ECLI:NL:PHR:2026:381
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/01537 Zitting 10 april 2026 CONCLUSIE T. Hartlief In de zaak EBN B.V. (hierna: ‘EBN’) tegen [verweerder] (hierna: ‘ [verweerder] ’) [verweerder] is per 1 juli 2009 in dienst getreden bij EBN. [verweerder] heeft een aangeboren aandoening, waardoor hij beperkingen heeft aan zijn linkerarm/-hand en zijn beide benen. Medio april 2015 heeft [verweerder] aan EBN schriftelijk melding gemaakt van RSI-klachten. Later die maand heeft hij zich daarvoor ziekgemeld. [verweerder] heeft sindsdien geen werkzaamheden meer voor EBN verricht en krijgt een uitkering van het UWV. EBN heeft het dienstverband enkele jaren geleden met toestemming van het UWV opgezegd.
In deze procedure heeft [verweerder] onder andere een verklaring voor recht gevorderd dat EBN op grond van art. 7:658 BW aansprakelijk is voor de geleden en te lijden schade in verband met de gezondheidsklachten die zijn veroorzaakt door de arbeidsomstandigheden. Daartoe heeft hij gesteld dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft opgelopen bestaande uit blijvende RSI-klachten aan de rechterkant. EBN heeft verweer gevoerd en in dit verband onder andere gewezen op persoonlijke omstandigheden van [verweerder] , waaronder de aangeboren beperking aan zijn linkerarm/-hand.
Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is [verweerder] in het gelijk gesteld. De kantonrechter en het hof zijn, kort gezegd, tot het oordeel gekomen dat [verweerder] aan RSI-klachten lijdt, dat deze klachten het gevolg zijn van de arbeidsomstandigheden, en dat EBN niet aan haar zorgplicht heeft voldaan. Daarbij hebben de kantonrechter en het hof zich gebaseerd op een door de kantonrechter gelast deskundigenbericht.
In cassatie richt EBN hoofdzakelijk klachten tegen het causaliteitsoordeel van het hof, waarin het hof ook uitvoerig is ingegaan op de bezwaren van EBN tegen het hiervoor bedoelde deskundigenbericht. Dat oordeel zou op verschillende punten niet deugen. Zo zou het hof – vrij weergegeven – de betekenis van de persoonlijke omstandigheden van [verweerder] in het kader van de causaliteit verkeerd hebben gewaardeerd, de reguliere stel- en bewijsregels hebben miskend door in wezen – en dat dan ten onrechte – de arbeidsrechtelijke omkeringsregel te hebben toegepast, en geen eigen oordeel hebben geveld maar slechts het door de kantonrechter gelaste deskundigenbericht hebben overgenomen.
1Feiten 1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. Hierbij citeer ik, in navolging van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: ‘het hof’), uitvoerig uit het deskundigenbericht en de berichten van de medisch adviseurs van EBN en [verweerder] . Net als het hof zal ik de nek-, schouder-, arm- en handklachten die [verweerder] stelt te ondervinden afwisselend aanduiden als RSI-klachten, overbelastingsklachten en als nek-, schouder-, arm- en handklachten. Deze klachten worden in de verschillende stukken ook wel aangeduid als KANS- of CANS-klachten en als een overbelastingssyndroom. Daarmee wordt hetzelfde bedoeld.
1.2 [verweerder] (geboren [geboortedatum] 1962) is op 1 juli 2009 in dienst getreden bij EBN. De laatste door hem beklede functie was die van senior reporting & control specialist. [verweerder] droeg zorg voor de samenstelling van alle voorkomende (financiële) rapportages op EBN-totaalniveau aan de manager accounting & reporting. Zijn laatstverdiende salaris bedroeg € 6.946,35 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en emolumenten.
1.3 [verweerder] is geboren met een congenitaal reductiedefect links (ectrodactylie-fibula aplasie, hierna: het ‘EFA-syndroom’). Dit houdt in dat zijn beide onderbenen en linkerhand gebrekkig zijn aangelegd. Hij loopt met protheses aan beide benen. Hij kan per dag maximaal een uur lopen. Door de gebrekkige aanleg van zijn linkerhand is hij functioneel grotendeels eenhandig.
1.4 In een verslag van een gesprek op 13 maart 2015 tussen [verweerder] en zijn [leidinggevende] met als onderwerp ‘non performance’ staat onder meer: “(…) Sinds 5 maanden ben ik [de leidinggevende] aangesteld als Manager Accounting & Reporting en ik heb deze maanden tot mijn grote teleurstelling moeten constateren dat je functioneren niet goed is. (…) De boodschap in mijn gesprek met jou was dan ook dat ik dit gedrag en dit niveau van een medewerker, die in functieniveau als mijn rechterhand zou moeten kunnen functioneren, niet accepteer. Natuurlijk wil ik je de ruimte geven om dit te verbeteren en om je te ontwikkelen in kennis en kunde. We hebben dan ook afgesproken dat je de komende dagen gaat nadenken wat jij nodig hebt om je performance te verbeteren. EBN is zoals je weet altijd bereid te investeren in haar medewerkers.
Wij hebben een nieuwe afspraak gepland op donderdag 19 maart as. Ik hoor dan graag van jou hoe je het wilt aanpakken en hoe ik je daarbij kan helpen. Want je zal je functioneren op bovenstaande niveaus echt moeten verbeteren binnen afzienbare termijn. (…)”
1.5 [verweerder] is op 8 april 2015 naar zijn huisarts gegaan. In het huisartsenjournaal staat bij die datum: “S Muis arm? Dhr werkt 9-10 uur per dag achter beeldscherm en heeft de laatste maanden last van brandend gevoel in vingers, onderarm, binnenzijde bovenarm en soms nek. Ook soms last van tintelingen. Is bang voor RSI aan re arm gda, schoudergewricht gb, epicondylen niet pijnlijk, pols gb, Tinell-, Phalen- E RSI P adv naar fysio en afspraak maken bij bedrijfsarts C Uitgaand [fysiotherapeut – overig] (…)”
1.6 [verweerder] heeft op 13 april 2015 aan [leidinggevende] gemaild: “Ik heb vanmorgen gesproken met [betrokkene 1] en heb haar geïnformeerd over mijn muisarm/RSI klachten. [betrokkene 1] gaat contact zoeken met de bedrijfsarts ( [bedrijfsarts] van ARBO butler) en zal deze met mij in contact brengen.
Vervolgens wil ik je aangeven dat ik morgen later kom omdat ik eerst langs de fysiotherapeut ga.”
1.7 [verweerder] is op 14 april 2015 naar de fysiotherapeut gegaan. De fysiotherapeut heeft op 12 mei 2015 aan de huisarts geschreven: “(…) Conclusie/fysiotherapeutische diagnose:
KANS klachten re arm, sinds ½ jaar. ernstige beperkingen in participatie (werk) (…)”
1.8 [verweerder] is door zijn huisarts op 20 april 2015 verwezen naar revalidatiecentrum De Hoogstraat. [revalidatiearts 1] heeft op 17 juli 2015 het intakeverslag van 22 mei 2015 gestuurd aan de huisarts van [verweerder] . Daarin staat onder andere: “(…) Bespreking/Conclusie:
52 jarige man bekend met ectrodactylie links en fibula aplasie links en rechts. Nu belastingsafhankelijke arm- en handklachten rechts, passend bij RSI, deels belastingsafhankelijke pijnklachten met vragen op het gebied van werk, computergebruik en huishouden. (…)”
1.9 Op 21 en 22 april 2015 heeft een mailwisseling plaatsgevonden tussen [leidinggevende] en [verweerder] waarin [leidinggevende] aan [verweerder] heeft geschreven: “Ik heb in mijn hele carrière bij EY nooit meegemaakt dat het leveren van stukken voor een subsequent event review meer dan een halve dag in beslag neemt! Ongelofelijk. Er was niks in de lijst (die jij gisteren avond hebt gekregen) moeilijk was om te leveren, wat nog niet beschikbaar was kon makkelijk door iets anders vervangen worden, met een beetje creativiteit. (…) Graag je volledige aandacht en inzet erin!”
1.10 Na uitleg van [verweerder] heeft [leidinggevende] geschreven: “(…) Dat zijn weer excuses. Mijn punt is, het duurt veel te lang en het is niet eens moeilijk.”
1.11 Na een reactie van [verweerder] heeft [leidinggevende] geschreven: “Arbo dienst afspraak is belangrijk natuurlijk maar voor 10 uur had je al 2 uur de tijd om de belangrijke zaken zelf te verzamelen en de vragen naar de verschillende mensen kunnen doorzetten met de nadruk dat het uiterlijk om 11 uur een antwoord op moest (…).”
1.12 Op 22 april 2015 heeft een onderzoek naar de werkplek van [verweerder] plaatsgevonden door ENRGY. In het rapport staat: “1. Doelstelling De inventarisatie en werkplekinstelling hebben als doel een optimale ergonomische werkplek voor het individu te creëren, waarbij rekening wordt gehouden met de aanwezige fysieke klachten. Om de werkplek zo optimaal mogelijk in te kunnen stellen vind[t] er voorafgaand aan het werkplekonderzoek een vraaggesprek plaats. Op deze manier krijgt de ergonoom (met een fysiotherapeutische achtergrond) een goed inzicht in de gezondheidsklachten en andere bijzonderheden van het individu en kan zo advies op maat leveren.
Het ontstaan van werk gerelateerde klachten is van meer factoren afhankelijk dan van de werkplek alleen. Kleine ergonomische onvolkomenheden en voornamelijk een opeenstapeling hiervan kunnen een werkplek onveilig en ongezond maken. Deze kleine onvolkomenheden zijn echter veelal eenvoudig te verhelpen. (…) 2Medisch Werkplekonderzoek (…) Het betreft de inventarisatie van de werkplek, waarbij het meubilair, de computerunit, de werkhouding en omgevingsfactoren zijn beoordeeld op hun ergonomische kwaliteit en de huidige ARBO-eisen voor beeldschermwerkplekken.
Tevens is een inschatting gemaakt van de huidige fysieke klachten van de werknemer en de invloed van werkplek en werkfactoren hierop.
Op basis van de conclusies die voortkomen uit deze inventarisatie, brengt ENRGY advies uit betreffende eventuele aanpassingen en/of actiepunten. Van belang is dat de conclusies en het overzicht gebruikt worden wanneer er veranderingen in de werkomgeving in het vooruitzicht liggen.
Klachteninventarisatie * [verweerder] heeft een fysieke beperking in zijn rechter bovenste extremiteit. (Nek, schouder arm en hand); * De klachten zijn met name aanwezig bij langdurig gebruik van de muis. * De heer heeft zelf al actie ondernomen om met een medisch professional naar het klachtenbeeld te kijken. * De heer is bekend met een aangeboren fysieke beperking(…) aan zijn linker bovenste extremiteit, waardoor het van groot belang is dat de rechterzijde geen uitval gaat vertonen.
3Bureaustoel (…) Conclusies:
De bureaustoel voldoet wel aan de NEN-normering en ARBO-eisen en is optimaal instelbaar.
ENRGY adviseert: * De armleuningen van de stoel zijn te lang, waardoor [verweerder] niet goed kan aanschuiven. Er is momenteel een oplossing bedacht door de armleuningen ver naar binnen te draaien. De heer gaat dit uittesten en laat Enrgy weten hoe dit gaat. Mocht dit niet werkzaam zijn dan is het raadzaam om een andere stoel voor [verweerder] aan te schaffen. * De stoel is opnieuw ingesteld voor [verweerder] rekening houdend met het klachtenbeeld. * Enrgy raadt aan om de instellingen te behouden zoals deze zijn ingesteld en geen collega’s op de stoel te laten zitten. * De zitting hoogte is ingesteld op 52 centimeter en de armleuningen moeten ingesteld blijven op een hoogte van 71 centimeter.
4Bureau (…) Conclusies Het bureau voldoet wel aan de NEN-normering en ARBO-eisen en is optimaal instelbaar.
ENRGY adviseert: * De hoogte van het bureau moet worden aangepast naar een hoogte van 71 centimeter.
5Werkplekinstelling & Computerunit (…) Conclusies:
ENRGY heeft elke werkplek op deze punten geïnventariseerd en waar mogelijk aangepast.
ENRGY adviseert: * [verweerder] zat schuin aan zijn bureau, de werkplek is opnieuw ingericht, zodat deze meer in balans is en deze het toe laat voor [verweerder] om recht voor zijn bureau te zitten. * Kijkende naar het klachtenbeeld is het raadzaam om een aangepaste muis aan te schaffen voor [verweerder] , zodat hij de herhaalde bewegingen meer kan afwisselen en daarmee zijn rechter arm en hand kan ontzien.
6Persoonlijk advies * Enrgy adviseert om een aangepaste muis aan te schaffen (…); * Medewerker is geadviseerd over een goede werkhouding en de werkplek is zo optimaal mogelijk ingesteld, rekening houdend met de aanwezige fysieke beperkingen; * Zorg voor voldoende rustmomenten gedurende de dag en blijf zo kort mogelijk in één houding zitten (dit gebeur[t] momenteel al goed door de pauze software) * Let op een houding waarbij altijd contact wordt gehouden met de rugleuning en waarbij de schouders altijd ontspannen zijn. * Het is raadzaam om zo snel mogelijk behandeling voort te zetten voor het klachtenbeeld onder begeleiding van een medisch professional. * Het is raadzaam om op korte termijn een afspraak te maken met de werkvermogensspecialist van Arbobutler. (…)”
1.13 Tussen partijen is niet in geschil dat ENRGY er ten onrechte van is uitgegaan dat pauzesoftware was geïnstalleerd op de computer van [verweerder] . Dat was niet het geval.
1.14 [verweerder] heeft op 24 april 2015 een uitnodiging ontvangen voor een bezoek aan de bedrijfsarts.
