ECLI:NL:PHR:2026:517
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/00324 Zitting 26 mei 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, hierna: de verdachte Inleiding 1. Bij arrest van 29 januari 2024 (parketnr. 20-000360-23) heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 30 januari 2023 bevestigd, met aanvulling en verbetering van de gronden, en met uitzondering van de beslissing op het beslag. Bij dat vonnis is de verdachte ter zake van "anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving een voorwerp waarin, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een uitlating als bedoeld in artikel 137e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, is vervat, ter verspreiding in voorraad hebben" veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van duizend euro subsidiair twintig dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft het hof, anders dan de politierechter, het in beslag genomen voorwerp, te weten een ‘matrijs gietmal adelaar met hakenkruis’, onttrokken aan het verkeer.
Het eerste middel 3. Het eerste middel is gericht tegen de bewezenverklaring.
De bewezenverklaring en de bewijsvoering 4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij: “op 25 augustus 2020 te [plaats] , anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving, voorwerpen, te weten een hoeveelheid gegipste replica‘s afkomstig uit een gipsmal met daarop een afbeelding van een adelaar met in zijn klauwen een hakenkruis, waarin een uitlating was vervat, die, naar hij wist, voor een groep mensen, te weten de Joden, wegens hun ras (waaronder mede begrepen afkomst en nationale of etnische afstamming), beledigend was of aanzet(te) tot haat tegen en/of discriminatie (in de zin van artikel 90quater Wetboek van Strafrecht) van mensen, en/of gewelddadig optreden tegen mensen, te weten de Joden, ter verspreiding in voorraad heeft gehad.”
Op dinsdag 25 augustus 2020, omstreeks 09.00, uur was ik verbalisant gekleed in uniform en ondersteunend aan een integrale controle georganiseerd door de gemeente [plaats] (...) in de loodsen gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] . (...) Op genoemde dag datum en tijdstip ben ik verbalisant in mijn hoedanigheid uit gekomen in de loods welke gehuurd wordt door de onderaan dit proces-verbaal genoemde betrokkene [verdachte] . De loods van, [verdachte] , was gelegen op de op het perceel [a-straat 1] te [plaats] . (...) Ik verbalisant zag dat deze loods vol met gebruiksgoederen lag. Ik hoorde dat [verdachte] mij vertelde dat hij grote partijen goederen opkoopt en deze weer probeert te verkopen.
Desgevraagd werd door [verdachte] ruimte voor ruimte getoond. Zo ook de ruimte boven zijn kantoor. Ik verbalisant zag dat in dit kantoor een twaalftal gipsen afgietsels lagen van een adelaar met in zijn klauwen een hakenkruis. Ik verbalisant heb aan [verdachte] gevraagd hoe hij deze maakt. [verdachte] toonde mij verbalisant een soort rubberen mal waarmee deze afgietsels kon maken. [verdachte] vertelde mij verbalisant dat de Tweede Wereldoorlog hem interesseerde en hij verzamelaar was. Ik verbalisant werd door [verdachte] meegenomen naar een afgesloten ruimte. Ik zag dat [verdachte] in deze ruimte een soort klein museum had gemaakt met allerlei voorwerpen die met de Tweede Wereldoorlog te maken hadden.
Ik verbalisant vroeg aan [verdachte] waarom hij zoveel van de afgietsels van de '’Adelaar" had. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat hij deze voor 75 euro verkocht aan liefhebbers.
2Proces-verbaal van bevindingen p. 9, voor zover inhoudende:
Op dinsdag 29 september 2020 heb ik verbalisant de in beslag genomen telefoon van de onderaan dit proces-verbaal genoemde betrokkene [verdachte] bekeken op relevante berichten (…). Ik verbalisant zag wel dat er in één whatsapp-gesprek gesproken wordt over de verkoop van de “adelaars”.
3Verklaring van verdachte, p. 17, voor zover inhoudende:
V: U heeft mij 25 augustus verteld dat u ze verkoopt?
A: Dat klopt, vanuit verzamelaars die bij mij thuis zijn geweest en daar de mal hebben gezien, hebben mij gevraagd of ik deze wil verkopen. Ik doe dit niet. Daarom hebben ze mij gevraagd of ik een afgietsel wil maken. (…) Ik heb er daarom een paar gemaakt. Puur voor verzamelaars die er naar vragen. (…) Ik heb er 14 gegipst. 2 heb ik er weggedaan.
V: Hoeveel heeft u er al verkocht?
A: Twee stuks.
Op verzoek van justitie heb ik nader onderzoek gedaan naar de telefoon van [verdachte] . Mij werd verzocht te kijken naar de telefoonnummers van de kopers van de afgietsels van de “Adelaars”.
