Verdrag was “to preserve the principle of criminalisation of psychological violence in the Convention, while allowing flexibility where the legal system of a Party provides only for non-criminal sanctions in relation to these behaviours”. Hoe dan ook zullen sancties “effective, proportionate and dissuasive” moeten zijn, ongeacht of een staat kiest voor een strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke benadering. 7.13 Het Verdrag van Istanboel is op 1 maart 2016 in Nederland in werking getreden. Nederland heeft geen voorbehoud gemaakt als bedoeld in art. 78 lid 3 Verdrag. In de memorie van toelichting bij de goedkeuringswet van het Verdrag komt naar voren dat de gedragingen in art. 33 Verdrag in Nederland onder art. 284 Sr (dwang) en art. 285 Sr (bedreiging) strafbaar zijn gesteld. Daarbij wordt het volgende opgemerkt: “dat dergelijke gedragingen kunnen leiden tot een ernstige beschadiging van de geestelijke integriteit van een ander vormt in het Nederlands recht veeleer (mede) de ratio achter deze strafbaarstellingen”. De reden dat de Nederlandse wetgever heeft gemeend dat reeds met art. 284 en art. 285 Sr aan art. 33 van het Verdrag is voldaan, is er volgens Janssen, Dreissen en Juncker waarschijnlijk in gelegen dat in de toelichting op het Verdrag is vermeld dat “[u]se must be made of coercion or threats for behaviour to come under this provision”. 7.14 De Group of Experts on Action against Violence against Women (hierna: GREVIO), de onafhankelijke expertgroep van de Raad van Europa die toezicht houdt op de naleving van het Verdrag van Istanboel, publiceerde in 2020 een Baseline Evaluation Report over de naleving van het Verdrag door Nederland. In dit rapport moedigt GREVIO de Nederlandse autoriteiten ten zeerste aan om psychisch geweld effectief te onderzoeken, te vervolgen en effectief te bestraffen. In het bijzonder merkt GREVIO op dat de delictsomschrijvingen van art. 284 en 285 Sr een wel zeer hoge drempel opwerpen om het gedrag als crimineel te kunnen aanmerken en verder dat deze misdrijven in de praktijk weinig worden toegepast: “It does not encompass a course of conduct which might consist of several incidents of conduct of a lower intensity, which often form part of the pattern of abuse in domestic violence situations and which is what Article 33 of the Istanbul Convention seeks to define”.GREVIO maakt zich zorgen dat de definities van de misdrijven “dwang” en “bedreiging” niet voldoen aan de norm zoals gesteld door het Verdrag “in that it requires a victim to be compelled to act or not to act and it may fail to address or target psychological violence employed against a victim in the early stages of the cycle of violence or abuse, or throughout, in order to control the victim. Women who are isolated, controlled, intimidated and threatened by their partners day after day would be more likely to report this behaviour if they knew that what they were experiencing was a crime. Without a criminal offence that adequately covers this type of conduct, law-enforcement agencies are ill-equipped to respond”. 7.15 Eveneens in het rapport van 2020 verwelkomt GREVIO daarentegen “the recent development where, in the context of child abuse, the Court of Appeal decided that belittling or humiliating comments can constitute assault within the meaning of Section 300 of the Criminal Code. This constitutes a first step, but it will remain to be seen whether this interpretation will be applied in adult cases of domestic violence”.De uitspraak waar GREVIO naar verwijst is Hof Den Haag 31 mei 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1539 (besproken onder 6.8). Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat GREVIO ervan uitgaat dat art. 300 Sr geschikt is om uitvoering te geven aan de uit art. 33 Verdrag voortvloeiende verplichtingen, maar helemaal gerust is men er kennelijk niet op gezien het belang dat men hecht aan de onder 7.14 genoemde kritiek en gelet op het navolgende. 