1.15 Op 28 april 2015 heeft EBN – in een gesprek tussen [leidinggevende] , [hoofd HRM] (het hoofd Human Resource Management van EBN, hierna: ‘ [hoofd HRM] ’) en [verweerder] – aan [verweerder] laten weten dat zij het dienstverband met [verweerder] wil beëindigen. Later die dag heeft [verweerder] zich per email ziekgemeld.
1.16 De bedrijfsarts heeft [verweerder] op 8 juni 2015 gezien. In de probleemanalyse van die datum staat onder beperkingen: “Werken met toetsenbord en muis ongeveer 5-10 min achtereen, dan bewegen, max ongeveer 1-2 uur per dag.
Werknemer moet regelmatig afwisselen van houding en bewegen.”
1.17 Verder heeft de bedrijfsarts bij de rubriek ‘Aspecten/factoren van de werknemer waardoor hij zijn functie niet kan vervullen’ aangehaald: “Vanwege de verminderde fysieke belastbaarheid met name tav duur van beeldschermwerk.”
1.18 De inschatting van de bedrijfsarts op dat moment is dat [verweerder] met ongeveer drie maanden volledig belastbaar zal zijn. Hij heeft als volgt geschreven: “Medisch gezien geen beperkingen om terug te keren op termijn in eigen funktie.
Echter ontslag is aangezegd door werkgever begrijp ik, het is aan werkgever en werknemer om dit samen op te lossen. Goede afspraken hierover maken zal het medisch en funktioneel herstel bevorderen.”
1.19 [revalidatiearts 1] heeft op 14 juli 2015 aan de toenmalige rechtsbijstandverlener van [verweerder] geschreven: “Aanvullend [op het in randnummer 1.8 hiervoor genoemde verslag, A-G] kan ik u melden dat er op 23 juni 2016 [bedoeld zal zijn: 2015, A-G] een multidisciplinair overleg plaatsvond nadat de heer een poliklinisch revalidatietraject in De Hoogstraat was gestart. De conclusie van deze bespreking was dat de arm- en handklachten deels gekoppeld zijn aan spanning en stress die in het lijf aanwezig zijn. Factoren die hiermee samenhangen zijn o.a. de onzekerheid over de werksituatie als ook boosheid en persoonlijke onrust over de huidige situatie.
Wij adviseerden in eerste instantie een psychologisch/psychotherapeutisch traject om hiermee beter te leren omgaan, waarbij voor het afronden van de dagbehandeling nog wel een advies zal worden gegeven over hoe de heer ergonomische principes ten aanzien van werk kan toepassen, als ook hoe hij een werkhervattingsplan het beste kan uitvoeren. Het advies inzake de computerwerkplek zal hierbij eveneens worden gegeven.”
1.20 De bedrijfsarts heeft op 5 april 2016 volgens het protocol melden beroepsziekten een beroepsziektemelding gedaan aan het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten. In de melding staat: “(…) De diagnose die ik stelde, was a. Ectrodactylie links en fibula aplasie links en rechts. b. RSI-klachten, alsook nek/schouder-armklachten rechts meer uitgesproken dan links.
Hoofdoorzaak: Werken met computer, tablet, smartphone e.d. (…)”
1.21 In de Rapportage Arbeidsdeskundig onderzoek van Arbobutler van 9 juni 2016 staat: “(…) 3.6. Beschrijving laatst uitgeoefende arbeid (voor uitval) (…) De arbeidsovereenkomst heeft een omvang van 40 uur per week. Betrokkene werkt op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag. De werktijden zijn van 08:00 tot 16:30 uur met daarin een pauze van 30 minuten. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden zijn op basis van belasting de volgende taken te onderscheiden:
Taken % van de werktijd 1. Analyseren en uitwerken 90% 2. Overleg 10% Ad 1.
Het analyseren en beoordelen van cijfers in alle soorten van omstandigheden. Het uitwerken van verschillende rapporten, zoals bijv. de maand- en kwartaalresultaten en financiële balans, opstellen van memo’s, opstellen van analyses/queries in Excel, opstellen Dashboard, rapportages. Schriftelijk beantwoorden van vragen van director Finance, Manager A&R Business Control en aandeelhouder (EZ).
Ad 2.
Het voeren van overleg met collega’s en externe partijen. (…) Kenmerkende belasting in de functie (…) Persoonlijk functioneren * Concentreren van de aandacht: er moet zodanig gefocust kunnen worden op de werkzaamheden dat er geen zaken worden vergeten; * Kunnen werken met productiepieken en deadlines: verschillende rapportages dienen voor een bepaald moment te zijn afgewerkt. (…) Dynamische handelen * Werken met toetsenbord en muis: komt gedurende een groot deel van de dag voor.
Statische houdingen * Zitten tijdens het werk: komt gedurende de gehele dag voor. * Het hoofd in een bepaalde stand houden tijdens het werk: komt gedurende een groot deel van de dag voor i.v.m. beeldschermwerk. (…) 4Onderzoek naar re-integratiemogelijkheden (…) Betrokkene vertelt dat zijn werk voor 90% uit computerwerkzaamheden bestaat en dat hij vaak 9 a 10 uur per dag werkzaam was. (…) Werkgever ziet ook geen andere mogelijkheden binnen EBN B.V. aangezien binnen alle functies het werken met een toetsenbord en een muis voor het grootste deel van de dag voorkomt. (…)”
1.22 [verweerder] is onderzocht door [neuroloog] , werkzaam bij het Antoniusziekenhuis in Nieuwegein. Deze heeft op 29 juli 2016 aan de huisarts geschreven: “Conclusie: geen aanwijzing neuro- of radiculo-pathie. Vermoedelijk nek-schouderklachten tgv surmenage bij aangeboren defect Li arm. (…)”
1.23 In het rapport van een arbeidsdeskundig expertiseonderzoek van Lytton van 10 januari 2017, ingeschakeld door EBN om de belastbaarheid en mogelijkheden van [verweerder] te verduidelijken, staat onder andere: “(…) Werknemer is een 54-jarige man die per 28-04-2015 arbeidsongeschikt raakte voor zijn werk als Senior Reporting & Control voor 40 uur per week, vanwege mentale en fysieke klachten. Inmiddels is er alleen nog sprake van fysieke klachten die er echter wel nog steeds voor zorgen dat zijn eigen werk ongeschikt is. (…) (…) * Het eigen werk is niet passend en ook niet passend te maken. * Passend ander werk bij de eigen organisatie is in de afgelopen periode niet gevonden en aangezien alle werkzaamheden voornamelijk uit beeldschermwerk bestaan (waar werknemer op is beperkt) is dit er ook niet. (…)”
1.24 In de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 10 april 2017 die in het kader van de WIA-aanvraag is verricht staat onder meer: “(…) Overwegingen:
Client is uitgevallen voor zijn werk als senior reporting & control specialist, met toename fysieke klachten bij reeds langer bestaande aangeboren afwijkingen van de ledematen (linker arm en beide onderbenen), hierdoor wellicht voortdurende overbelasting, mogelijk getriggerd door een arbeidsconflict.
Op dit moment zijn er beperkingen in het gebruik van de linkerarm, cliënt is in wezen eenarmig, tevens beperkt in het lopen, staan, stabiliteit ontbreekt, dus geen trilling belasting of op grote hoogte werken. Tevens beperkt in langdurige statische houding en repetitieve handelingen. Door de psychische factoren beperkt in deadlines, hoog handelingstempo. (…)”
1.25 [verweerder] is met ingang van 25 april 2017 100% arbeidsongeschikt en ontvangt een loongerelateerde WGA-uitkering. Vanaf 15 juli 2019 ontvangt [verweerder] een IVA-uitkering.
1.26 [verweerder] is behandeld bij Indigo Gezond Werken. Hij is op 15 mei 2020 door [psychiater] bij Indigo, psychiatrisch onderzocht. In het rapport staat: “(…) Bij psychiatrisch onderzoek zien we een 53-jarige man, cooperatief. In psychiatrisch opzicht geen grote problematiek, niet uitgesproken depressief of angstig. Slapen en piekeren springt eruit en daardoor mogelijk de vermoeidheid en prikkelbaarheid. (…)”
1.27 De medisch adviseur van [verweerder] , [medisch adviseur 1] , heeft in het advies van 2 april 2021 geschreven: “Mijn commentaar:
Cliënt is een 58-jarige man die uitgevallen is als gevolg van KANS-klachten. De klachten zijn ontstaan door overbelasting door beeldschermwerk. Het werk van cliënt bestond voor 90% uit beeldschermwerk. Cliënt heeft structureel overgewerkt. De bedrijfsarts heeft de klachten als beroepsziekte gemeld. Cliënt is 100% arbeidsongeschikt. (…) 1. Wat zijn de huidige gangbare en aanvaarde inzichten betreffende RSI/KANS-problematiek (is er bijvoorbeeld een (inter)nationaal erkende richtlijnen)?
De bedrijfsartsen hanteren de richtlijn van de NVAB Richtlijn Klachten aan arm, schouder of nek 2014.
Arbeid is een belangrijke factor bij de ontwikkeling van aspecifieke KANS. Ongunstige werkomstandigheden voor het ontwikkelen van KANS zijn onder meer repeterende bewegingen en werken in een ongunstige houding. Er is een relatie tussen computerwerk en KANS (…). Deze relatie werd vooral gezien voor werken met een computermuis en meer voor klachten van hand en pols dan voor klachten van schouder en nek. Daarnaast spelen psychosociale factoren als werkstress en werkdruk een rol bij het ontwikkelen van KANS (…). Voor de benadering van deze klachten wordt het CANS-model gebruikt (…). Het gaat om klachten als pijn, stijfheid, tintelingen of verlies van kracht. Tot voor kort werd voor deze klachten de term RSI (…) gebruikt. Deze term is minder juist omdat er geen sprake is van een beschadiging (injury) en er bijna nooit sprake is van “repetitive strain” (herhaalde belasting). Vrijwel altijd is er sprake van repeterende bewegingen én/of langdurige statische belasting.
Uit het Adviesrapport Beeldschermwerken 2012 van de Gezondheidsraad (…) blijkt bij 30 uur muisgebruik per week de berekende relatieve toename van hand- en armklachten bijna 18% te zijn ten opzichte van niet “blootgestelden”. Client werkte vaak 50 uur per week.
Client (…) kan door de aandoening beperkt lopen en daardoor minder vertreden. Client kan zijn linker hand beperkt gebruiken waardoor er al een grote belasting van zijn rechter hand is in het dagelijks leven. Juist gezien zijn bestaande aandoening had werknemer niet blootgesteld mogen worden aan de 40-50 uur beeldschermwerk.
Hiervoor heb ik geen aanwijzingen.”
1.28 De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 22 december 2021 dr. B. Sorgdrager, bedrijfsarts en klinisch arbeidsgeneeskundige tot deskundige benoemd (hierna: ‘Sorgdrager’ of ‘de deskundige’). Hij heeft samen met [fysiotherapeut en bewegingswetenschapper] en [gezondheidspsycholoog] een multidisciplinair onderzoek verricht. In het deskundigenbericht van 17 maart 2022 (hierna: ‘het deskundigenbericht’) staat onder meer het volgende: “(…) Conclusies [fysiotherapeut en bewegingswetenschapper] (…) Pijn: ik ben het met de neuroloog eens dat deze een ‘aspecifiek’ karakter heeft. Het heeft kenmerken van nociplastische pijn en centrale sensitisatie. Wanneer ik met een biopsychosociale bril naar het ontstaan en persisteren van de klachten kijk, acht ik de kans aanwezig dat er op alle 3 domeinen factoren mee hebben gespeeld of nog aanwezig zijn: hoge fysieke belasting gebaseerd op werkhoeveelheid en functioneel één handigheid, en mogelijk ook door gekozen strategie (precisie over snelheid), hoge ervaren werkdruk en -stress, ervaren onrecht, deconditionering als gevolg van fysieke inactiviteit. (…) Conclusie onderzoek [gezondheidspsycholoog] Een 59-jarige man met RSI/KANS-klachten aan rechterhand, -arm en -schouder sinds 2015. Vanuit de psychologische analyse bezien heb ik geen aanvullingen op de al eerder gerapporteerde persoonlijke stijl en kenmerken van de heer (…). Gekeken vanuit het biopsychosociale model lijken er op alle drie de domeinen factoren te spelen die invloed hebben op het ontstaan en persisteren van de klachten, waarbij op psychosociaal vlak ervaren onrecht, hoge ervaren werkdruk, (dreigend) ontslag en conflict met werkgever, perfectionisme en vasthoudendheid een rol kunnen hebben dan wel hebben gehad.
Overwegingen en beantwoorden vraag Conform de methodiek van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten passen we de zes stappen systematiek toe.
Stap 1: gestelde diagnose is aspecifieke klachten bovenste extremiteit (nekschouderarm) Stap 2: beeldschermwerk is een risicofactor volgens registratierichtlijn D022 (…) Stap 3: de intensiteit van de blootstelling overschrijdt de maximaal aanvaarde normen bij beeldschermwerk, namelijk langdurige statische belasting en het tijdcriterium.
Stap 4: vanwege EFA syndroom beenskeletafwijking en linkerarm/hand; voor rechterarm bestaat er hierdoor een individuele kwetsbaarheid. Bovendien zijn er persoonskenmerken die extra risico vormen op overbelasting. De werkgebonden psychosociale belasting, namelijk de ervaren externe druk, is bijdragend.
Stap 5: het afwegen van de risicofactoren in het werk en de individuele kwetsbaarheid leidt tot de conclusie dat de klachten zijn ontwikkeld door een risicovolle werkhouding, onvoldoende doseren van taken, activiteiten en pauzes en negatief beïnvloed door externe druk met intensivering van taken.
Stap 6: interventie is gericht geweest op onder meer revalidatie (verbeteren functioneren, reductie psychische klachten en na de ziekmelding ergonomische adviezen ter preventie.
Beantwoording vragen (…) b. Kunt u uit de medische informatie uit de behandelende sector en van betrokkene opmaken wanneer de klachten van betrokkene precies zijn begonnen?
