PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/00693 Zitting 3 februari 2026 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, hierna: de verdachte 1Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 14 februari 2024 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-002182-23) niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Het hoger beroep was gericht tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2023, waarbij de verdachte in de zaak met parketnr. 10-167471-22 wegens “mishandeling” en in de zaak met parketnr. 10-141392-22 wegens “diefstal” is veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met een proeftijd van 2 jaren. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. N. Roos, advocaat in Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. 2Waar het in cassatie om gaat 2.1 In deze zaak is namens de verdachte door de raadsvrouw op 18 juli 2022 hoger beroep ingesteld. In de akte instellen hoger beroep is als woonadres van de verdachte [a-straat 1] te [plaats] vermeld. Voorts is in de akte vermeld dat de verdachte [b-straat 1] te [plaats] als domicilie kiest. Dit laatste adres is het kantooradres van de raadsvrouw van de verdachte, zo blijkt uit het briefpapier van de schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep en uit het in deze volmacht opgegeven adres voor de toezending van het afschrift van de dagvaarding in hoger beroep als bedoeld in art. 450 lid 3 Sv. Sinds 28 november 2023 staat de verdachte niet meer als ingezetene ingeschreven in de Basisregistratie personen (hierna: BRP). Geprobeerd is de dagvaarding te betekenen aan het laatste historische BRP-adres van de verdachte, te weten [a-straat 1] te [plaats] en aan de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats, te weten [c-straat 1] te [plaats] . Omdat geen uitreiking heeft kunnen geschieden op voornoemde adressen, is de dagvaarding in hoger beroep uitgereikt aan het openbaar ministerie en zijn afschriften van de dagvaarding naar de adressen [a-straat 1] in [plaats] en [c-straat 1] in [plaats] toegezonden. Uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep heeft niet plaatsgevonden op het adres [b-straat 1] te [plaats] , het kantooradres van de raadsvrouw van de verdachte en het door de verdachte gekozen domicilieadres, dat namens de verdachte in de akte instellen hoger beroep is vermeld. Het hof heeft verstek verleend tegen de verdachte en deze niet-ontvankelijk verklaard op grond van art. 416 lid 2 Sv. Het middel klaagt over het oordeel dat de betekening van de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend. 2.2 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. 3Het middel 3.1 Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat door uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep aan het openbaar ministerie, de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend. Dit oordeel zou blijkens het middel en de toelichting daarop onbegrijpelijk zijn “nu niet blijkt dat de dagvaarding overeenkomstig het bepaalde in artikel 36e Sv is verzonden aan het door requirant opgegeven adres”, dat wil zeggen het op de appelakte vermelde adres dat door de verdachte als domicilie is gekozen, te weten [b-straat 1] te [plaats] , terwijl dit adres moet worden aangemerkt als verdachtes feitelijke woon- of verblijfplaats. 3.2 Bij de op de voet van art. 434 lid 1 Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich: i. een akte instellen hoger beroep van 18 juli 2023 waarin is vermeld dat de verdachte wonende is te [a-straat 1] te [plaats] en ook dat de verdachte [b-straat 1] te [plaats] als domicilie kiest; ii. een aan de akte instellen hoger beroep gehechte bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep van de raadsvrouw van de verdachte. Op het briefpapier van de bijzondere volmacht is als bezoekadres van de raadsvrouw van de verdachte het adres [b-straat 1] te [plaats] vermeld. Dit is ook het in de volmacht opgegeven adres voor de toezending van het afschrift van de dagvaarding in hoger beroep als bedoeld in art. 450 lid 3 Sv; iii. de Informatiestaat SKDB-persoon van 6 februari 2024, waarin onder meer is vermeld a. als huidig BRP-adres van de verdachte sinds 28 november 2023 “Onbekend” in Turkije met als status “Niet-ingezetene”, b. als de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats [c-straat 1] in [plaats] met als datum van registratie 5 juli 2022 en c. dat de verdachte niet is gedetineerd; iv. een dagvaarding van de verdachte in hoger beroep, aangemaakt op 10 januari 2024, toegezonden aan de raadsvrouw van de verdachte inhoudende dat de verdachte, wonende te “()” en “Thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande”, wordt gedagvaard om op 14 februari 2024 ter terechtzitting te verschijnen; v. een akte van uitreiking van de dagvaarding voor de terechtzitting van 14 februari 2024, ingevuld op 10 januari 2024, waaruit blijkt dat de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde niet bekend is, dat onder adres is vermeld “Thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande”, en dat de dagvaarding is uitgereikt aan het openbaar ministerie; vi. een dagvaarding van de verdachte in hoger beroep, aangemaakt op 10 