ECLI:NL:PHR:2026:585
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 26/00005 Zitting 12 juni 2026 CONCLUSIE B.F. Assink In de zaak [bestuurder/CEO] (hierna: [bestuurder/CEO]) tegen 1Nexperia Holding B.V. (hierna: Nexperia Holding) 2. Nexperia B.V. (Nexperia Holding en Nexperia B.V. gezamenlijk hierna: Nexperia, in vrouwelijk enkelvoud) 3. Yuching Holding Limited (hierna: Yuching) 4. [verweerder 4] (hierna: [verweerder 4]) 5. De ondernemingsraad van Nexperia B.V. (hierna: de OR) 6. De Staat der Nederlanden, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (hierna: de Staat of EZ) 1Inleiding en samenvatting 1.1 Deze zaak betreft het ingrijpen van de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam (hierna: de OK) op grond van het enquêterecht bij Nexperia, twee Nederlandse vennootschappen die een multinationale onderneming drijven in de halfgeleider- en chipindustrie. De zaak speelt tegen de achtergrond van economische en geopolitieke belangen van China, Nederland en andere lidstaten van de Europese Unie (hierna: de EU), en de Verenigde Staten (hierna: de VS). Op de keper beschouwd, is het echter ‘gewoon’ een enquêteprocedure (primair) gericht op het belang van Nexperia.
1.2 In korte tijd heeft de OK in deze zaak, desverzocht en kort gezegd, de volgende vijf beschikkingen gegeven.
1.3 [bestuurder/CEO] heeft cassatieberoep ingesteld van deze vijf OK-beschikkingen. Daarop ziet deze conclusie. [bestuurder/CEO] klaagt, m.i. tevergeefs, over schending van zijn recht op een eerlijk proces (onderdeel 1), over de toelating van EZ als belanghebbende (onderdeel 2), over het voorlopig oordeel dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia (onderdeel 3), over de getroffen onmiddellijke voorzieningen (onderdeel 4), en over de reikwijdte van het mededelingenverbod (onderdeel 5).
1.4 Yuching, de enig aandeelhouder van Nexperia Holding onder bestuur van [bestuurder/CEO] en zijn echtgenote en met [bestuurder/CEO] als indirect controlerend aandeelhouder, heeft eveneens cassatieberoep ingesteld van deze vijf OK-beschikkingen. Yuchings aandelen in Nexperia Holding zijn door de OK bij wijze van onmiddellijke voorziening, aanvankelijk ook ex parte totdat na de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 op het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen zal zijn beslist, overgedragen ten titel beheer, welke voorziening vervolgens voor de duur van de procedure minus één aandeel is gehandhaafd. De cassatieklachten van Yuching overlappen grotendeels met het onderhavige cassatieberoep van [bestuurder/CEO] . Het cassatieberoep van Yuching betreft de samenhangende zaak 25/04297. Daarin concludeer ik vandaag eveneens, kort gezegd, tot verwerping van het cassatieberoep.
1.5 [bestuurder/CEO] en Yuching hebben ook ieder cassatieberoep ingesteld van twee nadere OK-beschikkingen in de onderhavige enquêteprocedure, waarbij (i) de OK een onderzoek heeft bevolen naar het beleid en de gang van zaken bij Nexperia en (ii) vervolgens twee onderzoekers heeft aangewezen. Over die cassatieberoepen gaan de onderhavige conclusie en voornoemde conclusie in de samenhangende zaak 25/04297 niet.
2Feiten In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 2.1-2.29 van de OK-beschikking van 13 oktober 2025 met de nadere uitwerking van de OK-beschikkingen van 7 en 8 oktober 2025.