Antwoord: Ja. Met de kanttekening dat we het vermoeden hebben dat de heer de lichaamssignalen aanvankelijk heeft genegeerd. In de documentatie (huisartsenjournaal, brief neuroloog en revalidatiearts) staan al eerder dan 2015 klachten van de rechterarm. In 2012 de bursitis olecrani, 2014 hoge bloeddruk en beginnende pijnklachten rechterarm. De heer heeft de werkgebonden van de klachten in april 2015 als zodanig herkend. (…) f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? (…) Overbelasting syndroom bij functioneel eenhandige. g. Kunt u gemotiveerd aangeven of de door u gestelde diagnose overeenkomt met één van de 11 zogenaamde specifieke ABBE’s (aandoeningen aan het bewegingsapparaat in de bovenste extremiteit) alle beschreven in het SALTSA[] rapport of betreft het hier een aspecifieke ABBE?
Antwoord: aspecifieke ABBE h. Indien sprake is van klachten waarbij geen medisch objectiveerbare afwijkingen kunnen worden vastgesteld, kunt u dan gemotiveerd aangeven wat uw differentiaal diagnostische overwegingen zijn?
Antwoord: aanpassingsstoornis: de heer heeft een aangeboren afwijking waardoor hij extra aandacht moet hebben voor een ontspannen werkhouding, voldoende rustmomenten. In zijn voorgeschiedenis tot aan 2014-2015 heeft de heer dat vrijwel probleemloos kunnen doen. Bij de toegenomen druk kon hij zijn aangeboren beperking niet meer compenseren en zijn geleidelijk de klachten opgetreden. (…) k. Acht u de huidige toestand van betrokkene zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van de klachten mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied gestelde diagnose?
Antwoord: Spanning is een instandhoudende factor. Indien de heer meer ontspannen is, zullen bijvoorbeeld beeldschermtaken langer kunnen worden volgehouden, de pijnklachten verbeteren en wellicht de situatie van vóór 2013 kunnen bereiken. (…) m. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
Antwoord: wellicht na afronding juridische procedure en het ervaren onrecht afneemt. De ervaring leert dat letselschadeprocedures gepaard gaan met extra spanning en daardoor moeite met de noodzakelijke ontspanning. (…) p. Hoe luidt uw commentaar op het medisch advies van [medisch adviseur 1] van MediThemis van 2 april 2021?
Antwoord: het medisch advies is opgebouwd vanuit de beschikbare documentatie. Haar conclusies volgen de bestaande richtlijnen van aandoeningen aan de bovenste ledematen. Haar overwegingen en conclusies komen overeen met die van ons. Voor onze conclusie volgen wij naast de bestaande richtlijnen de systematiek van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten. (…) Het stappenplan is een erkende methodiek voor het vaststellen van beroepsziekten.
Antwoord:
De heer zal de bij EBN opgetreden klachten ook in een andere werksituatie hebben opgelopen indien de werksituatie zou zijn gekenmerkt door een vergelijkbare expositie aan beeldschermwerk, veel druk, onvoldoende rustmomenten en door de werkhouding een onvoldoende ontspannen nek-schouderregio. Een ontspannen werkhouding heeft naast ergonomische principes ook te maken met de functioneel eenhandigheid, zijn perfectionisme, en mogelijk beperkte copingmechanismen en de stressgevoeligheid (onrecht, conflictsituaties). Percentages van oorzakelijke en bijdragende factoren zijn lastig te geven. Er is een blijvende beperking, namelijk de eenhandigheid. Doordat het beeldschermwerk in een periode onder hoge druk met ontoereikende ergonomie is verricht zijn pijnklachten opgetreden, die nu optreden als langer durend beeldschermwerk wordt verricht (…). De heer heeft jarenlang zonder hoge druk normaal kunnen functioneren ook met het vergelijkbare beeldschermwerk.”
1.29 Op vragen van (de advocaat van) EBN heeft Sorgdrager op 20 juni 2022 als volgt gereageerd: “(…) Vraag 2: in hoeverre bent u met de beantwoording van de door u gestelde vragen uitgegaan van de arbeidsomstandigheden zoals omschreven in 4.7, 4.8, 4.10 en 5.3 van het tussenvonnis van 30 juni 2021, en waaruit blijkt dat?
Antwoord: We hebben kennisgenomen van de arbeidsomstandigheden en de wijze waarop het werk is uitgevoerd, op basis van anamnese en bestudeerde documenten (zie de methode). Zoals in onze rapportage staat zijn we van mening dat de werkhouding en gespannenheid de klachten hebben veroorzaakt.
Vraag 3: aannemende dat geen sprake was van veel overwerk (lees: standpunt EBN), wat betekent dat voor de beantwoording van de aan [u] gestelde vragen? Leidt dat tot een andere beantwoording? Zo ja en zo nee, graag uw antwoord motiveren.
Antwoord: Het is niet zozeer het overwerk, maar de gespannen houding en de ervaren werkdruk die de klachten hebben doen optreden.
Vraag 4: wat betekent het voor de beantwoording van uw vragen als wordt aangenomen dat geen sprake was van toenemende werkdruk en geen overwerk van een tot twee uur per dag in het laatste half jaar? Leidt dat tot een andere beantwoording? Zo ja en zo nee, graag uw antwoord motiveren.
Antwoord: Als er geen toenemende werkdruk was geweest en geen overwerk, dan zouden de klachten zeker niet in de beschreven mate aanwezig zijn.
Vraag 5: kunt u in uw rapport aangeven in welke mate de hiervoor genoemde factoren van invloed zijn c.q. zijn geweest op de ontwikkeling van de door [geïntimeerde] ervaren klachten? Graag uw antwoord motiveren.
Antwoord: De klachten zijn ontwikkeld in de periode van toenemende ervaren werkdruk. Referentie is de registratierichtlijn D022 op www.beroepsziekten.nl Saltsadocument, bij psychosociale factoren. (…) Vraag 7: op basis waarvan schat u in dat de (werk)druk “buitensporig” is? Waar heeft u zich bij uw antwoord op deze vraag op gebaseerd? Graag uw antwoord motiveren.
Antwoord: Deze is anamnestisch verkregen; ondersteund door de diverse documenten (zie methode onderzoek)”
1.30 Op verzoek van EBN heeft bedrijfsarts [onafhankelijk bedrijfsarts] (hierna: ‘ [onafhankelijk bedrijfsarts] ’) op het deskundigenbericht gereageerd. In zijn bericht van 21 mei 2022 staat onder meer: “(…) Mijn conclusies als onafhankelijke bedrijfsarts zijn:
1.31 Sorgdrager heeft daarop in zijn schrijven van 20 juni 2022 als volgt gereageerd: “(…) In volgorde mijn reactie op de kanttekeningen van de medisch adviseur, [onafhankelijk bedrijfsarts] : (…) 2. Ik ben het oneens met de opmerking dat de heer met deze beperking niet aan de taakeisen zou kunnen voldoen. Het is niet de aangeboren afwijking en het beeldschermwerk maar de stress die de klachten hebben doen optreden. Immers door de psychosociale arbeidsbelasting kunnen klachten optreden, zie daarvoor ook de registratierichtlijnen beroepsziekten van NCvB (…) 3. In het rapport hebben we wel melding gemaakt van persoonskenmerken van de heer, zie stap 4 bij de overwegingen op basis van het psychologisch onderzoek. (...) Samengevat:
De drie conclusies van de onafhankelijk bedrijfsarts kan ik niet volgen. (…)”
1.32 [onafhankelijk bedrijfsarts] heeft in een bericht van 11 november 2022 aanvullend geschreven: “(…) Conclusie:
Mijn oordeel als onafhankelijk bedrijfsarts-medisch adviseur is dat het rapport van collega (…) Sorgdrager (…) door de rechtbank genegeerd dient te worden. Het voldoet mijns inziens aan geen van de eisen die gesteld dienen te worden aan een deskundigenoordeel. Er wordt veel belang gehecht aan het SALTSA rapport, echter dit rapport is gebaseerd op onderzoek gegevens bij mensen zonder anomaliteiten aan de extremiteiten. De rechtbank zou er goed aan doen om een andere deskundige, te denken valt aan een orthopedisch chirurg of een plastisch chirurg-handspecialist nader de rechtbank te informeren over de gevolgen van de rudimentair aangelegde linkerhand en de kansen op overbelasting van spieren, pezen en zenuwen. Tevens zou aan een arbeidsdeskundige kunnen worden gevraagd of gezien de beperkingen aan de linker hand het eigen werk wel als passend te beschouwen is en was, daar de handafwijking al bestond bij indiensttreding. Werknemer heeft zijn afwijking al vanaf de geboorte en zou hebben kunnen weten dat hij hierdoor een verhoogde kans heeft op het verkrijgen van overbelasting van spieren, pezen en zenuwen bij een eenzijdige repetitieve handelingen!”
1.33 [medisch adviseur 2] , medisch adviseur van EBN (hierna: ‘ [medisch adviseur 2] ’), heeft in een bericht van 24 januari 2024 onder meer geschreven: “(…) CONCLUSIE:
Alles overziende is het wel bijzonder opvallend dat de ziekmelding van client, met inderdaad een (mijns inziens relatief mild) RSI-beeld, vrijwel samenviel met het ontstaan van een arbeidsconflict, wat uiteindelijk resulteerde in het ontslag van [verweerder] door EBN. (…) 1. Naar mijn oordeel is het op grond van de beschikbare (medische) informatie onvoldoende komen vast te staan dat (a) [verweerder] (enkel) aan RSI-klachten lijdt en (b) als gevolg daarvan gezondheidsschade heeft geleden. [medisch adviseur 1] heeft in haar medisch advies van 2 april 2021 op basis van de beschikbare medische gegevens geconcludeerd dat [verweerder] is uitgevallen als gevolg van KANS-klachten, dat is hetzelfde als RSI (…). Enerzijds voldoet [verweerder] voor een deel aan de criteria, anderzijds kan de ziekmelding door [verweerder] echter mijns inziens niet los gezien worden van het arbeidsconflict. Verder voldoet de 6 stappen systematiek, welke is toegepast in het rapport van Sorgdrager, mogelijk niet. Stap 3 en stap 5 berusten volledig op anamnestische aannames. In zijn differentiaaldiagnose (…) spreekt Sorgdrager over een aanpassingsstoornis, wellicht is die diagnose meer aanleiding tot de langdurige ziekmelding van [geïntimeerde] dan de RSI-klachten. (…) Concluderend ben ik van mening dat de RSI-klachten dus niet zijn komen vast te staan als de (belangrijkste) oorzaak voor zijn permanente uitval, en lijkt de oorzaak veel meer te moeten worden gezocht in psychische factoren.
In stap 1 van de leidraad (…) is het uitsluiten van specifieke aandoeningen in de klacht(en)regio(‘s) aan de orde.
Mijns inziens is dat het moment waarop expliciet vastgesteld zou moeten worden dat eventuele aangeboren afwijkingen/beperkingen eventueel (mede) de oorzaak zouden kunnen zijn voor de betreffende klachten. Deze stap 1 heeft Sorgdrager mijns inziens niet correct geïnterpreteerd of geheel overgeslagen bij de beoordeling van [verweerder] .
De consequentie daarvan is dat Sorgdrager ten onrechte de diagnose aspecifieke ABBE heeft gesteld en dus ten onrechte spreekt van een beroepsziekte. Ook is de conclusie dat de klachten van [verweerder] veroorzaakt worden door belastende werkzaamheden (…) mede daardoor ten onrechte getrokken.
De conclusie dat [verweerder] door RSI-klachten opgelopen bij EBN is uitgevallen, kan niet worden getrokken. Dat betekent niet dat het uitgesloten is dat [verweerder] zijn klachten heeft gekregen door langdurige overbelasting als gevolg van zijn aangeboren afwijkingen, getriggerd door het arbeids-conflict, zoals ook de verzekeringsarts van UWV Utrecht heeft gesteld (…).
Het arbeidsconflict is hier dus het vermeende onrecht die [verweerder] ervaren heeft omdat (en nadat) EBN hem wilde ontslaan.
Ook Sorgdrager zelf geeft in zijn rapportage aan dat spanning een instandhoudende factor is.
Indien [verweerder] meer ontspannen zou zijn, dan zouden beeldschermwerkzaamheden langer vol-gehouden kunnen worden, de pijnklachten zouden dan verbeteren wellicht zou [verweerder] de situatie van vóór 2013 weer kunnen bereiken. Dit leidt mijns inziens tot de conclusie dat de spanning meer invloed heeft dan bijvoorbeeld de werkplek die [verweerder] bij EBN heeft toegewezen gekregen.
Hetzelfde geldt voor de juridische procedure en het ervaren onrecht, letselschadeprocedures geven volgens Sorgdrager ook extra spanning en maken het moeilijker om te ontspannen. Dit zou ook bij [verweerder] spelen, de juridische procedure speelt naar mijn inschatting een grotere rol dan bijvoorbeeld de werkplek die hij bij EBN heeft toegewezen gekregen, die overigens voldeed aan alle Arbonormen en die EBN een week nadat hij erom vroeg ook heeft laten controleren en waar kleine aanpassingen ter optimalisatie direct zijn doorgevoerd.
1.34 In een medisch advies van [medisch adviseur 3] , medisch adviseur van [verweerder] , van 22 maart 2024 staat onder meer: “1. (…) collega Sorgdrager is een zeer ervaren bedrijfsarts (…) en vanaf 1995 verbonden aan het Nederlands centrum voor beroepsziekten in Amsterdam, als beroepsziekte-specialist. Aan Beatrixoord en Polikliniek Mens en Arbeid is hij verbonden sinds 2014 als klinisch arbeidsgeneeskundige. (…) Geconcludeerd kan worden dat collega Sorgdrager bij uitstek geëquipeerd is om de relatie tussen werkzaamheden en klachten/aandoeningen te beoordelen. (…) 5. Kunt u ingaan op de kritiek van EBN dat het Saltsa rapport in casu geen geschikt beoordelingsinstrument is, vanwege de aangeboren aandoeningen?