7.16 In oktober 2025 publiceerde GREVIO wederom een evaluation report over Nederland. De kritiek die vijf jaar eerder werd geuit in het onder 7.14 en 7.15 besproken rapport keert daarin terug: “As regards psychological violence, GREVIO had noted in its baseline evaluation that although it may come within the remit of existing criminal law provisions such as coercion (section 284 of the Criminal Code) and threat (section 285), this was rarely prosecuted as such in practice. GREVIO regrets that this situation persists, with very few cases of psychological violence reaching the courts, according to indications made by experts in the field. Indeed, the relevant offences in the Criminal Code do not encompass a course of conduct that might consist of several incidents of a lower intensity but that often form part of the pattern of psychological abuse in domestic violence situations, which is what Article 33 of the Istanbul Convention seeks to capture. GREVIO thus notes with interest that a draft bill on criminalising psychological violence has recently been presented to the Dutch Parliament. A specific criminal provision would likely lead to greater legal clarity and coherence, as it would allow law enforcement and the courts to effectively investigate, prosecute and sanction psychological violence, including coercive control, and would contribute to the understanding among professionals and victims of this form of violence. Any change in the criminal law would need to be accompanied by awareness-raising campaigns and a public debate on psychological violence, including coercive control, as had been done with the new Act on Sexual Violence”. 7.17 In de literatuur worden kanttekeningen geplaatst bij GREVIO’s lezing van art. 33 Verdrag van Istanboel, in het bijzonder dat het patroon van geweld kan bestaan uit “several incidents of conduct of a lower intensity”. Hiermee lijkt elke gedraging die “een negatieve psychische invloed kan hebben” onder de reikwijdte van art. 33 te kunnen vallen. Deze interpretatie van art. 33 is evenwel niet vanzelfsprekend nu deze bepaling impliceert dat gedragingen dwang of bedreiging moeten behelzen. GREVIO’s ruime lezing volgt niet uit de tekst van art. 33 of de toelichting op deze bepaling en wordt door GREVIO in de evaluatierapporten niet met argumenten gestaafd. Hedlund en Lindenberg zijn van mening dat om die reden lastig te duiden is “wat nu precies van verdragsstaten wordt verwacht om aan de onderhavige verdragsverplichting te voldoen”.Janssen, Dreissen en Juncker trekken een verdergaande conclusie wanneer zij schrijven dat het zeer de vraag is of de strafbaarstelling van psychisch geweld in art. 33 Verdrag verder moet gaan dan hetgeen thans reeds strafbaar is op grond van art. 284 Sr en art. 285 Sr: “Art. 33 heeft alleen betrekking op opzettelijke beschadiging van de geestelijke integriteit en is beperkt tot die vormen (dwang en bedreiging) die als een ernstige beschadiging kunnen worden gekwalificeerd”. Zelf kom ik gezien de tekst van art. 33 Verdrag van Istanboel en gelet op het explanatory report bij het Verdrag (zie onder 7.9) tot een iets andere conclusie: de mogelijkheid tot strafrechtelijke aansprakelijkheid is vereist voor gedragingen waarbij sprake is van dwang of bedreiging, maar die gedragingen hoeven daarbij niet ook zelfstandig de geestelijke integriteit van een ander ernstig te beschadigen, mits zij zodanig gevolg maar wel tenminste in combinatie met elkaar hebben. EVRM 7.18 Uit het eveneens door de Raad van Europa tot stand gebrachte EVRM worden positieve verplichtingen afgeleid tot strafbaarstelling van “psychisch geweld”. De rechtspraak van het EHRM dienaangaande heeft betrekking op het folterverbod (art. 3 EVRM) en het recht op privéleven (art. 8 EVRM). In het bijzonder van belang zijn de uitspraken Volodina tegen Rusland (art. 3 EVRM), Tunikova tegen Rusland (art. 3 EVRM), B.A. tegen IJsland (art. 3 en 8 EVRM) en Volodina tegen Rusland (No. 2) (art. 8 EVRM). Deze uitspraken staan in het navolgende achtereenvolgens centraal, maar ter verdieping wordt daarbij soms ook andere jurisprudentie betrokken. Ik sluit dit deel over het EVRM af met een conclusie. Volodina tegen Rusland en andere rechtspraak 7.19 In de zaak Volodina draait het om de klacht dat de Russische autoriteiten niet hun plicht zijn nagekomen om het huiselijk geweld dat zij had ondergaan door toedoen van haar ex-partner, te voorkomen, te onderzoeken en te vervolgen. Dit levert volgens de klaagster een schending op van art. 3 EVRM. Het zou in het bijzonder gaan om mishandeling ten gevolge waarvan zij een abortus moest ondergaan, ontvoering, dwang, bedreiging met de