ECLI:NL:PHR:2026:527
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/02645 Zitting 26 mei 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988, hierna: de verdachte Inleiding 1. De verdachte is bij arrest van 3 juli 2024 (parketnr. 20-002672-23) door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens
Het eerste middel 3. Het middel houdt in dat het in de (gevoegde) zaak met parketnummer 03-136274-23 bewezen verklaarde ontoereikend is gemotiveerd. Dat komt doordat het hof heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen en daarbij heeft verwezen naar de (bekennende) verklaring van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 19 juni 2024, terwijl die verklaring niet inhoudt dat hij opzettelijk 2,5 gram heroïne en 0,6 gram cocaïne aanwezig heeft gehad.
De bespreking van het middel 4. Het hof heeft zes feiten bewezen verklaard. Het gaat (in de volgorde van de bewezenverklaring) om (i) het opzettelijk aanwezig hebben van 75,81 gram cocaïne en 877,5 gram heroïne, (ii) het vernielen van een enkelband, (iii) het zich met geweld verzetten tegen politieambtenaren die hem aanhielden, (iv) het opzettelijk aanwezig hebben van 10 gram methamfetamine, 2,5 gram heroïne en 0,6 gram cocaïne, (v) de diefstal van een pinpas en (vi) de diefstal van een grote hoeveelheid geld met gebruik van die pinpas.
Het tweede middel 8. Het middel bevat de klacht dat het hof heeft bepaald dat gijzeling voor de duur van één dag kan worden toegepast, bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag onder de € 25 (namelijk € 10,96).
De oplegging van de schadevergoedingsmaatregel 9. Het dictum van het arrest houdt in: “Het hof:
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10,96 (tien euro en zesennegentig cent) als Vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2021 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 1 (één) dag kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.”
De bespreking van het middel 10. De steller van het middel heeft op zichzelf een punt. Hoewel de rechter vóór de invoering van de wet USB op 1 januari 2020 verplicht was de duur van de vervangende hechtenis op minimaal één dag te bepalen, is het naar de letter van de wet sindsdien uitgesloten dat voor een bedrag van minder dan € 25 een dag gijzeling wordt toegepast. Uit de wetsgeschiedenis valt wellicht op te maken dat toch van een andere uitleg moet worden uitgegaan, maar ik vind dat – nu het hier een kwestie van sanctierecht betreft – een te zwakke basis om af te wijken van de wetstekst. Nu de klacht terecht is voorgesteld, rijst de vraag of dit tot cassatie moet leiden.
Slotsom 13. Het eerste middel faalt en het tweede middel ook. De Hoge Raad kan beide afdoen met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Vgl. HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1592.
Zie Stb. 2018, 132 en Stb. 2019, 507.
Vóór 1 januari 2020 werd art. 24c Sr in art. 36f lid 8 Sr van overeenkomstige toepassing verklaard. Art. 24c lid 3 Sr luidt reeds sedert de invoering van de euro als chartaal geld (1 januari 2002) als volgt: “De vervangende hechtenis beloopt ten minste één dag en ten hoogste een jaar. Voor elke volle € 25 van de geldboete wordt niet meer dan één dag opgelegd.”
Met ingang van 1 januari 2020 bepaalt art. 36f lid 5 Sr voor zover van belang slechts: “Bij het bepalen van de duur wordt voor elke volle € 25 van het opgelegde bedrag niet meer dan één dag gerekend. De duur beloopt ten hoogste één jaar.”
Zie bijv. Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 94-95, waaruit ik citeer: “Het openbaar ministerie is bij het bepalen van de duur van de toepassing van gijzeling gebonden aan dezelfde criteria als de rechter die op vordering van het openbaar ministerie bepaalt of en hoe lang gijzeling kan worden toegepast bij een niet geïnde geldboete opgelegd in een strafbeschikking (vergelijk artikel 6:6:25 Sv voor gijzeling bij de geldboete in de strafbeschikking en bij de ontnemingsmaatregel). Voor de duur houdt dit in dat er minimaal één dag gijzeling ten uitvoer wordt gelegd en maximaal één dag per openstaande € 25, met een totale maximumduur zoals door de rechter bepaald in zijn uitspraak. Voor de feitelijke duur van de gijzeling wordt verder rekening gehouden met wat al wel is voldaan of verhaald (tweede lid). (…).” Ook uit een passage op p. 116 zou mogelijk kunnen worden begrepen dat met het wetsvoorstel géén wijziging van de minimumduur van de vervangende hechtenis/gijzeling is beoogd.
Vgl. ook Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 95, en HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, NJ 2020/409 m.nt. Ten Voorde, r.o. 4.4.1.