Antwoord: dit is een onzinnig en onjuist standpunt; het feit dat [verweerder] bekend was met een aangeboren afwijking van zijn linker hand, waar hij overigens ruim 50 jaar zonder problemen mee heeft gefunctioneerd (als functioneel eenarmige), betekent slechts dat de werkgever extra gespitst dient te zijn op het risico van overbelasting van de gezonde rechter arm. De criteria voor het ontwikkelen van een aspecifieke ABBE van de rechter arm blijven ongewijzigd ten opzichte van werknemers zonder verhoogd risico.
De uitspraken van collega [medisch adviseur 2] zijn mijns inziens echter ongefundeerd: RSI kent verschillende stadia. Volgens de RSI-vereniging: “In het begin kun je klachten krijgen na een periode waarin je extra hard hebt gewerkt en/of in een verkeerde, statische (onbeweeglijke) houding. Die klachten zijn de volgende morgen meestal over. Nog niet iets om je zorgen over te maken.
Als je geen tijd krijgt om te herstellen en doorgaat met overbelasten, dan heb je steeds meer tijd nodig om van je klachten af te komen, bijvoorbeeld een weekend, een week, of een vakantie van een paar weken. Blijf je je lichaam overbelasten, dan kan de pijn chronisch worden, maar zelfs dan kun je nog herstellen als je je werk- en leefomstandigheden aanpast.”
Aannemelijk is dat het eerste stadium redelijk ongemerkt aan [verweerder] voorbij gegaan is; de klachten zijn de volgende dag over en vormen geen aanleiding om medische hulp te zoeken. Ook in het tweede stadium is invoelbaar dat bij klachten die verdwijnen na enkele dagen relatieve rust, geen medische hulp is gezocht. De karakterstructuur van [verweerder] zal er aan hebben bijgedragen dat hij pas aan de bel heeft getrokken toen de klachten permanent aanwezig waren en hem fors hinderden in zijn functioneren. Ook als klachten chronisch worden, bestaat er nog een kans op herstel, echter een derde deel van de patiënten houdt chronische klachten, ook na stoppen met de activiteiten die aanleiding waren voor de overbelasting.
Dat de bedrijfsarts uitging van herstel na ongeveer 4 maanden zegt mij slechts dat hij wellicht het stadium waarin de klachten van [verweerder] zich bevonden heeft miskend. Overigens kunnen ook de spanningen die het ontslag met zich meebracht een rol hebben gespeeld in het onderhouden van de arm-klachten. De werkplek-aanpassing is zeer kort voor de arbeidsuitval en volgens cliënt slechts deels, gerealiseerd en zal aannemelijk geen invloed hebben gehad op het klachtenpatroon; RSI (in een vroeg stadium) herstelt bovendien slechts met rust. Het werkplek-onderzoek van ENGRY (…) vermeldt op pag. 3 dat “een opeenstapeling van langdurig ergonomische onvolkomenheden maakt een werkplek onveilig en ongezond”. Ergo: de werkplek voldeed niet aan de ARBO-normen. b. Op blz. 12 concludeert collega [medisch adviseur 2] onterecht dat het ontstane persisteren van klachten is gelegen in de functionele eenarmigheid in combinatie met de persoonlijkheidsstructuur van [verweerder] . Hiervoor bestaat mijns inziens geen onderbouwing; [verweerder] is reeds zijn hele leven eenarmig en is dus gewend om zijn rechter arm meer dan gemiddeld in te zetten. De wijze waarop door de werkgever wordt gereageerd op zijn uitval heeft aannemelijk wel een klachtenonderhoudend effect. c. Op blz. 13 stelt collega [medisch adviseur 2] niet te begrijpen dat de werkplek niet goed zou zijn afgesteld, immers “reeds een week na de ziekmelding van [verweerder] heeft een professioneel werkplekonderzoek op maat plaatsgevonden, namelijk op 22-04-2015”. Dit is een aantoonbaar foutieve weergave van de feiten en een volstrekt onlogische conclusie; [verweerder] heeft zich pas ziekgemeld op 28-04-2015, dus een kleine week na betreffend onderzoek, en het feit dat naar aanleiding van dit onderzoek direct aanpassingen zijn aangebracht/toegepast vormt mijns inziens juist een bevestiging van het feit dat de werkplek in de voorgaande jaren dus niet was aangepast aan de specifieke fysieke gesteldheid van [verweerder] . Het moge duidelijk zijn dat de aangebrachte aanpassingen niet de gevolgen van langdurige overbelasting kunnen wegnemen. d. (…) De behandelaars van [verweerder] beschrijven een chronisch pijnsyndroom van de rechter arm, uitstralend vanuit de nek-/schouderregio, waarop niet een van de specifieke diagnoses te plakken is zoals genoemd in het Saltsa rapport. Derhalve is de aanduiding “aspecifieke KANS” geheel correct vanuit bedrijfsgeneeskundige invalshoek.
Overigens is vanuit andere specialismen ook geen nadere specificatie mogelijk. Het EFA-syndroom betreft de linker hand en speelt geen rol binnen het klachtenpatroon van [verweerder] , anders dan dat de niet inzetbare linker hand impliceert dat de rechter arm relatief zwaarder belast wordt dan bij iemand met twee gezonde armen. (…)”
1.35 [medisch adviseur 2] heeft op 9 juli 2024 geschreven: “(…) Het bovengenoemde adviesrapport d.d. 22-03-2024 van collega [medisch adviseur 3] , betreft met name zijn antwoorden op 7 afzonderlijke vragen (…). In deze beschouwing zal ik ingaan op zijn 7 antwoorden daarop.
2Procesverloop Eerste aanleg 2.1 Bij inleidende dagvaarding van 3 augustus 2020 heeft [verweerder] EBN gedagvaard voor de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de ‘kantonrechter’). [verweerder] heeft gevorderd dat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat EBN aansprakelijk is voor de door hem geleden en te lijden schade als gevolg van zijn gezondheidsklachten, die zijn veroorzaakt door de omstandigheden waaronder hij heeft moeten werken, met veroordeling van EBN in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente. [verweerder] heeft art. 7:658 BW aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd en aangevoerd dat hij door de omstandigheden waaronder hij bij EBN zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten blijvende schade heeft geleden als gevolg van RSI-klachten en dat EBN onvoldoende aan haar zorgplicht heeft voldaan om deze RSI-klachten te voorkomen.
2.2 EBN heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente. EBN heeft betwist dat [verweerder] aan RSI-klachten of andere gezondheidsklachten lijdt, dat deze klachten in de uitoefening van zijn functie zijn ontstaan en dat zij haar zorgplicht om de RSI-klachten bij [verweerder] te voorkomen zou hebben geschonden.
2.3 In het tussenvonnis van 30 juni 2021 heeft de kantonrechter eerst onder meer het toetsingskader gegeven en de standpunten van partijen beschreven. De kantonrechter heeft geoordeeld dat op basis van de destijds beschikbare medische informatie nog niet kon worden vastgesteld of [verweerder] schade heeft geleden als gevolg van RSI-klachten en of hij deze schade in de uitoefening van zijn werkzaamheden bij EBN heeft geleden. Daarom heeft de kantonrechter het voornemen om een deskundige te benoemen uitgesproken en aan de deskundige voor te leggen vragen geformuleerd. De kantonrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de te benoemen deskundige en over de aan de deskundige te stellen vragen.
2.4 Uit het tussenvonnis van 1 september 2021 blijkt dat partijen van de hiervoor bedoelde mogelijkheid gebruik hebben gemaakt. Nadat de kantonrechter de uitlatingen van partijen heeft beschreven en heeft beoordeeld, heeft hij in dat tussenvonnis de door partijen aangedragen [revalidatiearts 2] als deskundige benoemd en de door hem te beantwoorden vragen geformuleerd.
2.5 Nadat de deskundige [revalidatiearts 2] bij e-mail van 13 september 2021 heeft laten weten dat hij niet in staat zou zijn de opdracht tot het uitbrengen van een deskundigenbericht uit te voeren, heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 22 december 2021 de hiervoor in randnummer 1.28 genoemde Sorgdrager tot deskundige benoemd. Sorgdrager heeft de opdracht in samenwerking met de door partijen zelf aangedragen [fysiotherapeut en bewegingswetenschapper] en met [gezondheidspsycholoog] (beiden eveneens hiervoor in randnummer 1.28 genoemd) uitgevoerd.
2.6 Bij eindvonnis van 8 maart 2023 heeft de kantonrechter de vorderingen van [verweerder] toegewezen. Voor zover in cassatie van belang heeft de kantonrechter aan zijn oordeel ten grondslag gelegd dat [verweerder] als gevolg van de RSI-klachten (gezondheids)schade heeft geleden, dat deze klachten in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor EBN zijn ontstaan en dat EBN niet heeft voldaan aan haar zorgplicht om de (gezondheids)schade in de vorm van RSI-klachten bij [verweerder] te voorkomen.
Hoger beroep 2.7 Bij appeldagvaarding van 7 juni 2023 heeft EBN hoger beroep ingesteld tegen de tussenvonnissen van 30 juni 2021, 1 september 2021, 22 december 2021 en tegen het eindvonnis van 8 maart 2023. Bij memorie van grieven van 30 januari 2024 heeft EBN vier grieven geformuleerd. EBN heeft met het hoger beroep beoogd dat de vorderingen van [verweerder] alsnog worden afgewezen.
2.8 [verweerder] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het tussenvonnis van 30 juni 2021 en van het eindvonnis van 8 maart 2023 en tot veroordeling van EBN in de kosten van het hoger beroep (uitvoerbaar bij voorraad).
2.9 Bij arrest van 21 januari 2025 (hierna: het ‘bestreden arrest’) heeft het hof geoordeeld dat de grieven geen doel treffen, het eindvonnis van 8 maart 2023 bekrachtigd en EBN veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Hieraan heeft het hof ten grondslag gelegd dat voldoende is komen vast te staan dat [verweerder] in de uitoefening van zijn werkzaamheden bij EBN blijvende RSI-klachten heeft ontwikkeld en dat EBN niet heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht om dat te voorkomen.
2.10 Het hof heeft eerst het juridisch kader gegeven: “4.1. Op grond van artikel 7:658 lid 1 BW is de werkgever verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten op zodanige wijze in te richten en te onderhouden en voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.
In het tweede lid van artikel 7:658 BW is bepaald dat de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk is voor schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of, maar dat is in deze procedure niet aan de orde, dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.”
2.11 Het hof heeft daarna de standpunten van partijen en het oordeel van de kantonrechter samengevat en de in hoger beroep voorliggende geschilpunten opgesomd: “4.2. [verweerder] stelt zich op het standpunt dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden bij EBN blijvende RSI-klachten heeft ontwikkeld. [verweerder] houdt EBN aansprakelijk voor de schade die hij als gevolg daarvan heeft geleden. De kantonrechter heeft [verweerder] gevolgd in zijn standpunt en heeft het standpunt van EBN dat zij de op haar rustende zorgplicht is nagekomen verworpen. Met de grieven liggen in hoger beroep de volgende geschilpunten voor:
2.12 Het hof heeft vervolgens zijn plan van behandeling en alvast zijn eindoordeel gegeven: “4.3. Het hof zal deze geschilpunten achtereenvolgens behandelen. De conclusie zal zijn dat voldoende aannemelijk is geworden dat [verweerder] lijdt aan overbelastingsklachten (hierna ook: RSI-klachten), dat die het gevolg zijn van de omstandigheden waaronder hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten en dat EBN tekort is geschoten in de op haar rustende zorgplicht.”
2.13 Daarop heeft het hof de toelichting op het eindoordeel gegeven. Het hof heeft daarbij eerst beoordeeld of [verweerder] aan RSI-klachten lijdt en geoordeeld dat dit het geval is. Het hof is het eens met het oordeel van de kantonrechter dat op grond van de beschikbare medische informatie en het deskundigenbericht voldoende is komen vast te staan dat [verweerder] aan RSI-klachten lijdt. Verder heeft het hof de mogelijkheid dat [verweerder] schade lijdt en heeft geleden door de RSI-klachten voldoende aannemelijk geacht: “a) [verweerder] lijdt aan RSI-klachten 4.4.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat op grond van de beschikbare medische informatie en het deskundigenrapport voldoende is komen vast te staan dat [verweerder] lijdt aan RSI. Het hof is het met dat oordeel eens. [verweerder] is op 8 april 2015 naar zijn huisarts gegaan vanwege een al langer (acht maanden) bestaand brandend gevoel in zijn vingers, onderarm, binnenzijde bovenarm en soms nek. De (para)medici die [verweerder] daarna hebben onderzocht (en behandeld) – onder wie de fysiotherapeut, de revalidatiearts, de bedrijfsarts en de neuroloog – stellen vast dat sprake is van nek-, schouder-, arm- en handklachten. Sorgdrager bevestigt dit. Hij schrijft in zijn rapport dat sprake is van een overbelastingssyndroom.
Naar het oordeel van het hof volgt uit dit alles zonder twijfel dat [verweerder] gezondheidsklachten ondervond (en nog steeds ondervindt) bestaande uit (onder meer) nek-, schouder-, arm- en handklachten aan de rechterkant. EBN heeft dit onder verwijzing naar de berichten van [medisch adviseur 2] weliswaar bestreden maar in die berichten leest het hof geen overtuigende argumenten die voor een ander oordeel pleiten. Het hof wijst er nog op dat [medisch adviseur 2] het bestaan van deze klachten in wezen ook onderkent (“Alles overziende is het wel bijzonder opvallend dat de ziekmelding van client, met inderdaad een (mijns inziens relatief mild) RSI-beeld, vrijwel samenviel met het ontstaan van een arbeidsconflict, wat uiteindelijk resulteerde in het ontslag van [verweerder] door EBN”).
4.5.