dood, vernieling, sabotage van de remmen van haar auto, het plaatsen van een peilbaken in haar tas en het zonder toestemming verspreiden van intieme foto’s van haar. Omdat het merendeel van de gedragingen naar Russisch recht geen strafbaar feit opleverden, stelden de autoriteiten geen strafrechtelijk onderzoek in. Zo zouden de bedreigingen aan het adres van klaagster “neither real nor specific” zijn. 7.20 Het EHRM oordeelt ten eerste dat klaagster is onderworpen aan een behandeling die in strijd is met art. 3 EVRM. Het EHRM overweegt daartoe onder meer dat “Even in the absence of actual bodily harm or intense physical or mental suffering, treatment which humiliates or debases an individual, showing a lack of respect for or diminishing his or her human dignity, or which arouses feelings of fear, anguish or inferiority capable of breaking an individual’s moral and physical resistance, may be characterised as degrading and also fall within the prohibition set forth in Article 3”.Het EHRM erkent hiermee dat huiselijk geweld, ook indien het geen “actual bodily harm or intense physical or mental suffering” tot gevolg heeft, kan gelden als behandeling die “a minimum level of severity” behelst en daarom in strijd is met art. 3 EVRM. 7.21 Het EHRM oordeelt dat ook het niet-fysieke geweld van de ex-partner op zichzelf kan worden gekwalificeerd als onmenselijke behandeling in de zin van art. 3 EVRM, gezien de “feelings of fear, anxiety and powerlessness that the applicant must have experienced in connection with his controlling and coercive behaviour”. Vervolgens beoordeelt het EHRM of de Russische autoriteiten hun positieve verplichtingen uit hoofde van art. 1 jo. art. 3 EVRM zijn nagekomen om ervoor te zorgen dat personen binnen hun jurisdictie worden beschermd tegen alle vormen van mishandeling, ook wanneer deze mishandeling door derden wordt toegebracht. Deze positieve verplichtingen, die onderling verband houden, omvatten: “(
  14. a)the obligation to establish and apply in practice an adequate legal framework affording protection against ill-treatment by private individuals; (
  15. b)the obligation to take the reasonable measures that might have been expected in order to avert a real and immediate risk of ill-treatment of which the authorities knew or ought to have know, and (
  16. c)the obligation to conduct an effective investigation when an arguable claim of ill-treatment has been raised.” 7.22 Het is de eerstgenoemde verplichting uit het kader die hier van belang is. Het kader is algemeen van toepassing en dus ook van belang voor gedragingen waarbij het niet gaat om huiselijk geweld. Maar voor gevallen waarin daarvan wel sprake is preciseert het nader door te overwegen dat deze verplichting “in cases involving acts of domestic violence would usually require the domestic authorities to adopt positive measures in the sphere of criminal-law protection. Such measures would include, in particular, the criminalisation of acts of violence within the family by providing effective, proportionate and dissuasive sanctions”.Strafbaarstelling is volgens het EHRM in huiselijk-geweldzaken “usually” vereist, dus niet altijd. Het EHRM licht dit niet nader toe in Volodina. 7.23 Niettemin geldt op grond van onder meer Miasyan tegen Armenië in het algemeen dat “where acts that constitute serious offences are directed against a person’s physical or mental integrity, only efficient criminal-law mechanisms can ensure adequate protection and serve as a deterrent factor”. Het lijkt mij in het algemeen lastig voor te stellen dat niet aan dit “serious offences”-criterium wordt voldaan in gevallen van psychisch geweld waarin sprake is van het “minimum level of severity” dat is vereist voor toepasselijkheid van het verbod van onmenselijke behandeling in art. 3 EVRM. Uit het arrest Volodina volgt dan ook dat de daarin vastgestelde tekortkoming in de bescherming van klaagster tegen het jegens haar uitgeoefende huiselijk psychisch geweld – dat zoals opgemerkt zelfstandig als onmenselijke behandeling wordt aangemerkt – een materieel strafrechtelijke gebrek betreft. Maar zoals blijkt uit voormelde zaak Miasyan tegen Armenië (over art. 8 jo. 14 EVRM) en de verderop uitgebreider te bespreken zaak Volodina (No. 2) (art. 8 EVRM), voor zover “acts encroaching on an individual’s