januari 2024, inhoudende dat de verdachte, wonende op [a-straat 1] te [plaats] , wordt gedagvaard om op 14 februari 2024 ter terechtzitting te verschijnen; vii. een akte van uitreiking van de dagvaarding voor de terechtzitting van 14 februari 2024, ingevuld op 18 januari 2024, waaruit blijkt dat de geadresseerde niet meer woont op het adres [a-straat 1] te [plaats] ; viii. een akte van uitreiking van de dagvaarding voor de terechtzitting van 14 februari 2024, ingevuld op 6 februari 2024, waaruit blijkt dat de geadresseerde niet in de BRP stond ingeschreven, maar de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde wel bekend was, dat de dagvaarding is uitgereikt aan het openbaar ministerie en dat een afschrift is verzonden aan het adres [a-straat 1] te [plaats] ; ix. een dagvaarding van de verdachte in hoger beroep, aangemaakt op 10 januari 2024, inhoudende dat de verdachte, wonende op de [c-straat 1] te [plaats] , wordt gedagvaard om op 14 februari 2024 ter terechtzitting te verschijnen; x. een akte van uitreiking van de dagvaarding voor de terechtzitting van 14 februari 2024, ingevuld op 16 januari 2024, waaruit blijkt dat de geadresseerde niet meer woont op het adres [c-straat 1] te [plaats] ; xi. een akte van uitreiking van de dagvaarding voor de terechtzitting van 14 februari 2024, ingevuld op 6 februari 2024, waaruit blijkt dat de geadresseerde niet in de BRP stond ingeschreven, maar de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde wel bekend was, dat de dagvaarding is uitgereikt aan het openbaar ministerie en dat het afschrift is verzonden aan het adres [c-straat 1] te [plaats] . 3.3 Het proces-verbaal ter terechtzitting van 14 februari 2024 houdt onder meer het volgende in: “De verdachte, gedagvaard als: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] , zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, is niet ter terechtzitting verschenen. Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. N. Roos, advocaat te Rotterdam, die mededeelt door de verdachte niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren. Alle verklaringen zijn zakelijk weergegeven, tenzij anders vermeld. De voorzitter vraagt de advocaat-generaal naar zijn standpunt met betrekking tot de betekening. De advocaat-generaal reageert als volgt: De verdachte is uitgeschreven op het adres [a-straat 1] te [plaats] . Daarna is de dagvaarding naar een oud adres gegaan. Er is verder niets ondernomen en dat had wel gemoeten. Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad, waarna het onderzoek wordt hervat. De voorzitter neemt het woord: Het hof concludeert dat de betekening goed is gegaan. Sinds 28 november 2023 heeft de verdachte geen vast woon- of verblijfplaats hier te lande. Het oude BRP-adres was [a-straat 1] te [plaats] . Er is geprobeerd uit te reiken op dat adres, maar dit is niet gelukt omdat de verdachte er niet meer woonde. Er is betekend aan het openbaar ministerie. De laatst opgegeven woon- of verblijfplaats op 5 juli 2022 was de [c-straat 1] te [plaats] . Er is een afschrift verzonden naar dat adres. De raadsvrouw antwoordt desgevraagd: Er is bij mij geen adres van mijn cliënt bekend en ik beschik ook niet over een telefoonnummer van hem. Ik heb meerdere pogingen gedaan om in contact te komen met mijn cliënt. Dat is niet gelukt. De advocaat-generaal vraagt het hof verstek te verlenen en vordert dat de niet ter terechtzitting in hoger beroep verschenen verdachte wegens het ontbreken van grieven niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep. Daartoe legt de advocaat-generaal de schriftelijke vordering aan het gerechtshof over. Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.” 3.4 Het bestreden arrest van 14 februari 2024 houdt onder meer het volgende in: “Procesgang In eerste aanleg zijn de zaken met parketnummers 10-167471-22 (dagvaarding I) en 10-141392-22 (dagvaarding II) gevoegd. De verdachte is vrijgesproken van het onder dagvaarding I tenlastegelegde feit 2 onder. De verdachte is ter zake van het onder dagvaarding I tenlastegelegde feit 1 en het onder dagvaarding II tenlastegelegde feit veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, met een proeftijd van 2 jaren. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem als feit 2 onder dagvaarding I is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en daarom mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen deze in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak. Het hof stelt ten aanzien van het aan de verdachte onder dagvaarding I tenlastegelegde feit 1 en het onder dagvaarding II tenlastegelegde feit vast dat de verdachte geen schriftuur met grieven tegen het vonnis heeft ingediend. Evenmin heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, ook voor deze delen van het vonnis niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep. Het voorgaande komt erop neer dat de verdachte in het gehele hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.” 3.5 Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang: - Art. 36e lid 1 en lid 2 Sv: “1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt: a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon; b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden: 1° aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel, 2° indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde. 2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen; b. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien vervolgens blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt alsdan een afschrift van de gerechtelijke mededeling onverwijld toegezonden aan dat adres, alsmede aan het adres in Nederland dat de verdachte heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. In de in dit onderdeel bedoelde gevallen wordt een akte van uitreiking als bedoeld in artikel 36h opgemaakt. Op de akte wordt aantekening gedaan van deze uitreiking en, indien daarvan sprake is, van deze toezending.” - Art. 36g lid 1 aanhef en onder c Sv: “1. In de volgende gevallen wordt een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres: c. indien door of namens de verdachte bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de betrokken zaak een adres in Nederland is opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.” 3.6 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep op 14 februari 2024 (opgenomen onder 3.3) houdt onder meer in dat de raadsvrouw heeft medegedeeld niet door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren. Dat de raadsvrouw blijkens het proces-verbaal desgevraagd heeft geantwoord dat er bij haar geen adres van de verdachte bekend is, impliceert niet dat de raadsvrouw de gelegenheid heeft gehad te klagen over de betekening van de dagvaarding voor die terechtzitting. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de raadsvrouw die gelegenheid niet heeft gehad. Dat betekent dat in cassatie kan worden geklaagd over de betekening van deze dagvaarding. 3.7 Ingevolge art. 36e lid 2 aanhef en onder b jo. art. 36e lid 1 aanhef en onder b Sv wordt een dagvaarding uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan indien geen uitreiking heeft kunnen geschieden aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de BRP en evenmin aan de feitelijke woon- of verblijfplaats van de geadresseerde indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de BRP. Hierbij geldt dat de onmogelijkheid om de oproeping uit te reiken vanwege de onbekendheid met een feitelijke woon- of verblijfplaats niet kan worden aangenomen wanneer niet is geprobeerd de uitreiking van de oproeping te doen plaatsvinden op een adres dat uit de stukken blijkt, voor de hand ligt en redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om het adres dat de verdachte in de akte van hoger beroep heeft doen opnemen. Dit adres moet niet door een latere opgave zijn achterhaald. Uit rechtspraak van de Hoge Raad die is gewezen in het kader van de uitreiking van gerechtelijke mededelingen volgt dat een kantooradres geen woon- of verblijfplaats is. 3.8 Op grond van de onder 3.2 onder i en ii opgenomen aan de Hoge Raad gezonden stukken, kan in cassatie worden vastgesteld dat het in de akte instellen hoger beroep vermelde adres [b-straat 1] te [plaats] , dat door de verdachte als domicilie is gekozen, het kantooradres van de raadsvrouw van de verdachte is. Dit blijkt uit de informatie op het briefpapier van de schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep en uit het in deze volmacht opgegeven adres voor de toezending van het afschrift van de dagvaarding in hoger beroep als bedoeld in art. 450 lid 3 Sv. Op het briefpapier van de bijzondere volmacht is als bezoekadres van de raadsvrouw van de verdachte het adres [b-straat 1] in [plaats] vermeld. Dit is ook het in de volmacht opgegeven adres voor de toezending van het afschrift van de dagvaarding in hoger beroep als bedoeld in art. 450 lid 3 Sv. Uit de vooropstelling onder 3.7 volgt reeds dat dit kantooradres van de raadsvrouw van de verdachte niet kan worden aangemerkt als de feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte. Uitreiking van de dagvaarding hoefde daarom niet op dat adres plaats te vinden. 3.9 Gelet op hetgeen onder 3.7 is vooropgesteld is het bestreden oordeel van het hof ook overigens niet onbegrijpelijk. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 februari 2024 (zie onder 3.3) heeft het hof op die terechtzitting geconstateerd dat de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep op de bij de wet voorgeschreven wijze aan de verdachte is betekend, waarna het hof verstek heeft verleend tegen de niet-verschenen verdachte. Het hof heeft daartoe overwogen dat de verdachte sinds 28 november 2023 geen vaste woon- of verblijfplaats hier te lande heeft, dat is geprobeerd de dagvaarding in hoger beroep uit te reiken op het oude BRP-adres van de verdachte ( [a-straat 1] te [plaats] ) maar dat dit niet is gelukt omdat de verdachte er niet meer woonde, dat is betekend aan het openbaar ministerie, en dat een afschrift is verzonden naar de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats van de verdachte ( [c-straat 1] te [plaats] ). Deze gang van zaken blijkt ook uit de onder 3.2 aan de Hoge Raad gezonden stukken, al blijkt daaruit ook dat is geprobeerd te betekenen aan het adres [c-straat 1] (zie onder 3.2 onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.