2.1 Deze zaak gaat over Nexperia, twee Nederlandse vennootschappen (Nexperia Holding en Nexperia B.V.) die actief zijn in de halfgeleider- en chipindustrie (spin-offs van NXP). Wereldwijd zijn bij Nexperia ongeveer 12.500 mensen werkzaam, van wie ongeveer 400 in Nederland. Sinds 2016 worden de aandelen in Nexperia (middellijk) gehouden door een Chinese partij. Eind 2023 heeft Nexperia contact opgenomen met EZ om steun te zoeken en volledig erkend te worden als Nederlands/Europees halfgeleiderbedrijf. Achtergrond is dat haar onderneming belemmeringen ervoer door de omstandigheid dat de enig aandeelhouder van Nexperia Holding, Yuching, een Chinese vennootschap is. Sinds 2024 is Nexperia daartoe in overleg met EZ over bepaalde herzieningen in de governance.
Aan toezeggingen die Nexperia in dat verband aan EZ heeft gedaan, heeft zij weinig opvolging gegeven. Met ingang van 31 december 2024 is [A] Co., Ltd. (hierna: [A]), de indirecte Chinese aandeelhouder van Nexperia, door de VS op de zogeheten U.S. Entity List geplaatst, met als gevolg dat [A] is onderworpen aan bepaalde verstrekkende handelsbeperkingen. Sinds juni 2025 was Nexperia op de hoogte van het risico dat ook zijzelf zou worden onderworpen aan Amerikaanse handelssancties op grond van de zogenoemde 50%-rule, die kort gezegd inhoudt dat genoemde handelsbeperkingen ook gelden voor vennootschappen waarvan de aandelen voor 50% of meer worden gehouden door (rechts)personen op de U.S. Entity List.
Op 30 september 2025 is de 50%-rule gepubliceerd en op Nexperia van toepassing verklaard, met als gevolg dat zij in beginsel na 60 dagen zal zijn onderworpen aan Amerikaanse handelsbeperkingen. Op dezelfde dag heeft de minister van (toen nog) Economische Zaken (hierna: de minister) op grond van de Wet beschikbaarheid goederen (hierna: de Wbg) een besluit genomen, bevattende een tot Nexperia gericht bevel tot behoud van haar onderneming en productiemiddelen (hierna: het bevel).
2.2 In deze enquêteprocedure betoogt Nexperia, bij monde van haar bestuurder [verweerder 4] , dat gegronde redenen bestaan om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. De desbetreffende klachten hebben onder meer betrekking op de implementatie van de afspraken met EZ tegen de achtergrond van de groeiende risico’s dat Nexperia zou worden onderworpen aan de 50%-rule. Verder wordt geklaagd over tegenstrijdigbelangtransacties die zouden zijn aangegaan op instructie van [bestuurder/CEO] , bestuurder van Nexperia en indirect (via [A] ) controlerend aandeelhouder van Yuching, en over onverhoedse wijzigingen in het management en het plotseling intrekken van bankvolmachten. De OR wijst onder meer op schending van het adviesrecht op grond van de Wet op de ondernemingsraden (hierna: de WOR) met betrekking tot het aangekondigde ontslag van bestuurder [verweerder 4] .
2.3 Nexperia drijft een wereldwijd opererend halfgeleiderbedrijf met hoofdkantoor in Nijmegen. Nexperia heeft verschillende dochterondernemingen. Zo heeft zij in Manchester en in Hamburg productiefaciliteiten voor wafers (zogeheten wafer fabs). Een wafer is een dunne schijf van halfgeleidermateriaal, meestal silicium, die wordt gebruikt als basis voor het vervaardigen van micro-elektronische componenten. De back end-activiteiten van Nexperia, dat wil zeggen de assemblage en het testen van de producten, vindt plaats in fabrieken in Dongguan (China), Cabuyao (de Filipijnen) en Seremban (Maleisië). De front end-productie van Nexperia voor onder meer de Chinese markt is ondergebracht bij Shanghai Jiangzin Technology Co., Ltd (hierna: WSS). In Nederland ontwerpt, ontwikkelt en verbetert Nexperia de chips en machines voor de afwerking van die chips. Nexperia heeft R&D-centra (research & development) in onder meer Nederland (Delft), Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, de VS, China, Maleisië, de Filipijnen en Japan.