psychological integrity are concerned, the obligation to maintain and apply in practice an adequate legal framework does not always require that a criminallaw provision covering the specific act be put in place. The legal framework could also be made up of administrative or civil-law remedies capable of affording sufficient protection, possibly combined with procedural remedies such as the granting of an injunction”. Dit zal dan in elk geval gelden voor feiten die niet ernstig zijn. 7.24 Aandacht verdient hier echter ook nog Zherdev tegen Oekraïne. In deze zaak – die geen betrekking heeft op huiselijk geweld – hadden politieambtenaren de toen zestienjarige klager, die werd verdacht van moord en voor het eerst met het strafrecht in aanraking kwam, minstens tweeënhalf uur geboeid en vrijwel naakt laten doorbrengen en hem geplaatst bij volwassen gedetineerden. Het EHRM oordeelt dat dit tot een staat van onzekerheid en kwetsbaarheid heeft geleid en dat hij gevoelens van angst, benauwdheid, hulpeloosheid en minderwaardigheid moet hebben ervaren die zijn waardigheid hebben aangetast. Daarmee was sprake van vernederende behandeling in strijd met art. 3 EVRM. Er was echter geen bewijs dat de autoriteiten de intentie hadden om de klager te vernederen. Het EHRM concludeert daarom dat niet noodzakelijkerwijs een strafrechtelijke reactie was vereist; de klachten zouden bijvoorbeeld kunnen worden behandeld in het kader van een administratief onderzoek en/of een tuchtprocedure tegen de betrokken politieambtenaren. 7.25 De aan- of afwezigheid van intentie (opzet) op het psychische gevolg kan dus een belangrijke factor zijn bij de beoordeling van de ernst van de gedraging. Het EHRM benadrukt dit in Nicolae Virgiliu Tănase tegen Roemenië: “In order to determine whether the threshold of severity has been reached, the Court may also take other factors into consideration, in particular: the purpose for which the ill-treatment was inflicted, together with the intention or motivation behind it, although the absence of an intention to humiliate or debase the victim cannot conclusively rule out a finding of a violation of Article 3; the context in which the ill-treatment was inflicted, such as an atmosphere of heightened tension and emotions; and whether the victim was in a vulnerable situation”. 7.26 Uit de hiervoor besproken jurisprudentie maak ik op dat de verplichting tot strafbaarstelling van psychische mishandeling in elk geval geldt voor zeer ernstige gedragingen en dat daarvan sprake is indien die gedragingen gelijk zijn te stellen met ten minste onmenselijke behandeling in de zin van art. 3 EVRM terwijl de gedragingen zijn begaan met de bedoeling om de ander onmenselijk c.q. vernederend te behandelen. 7.27 Indien wordt overgegaan tot strafbaarstelling, leiden meerdere wegen naar Rome: “The Court has accepted that different legislative solutions in the sphere of criminal law could fulfil the requirement of an adequate legal mechanism for the protection against domestic violence, provided that such protection remains effective”. In combinatie met andere maatregelen heeft het EHRM goedkeuring gegeven aan “specific criminal sanctions for the commission of acts of violence against members of one’s own family” en aan “criminalising domestic violence as an aggravating form of other offences” (zie ook hierna onder 7.36). 7.28 Het EHRM concludeert in de zaak Volodina dat klaagster slachtoffer is van een schending van art. 3 EVRM. Hier nog van belang is dat er daartoe onder meer op wordt gewezen dat specifieke wetgeving om huiselijk geweld aan te pakken ontbreekt in Rusland, het begrip “huiselijk geweld” niet is gedefinieerd of genoemd in de wetgeving, huiselijk geweld niet afzonderlijk strafbaar is gesteld, de omstandigheid dat geweld plaatsvindt binnen het huishouden ook geen strafverzwarende omstandigheid is, en het Russische Wetboek van Strafrecht geen onderscheid maakt tussen huiselijk geweld en andere vormen van geweld. Dit betekent nog net niet dat uitdrukkelijke strafbaarstelling van huiselijk geweld – dat zoals opgemerkt ook psychische mishandeling omvat – zonder meer noodzakelijk is op grond van het EVRM, maar het is duidelijk dat het belang van zulke expliciete strafwetgeving sterk wordt benadrukt en dat het vereiste “legal framework” bij