EBN bestrijdt dat [verweerder] als gevolg van de RSI-klachten schade heeft geleden. Onder verwijzing naar de berichten van [medisch adviseur 2] voert EBN aan dat de RSI-klachten niet de (belangrijkste) oorzaak van de permanente uitval (en dus, zo begrijpt het hof, van de inkomensschade) zijn en dat de vordering daarom moet worden afgewezen. Dit gaat niet op. Bij de beoordeling van de vraag of een werkgever aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW (de vestigingsfase van aansprakelijkheid) hoeft niet vast te staan tot welke materi[ë]le en immateriële schade die klachten hebben geleid. Voldoende is dat de mogelijkheid aannemelijk is dat die gezondheidsklachten tot schade hebben geleid. Die mogelijkheid is in dit geval voldoende aannemelijk. Uit de rapportages van onder meer de arbeidsdeskundigen en de verzekeringsgeneeskundige rapportage voor de WIA-aanvraag volgt dat [verweerder] vanwege (ook) de RSI-klachten niet meer werkzaam kan zijn in functies waarin hij een groot deel van de dag achter de computer zit. Het hof acht alleen al gelet daarop de mogelijkheid dat [verweerder] (materiële en immateriële) schade lijdt en heeft geleden door deze klachten voldoende aannemelijk.”
2.14 Het hof heeft daarna beoordeeld of de RSI-klachten het gevolg zijn van de omstandigheden waaronder [verweerder] zijn werkzaamheden bij EBN heeft verricht en geoordeeld dat ook dit het geval is. In dit verband heeft het hof eerst de kantonrechter aangehaald. Die heeft bij de beoordeling van het causaal verband tussen de arbeidsomstandigheden en de RSI-klachten het deskundigenbericht tot uitgangspunt genomen en op grond daarvan geoordeeld dat de RSI-klachten het gevolg zijn van de arbeidsomstandigheden. Het hof heeft daarna het standpunt van EBN in hoger beroep weergegeven. EBN heeft in hoger beroep onder verwijzing naar de berichten van [medisch adviseur 2] betoogd dat het deskundigenbericht terzijde moet worden geschoven. Het hof heeft vervolgens de bezwaren van EBN tegen het deskundigenbericht, die zijn gericht tegen de door Sorgdrager toegepaste methode enerzijds en de door hem getrokken conclusies anderzijds, afzonderlijk besproken. Voordat het hof daaraan is toegekomen, heeft het eerst het relevante juridisch kader en zijn plan van behandeling gegeven: “b) de RSI-klachten zijn het gevolg van de omstandigheden waaronder [verweerder] zijn werkzaamheden bij EBN heeft verricht 4.6.
De kantonrechter heeft bij de beoordeling van het causaal verband tussen de arbeidsomstandigheden en de RSI-klachten het deskundigenbericht tot uitgang[s]punt genomen en op grond daarvan geoordeeld dat de RSI-klachten het gevolg zijn van de omstandigheden waaronder [verweerder] zijn werkzaamheden bij EBN heeft uitgeoefend. In hoger beroep heeft EBN onder verwijzing naar de berichten van [medisch adviseur 2] betoogd dat het deskundigenbericht terzijde moet worden geschoven. Het hof zal de bezwaren tegen het deskundigenbericht hierna bespreken. Het hof stelt daarbij voorop dat wanneer het standpunt van een door een partij geraadpleegde deskundige afwijkt van dat van de door de rechter benoemde deskundige, de rechter zijn beslissing om de zienswijze van de benoemde deskundige te volgen in het algemeen niet verder behoeft te motiveren dan door te overwegen dat de door deze benoemde deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Wel zal de rechter moeten ingaan op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door de rechter benoemde deskundige, indien deze bezwaren een gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze.
4.7.
De bezwaren van EBN tegen het deskundigenbericht vallen uiteen in bezwaren tegen de toegepaste methode en bezwaren tegen de inhoud van de conclusies die de deskundige heeft getrokken. Het hof zal eerst (…) de bezwaren tegen de toepaste methode bespreken.”
2.15 Het hof heeft daarna de bezwaren van EBN tegen de door Sorgdrager toegepaste methode beoordeeld en geoordeeld dat die onterecht zijn. Het hof heeft al met al niet gemeend dat sprake is van fundamentele gebreken bij de totstandkoming van het deskundigenonderzoek op grond waarvan het deskundigenbericht terzijde moet worden geschoven: “de bezwaren tegen de toegepaste methode zijn onterecht 4.8.
De deskundige heeft bij de beantwoording van de vraag naar de oorzaken van de nek-, schouder-, arm- en handklachten van [verweerder] het SALTSA rapport gebruikt. Dit is een richtlijn voor de vaststelling van de arbeidsgerelateerdheid van Aandoeningen aan het Bewegingsapparaat in de Bovenste Extremiteit (ABBE’s). De richtlijn onderscheidt 12 ABBE’s waarvan de twaalfde de aspecifieke ABBE betreft. De deskundige heeft de klachten van [verweerder] geduid als een aspecifieke ABBE. Die diagnose stellen de medisch adviseurs van EBN ter discussie. Bij de beoordeling van de vraag of het om een aspecifieke ABBE gaat luidt de eerste vraag: “Zijn specifieke aandoeningen in de klacht(en)regio(‘s) uitgesloten?”. Volgens EBN – onder verwijzing naar [onafhankelijk bedrijfsarts] en [medisch adviseur 2] – had de deskundige daarop ‘nee’ in plaats van ‘ja’ moeten antwoorden vanwege de aangeboren beperking van [verweerder] aan zijn linkerhand. De consequentie daarvan is dat geen sprake is van een aspecifieke ABBE, dat er dus geen sprake is van een beroepsziekte die het gevolg is van de uitoefening van de werkzaamheden en dat het deskundigenbericht niet bruikbaar is, aldus EBN.
4.9.
Het hof volgt EBN daarin niet. Als uitgangspunt geldt dat de deskundige, gelet op zijn achtergrond, bij uitstek in staat wordt geacht om vast te stellen of het SALTSA rapport in een geval als dit, waarin sprake is van een aangeboren afwijking aan de andere hand/arm dan de hand/arm waaraan [verweerder] pijnklachten heeft, kan worden toegepast. De deskundige heeft de aangeboren beperking in zijn beoordeling betrokken en heeft die beperking niet geduid als een specifieke aandoening in de klachtenregio. [medisch adviseur 2] en [onafhankelijk bedrijfsarts] hebben niet uitgelegd waarom de aangeboren beperking aan de linkerhand/arm als een specifieke aandoening in de rechterhand/arm moet worden geduid. Het hof ziet dus geen aanleiding om de deskundige hierin niet te volgen. Dat [verweerder] door de aangeboren beperking aan zijn linkerhand/arm gevoeliger is voor overbelasting van zijn rechterarm (waarmee hij dus vrijwel alles doet) is een andere vraag die hierna aan de orde zal komen. Het hof volgt de deskundige in de duiding van de klachten van [verweerder] aan zijn rechterarm als een aspecifieke ABBE.
4.10.
De deskundige heeft vervolgens aan de hand van de methodiek van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten de ‘zes stappen systematiek’ toegepast. Tegen de toepassing van die methodiek als zodanig heeft EBN geen bezwaar gemaakt. Onder verwijzing naar de berichten van [medisch adviseur 2] stelt EBN zich op het standpunt dat Sorgdrager die zes stappen onjuist heeft toegepast. Het hof verwijst naar het in de feiten weergegeven deskundigenbericht waarin de zes stappen zijn geciteerd en zal de bezwaren daartegen bespreken.
4.11.
Het bezwaar tegen stap 1 (de diagnose ‘aspecifieke klachten aan de bovenste extremiteit’) is hiervoor besproken en verworpen: er is onvoldoende aanleiding om de diagnose ‘aspecifieke ABBE’ te verwerpen.
4.12.
In stap 2 heeft de deskundige met verwijzing naar registratierichtlijn D022 beeldschermwerk als een risicofactor geduid. Daartegen heeft EBN geen bezwaar gemaakt. In stap 3 heeft de deskundige vastgesteld dat met de intensiteit van de blootstelling van [verweerder] aan beeldschermwerk de maximaal aanvaarde normen bij beeldschermwerk zijn overschreden. [medisch adviseur 2] heeft over stap 3 opgemerkt dat de overschrijding van de maximaal aanvaarde normen bij beeldschermwerk naar zijn mening niet is aangetoond en dat dit louter berust op anamnestische aannames. Het hof verwerpt dit bezwaar. In de toelichting bij de zes stappen systematiek staat bij stap drie dat gebruik wordt gemaakt van de arbeidsanamnese (bij voorkeur in kaart gebracht via (valide) vragenlijsten), dat wordt gevraagd naar het gebruik van aanbevolen maatregelen en PBM’s[], dat RIE’s, meldingen, rapportages, PAGO/PMO[] en verslagen worden geraadpleegd en dat een werkplekonderzoek kan worden overwogen. Uit de reactie van Sorgdrager op het commentaar van EBN (“We hebben kennisgenomen van de arbeidsomstandigheden en de wijze waarop het werk is uitgevoerd, op basis van anamnese en de bestudeerde documenten (zie de methode)”.) leidt het hof af dat Sorgdrager overeenkomstig de toelichting bij stap drie heeft gewerkt. EBN heeft niet uitgelegd dat en waarom dat niet het geval is en waarom deze werkwijze niet kan worden gevolgd.
4.13.
EBN heeft aangevoerd dat niet duidelijk is van welke blootstelling de deskundige is uitgegaan en zij betwist in dat kader dat de werkzaamheden van [verweerder] voor 90% uit beeldschermwerk bestonden. EBN heeft inderdaad gelijk dat niet duidelijk is van welke mate van blootstelling de deskundige is uitgegaan. Toch treft ook dit bezwaar geen doel. In de registratierichtlijn D022 – aan de hand waarvan wordt getoetst of sprake is van een relevante blootstelling – staat per regio (nek, schouder, elleboog en onderarm, pols en hand) beschreven welke fysieke en niet-fysieke factoren een risicovolle werkhouding opleveren. Zo wordt bijvoorbeeld bij alle regio’s een werk-rustverhouding risicovol geacht, van minder dan 10 minuten pauze binnen elke 60 minuten dat bewegingen voorkomen die meer dan tweemaal per minuut moeten worden gemaakt.
Bij de fysieke factoren wordt een bepaalde houding en beweging die gemiddeld meer dan vier uur tijdens een werkdag voorkomt, als risicovol geduid. [verweerder] stelt zich in feite op het standpunt dat gelet op de inhoud van zijn werkzaamheden (die hij vrij precies heeft omschreven) en de aangeboren beperking aan zijn benen waardoor hij maar heel beperkt kan lopen en zijn werkplek kan verlaten, de in de registratierichtlijn genoemde normen zijn overschreden. In dit verband heeft [verweerder] ook gewezen op de arbeidsdeskundige onderzoeken van Arbobutler en Lytton in welk kader EBN heeft verklaard dat er binnen EBN geen re-integratiemogelijkheden zijn voor [verweerder] omdat binnen EBN binnen alle functies het werken met een toetsenbord en een muis voor het grootste deel van de dag voorkomt.
Het had vervolgens op de weg van EBN gelegen om de stelling dat de in de richtlijn genoemde normen zijn overschreden, gemotiveerd te betwisten, door bijvoorbeeld te onderbouwen hoeveel uur [verweerder] gedurende een dag achter een beeldscherm werkte en of, en zo ja hoe, was voorzien in het daadwerkelijk houden van de bedoelde 10 minuten pauze. Dit geldt temeer nu EBN zich heeft laten bijstaan door [medisch adviseur 2] die, zoals hij zelf in zijn laatste bericht ook schrijft, terzake deskundige is en met de richtlijn en de geldende normen bekend mag worden verondersteld. EBN heeft er echter mee volstaan om te betwisten dat 90% van de werkzaamheden van [verweerder] uit beeldschermwerk bestonden.
Dat is echter niet waar het om gaat, het gaat erom of de in de richtlijn genoemde normen zijn overschreden. Gelet op de onvoldoende gemotiveerde betwisting van EBN volgt het hof de deskundige ook in stap 3.
4.14.
Het commentaar van [medisch adviseur 2] op de stappen 4, 5 en 6 gaat niet zozeer over de wijze waarop die stappen door Sorgdrager zijn toegepast maar is vooral gericht tegen de uiteindelijke conclusie. Daarop zal het hof hierna ingaan.
Het hof ziet al met al niet in dat sprake is van (in hoger beroep door EBN aangevoerde) fundamentele gebreken bij de totstandkoming van het deskundigenonderzoek op grond waarvan het deskundigenbericht terzijde moet worden geschoven. Het feit dat de deskundige de werkplek niet heeft bezocht is ook niet van belang. Tussen partijen staat immers vast dat de werkplek van [verweerder] is aangepast na het laatste werkplekonderzoek van ENRGY en dat de deskundige zijn deskundigenbericht mede heeft gebaseerd op de bevindingen uit het werkplekonderzoek en het advies van ENRGY daarover.”
2.16 Het hof heeft vervolgens de bezwaren van EBN tegen de conclusies van Sorgdrager beoordeeld en – vrij weergegeven – geoordeeld dat het in deze bezwaren geen aanleiding ziet om de inhoud van het deskundigenbericht niet over te nemen. Het hof heeft eerst het deskundigenbericht samengevat: “het hof neemt de inhoud van het deskundigenbericht over 4.15.
Dan de bezwaren van EBN tegen de conclusies van de deskundige. Het hof vat het deskundigenbericht als volgt samen. Er is sprake van een overbelastingssyndroom bij een functioneel eenhandige (antwoord 2f). [verweerder] reageert met een stressreactie op ervaren onrecht en de conflictueuze werksituatie (antwoord 2j). Spanning is een instandhoudende factor, de pijnklachten kunnen verbeteren en beeldschermtaken kunnen langer worden volgehouden wanneer [verweerder] meer ontspannen is (antwoord 2k). [verweerder] zou de bij EBN opgetreden klachten ook in een andere werksituatie hebben opgelopen indien die situatie zou bestaan uit een vergelijkbare expositie aan beeldschermwerk, veel druk, onvoldoende rustmomenten en door de werkhouding een onvoldoende ontspannen nek-schouderregio.
