ECLI:NL:PHR:2026:268
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer25/00938 Zitting 17 maart 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, hierna: de verdachte Inleiding 1. De verdachte is bij arrest van 13 maart 2025 (parketnr. 21-001546-22) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “voorwerpen binnen een inrichting, of een afdeling daarvan, waarop de Penitentiaire beginselenwet van toepassing is, trachten te brengen waarvan het bezit binnen die inrichting of afdeling verboden is” veroordeeld tot een geldboete van € 400,00, subsidiair acht dagen hechtenis, waarvan € 200,00, subsidiair vier dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Het middel 3. In het middel wordt geklaagd dat “de bewezenverklaring van het – kort gezegd – trachten binnen te brengen van verboden voorwerpen binnen een penitentiaire inrichting” niet kan volgen uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen.
De bewezenverklaring en de bewijsmotivering 4. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat: “hij op 13 september 2021 te [plaats] , een voorwerp, te weten 228 pillen of 28,09 gram pancreatine, binnen een (afdeling van een) inrichting waarop de Penitentiaire beginselenwet van toepassing was, namelijk [PI] , heeft getracht te brengen, waarvan het bezit binnen die (afdeling van die) inrichting verboden was.”
Als verklaring van [getuige] :
Ik ben als medewerker werkzaam voor de Dienst Justitiële inrichtingen. De [PI] waarschuwt bezoekers van gedetineerden dat het verboden is contrabanden de inrichting binnen te brengen. Dat wordt de bezoekers duidelijk gemaakt door borden, posters en folders bij de ingang van de inrichting, het huishoudelijk regelement voor bezoekers en een mededeling in de wachtruimte voor bezoekers.
Binnen de [PI] werd een onderzoek naar het binnenbrengen en/of overdragen van contrabande ingesteld in de badafdeling waar aangeleverde invoer (kleding e.d.) voor gedetineerden wordt gecontroleerd.
Inname goederen.
Op 13-09-2021 onderzocht ik de goederen welke zijn afgegeven door [verdachte] , geboren op [geboortedatum] -1973 voor een justitiabel van de [PI] . Ik zag dat er in de afgegeven goederen een voorwerp zat.
Bij controle van dit voorwerp zag ik dat dit vermoedelijk verdovende middelen bevatte. Ik zag namelijk dat dit een stof was welke mij ambtshalve bekend is als: anabolen. Hierop heb ik de verdachte aangehouden voor het binnenbrengen van verdovende middelen in de [PI] .
Als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
Op 28 september 2021 werd door de Forensische Opsporing een onderzoek ingesteld in verband met een vermoedelijke overtreding van de Opiumwet. Het onderzoek vond plaats aan een hoeveelheid vermoedelijk verdovende middelen die aan ons ter beschikking werd gesteld door de afdeling sporenbeheer van de Forensische Opsporing Eenheid Midden-Nederland.
Omschrijving verdovende middelen De aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:
Goednummer: PL0900-2021293072-2875511 SIN: AANX1408NL Aantal: 228 Omschrijving: Gripzakje met witte pillen Waarnemingen en bevindingen Door ons werd het volgende waargenomen en bevonden.
Betreft onderzoek aan:
Sporendrager Goednummer: PL0900-2021293072-2875511 SIN: AANX1408NL Relatie met SIN: AAPD2976NL Object: Pillen Aantal/eenheid: 228 stuks Omschrijving: Gripzakje met witte pillen Gewicht netto: 28,09 gram Aantal monsters: 1 Monster A SIN: AAPD2976NL Relatie met SIN: AANX1408NL Spooromschrijving: Overige, pancreatine Bijzonderheden: Indicatief pancreatine.
Indicatieve test van monster: FTIR: Positief voor Pancreatine (medicijn bij onvoldoende werking van de alvleesklier) 3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina’s 13-17, zakelijk weergegeven inhoudende:
Als vraag van verbalisant (V) en als antwoord van verdachte (A):
V: Waar was u 13 september 2021?
A: [PI] V: Kunt u vertellen wat er op 13 september 2021 is gebeurd?
A: Ik ging op bezoek naar een bekende van mij, [betrokkene 1] . Hij vroeg of ik kleding wilde brengen, waaronder een jas. Er zat iets verstopt in de jas. Toen moest ik mee met een bewaarder van daar.
