ECLI:NL:PHR:2026:534
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/03737 Zitting 26 mei 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995, hierna: de verdachte Inleiding 1. Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 26 september 2024 (parketnr. 22-003252-23) wegens
Het eerste middel 3. Het middel ziet op het onder 1 en 2 bewezen verklaarde en bevat vier deelklachten.
De bewezenverklaring en bewijsmotivering 4. De bewezenverklaring houdt onder 1 in dat de verdachte: “in de periode van 29 maart 2020 tot en met 8 juni 2020 in Nederland, meermalen, geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten aanvragen Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren Covid-19 (TOGS), te weten:
Het hof overweegt als volgt.
De aanvragen TOGS zijn ingediend met gebruikmaking van het DigiD-account van de verdachte. DigiD is een persoonlijke inlogcode voorzien van een wachtwoord waarmee een persoon zich kan identificeren op websites van de overheid. In beginsel heeft alleen de persoon die hoort bij het DigiD-account de inloggegevens daarvan, omdat deze persoon dit account zelf dient aan te maken met gegevens waarover alleen deze persoon beschikt. Dit uitgangspunt maakt dat indien een verdachte ontkent dat hij de elektronische ondertekening heeft gezet, hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring zal moeten geven hoe een onbevoegde van zijn digitale handtekening gebruik heeft kunnen maken en dat hem van dat onbevoegde gebruik geen verwijt kan worden gemaakt. Nu de TOGS-aanvragen zijn ingediend met het DigiD-account van de verdachte en de verdachte geen verklaring als hiervoor bedoeld heeft gegeven moet er in beginsel van worden uitgegaan dat hij de aanvragen heeft ingediend.
Door de verdediging wordt in deze zaak slechts gesteld dat niet met de vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die de TOGS-aanvragen heeft ingevuld en ingediend. De verdachte heeft in het geheel geen verklaring afgelegd. Zo heeft hij geweigerd te worden gehoord door de FIOD en is hij ter terechtzitting in eerste aanleg on in hoger beroep niet verschenen. De raadsman heeft volstaan met het opperen van generieke gissingen en heeft bijvoorbeeld geen expliciete, van de verdachte afkomstige, standpunten aan het hof gepresenteerd.
Het hof gaat ervan uit dat het de verdachte is geweest die gebruik heeft gemaakt van het aan hem toekomende DigiD. De juistheid van dit oordeel wordt naar het oordeel van hot hof verder gesterkt door het feit dat de DigiD van de verdachte actief en veelvuldig werd gebruikt (in [plaats]), ook voor communicatie met andere overheidsdiensten zoals met opvallende regelmaat de CJIB. Voorts overweegt het hof dat er vijf aanvragen zijn verstuurd vanaf het IP-adres van het woonadres van zijn moeder.
Ten aanzien van de aanvragen TLV geldt dat deze worden ingediend met gebruikmaking van een DigiD-account of minimaal eHerkenning niveau 1.
Ook hiervoor geldt dat in beginsel alleen de persoon van wie de inloggegevens van de DigiD zijn, daarover beschikt. Vergelijkbaar geldt dat de bestuurder van een rechtspersoon beschikt over de eHerkenning-inloggegevens. De verdachte is de enige wettelijk vertegenwoordiger van [benadeelde 1] BV. De verdediging heeft niets aangevoerd waaruit zou blijken dat anderen over de inloggegevens van het DigiD-account van de verdachte of de inloggegevens van de eHerkenning van [benadeelde 1] BV beschikten. En ook hier geldt dat de verdachte geen enkele verklaring heeft afgelegd. Het hof gaat ervan uit dat het de verdachte is geweest die gebruik heeft gemaakt van de aan hem toekomende DigiD en eHerkenning-inloggegevens. Ook hier neemt het hof in aanmerking dat een van de aanvragen is verstuurd vanaf het IP-adres van het woonadres van zijn moeder.
Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte de valse TOGS- en TVL-aanvragen heeft gedaan. De verweren van de verdediging worden verworpen. Dat geldt ook voor het verweer dat de aanvragen niet “feitelijk” (het hof begrijpt daaronder ook: fysiek) zijn ondertekend. De digitale aard van deze aanvragen maakt namelijk dat deze ook digitaal (door DigiD en/of E-herkenning) moeten worden ondertekend (vergelijk artikel 2:16 Algemene wet bestuursrecht).