Een ontspannen werkhouding heeft naast ergonomische principes ook te maken met de functioneel eenhandigheid, zijn perfectionisme, beperkte copingsmechanismen en de stressgevoeligheid. Doordat het beeldschermwerk in een periode onder hoge druk met ontoereikende ergonomie is verricht, zijn de pijnklachten opgetreden (antwoord 3a). In zijn reactie op het commentaar van EBN schrijft Sorgdrager dat de deskundigen van mening zijn dat de werkhouding en de gespannenheid de klachten hebben veroorzaakt (vraag 2), dat het niet zozeer gaat om het overwerk maar om de gespannen houding en ervaren werkdruk die de klachten hebben doen optreden (vraag 3) en dat wanneer er geen toenemende werkdruk was geweest en geen overwerk, de klachten niet [in] de beschreven mate aanwezig zouden zijn geweest (vraag 4).
De klachten zijn ontwikkeld in een periode van toenemende ervaren werkdruk (vraag 5).”
2.17 Daarop heeft het hof de kern van de conclusies van Sorgdrager weergegeven: de arbeidsomstandigheden hebben tot het overbelastingssyndroom geleid, terwijl de spanning en druk die [verweerder] heeft ervaren en zijn karakterstructuur en stressgevoeligheid hebben bijgedragen aan de mate waarin hij de klachten heeft ontwikkeld en de instandhouding van de klachten: “4.16. Het komt er dus op neer dat [verweerder] volgens de deskundige door de mate van expositie aan beeldschermwerk, onvoldoende rustmomenten, de werkhouding, een onvoldoende ontspannen nek-schouderregio en ervaren druk, een overbelastingssyndroom aan zijn nek, schouder, arm en hand heeft ontwikkeld. De spanning en druk die [verweerder] ervaart, zijn karakterstructuur en zijn stressgevoeligheid dragen bij aan de mate waarin [verweerder] de klachten heeft ontwikkeld en de instandhouding ervan.”
2.18 Vervolgens heeft het hof het standpunt van EBN in hoger beroep weergegeven. Zij heeft onder verwijzing naar de berichten van [medisch adviseur 2] ten eerste betoogd dat de RSI-klachten niet het gevolg kunnen zijn van de arbeidsomstandigheden, kort gezegd, omdat van schadelijke werkomstandigheden geen sprake was, en ten tweede dat het veel waarschijnlijker is dat de RSI-klachten zijn veroorzaakt door factoren in de privésfeer en door pre-existente klachten (de aangeboren beperking). In het kader van dat laatste punt heeft [medisch adviseur 2] erop gewezen dat de klachten in zeer korte tijd zijn ontstaan en tegen de verwachting van de artsen in niet binnen drie maanden zijn hersteld: “4.17. Onder verwijzing naar de berichten van [medisch adviseur 2] heeft EBN aangevoerd dat de RSI-klachten niet het gevolg kunnen zijn van de werkomstandigheden. [verweerder] had een hoge functie en veel vrijheid zijn werkzaamheden in te richten, de werksfeer was goed, er was geen sprake van ernstige overbelasting, af en toe moest er worden overgewerkt maar niet structureel. [verweerder] nam dagelijks een half uur pauze, hij nam zijn vakantiedagen op, hij werkte niet of nauwelijks over, hij pakte regelmatig rustmomenten en zat niet 90% achter de computer. Hij werd geïnstrueerd over het inlassen van pauzes, het aannemen van een juiste houding en het onderbreken van computerwerk. Van schadelijke werkomstandigheden was kortom geen sprake. De klachten zijn in zeer korte tijd ontstaan en zijn tegen de verwachting van de artsen in niet binnen drie maanden hersteld. Dat wijst er volgens [medisch adviseur 2] op dat de klachten veel waarschijnlijker zijn veroorzaakt door niet-werkgerelateerde factoren zoals factoren in de privésfeer (relationele spanningen, psychische klachten, privé-computergebruik, hobby’s) en pre-existente klachten (zijn aangeboren beperkingen). Deze omstandigheden kunnen in ieder geval aan de klachten hebben bijgedragen, aldus EBN.”
2.19 In de hieropvolgende rechtsoverwegingen heeft het hof (de verschillende schakels in) het betoog van EBN (de oorzaak ligt niet in de werkomstandigheden, het zijn juist omstandigheden aan de kant van [verweerder] die tot de klachten hebben geleid), tegen het licht gehouden en uiteindelijk in rov. 4.26. verworpen.
2.20 In dit verband heeft het hof eerst gewezen op het cruciale belang van de berichten van [medisch adviseur 2] voor het betoog van EBN en in dit verband overwogen dat [medisch adviseur 2] op twee fundamentele onderdelen (het ontstaanstijdstip van de klachten en het ‘vrij ideaal’ zijn van de arbeidsomstandigheden) is uitgegaan van een onjuist vertrekpunt. Dat doet volgens het hof wezenlijk afbreuk aan de inhoudelijke betekenis van de conclusies van [medisch adviseur 2] . Het hof heeft meteen uitgelegd dat het ontstaanstijdstip, gelet op wat [verweerder] in het voorjaar van 2015 tegen zowel zijn huisarts als de fysiotherapeut heeft gezegd, verder terug ligt in de tijd dan dat [medisch adviseur 2] heeft aangenomen: “4.18. De bezwaren van EBN tegen het deskundigenbericht berusten vrijwel volledig op de berichten van [medisch adviseur 2] . Op twee fundamentele onderdelen gaat [medisch adviseur 2] naar het oordeel van het hof uit van een onjuist vertrekpunt en dat doet wezenlijk afbreuk aan de inhoudelijke betekenis van de conclusies van [medisch adviseur 2] . Allereerst gaat [medisch adviseur 2] er ten onrechte van uit dat [verweerder] voor het eerst op 8 april 2015 de schouder-, nek-, arm- en handklachten heeft ervaren. [verweerder] heeft in het voorjaar van 2015 zowel tegen zijn huisarts als de fysiotherapeut gezegd dat hij die klachten al sinds zes tot acht maanden heeft. Het hof ziet geen reden om hieraan te twijfelen. De deskundige is er naar het oordeel van het hof terecht vanuit gegaan dat de klachten al langer (zes tot acht maanden) bestonden.”
2.21 Het hof heeft zich vervolgens gericht op de stelling van [medisch adviseur 2] dat sprake was van ‘vrij ideale’ arbeidsomstandigheden. In dit verband heeft het hof, zich daarbij scharend achter de kantonrechter, uitgebreid toegelicht waarom de arbeidsomstandigheden, anders dan [medisch adviseur 2] tot uitgangspunt heeft genomen, niet ‘vrij ideaal’ waren. Het hof is daarbij tot het oordeel gekomen dat de deskundige Sorgdrager in zijn onderzoek terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat de arbeidsomstandigheden werden gekenmerkt door een blootstelling aan beeldschermwerk die de geldende normen overschrijdt, hoge ervaren werkdruk, onvoldoende rustmomenten en een door de werkhouding onvoldoende ontspannen nek-schouderregio: “4.19. [medisch adviseur 2] gaat er verder ten onrechte vanuit dat de werkomstandigheden bij EBN ‘vrij ideaal’ zijn en voldoen aan de Arbonormen. Het hof denkt daar anders over en schaart zich achter de hierna te bespreken oordelen van de kantonrechter.
4.20.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat de werkhouding van [verweerder] risicovol is geweest (en dat de deskundige daar dus terecht vanuit is gegaan). Uit het werkplekonderzoek van ENRGY is gebleken dat tot april 2015 de stoel van [verweerder] niet goed stond afgesteld, zijn bureaublad niet op de goede hoogte stond, hij scheef voor zijn bureau zat en hij een gewone muis gebruikte terwijl een aangepaste muis beter voor hem was. EBN heeft hiertegen aangevoerd dat de constateringen van ENRGY in april 2015 momentopnames kunnen zijn, dat het slechts om kleine aanpassingen ging, dat [verweerder] tijdens eerdere onderzoeken is voorgelicht over de juiste werkhouding en hij hier zelf ook op had kunnen toezien. Dit bezwaar gaat niet op. ENRGY heeft onder andere geconstateerd dat de armleuningen van de stoel te lang zijn waardoor [verweerder] niet goed kan aanschuiven, hij niet de juiste houding kan aannemen en scheef voor zijn bureau zit. Niet valt in te zien hoe de lengte van de stoelleuning een momentopname kan zijn. Ditzelfde geldt voor de gewone muis die [verweerder] gebruikte. Dus zelfs als de hoogte van het bureau en de stoel momentopnames betreft, wat op zichzelf niet voor de hand ligt, dan nog geldt dat de werkplek ook op andere onderdelen risicovol was. Dat het om kleine aanpassingen gaat kan zo zijn maar uit het rapport van ENRGY volgt dat kleine ergonomische onvolkomenheden en voornamelijk een opeenstapeling hiervan een werkplek onveilig en ongezond kunnen maken.
4.21.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat EBN onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat het werk van [verweerder] voor het merendeel uit beeldschermwerk bestond en dat dit gelet op de beperkingen van [verweerder] om zich fysiek te verplaatsen, ook voor de hand lag. Naar het oordeel van de kantonrechter staat voldoende vast dat het werk van [verweerder] hoofdzakelijk uit beeldschermwerk [bestond] en dat het overgrote deel van zijn werkzaamheden vanaf zijn werkplek plaatsvond. De exacte tijd van beeldschermwerk heeft de deskundige niet relevant geacht, wel dat het de normen (registratierichtlijn D022) overschreed.
EBN heeft in hoger beroep opgesomd welke werkzaamheden [verweerder] zoal verrichtte en dat [verweerder] niet heeft aangetoond dat zijn werk voor 90% uit beeldschermwerk bestond. Hiermee miskent EBN dat, zoals de kantonrechter heeft vastgesteld en het hof hiervoor ook heeft overwogen, het niet zozeer erom gaat of het werk voor 90% uit beeldschermwerk bestond maar of de in de richtlijn beschreven normen worden overschreden. Het oordeel van de kantonrechter dat die normen worden overschreden heeft EBN met haar grieven niet met overtuigende argumenten bestreden. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen.
4.22.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat voldoende vaststaat dat [verweerder] niet regelmatig pauzes hield en dat er sinds zijn indiensttreding geen pauzesoftware op zijn computer was geïnstalleerd waardoor hij niet werd geïnstrueerd korte pauzes te nemen. Niet gebleken is dat [verweerder] regelmatig pauzes inlaste. EBN heeft in hoger beroep onder verwijzing naar in- en uitcheckgegevens herhaald dat [verweerder] dagelijks een pauze van een half uur (of soms zelfs langer) nam en dus genoeg rust en beweging had. Hiermee miskent EBN dat het (volgens de richtlijn en de deskundige) niet zozeer gaat om de dagelijkse pauze van een half uur maar om de afwisseling van werkzaamheden met telkens korte pauzes. EBN heeft met haar standpunt geen grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat niet is gebleken dat [verweerder] regelmatig korte pauzes inlaste. Het hof zal daar dus ook vanuit gaan.
4.23.
De kantonrechter heeft ten slotte overwogen dat de deskundige met werkdruk niet zozeer op overwerk doelt maar op een gespannen houding en door [verweerder] ervaren werkdruk. EBN heeft volgens de kantonrechter onvoldoende gemotiveerd weersproken dat [verweerder] eind 2014/begin 2015 als gevolg van door hem genoemde omstandigheden te maken kreeg met veel extra vragen en verzoeken voor tussentijdse rapportages en analyses vanuit de RvC, de CFO van EBN en het Ministerie en dat dit bij [verweerder] heeft kunnen leiden tot toegenomen ervaren werkdruk. Dat de collega’s van [verweerder] geen hoge werkdruk ervoeren acht de kantonrechter niet veelzeggend omdat zij hun werk onderling konden verdelen terwijl [verweerder] een unieke functie had en zijn werk niet door collega’s kon worden gedaan.
De kantonrechter acht het al met al voldoende aannemelijk dat [verweerder] in deze periode een toegenomen werkdruk heeft ervaren. Hetgeen EBN daartegen heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Ook het hof acht het voldoende aannemelijk dat [verweerder] werkdruk en spanningen heeft ervaren. Niet bestreden is dat de periode januari-april de drukste periode van het jaar was vanwege de jaarstukken die af moesten. Uit door [verweerder] overgelegde emailberichten blijkt verder dat hij in die periode regelmatig ’s avonds emailberichten van zijn leidinggevende kreeg met vragen en opdrachten voor de volgende ochtend. Dat is in lijn met de verklaring van de toenmalige echtgenote van [verweerder] , die heeft verklaard dat hij in het half jaar voor zijn uitval wel drie tot vier avonden per week thuis achter de PC werkzaam was voor EBN. [verweerder] heeft verder gewezen op het gesprek met [leidinggevende] op 13 maart 2015 waarin [verweerder] op zijn functioneren is aangesproken en de emailberichten van [leidinggevende] van 21 en 22 april 2015.
Het hof acht het aannemelijk dat gelet op de inhoud en de toon van deze berichten, [verweerder] een hoge werkdruk en spanning heeft ervaren.
4.24.
Uit het voorgaande volgt dat de deskundige in zijn onderzoek terecht tot uitgang[s]punt heeft genomen dat de arbeidsomstandigheden van [verweerder] werden gekenmerkt door een expositie aan beeldschermwerk die de geldende normen overschrijdt, hoge ervaren werkdruk, onvoldoende rustmomenten en een door de werkhouding onvoldoende ontspannen nek-schouderregio.”