V: Wist degene waar u bij op bezoek zou gaan dat u zou komen?
A: Ja, hij had gevraagd of ik kwam.
V: Wat is de relatie tussen u en hem?
A: Ik heb gedetineerd gezeten in Frankrijk.
V: Het contact tussen u en hem was goed en regelmatig?
A: Hij belde 1 keer in de twee weken.
V: Weet u ook wanneer hij vast is komen te zitten?
A: Ergens in februari of maart dit jaar, geen idee.
V: Weet u ook waarom hij vastzit?
A: Ja, hij heeft het wel verteld. Iets met harddrugs. Hij had dit volgens mij getransporteerd.
V: Hoe kwam de kleding aan?
A: Zijn nicht woont in Duitsland, daar was het naartoe gestuurd en zij heeft het bij mij gebracht.
V: Er zijn pillen gevonden bij u toen u in de [PI] was. Waar waren de pillen gestopt?
A: In de jas. Volgens mij in de jaszak.
V: Was u zich ervan bewust dat deze pillen onder verboden middelen vallen en dat het in bezit hebben van deze pillen strafbaar is?
A: Ik weet dat steroïden verboden middelen zijn en dat je ze niet bij je mag hebben.
V: Was u zich ervan bewust dat het naar binnen trachten te brengen van deze pillen strafbaar is?
A: Dat je niks naar binnen mag brengen dat weet ik.
Als relaas van [verbalisant 3] :
Het is strafbaar om een goed in te voeren in de penitentiaire inrichting. De penitentiaire inrichting geeft het volgende daarover aan:
Goederen meenemen voor gedetineerden Met uitzondering van het invoeren van kleding en schoeisel conform de invoerprocedure, is het voor bezoekers van de inrichting verboden om goederen voor gedetineerden mee de inrichting in te nemen. Goederen zoals telefoons, sim-kaartjes, USB-sticks (gegevensdragers), geld, medicatie en drugs worden beschouwd als verboden goederen.
Invoeren van medicijnen is strafbaar gesteld in artikel 429a Wetboek van Strafrecht.
Verdachte Achternaam: [verdachte] Voornamen: [verdachte] Goed Goednummer: PL0900-2021293072-2875511 Object: Pillen Spoor identificatienr.: AANX1408NL 5. Een proces-verbaal van verhoor getuige van door de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij dit hof d.d. 16 september 2024, zakelijk weergegeven inhoudende :
Als vragen van de raadsheer-commissaris (cursief) en als antwoord van [betrokkene 1] (niet cursief):
Heeft u destijds vanuit detentie in de [PI] om toezending van kleding gevraagd?
Ja.
Aan wie vroeg u dat?
Aan veel mensen. Vanuit Litouwen zijn spullen naar mijn nichtje gestuurd, die heeft het aan een vriend gestuurd en die vriend heeft het naar mij gestuurd.
Wie vanuit Litouwen heeft dat opgestuurd?
Mijn broer, andere mensen, veel mensen. Ik kan het mij niet herinneren.
Heeft u aan uw broer ook om toezending van medicijnen gevraagd?
Ja, er is iets gestuurd maar het gaat niet om medicijnen.
Wat is er gestuurd dan?
Sportmedicijnen.
Kan het zijn dat het pancreatine heet?
Dat zijn anabolen. Ze helpen je om te sporten; echt sportmedicijnen.
Is dat dan om meer spiermassa te kweken?
Klopt.
Heeft u aan uw broer om toezending van die anabolen gevraagd?
Aan vrienden, niet aan mijn broer.
Hoe is het gekomen dat [verdachte] werd ingeschakeld om kleding in te voeren?
Mijn vrienden hebben het naar hem gestuurd en hij bracht de spullen naar mij toe.
De pillen zijn onderzocht in Nederland en dat bleek pancreatine te zijn, dit middel is in Nederland vrij verkrijgbaar. Wist u zelf dat die pillen onderweg waren?
Ja, in de gevangenis is geen apotheek dus ik kon die zelf niet aanschaffen.”
Ten eerste is aangevoerd dat, nu er na de indicatieve test geen definitieve test is verricht, niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld welke stoffen de pillen bevatten.
Het hof overweegt als volgt.