Een nadere omschrijving van het middel 7. Het middel bevat als gezegd vier deelklachten. Met de eerst twee deelklachten wordt opgekomen tegen de overweging dat “indien een verdachte ontkent dat hij de elektronische ondertekening heeft gezet, hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring zal moeten geven hoe een onbevoegde van zijn digitale handtekening gebruik heeft kunnen maken en dat hem van dat onbevoegde gebruik geen verwijt kan worden gemaakt”. De eerste deelklacht houdt in dat deze overweging van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, omdat het hof van een verkeerde rechtsregel is uitgegaan, dan wel doordat het hof de mogelijkheid heeft opengelaten dat sprake was van culpoos handelen. De tweede deelklacht houdt in dat het hof door het ‘witwas-stappenplan’ toe te passen, de onschuldpresumptie heeft geschonden en tevens de bewijslat van artikel 338 Sv heeft verlaagd.
De bespreking van het middel 9. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan de rechter bij zijn beoordeling van het bewijs betekenis toekennen aan het uitblijven van een aannemelijke ontlastende verklaring van de verdachte (voor dat bewijs). Dat is niet in strijd met de onschuldpresumptie.
Het tweede middel 14. Het tweede middel houdt in dat het onder 3 bewezen verklaarde niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. De steller van het middel voert aan dat uit de bewijsmiddelen niet kan blijken dat de verdachte tijdens zijn aangifte zou hebben verklaard te zijn ‘gezakkenrold’.
De bewezenverklaring en bewijsmotivering 15. De bewezenverklaring onder 3 houdt in dat de verdachte: “op 9 september 2020 in Nederland aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit is gepleegd, door via internet opzettelijk en in strijd met de waarheid aangifte te doen van diefstal van zijn telefoon (iPhone 11 pro), inhoudende dat hij op 9 september 2020 om 14:00 uur in de trein van [station 1] richting Schiphol is gezakkenrold, wetende dat dat strafbare feit niet is gepleegd.”
Pleegplaats: Schiphol, Station NS.
Incident: Diefstal overige goederen Op 9 september 2020 om 14:00 uur heb ik vanaf [station 1] de trein gepakt richting Schiphol en ik ben met mijn tas in mijn hand in slaap gevallen. Kort na het uitstappen wilde ik mijn vriendin bellen en ik kwam toen tot de ontdekking dat mijn telefoon was verdwenen. (On) roerende goederen.
Telefoon (gsm) Merk: Apple Type: iPhone 11 pro IMEI nummer [...] Eigenaar: [verdachte] Reden doorlezen in plaats van voorlezen: internetaangifte.
Datum/tijd opname aangifte woensdag 9 september 2020 16:58 uur.”
De bespreking van het middel 18. Gezien de aangifte van de verdachte heeft het hof kunnen overwegen en oordelen dat de diefstalhandeling waarop die aangifte ziet, is aan te duiden als ‘zakkenrollen’. Dat oordeel is, met andere woorden, niet onbegrijpelijk.
Slotsom 20. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG HR 20 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864, rov. 3.2.1-3.2.4.
In dat verband overweegt het hof: “DigiD is een persoonlijke inlogcode voorzien van een wachtwoord waarmee een persoon zich kan identificeren op websites van de overheid. In beginsel heeft alleen de persoon die hoort bij het DigiD-account de inloggegevens daarvan, omdat deze persoon dit account zelf dient aan te maken met gegevens waarover alleen deze persoon beschikt.” Het kennelijk oordeel van het hof dat dit feiten van algemene bekendheid zijn, is niet onbegrijpelijk.
Voor zover het hof deze criteria op dezelfde wijze zou hebben toegepast als in fase 2 van het ‘witwas-stappenplan’ (vgl. randnummer 27 van mijn conclusie 22 april 2025, ECLI:NL:PHR:2025:462), zou dit overigens slechts in het voordeel van de verdachte kunnen hebben gewerkt, aangezien de lat voor een verklaring die tot vrijspraak zou hebben geleid dan lager zou zijn gelegd dan ‘aannemelijkheid’ zoals bedoeld in de hierboven geciteerde rechtspraak (zie voetnoot 1). Bij die stand van zaken zou de cassatieklacht hierover falen bij gebrek aan belang.
Hoewel het inderdaad wat verwarring kan oproepen in relatie tot de genoemde witwasjurisprudentie van de Hoge Raad, lijkt het me op zich geen verkeerde manier om de beoordeling van de aannemelijkheid nader te concretiseren.
Vgl. HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359, NJ 2010/744 m.nt. Buruma, rov. 2.5, waaruit volgt dat alleen wanneer de verdachte het ten laste gelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter – indien hij tot een bewezenverklaring komt – die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen.
Zie pleitnota p. 1-6.