2.22 Nadat het hof in essentie tot de tussenconclusie is gekomen dat de arbeidsomstandigheden wel degelijk ‘ongezond’ en daarmee schadelijk waren, is het hof teruggekomen bij de stelling van EBN – die het hof in rov. 4.25. opnieuw heeft weergegeven – dat uit de berichten van [medisch adviseur 2] volgt dat er eigenlijk maar één relevante oorzaak is: de omstandigheden aan de zijde van [verweerder] . Het uitblijven van herstel tegen de verwachting van alle medici in zou volgens [medisch adviseur 2] ook wijzen op een andere oorzaak: “4.25. EBN heeft onder verwijzing naar de berichten van [medisch adviseur 2] aangevoerd dat niet de arbeidsomstandigheden maar allerlei andere omstandigheden de RSI-klachten bij [verweerder] hebben veroorzaakt. [medisch adviseur 2] heeft gewezen op het arbeidsconflict en het dreigende ontslag. Het feit dat de verwachting van alle medici was dat herstel binnen drie maanden zou intreden en het feit dat dat niet is gebeurd, wijst ook op een andere oorzaak. Volgens [medisch adviseur 2] is het ontstane persisteren van de klachten gelegen in de functionele eenhandigheid gecombineerd met de persoonlijkheidsstructuur. [medisch adviseur 2] acht het niet uitgesloten dat [verweerder] zijn klachten heeft gekregen door langdurige overbelasting als gevolg van aangeboren afwijkingen, getriggerd door het arbeidsconflict. Deze aangeboren afwijking zou op den duur hoe dan ook hebben geleid tot overbelasting van de rechterarm en hand. Spanning heeft volgens [medisch adviseur 2] dan ook meer invloed dan de werkplek.”
2.23 In dit verband heeft het hof geoordeeld dat uit het deskundigenbericht volgt dat de arbeidsomstandigheden de oorzaak van de RSI-klachten zijn. Het hof heeft EBN niet gevolgd in haar stelling dat de RSI-klachten zijn ontstaan door de persoonlijke omstandigheden van [verweerder] . Het hof heeft in het deskundigenbericht onvoldoende aanknopingspunten gevonden dat de door [medisch adviseur 2] genoemde factoren een zelfstandige oorzaak van die klachten zijn. Ook in de berichten van [medisch adviseur 2] heeft het hof niet gelezen dat, de arbeidsomstandigheden weggedacht, die factoren tot RSI-klachten zouden hebben geleid. Verder is het hof nog ingegaan op het punt van [medisch adviseur 2] dat de overbelastingsklachten aan de rechterarm op den duur hoe dan ook zouden optreden vanwege de aangeboren beperking. Volgens het hof heeft [medisch adviseur 2] daarvoor geen enkele onderbouwing gegeven, terwijl Sorgdrager juist gemotiveerd heeft waarom hij in de aangeboren beperking aan de linkerarm/-hand geen zelfstandige oorzaak voor de RSI-klachten aan de rechterkant ziet: “4.26. Uit het deskundigenbericht volgt dat de RSI-klachten het gevolg zijn van een expositie aan beeldschermwerk die de geldende normen overschrijdt, hoge ervaren werkdruk, onvoldoende rustmomenten en een door de werkhouding onvoldoende ontspannen nek-schouderregio. Het hof heeft in het deskundigenbericht onvoldoende aanknopingspunten gevonden dat de door [medisch adviseur 2] genoemde factoren – spanning door het arbeidsconflict en dreigend ontslag, de aangeboren beperking aan de rechterarm [bedoeld zal zijn: linkerarm, A-G] waardoor er een verhoogde kwetsbaarheid is, de persoonlijkheidsstructuur – een zelfstandige oorzaak van de RSI-klachten zijn. Ook in de berichten van [medisch adviseur 2] leest het hof niet dat – de hiervoor vastgestelde arbeidsomstandigheden weggedacht – de genoemde factoren tot RSI-klachten zouden hebben geleid.
De door [medisch adviseur 2] genoemde factoren zien vooral op de predispositie namelijk de lichamelijke en geestelijke constitutie van [verweerder] die van invloed kan zijn op de mate en het voortbestaan van de RSI-klachten. [medisch adviseur 2] heeft weliswaar geschreven dat de overbelastingsklachten aan de rechterarm op den duur hoe dan ook zouden optreden vanwege de aangeboren beperkingen aan de linkerarm/hand (door EBN op de zitting geduid als ‘tikkende tijdbom’) maar daarvoor heeft [medisch adviseur 2] geen enkele onderbouwing gegeven terwijl de deskundige gemotiveerd heeft waarom hij in de aangeboren beperking aan de linkerarm/hand geen zelfstandige oorzaak voor de RSI-klachten aan de rechterkant ziet (zie de reactie van Sorgdrager op [medisch adviseur 2] onder 2).”
2.24 Nadat het hof heeft geoordeeld dat [verweerder] aan RSI-klachten lijdt en dat die klachten het gevolg zijn van de arbeidsomstandigheden, is het hof toegekomen aan de laatste voor aansprakelijkheid van de werkgever relevante vraag: heeft EBN aan de op haar rustende zorgplicht voldaan? Het hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord. In dit verband heeft het hof eerst het oordeel van de kantonrechter aangehaald. In diens oordeel dat EBN niet heeft aangetoond dat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht om de door [verweerder] geleden gezondheidsschade in de vorm van RSI-klachten te voorkomen, heeft de kantonrechter van belang geacht dat [verweerder] door zijn aangeboren beperking een verhoogde kans heeft op het ontwikkelen van RSI-klachten, dat zijn werk grotendeels uit beeldschermwerk bestond, dat hij uit zichzelf geen regelmatige pauzes nam en dat hij, gezien zijn beperkte mobiliteit, niet in staat is zijn werkplek regelmatig te verlaten. Naar het oordeel van de kantonrechter lag het, gelet op dat verhoogde risico, op de weg van EBN om specifieke, op [verweerder] gerichte maatregelen te treffen en is niet gebleken dat EBN dit heeft gedaan: “c) EBN heeft niet voldaan aan de op haar rustende zorgplicht 4.27.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat EBN niet heeft aangetoond dat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht om de door [verweerder] geleden gezondheidsschade in de vorm van RSI-klachten te voorkomen. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat [verweerder] door zijn aangeboren beperking een verhoogde kans heeft op het ontwikkelen van RSI-klachten, dat zijn werk grotendeels uit beeldschermwerk bestond, dat hij uit zichzelf geen regelmatige pauzes nam en gezien zijn beperkte mobiliteit (hij kan maximaal één uur per dag lopen) niet in staat is zijn werkplek regelmatig [te] verlaten. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het gelet op dat verhoogde risico op de weg van EBN lag om specifieke, op [verweerder] gerichte maatregelen te treffen om RSI-klachten te voorkomen en niet te volstaan met maatregelen die voor al haar medewerkers golden.
Niet is gebleken dat EBN dit heeft gedaan, aldus de kantonrechter. Verder heeft de kantonrechter geoordeeld dat EBN niet heeft voldaan aan de verplichting om een risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) op te stellen waarbij zij in het bijzonder (gelet op de parlementaire geschiedenis bij artikel 5 Arbowet) aandacht had moeten besteden aan bijzondere categorieën werknemers, waaronder gehandicapten. De kantonrechter is niet gebleken dat EBN een RI&E heeft opgesteld in het bijzonder voor de specifieke situatie van [verweerder] . Verder is niet gebleken dat de arbeid aan een beeldscherm zodanig is georganiseerd dat de arbeid op gezette tijden wordt afgewisseld door andersoortige arbeid of rusttijd (artikel 5.10 Arbeidsbesluit).
EBN heeft aangevoerd dat er voor het werkplekonderzoek van ENRGY in 2015 twee eerdere werkplekonderzoeken zijn uitgevoerd en dat mocht worden verwacht dat [verweerder] de daaruit volgende adviezen zou opvolgen. Daarover heeft de kantonrechter geoordeeld dat het aan de werkgever is om erop toe te zien dat uit de werkplekonderzoeken volgende instructies – als [verweerder] die heeft gekregen – worden nageleefd. Dat EBN dit heeft gedaan is niet voldoende onderbouwd. EBN heeft ook niet voldoende aannemelijk gemaakt dat zij adequaat heeft toegezien op het gebruik van pauzesoftware terwijl dit van EBN ten aanzien van [verweerder] wel mocht worden verwacht omdat [verweerder] zijn werkplek door zijn beperkingen moeilijker kon verlaten om pauzes te nemen.”
2.25 Daarna heeft het hof het standpunt van EBN in hoger beroep aangehaald. Zij heeft in het kader van grief 3 betoogd dat zij voldoende maatregelen heeft genomen om de gezondheidsschade bij [verweerder] te voorkomen: “4.28. Met haar derde grief heeft EBN herhaald dat zij voldoende maatregelen heeft genomen om de gezondheidsschade bij [verweerder] te voorkomen. De werkplekken werden periodiek preventief medisch geïnventariseerd en beoordeeld op ergonomische kwaliteit. [verweerder] wist dus ruim voor zijn ziekmelding wat de meest ideale instellingen voor hem waren en had er zelf op kunnen toezien dat de juiste instellingen het hele jaar door werden gehandhaafd. EBN heeft er verder nog op gewezen dat zij al jaren meedoet met “Best Workplaces in Nederland” en dat zij “Great Place to Work Certified” is. Verder moedigt zij haar medewerkers aan gebruik te maken van de eigen fitnessruimte op kantoor, tafelvoetbal en stoelmassages maar dat [verweerder] slechts een maal gebruik heeft gemaakt van de gratis stoelmassage.”
2.26 Het hof heeft geoordeeld dat EBN niet heeft bestreden dat [verweerder] een verhoogd risico op het ontwikkelen van RSI-klachten had en dat zij specifieke, op [verweerder] gerichte voorzorgsmaatregelen moest nemen, waarna het heeft geoordeeld dat verschillende van de in dit verband door EBN aangevoerde maatregelen niet voldoende waren: “4.29. Het hof stelt vast dat EBN niet heeft bestreden dat [verweerder] gelet op zijn beperkingen en de aard van zijn werkzaamheden een verhoogd risico op het ontwikkelen van RSI-klachten had. EBN heeft evenmin bestreden dat het om die reden op haar weg lag om specifieke, op [verweerder] gerichte maatregelen te treffen om RSI-klachten te voorkomen en dat niet kon worden volstaan met maatregelen die voor al haar medewerkers golden.
De stoelmassage en de fitness kunnen naar het oordeel van het hof niet worden gezien als op [verweerder] gerichte maatregelen om RSI-klachten bij [verweerder] te voorkomen. Dit geldt in het bijzonder omdat [verweerder] herhaaldelijk heeft uitgelegd dat stoelmassage en fitness voor hem, gelet op zijn beperkingen, niet zonder meer toegankelijk en doeltreffend zijn. EBN is daar verder niet meer op ingegaan.”
2.27 Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat in de na de mondelinge behandeling in hoger beroep alsnog overgelegde RI&E geen bijzondere aandacht is besteed aan de handicap van [verweerder] en dat het de verantwoordelijkheid van EBN was om ervoor te zorgen dat [verweerder] werkplek juist was ingesteld en dat [verweerder] voldoende rustmomenten nam en om daarop toezicht te houden: “4.30. EBN heeft bij akte na de zitting bij het hof een RI&E overgelegd die is uitgevoerd op 26 augustus 2014. Daaruit blijkt niet, zoals [verweerder] in zijn laatste akte heeft aangevoerd, dat bijzondere aandacht is besteed aan de handicap van [verweerder] , terwijl die verplichting wel volgt uit artikel 5 Arbobesluit. EBN heeft herhaald dat [verweerder] zelf had kunnen toezien op de juiste instellingen van zijn werkplek. Het hof is echter met de kantonrechter van oordeel dat (ook) van de werkgever mag worden verwacht, juist in het geval van [verweerder] waarin sprake is van een verhoogd risico op het ontwikkelen van RSI-klachten, dat zij erop toezag dat de werkplek van [verweerder] op de juiste wijze was ingesteld. Dat geldt ook voor het erop toezien dat [verweerder] voldoende rustmomenten nam. EBN heeft aangevoerd dat [verweerder] had kunnen vragen om de installatie van pauzesoftware en dat [verweerder] ook op zijn telefoon pauzesoftware had kunnen installeren maar waar het om gaat is dat, juist gelet op het bijzondere risico dat [verweerder] liep omdat hij vanwege zijn handicap uiterst beperkt was in zijn mogelijkheden om de werkplek te verlaten en te pauzeren, op EBN de plicht rustte erop toe te zien dat [verweerder] ook daadwerkelijk die pauzemomenten inlaste. Dat EBN dat heeft gedaan is onvoldoende gesteld en gebleken.”
2.28 Het feit dat [verweerder] niet anders wilde worden behandeld, ontsloeg EBN niet van haar zorgplicht, aldus het hof: “4.31. EBN heeft bij herhaling gesteld dat [verweerder] expliciet heeft aangegeven dat hij niet anders wil worden behandeld dan zijn collega’s. Dat ontslaat een werkgever echter uiteraard niet van de op haar rustende plicht om maatregelen te nemen om te voorkomen dat de werknemer gezondheidsschade oploopt in de uitoefening van zijn werkzaamheden.”
2.29 EBN heeft bewijs aangeboden van de stelling dat EBN heeft toegezien op de juiste instelling van de werkplek, op een goede werkhouding en op voldoende rustmomenten en heeft aangeboden om [hoofd HRM] hierover te horen. Het hof is aan dit bewijsaanbod voorbijgegaan, omdat EBN deze stelling volgens het hof onvoldoende heeft onderbouwd: “4.32. EBN heeft bewijs aangeboden van de door [verweerder] bestreden stelling dat er door EBN op is toegezien dat [verweerder] regelmatig werd aangesproken op een goede werkhouding, een optimaal ingestelde werkplek en het zorgen voor voldoende rustmomenten. EBN heeft aangeboden om [hoofd HRM] (hoofd HRM) hierover als getuige te horen. EBN heeft een uitvoerige schriftelijke verklaring van [hoofd HRM] overgelegd. Daaruit volgt niet dat en op welke wijze en door wie hierop is toegezien. Ook tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft EBN de stelling dat zij toezag op een goede werkhouding, optimaal ingestelde werkplek en voldoende rustmomenten niet nader onderbouwd door uit te leggen hoe dat toezicht er concreet uitzag en wie dat toezicht hield. Bij die stand van zaken acht het hof de stelling dat EBN adequaat heeft toegezien op de juiste instellingen van de werkplek, een goede werkhouding en voldoende rustmomenten onvoldoende onderbouwd en gaat het daarom voorbij aan het bewijsaanbod.”