De indicatieve test zoals uitgevoerd door de Politie Eenheid Midden, team forensische opsporing, reageerde positief op de aanwezigheid van pancreatine. Het resultaat van een indicatieve test is op zichzelf onvoldoende voor een bewezenverklaring. Volgens vaste jurisprudentie kan een indicatieve test slechts voor het bewijs worden gebruikt, indien sprake is van aanvullend bewijs. Het hof acht de testuitslag, in combinatie bezien met de bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 1] , die erop neerkomt dat hij had gevraagd om pancreatine, dat hij gebruikt als sportmedicijn, aan hem te leveren, toereikend om te komen tot het oordeel dat de aangetroffen pillen pancreatine bevatten. Het verweer wordt verworpen.”
Het juridisch kader 7. De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op artikel 429a lid 1 Sr. Dit artikellid luidt: “Hij die voorwerpen binnen een inrichting, een instelling of een afdeling daarvan waarop de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden dan wel de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen van toepassing is, brengt of tracht te brengen waarvan het bezit binnen die inrichting, instelling of afdeling verboden is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.”
In de model-huisregels zullen standaardlijsten worden opgenomen van voorwerpen die in de inrichtingen niet zijn toegestaan. Zo is voor iedereen kenbaar welke voorwerpen wel en welke voorwerpen niet zijn toegestaan in de inrichtingen. ”
Artikel 2 lid 1 Regeling model huisregels penitentiaire inrichtingen luidt: “De directeur van een penitentiaire inrichting stelt, in aanvulling op de bij of krachtens de wet gegeven regels, met inachtneming van het model opgenomen in de bijlage en de daarbij gegeven aanwijzingen huisregels voor zijn inrichting vast.”
Het is verboden om de volgende voorwerpen in de inrichting in bezit te hebben: drugs vermeld op de lijst 1 en 2 van de Opiumwet 2017, waaronder: (…) (…) voorwerpen waarvoor toestemming van de directeur noodzakelijk is om deze binnen te brengen in de inrichting, waaronder: (…) medicatie (…) overige voorwerpen: (…) voorwerpen waarvan de directeur in hetzij de huisregels hetzij in een afzonderlijk besluit aan een gedetineerde heeft bepaald dat deze in zijn inrichting of op zijn afdeling verboden zijn (…) De directeur kan u toestemming geven om door u gewenste voorwerpen in uw verblijfsruimte te plaatsen dan wel bij u te dragen voor zover dit zich verdraagt met de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting en de aansprakelijkheid van de directeur voor de voorwerpen.”
De toelichting op het middel 14. Het middel bevat de volgende deelklachten: (i) de bewijsmiddelen houden niet in dat de geteste substantie de substantie betreft die onder de verdachte in beslag is genomen; (ii) de bewijsmiddelen wijzen niet uit dat de in beslag genomen substantie pancreatine bevatte en evenmin dat dit een stof betreft waarvan het bezit binnen [PI] verboden is; (iii) de bewijsmiddelen zijn tegenstrijdig. De bewijsmiddelen 1 en 5 spreken over anabolen en bewijsmiddel 2 spreekt over pancreatine. Pancreatine betreft geen anabolen en wordt niet gebruikt om anabole effecten te bewerkstelligen. Het betreft een alvleeskliermedicijn.
De bespreking van het middel 15. Het hof heeft de bewezenverklaring gegrond op het volgende:
Slotsom 17. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Stb. 2019, 200.
Kamerstukken II 2017/18, 34982, nr. 3, p. 1.
Kamerstukken II 2017/18, 34982, nr. 3, p. 4.
Kamerstukken II 2017/18, 34982, nr. 3, p. 4 en 5.
Dit model is een uitwerking van de wet en bevat onderdelen die voor alle huisregels verplicht zijn, aldus RSJ 9 april 2025, 23/36643/GA, toegankelijk via https://puc.overheid.nl/rsj/.
Het betreft de ‘Huisregels [PI] versie 1.0 - 25 juni 2020’, die mij zijn toegezonden door de juridisch adviseur van de [PI] , op mijn verzoek om verstrekking van de huisregels die op 13 september 2021 van kracht waren.
Vgl. HR 6 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8682 (HR: art. 81.1 RO), voor een geval waarin eveneens voor het bewijs gebruik was gemaakt van een indicatieve test die een positieve indicatie voor cocaïne opleverde en een aanvullende verklaring, te weten de verklaring van de verdachte dat hij vijftien snowseals met cocaïne had gekocht.