Ik ben tijdens mijn zoektocht op een gesprek gestuit tussen ene “ [betrokkene 1] ” en [verdachte] . In dit gesprek wordt aan [verdachte] gevraagd of hij afgietsels verkoopt waarna [verdachte] aangeeft er enkele op voorraad te hebben en deze voor 150,00 euro verkoopt. Uiteindelijk blijkt uit het appgesprek dat de koop niet doorgaat daar de koper de prijs te hoog vindt.
Bijlage Proces-verbaal nummer PL2100-202045611-11 – 10 [betrokkene 1] d.d. 17-05-2020: oké wat vraag je er voor [verdachte] d.d. 17-05-2020: 150 [betrokkene 1] d.d. 17-05-2020: is toch n gips afdruk? [verdachte] d.d. 17-05-2020: ja heb ‘m met extra harde gips gemaakt met versteviging erin Bijlage Proces-verbaal nummer PL2100-202045611-11 – 12 [betrokkene 1] d.d. 10-03-2020: Hey [verdachte] verkoop je ook de sampels van de eagel? [verdachte] d.d. 17-05-2020: Hey [betrokkene 1] , ik zie nu je bericht pas, stond in m’n spam [verdachte] d.d. 17-05-2020: ja heb er wel enkele voor de verkoop 5. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2024, voor zover inhoudende:
Ik heb 14 afgietsels gemaakt met de mal en daarvan heb ik er twee verkocht.
U, voorzitter, houdt mij voor dat uit het dossier volgt dat [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij € 75,00 voor een afgietsel heeft betaald, dat [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij € 50,00 voor een afgietsel heeft betaald en dat ik tegen [betrokkene 1] in een chat heb gezegd dat hij € 150,00 voor een afgietsel zou moeten betalen. Ik antwoord u dat dat kan kloppen.”
Een nadere omschrijving van het eerste middel 7. Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel ontoereikend is gemotiveerd.
Het beoordelingskader 9. De vraag is welke voorwerpen onder de reikwijdte van artikel 137e lid 1 Sr vallen. Daarvoor is bepalend of de voorwerpen een uitlating bevatten die beledigend is voor een groep mensen, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, godsdienst, levensovertuiging, geslacht, seksuele gerichtheid of handicap. In de eerste plaats kunnen de in voorwerpen vervatte uitlatingen, onmiskenbaar en niettegenstaande het gebruik ervan, discriminatoir of grievend (in de zin van artikel 137e Sr) zijn. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt evenwel dat de uitlatingen niet uitsluitend op zichzelf moeten worden bezien. Voorwerpen kunnen ook onder de reikwijdte van artikel 137e Sr vallen, voor zover deze uitlatingen bevatten die in de gegeven omstandigheden van het geval en in het licht van de mogelijke associaties die zij wekken, aanzetten tot haat tegen of discriminatie van personen.
De bespreking van het eerste middel 12. Uit de bewijsvoering kan onder meer het volgende worden afgeleid. De verdachte was in het bezit van een gietmal van een adelaar met een hakenkruis. Met behulp van die gietmal heeft de verdachte veertien gipsen afgietsels gemaakt met als doel deze te verkopen aan verzamelaars dan wel liefhebbers. Aan potentiële kopers liet de verdachte weten dat hij de replica’s in de verkoop heeft. De verdachte hanteerde verschillende verkoopprijzen. Eén potentiële koper zag van de koop af, omdat hij de prijs van € 150 te hoog vond. Van de veertien replica’s waren er reeds twee verkocht.
Het tweede middel 15. Met het tweede middel wordt opgekomen tegen (de motivering van) de beslissing van het hof tot onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen ‘matrijs gietmal adelaar met hakenkruis’. Aangevoerd wordt dat het daaraan ten grondslag liggende oordeel dat de gietmal niet als militair curiosum moet worden beschouwd, zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.
De beslissing tot onttrekking aan het verkeer en de motivering daarvan 16. Het hof heeft ten aanzien van het in beslag genomen voorwerp overwogen: “(…) De verdachte heeft uitdrukkelijk geen afstand gedaan van het beslag dat rust op de ‘matrijs gietmal adelaar met hakenkruis’. Dit voorwerp ligt daarom thans opnieuw ter beoordeling aan het hof voor.