2.30 Tegen deze achtergrond is het hof tot het oordeel gekomen dat EBN niet aan haar zorgplicht heeft voldaan: “4.33. De conclusie luidt dat EBN niet heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht om de werkplek van [verweerder] op een zodanige wijze in te richten en voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.”
2.31 Het hof heeft ten slotte zijn eindoordeel herhaald: “4.34. Het hof is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat [verweerder] in de uitoefening van zijn werkzaamheden bij EBN blijvende RSI-klachten heeft ontwikkeld en dat EBN niet heeft voldaan in [lees: aan, A-G] de op haar rustende zorgplicht om dat te voorkomen. (…)”
Cassatie 2.32 Bij procesinleiding van 22 april 2025 heeft EBN tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het bestreden arrest. Bij verweerschrift van 20 juni 2025 heeft [verweerder] geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten. EBN heeft gerepliceerd en [verweerder] gedupliceerd.
3Werkgeversaansprakelijkheid, multicausale beroepsziekten en RSI-klachten 3.1 In de onderhavige zaak is de vraag of de werkgever op grond van art. 7:658 BW aansprakelijk is voor RSI-klachten van de werknemer. In dat verband is een condicio sine qua non-verband tussen de RSI-klachten en de arbeidsomstandigheden noodzakelijk. Dat vereiste stelt de werknemer die met dergelijke klachten kampt vaak voor problemen, omdat ook andere oorzaken dan de arbeidsomstandigheden van belang kunnen zijn. Ter inleiding op de bespreking van de klachten in paragraaf 4 maak ik hier nu een aantal opmerkingen over RSI en vervolgens over de toepassing van art. 7:658 BW bij multicausale beroepsziekten, waarvan RSI vaak een voorbeeld wordt genoemd. Bij een dergelijke ziekte kan de oorsprong liggen in verschillende factoren, werkgerelateerde en andere, of in een combinatie daarvan en is in een concreet geval vaak niet meteen duidelijk of andere dan werkgerelateerde factoren daadwerkelijk een rol hebben gespeeld en, zo ja, in welke mate.
3.2 RSI is volgens de RSI-vereniging een verzamelnaam voor alle klachten aan armen, nek en schouders. Het draait om klachten door overbelasting van spieren, pezen, gewrichten en soms zenuwen, zonder dat dat komt door een ongeluk of ziekte.
3.3 RSI is een van de meest voorkomende beroepsziekten. Uit de publicatie Beroepsziekten in cijfers 2024 van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten blijkt dat het hoogste aantal nieuwe gevallen van beroepsziekten per 100.000 werknemers wordt gemeld voor psychische aandoeningen, gevolgd door aandoeningen aan het houding- en bewegingsapparaat. En uit het rapport Arbobalans 2024 van TNO blijkt dat 1,3% van de werkzame bevolking last heeft van RSI-klachten.
3.4 RSI wordt, als gezegd, gezien als een multicausale beroepsziekte. Volgens de Multidisciplinaire richtlijn aspecifieke Klachten Arm, Nek en/of Schouders kunnen verschillende factoren een rol spelen bij het ontstaan van de klachten, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen fysieke factoren (bijvoorbeeld langdurig en vaak computerwerk doen), psychische en sociale factoren (zoals stress en geringe arbeidssatisfactie) en levensstijlfactoren (bijvoorbeeld te weinig nachtrust). Volgens deze richtlijn kan werk van invloed zijn op het ontstaan of beloop (bijvoorbeeld instandhouding en verergering) van de klachten. Volgens de richtlijn zijn er aanwijzingen dat repeterende arbeid het risico op pijn in de arm, hand en elleboog vergroot en dat een geringe arbeidssatisfactie gepaard gaat met een verhoogd risico op nek-schouderpijn.
3.5 In art. 7:658 BW is de aansprakelijkheid van de werkgever wegens een schending van zijn zorgplicht voor een veilige werkomgeving geregeld. In dit kader geldt een ogenschijnlijk gunstig regime voor de werknemer. In het kader van art. 7:658 lid 2 BW hoeft de werknemer slechts te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat hij (1) schade heeft geleden (2) tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden. Als de werknemer hierin slaagt, is de werkgever voor die schade aansprakelijk, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan of, voor het geval dat niet zo is, dat de schade van de werknemer in belangrijke mate het gevolg is van diens opzet of bewuste roekeloosheid. In de zinsnede dat de werkgever aansprakelijk is voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, ligt besloten dat voor werkgeversaansprakelijkheid ex art. 7:658 BW is vereist dat causaal verband bestaat tussen de door de werknemer gestelde schade enerzijds en de uitoefening van de werkzaamheden anderzijds. Op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv is het in beginsel aan de werknemer om het causaal verband tussen de schade en de uitoefening van de werkzaamheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen.
3.6 Als we ‘inzoomen’ op de werkgeversaansprakelijkheid op basis van art. 7:658 BW bij multicausale beroepsziekten zoals RSI, blijkt dat Uw Raad zich slechts vier keer heeft hoeven uitlaten over de aansprakelijkheid van de werkgever voor RSI-klachten. Er is vooralsnog geen rechtspraak van Uw Raad waaruit een algemene lijn kan worden gedestilleerd.
3.7 Wat we wel kunnen zeggen is dat zich in het kader van de toepassing van art. 7:658 BW bij RSI op verschillende punten een vergelijkbare problematiek voordoet als bij psychische aandoeningen zoals overspanning en burn-out. Zo worden beide beroepsziekten in verband gebracht met multicausaliteit. Verder worden zij beide gekenmerkt door overbelasting. Juist in dat verband treedt naar voren dat niet iedere werknemer hetzelfde aankan en dat de ene eerder uitvalt dan de andere. Dat heeft ook consequenties voor de van de werkgever te verlangen zorg. Die wordt in eerste instantie natuurlijk bepaald door algemene uit arboregels voortvloeiende en in het kader van art. 7:658 BW gesanctioneerde verplichtingen. Gewezen kan worden op art. 5.10 Arbeidsomstandighedenbesluit, op grond waarvan beeldschermwerk zodanig georganiseerd moet zijn dat dit werk op gezette tijden wordt afgewisseld door andersoortig werk of door een pauze, zodat de met het beeldschermwerk gemoeide belasting wordt verlicht.
3.8 Het op basis van de arboregels en art. 7:658 BW treffen van algemene maatregelen zal in veel gevallen overbelasting (en daarmee ook eventuele werkgeversaansprakelijkheid) voorkomen, maar soms kan van de werkgever meer worden gevergd, te weten meer op de specifieke werknemer toegespitste maatregelen, die betrekking kunnen hebben op verschillende vlakken: instructies, specifieke voorzorgsmaatregelen (aanpassing van de werkplek, aanpassing van de werktijden, aanpassing van het werk) en toezicht. Ik wijs op art. 3 lid 1 sub c Arbeidsomstandighedenwet, op grond waarvan – vrij weergegeven – de werkgever een arbeidsomstandighedenbeleid moet voeren en in dat verband de arbeidsomstandigheden zoveel als redelijkerwijs kan worden gevergd moet aanpassen aan de persoonlijke eigenschappen van werknemers. Verder noem ik art. 5 lid 1 Arbeidsomstandighedenwet, op grond waarvan de werkgever een risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) moet uitvoeren, waarin hij moet ingaan op de gevaren en de risico-beperkende maatregelen en de risico’s voor bijzondere categorieën van werknemers, onder wie, zo volgt uit de parlementaire geschiedenis, personen met een handicap.
3.9 In het kader van de beantwoording van de vraag of ten aanzien van een specifieke werknemer extra zorg van de werkgever kan worden verlangd is dan wel van belang dat de werkgever weet dat de specifieke situatie van de betrokken werknemer om een meer op maat gesneden zorg vraagt. Dat zien we duidelijk terug in de feitenrechtspraak over overspanning en burn-out. Daarvoor kan het van belang zijn dat de betrokken werknemer signalen heeft afgegeven (een minder eerbiedige maar in het veld wel gehoorde formulering is dat hij heeft ‘gepiept’). Bij gebreke van dergelijke signalen gaat de werkgever in het kader van art. 7:658 BW nog wel eens vrijuit, (mede) omdat hem dan niet kan worden verweten dat hij die specifieke extra zorg niet heeft betracht.
3.10 Ik zal nu iets meer ‘inzoomen’ op de causaliteitsproblematiek.
3.11 Voor werkgeversaansprakelijkheid ex art. 7:658 BW is, als gezegd, vereist dat causaal verband bestaat tussen de door de werknemer gestelde schade enerzijds en de uitoefening van de werkzaamheden anderzijds. Dat ligt besloten in de zinsnede dat de werkgever aansprakelijk is voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. Op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv is het in beginsel aan de werknemer om het causaal verband tussen de schade en de uitoefening van de werkzaamheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen.
3.12 Waar dat bij klassieke arbeidsongevallen in de regel niet problematisch is, ligt dat anders bij beroepsziekten. Voor een werknemer die meent door een beroepsziekte te zijn getroffen en daarom zijn werkgever aanspreekt, is het vaak lastig, in ieder geval veel moeilijker dan bij een arbeidsongeval, om aan te tonen dat zijn schade in causaal verband staat met de uitoefening van zijn werkzaamheden. In dit type zaken gaat het doorgaans om de schadelijke gevolgen van (langdurige) blootstelling aan gevaarlijke stoffen of bijvoorbeeld fysieke of psychische overbelasting. Wat het bewijs van causaal verband in deze zaken ingewikkeld maakt, is enerzijds dat ziekten vaak geleidelijk ontstaan (en soms pas na lange tijd aan de oppervlakte komen) en anderzijds dat zij vaak ook een oorzaak kunnen hebben in omstandigheden die buiten de werksfeer liggen zoals activiteiten buiten het betrokken werk (hobby’s, sporten, andere werkzaamheden) of kunnen zijn beïnvloed door het fysieke of psychische gestel van de werknemer of privéproblemen aan zijn kant.
Uw Raad is de werknemer met de arbeidsrechtelijke omkeringsregel en het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid enigszins tegemoetgekomen in diens moeilijke bewijspositie in gevallen waarin onzekerheid bestaat over het causaal verband. Daaraan besteed ik hierna enige aandacht. Over de betekenis van het fysieke of psychische gestel of privéproblemen heeft Uw Raad zich ook al vaker uitgelaten, meer specifiek in het kader van art. 6:98 BW. Ook daarop kom ik hierna terug.
3.13 Uw Raad heeft wat in de doctrine bekend staat als de ‘arbeidsrechtelijke omkeringsregel’ in het arrest Unilever/Dikmans geïntroduceerd. De arbeidsrechtelijke omkeringsregel houdt in dat als een werknemer bij zijn werk is blootgesteld aan gevaarlijke arbeidsomstandigheden en schade heeft die daardoor kan zijn veroorzaakt, het causaal verband tussen de werkzaamheden en de schade in beginsel moet worden aangenomen indien de werkgever zijn zorgplicht ter voorkoming van die schade heeft geschonden. In latere rechtspraak is verdere invulling aan de regel gegeven.
3.14 De laatste stand van zaken blijkt uit de weergave in Gemeente Rheden: “Voor de toepassing van deze regel is nodig dat de werknemer niet alleen stelt, en zo nodig bewijst, dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, maar ook dat hij stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt.
De hier bedoelde regel drukt het vermoeden uit dat, indien de zojuist genoemde feiten komen vast te staan, de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht. Dat vermoeden wordt gerechtvaardigd door hetgeen in het algemeen bekend is omtrent de ziekte en haar oorzaken, alsook door de schending door de werkgever van de veiligheidsnorm die beoogt een en ander te voorkomen. Gelet daarop is voor dit vermoeden geen plaats in het geval het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is.”
3.15 De voorwaarden voor toepassing van deze regel zijn dat de werknemer (1) stelt en, zo nodig, bewijst dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk zijn voor zijn gezondheid, (2) stelt en, zo nodig, aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten en (3) stelt en, zo nodig, aannemelijk maakt dat die gezondheidsklachten door genoemde werkomstandigheden kunnen zijn veroorzaakt. Toepassing van de regel leidt tot een rechterlijk vermoeden dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de arbeidsomstandigheden. Het is vervolgens aan de werkgever om dit vermoeden te ontzenuwen. Wanneer het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker en te onbepaald is, bestaat, zo blijkt uit de slotzin uit het citaat, geen rechtvaardiging voor het rechterlijke vermoeden dat de gezondheidsschade door die arbeidsomstandigheden is veroorzaakt. Dit laatste gaat terug op een tweetal arresten van Uw Raad van 7 juni 2013 (de zogeheten 7 juni-arresten) waarvan één, het arrest SVB/ […], betrekking heeft op RSI-klachten.
3.16 Het gevolg is dat de meerwaarde van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel voor degenen die door een beroepsziekte (menen te) zijn getroffen, beperkt is. Is het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker en te onbepaald, dan leent het geval zich niet voor toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel. Uit het arrest SVB/ […] wordt in ieder geval afgeleid dat de betekenis van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel voor RSI-klachten beperkt is; eigenlijk is er geen plaats voor toepassing van deze regel, zolang tenminste niet substantieel meer bekend wordt over aard en oorzaken van RSI-klachten.
3.17