afwezigheid van zulke wetgeving niet zomaar als toereikend zal worden aangemerkt. Belangrijk is ook dat het EHRM wetsbepalingen afwijst als die inhouden dat mishandeling van familieleden alleen strafbaar is als het feit binnen twaalf maanden voor de tweede keer wordt gepleegd of als het ten minste tot “minor bodily harm” heeft geleid. Het EHRM overweegt daartoe dat “domestic violence may take many forms, some of which do not result in physical injury – such as psychological or economic abuse or controlling or coercive behaviour”. Op grond van het voorgaande oordeelt het EHRM dat het Russische raamwerk “falls short of the requirements inherent in the State’s positive obligation to establish and apply effectively a system punishing all forms of domestic violence and providing sufficient safeguards for victims”. Tunikova e.a. tegen Rusland 7.29 Deze zaak over huiselijk geweld draait om een schending van art. 3 EVRM (mede in combinatie met art. 14), in het bijzonder vanwege het verzuim van de autoriteiten om de klaagsters te beschermen tegen het geweld door haar toenmalige partner en om een effectief onderzoek naar deze feiten in te stellen. Het EHRM beoordeelt eerst of de klaagsters zijn onderworpen aan een behandeling die te scharen valt onder art. 3 EVRM. Het EHRM onderstreept dat ook de “psychological impact” van huiselijk geweld de drempel van art. 3 EVRM kan overstijgen en overweegt: “in addition to physical injuries, psychological impact forms an important aspect of domestic violence […]. Article 3 does not refer exclusively to the infliction of physical pain but also to that of mental suffering which is caused by creating a state of anguish and stress by means other than bodily assault […]. Fear of further assaults can be sufficiently serious to cause victims of domestic violence to experience suffering and anxiety capable of attaining the minimum threshold of application of Article 3”. Het EHRM oordeelt dat in de “psychological aspects” voor de klaagsters “were sufficiently serious to amount, in their own right, to treatment falling within the scope of Article 3 of the Convention”. 7.30 Vervolgens beoordeelt het EHRM of de Russische autoriteiten hun positieve verplichting zijn nagekomen om een wettelijk kader vast te stellen. Het EHRM neemt daarbij overwegingen uit de hiervoor besproken zaak Volodina tegen Rusland (paras. 78-79, zie onder 7.20) in acht. Het EHRM overweegt dat het juridisch raamwerk niet is veranderd in de twee jaren na de uitspraak in de zaak Volodina: “The concept of “domestic violence” or any of its equivalents has not been defined or referred to in any form in the Russian legislation. Acts of domestic violence have not been criminalised as a separate offence or an aggravating form of any other offences. Russian law does not contain any penalty-enhancing provisions relating to acts of domestic violence and makes no distinction between domestic violence and violence committed by strangers”. 7.31 Het EHRM noemt voorts een aantal omstandigheden die illustreren waarom bestaande Russische bepalingen niet volstaan om de vele vormen van huiselijk geweld te bestrijken. Ten eerste zijn volgens de Russische wetgeving vormen van huiselijk geweld die niet leiden tot daadwerkelijk lichamelijk letsel of fysieke pijn – zoals stalking, verbaal, psychisch of economisch geweld, “or any forms of controlling or coercive behaviour” – niet strafbaar. Het EHRM geeft daarbij het volgende voorbeeld: “In the instant case, although Ms Gracheva’s husband exhibited controlling and coercive behaviour by locking her in the car, preventing her from driving to work on her own, following her around town or loitering outside her home and office (see paragraphs 41-42 above), such conduct on his part did not constitute any prosecutable offence which could give rise to police intervention”. 