Bij gelegenheid van onderzoek werd onder de verdachte een ‘matrijs gietmal adelaar met hakenkruis’ aangetroffen. Niet tegenstaande de omstandigheid dat de verdachte partieel is vrijgesproken van het hem tenlastegelegde voor zover dit ziet op "de gipsmal met daarop een afbeelding van een adelaar met in zijn klauwen een hakenkruis” stelt het hof op grond van het onderzoek ter terechtzitting en het strafdossier vast dat die inbeslaggenomen gietmal (gipsmal) wel tot het begaan van het bewezenverklaarde feit was bestemd. De verdachte heeft immers met die gietmal meerdere replica’s van de adelaar met hakenkruis gemaakt en verkocht. In die replica's zijn uitlatingen vervat die Joden beledigen dan wel aanzetten tot haat en/of discriminatie en/of gewelddadig optreden jegens hen. Daar komt nog bij dat de verdachte het bewezenverklaarde feit zou kunnen blijven plegen indien hij de beschikking zou hebben over de gietmal, daar hij met de met de gietmal een werktuig in handen heeft waarmee replica’s gemaakt kunnen blijven worden; door de verdachte of door derden die hierover op enig moment de beschikking zouden kunnen krijgen.
Gelet daarop en gelet op de aard van dat goed is het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd met de wet en het algemeen belang. Het hof zal daarom de onttrekking aan het verkeer bevelen van de ‘matrijs gietmal adelaar met hakenkruis’. Dat de gietmal volgens de verdachte een historische waarde vertegenwoordigt, maakt voor het hof de beslissing ten aanzien van het beslag niet anders, nu van een militair curiosum niet is gebleken. Voor zover de verdachte zulks heeft willen aantonen door middel van de in hoger beroep ingebrachte verklaring van [bestandsnaam] van IMCS-Nederland V.O.F. d.d. 18 maart 2023, acht het hof deze verklaring daartoe ontoereikend.”
De bespreking van het tweede middel 17. Het hof heeft, anders dan de politierechter, geoordeeld dat de in beslag genomen gietmal tot het begaan van het bewezen verklaarde feit was bestemd en dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. Ter motivering van dat oordeel heeft het hof overwogen dat de verdachte met de gietmal meerdere afgietsels heeft vervaardigd en verkocht, terwijl daarin grievende uitlatingen als bedoeld in artikel 137e Sr zijn vervat, en dat het behoud van die gietmal ertoe kan leiden dat de gegipste replica’s opnieuw worden vervaardigd.
Slotsom 19. De middelen falen.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Het hof heeft het door de politierechter gebezigde bewijs aangevuld met het genoemde proces-verbaal van bevindingen.
Het hof heeft het door de politierechter gebezigde bewijsmiddel ‘Verklaring van de verdachte ter zitting’ als vermeld op p. 6 van het in het proces-verbaal van de politierechter aangetekend mondeling vonnis verbeterd door dit te vervangen met de verklaring van de verdachte ter zitting in hoger beroep.
HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9132, NJ 2011/115 m.nt. P.A.M. Mevis.
Vgl. HR 22 september 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC9968, NJ 1988/300 m.nt. A.L. Melai.
Voor de bewezenverklaring op de voet van artikel 137e Sr is dat echter niet vereist. De strafbaarheid is immers gelegen in de kwaadaardigheid van het bij de verweten handelwijze betrokken voorwerp en niet in enig (politiek of discriminatoir) oogmerk van de verdachte. Vgl. rov. 5.2 in, en de noot bij, HR 12 mei 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC2488, NJ 1988/299 m.nt. A.L. Melai.
HR 22 september 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC9968, NJ 1988/300 m.nt. A.L. Melai.
De achtergrond van het bestanddeel “anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving” is dat de strafbaarstelling voorlichting over discriminatie niet mag bemoeilijken. Zie Kamerstukken II 1967/68, 9724, nr. 3, p. 5.
Zie o.a. C.H. Brants, R.S.B. Kool & A. Ringnalda, Strafbare discriminatie, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2008, p. 74; S.J. de Ruiter & P.C. Velleman (red.), Handboek Strafbare Discriminatie, Den Haag: Boom juridisch 2023, p. 139-140.
Vgl. HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:220 NJ 2017/259 m.nt. E.J. Dommering. In hoger beroep (ECLI:NL:GHAMS:2016:299) achtte het hof (kort gezegd) bewezen dat de verdachte, anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving, exemplaren van (een Nederlandse vertaling van) Mein Kampf, waarin naar hij wist uitlatingen waren vervat die voor Joden wegens hun ras en/of hun godsdienst beledigend zijn en die aanzetten tot haat tegen en discriminatie van Joden wegens hun ras en hun godsdienst, ter verspreiding in voorraad heeft gehad. De verdachte had op zitting verklaard dat hij het boek bij voorkeur en voornamelijk aan historici of verzamelaars verkocht, maar niet zeker wist wie het boek kocht en met welke reden. In cassatie stond de bewezenverklaring niet ter discussie.
Zie het “proces-verbaal van bedingen (blz. 3)” (bewijsmiddel 1).
HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.1.3.