2.4 Nexperia Holding is opgericht op 6 december 2016 en heeft een monistisch bestuur (one tier board). [bestuurder/CEO] is niet-uitvoerende bestuurder en voorzitter van het bestuur van Nexperia Holding, [verweerder 4] is uitvoerende bestuurder van Nexperia Holding. Nexperia Holding is enig aandeelhouder van Nexperia B.V., opgericht op 20 juni 2016. Het bestuur van Nexperia B.V. bestaat uit [bestuurder/CEO] (uitvoerende bestuurder; CEO) en [verweerder 4] (uitvoerende bestuurder; CLO).
2.5 Op 21 maart 2021 is voor Nexperia B.V. een concept-bestuursreglement opgesteld dat feitelijk geldt als bestuursreglement (hierna: het bestuursreglement Nexperia B.V.). Hierin staat onder meer: “3.1. The CEO is entrusted with all of the Board’s powers, authorities and discretions (including the power to sub-delegate) other than the powers explicitly retained by the Board or the Board Committees. Matters not expressly included in [article], 1.2 and[/] or in the Board Committee charters shall be validly resolved upon by the CEO and no further resolutions, approvals or other involvement of the Board shall be required.
3.2.
Subject to the limitations in these Board Rules, the CEO is entrusted with all the Board’s powers, authorities and discretions (including the power to sub-delegate) in relation to the operational running of the Company, particularly such matters as: (i) the operational running of the Nexperia Group, (ii) profit responsibility of the Nexperia Group, and (iii) managing business performance.”
2.6 Yuching, een rechtspersoon naar het recht van Hong Kong, is enig aandeelhouder van Nexperia Holding. [bestuurder/CEO] en zijn echtgenote zijn bestuurder van Yuching. Alle aandelen in Yuching worden indirect gehouden door [A] . [A] is genoteerd aan de Shanghai Stock Exchange en wordt gereguleerd door de Chinese Securities Regulatory Commission (hierna: de CSRC). [bestuurder/CEO] houdt (indirect) ongeveer 15% van de aandelen in [A] en geldt als controlerend aandeelhouder. 30% van de aandelen in [A] wordt gehouden door Chinese landelijke en regionale overheden en gelieerde investeringsfondsen. De overige aandelen in [A] betreffen free float.
2.7 In 2020 heeft [bestuurder/CEO] WSS opgericht. WSS is gevestigd te Shanghai en exploiteert een productiefaciliteit voor wafers, waar inmiddels een gedeelte van de front end-productie van Nexperia is ondergebracht. Daartoe hebben WSS en Nexperia B.V. op 4 april 2023 een Foundry Services Agreement getekend (hierna: de FSA).
2.8 In de afgelopen jaren is het publieke sentiment rondom de (Chinese) eigendomsstructuur van Nexperia negatiever geworden. De bedrijfsvoering van Nexperia ondervindt hiervan negatieve gevolgen, in het bijzonder in Europa en in de VS. Eind 2023 heeft Nexperia daarom contact opgenomen met EZ en verzocht om hulp bij de erkenning van Nexperia als Nederlands (Europees) halfgeleiderbedrijf. In januari 2024 zijn in dit kader gesprekken opgestart tussen EZ en Nexperia.
2.9 In 2024 heeft [betrokkene 1] , op dat moment bestuurder en CLO bij Nexperia, Nexperia verlaten. In zijn plaats is [verweerder 4] als bestuurder en CLO van Nexperia benoemd. Na contact met EZ is de zus van [bestuurder/CEO] teruggetreden als bestuurder van Nexperia.