7.32 Ten tweede vereist het Russische strafrecht, zelfs wanneer fysiek geweld is gebruikt, dat de verwondingen van het slachtoffer een bepaalde mate van ernst bereiken voordat strafvorderlijke autoriteiten worden ingeschakeld. Ten derde is na wetswijzingen “the infliction of physical pain without actual injuries” geen strafbaar feit tenzij het voor de tweede keer is gepleegd binnen twaalf maanden na een eerdere administratieve veroordeling.Ten vierde, “the Court notes that Ms Gershman and Ms Petrakova unsuccessfully sought to bring criminal proceedings against their abusers on the charge of “tormenting” under Article 117 of the Criminal Code. Although this provision does not specifically target domestic violence, it does, at least in theory, sanction the systematic infliction of suffering through beatings and other violent acts which have not caused significant bodily harm”.Als laatste merkt het EHRM op dat in Russische wetgeving een definitie van “huiselijk geweld” ontbreekt en dat dit gebrek de autoriteiten verhindert een alomvattend beeld krijgen “of a continuum of violence and treating it as a single course of conduct rather than isolated incidents”. Met betrekking tot de laatstgenoemde omstandigheid merkt het EHRM nog op dat afhankelijk van de ernst, incidentele gevallen van huiselijk geweld onder verschillende bepalingen van het bestuurs- of strafrecht kunnen vallen, maar dat in een dergelijk geval wel van belang is dat de bestuursorganen en strafvorderlijke autoriteiten hun acties coördineren en informatie uitwisselen om huiselijk geweld alomvattend en systematisch aan te pakken. Hieruit valt op te maken dat, ook indien huiselijk geweld de drempel van art. 3 EVRM overstijgt, de verdragsstaten – mede afhankelijk van de ernst van het geweld – niet altijd zijn gehouden over te gaan tot strafbaarstelling, mits aan de hiervoor omschreven voorwaarden is voldaan. 7.33 Ten gevolge van het gebrekkige Russische juridisch kader oordeelt het EHRM op grond van art. 46 EVRM dat de Russische autoriteiten: “153 […] must promptly revise or amend legislation to bring it into compliance with the Convention and international standards on prevention and punishment of domestic violence. They must introduce a legal definition of domestic violence which is sufficiently comprehensive in its scope to cover acts of violence in various forms, including physical, sexual, psychological or economic violence, manifestations of controlling and coercive behaviour, stalking and harassment, whether they take place physically or in cyberspace. The acts of domestic violence should never be considered in isolation but rather as a single course of conduct or a series of related incidents (see paragraph 94 above). The definition of domestic violence should be part of a comprehensive framework for the protection of, and assistance to, all victims which should in particular allocate the responsibilities of State agencies and public officials tasked with responding to, and preventing, domestic violence, create an interagency mechanism for cooperation between State agencies and other stakeholders to prevent domestic violence, establish legal mechanisms for protecting and compensating victims, and fund rehabilitation programmes for perpetrators of domestic violence. 154. Domestic substantive law must criminalise and make punishable by appropriate penalties all acts of domestic violence, including battery and forms other than injuries”. 7.34 Uit het voorgaande valt ten eerste af te leiden dat ook psychisch geweld onder huiselijk geweld moet worden geschaard. Ten tweede volstaat niet dat huiselijk geweld “would usually require the domestic authorities to adopt positive measures in the sphere of criminal-law protection”, maar geldt dat “Domestic substantive law must criminalise and make punishable by appropriate penalties all acts of domestic violence”.Voor de verplichting over te gaan tot strafbaarstelling lijkt de ernst van het geweld hier geen rol meer te spelen. Ik onderschrijf Hedlunds analyse over deze ogenschijnlijke tegenstrijdigheden in de uitspraak Tunikova tegen Rusland: “At first glance, the Court’s reasoning appears to be inconsistent. On the one hand, it asserts that criminalisation is usually required in respect of acts of domestic violence. On the other hand, it obliges Russia to criminalise all acts of domestic violence. However, it could be that, in light of the identified deficiency of the Russian criminal law framework, the Court uses absolute language to merely highlight that national criminal law should not by default turn a blind eye to certain types or forms of domestic violence, such as non-physically abusive forms. As mentioned before, the Court notes that for

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.