2.10 Op 17 april 2024 hebben [bestuurder/CEO] en [betrokkene 2] , hoofd Corporate Affairs van Nexperia, (hierna: [betrokkene 2]) een brief aan EZ gezonden waarin zij uiteenzetten welke afspraken met EZ zijn gemaakt om het ‘perceptieprobleem’ aan te pakken. Dit zijn de volgende: “1. Het aantal statutaire directeuren van Nexperia Holding B.V. en Nexperia B.V. is nu teruggebracht van drie naar twee, te weten [ [bestuurder/CEO] ], CEO, en [ [verweerder 4] ], Chief Legal Officer.
Verder schrijven zij in deze brief: “Deze maatregelen hebben een forse en onomkeerbare impact op de manier waarop we ons bedrijf voeren en illustreren onze bereidheid om het huidige perceptieprobleem aan te pakken. Wij zijn blij met het bericht van uw ministerie dat deze maatregelen zullen leiden tot het wegnemen van de zorgen en daarmee samenhangende beperkingen waarmee Nexperia zowel in Nederland als in andere westerse landen wordt geconfronteerd, en tot de erkenning en ondersteuning van Nexperia als gewaardeerde investeerder in de Nederlandse economie.”
2.11 Op 30 april 2024 heeft Nexperia een uitwerking van deze afspraken aan EZ gepresenteerd. Onderdeel daarvan zou zijn het afsplitsen van de Nederlandse activiteiten en werknemers naar een nieuwe structuurvennootschap. Verder stelde Nexperia een diversificatie van het aandeelhoudersbestand voor, erop neerkomend dat eerst een ‘westerse’ minderheidsaandeelhouder een belang zou verwerven, gevolgd door een beursgang. Op het niveau van Nexperia Holding zou in 2024 een raad van commissarissen worden geïntroduceerd. Belangrijk onderdeel van de voorstellen waren de zogeheten reserved matters, dat wil zeggen besluiten van Nexperia Holding die zouden worden onderworpen aan goedkeuring door de raad van commissarissen. De lijst van reserved matters was afgestemd met [bestuurder/CEO] , die zelf niet aanwezig kon zijn, en kwam neer op de volgende:
2.12 In vervolg op deze bijeenkomst hebben Nexperia en EZ conceptdocumentatie gedeeld ter implementatie van deze plannen. Nexperia heeft drie kandidaat-commissarissen geselecteerd die konden rekenen op de goedkeuring van EZ.
2.13 Bij brief van 19 augustus 2024 heeft de minister bevestigd dat de zorgen die leven in het bedrijfsleven, bij overheden en bij kennisinstellingen adequaat worden aangepakt met behulp van de overeengekomen maatregelen. De minister schrijft onder meer: “Nexperia heeft een belangrijke positie in het Nederlandse en Europese ecosysteem van de halfgeleiderindustrie. Wij onderschrijven uw inzet om als Nederlandse onderneming door te groeien en zich zowel in marktsegmenten en technologie door te ontwikkelen. De strategische visie van uw bestuur en de bereidheid om de dialoog verder voort te zetten geven hier blijk van. In combinatie met de hierboven genoemde maatregelen vormt dit een vertrouwenwekkende basis voor onze verdere samenwerking. Daarmee beschouw ik Nexperia Holding B.V., en de dochtermaatschappijen van deze groep, als een volwaardige onderneming binnen de Nederlandse halfgeleiderindustrie. Waar nodig zal het ministerie dit ook kenbaar maken aan relevante partijen zoals andere overheden, kennisinstellingen en bedrijfsleven. In voorkomend geval kunt u ook verwijzen naar mijn ambtenaren indien derden om een nadere toelichting van deze brief vragen.”
2.14 [bestuurder/CEO] heeft een (Chinees) advocatenkantoor, Fangda Partners, ingeschakeld om te adviseren over de voorgenomen herziene governance. Tussen 30 augustus en 6 september 2024 is er e-mailcontact geweest tussen [betrokkene 3] , destijds Head of Legal bij [A] , (hierna: [betrokkene 3]) en [verweerder 4] over een door Fangda Partners opgestelde vragenlijst met betrekking tot de governanceherziening en gesprekken met EZ. In een e-mail van 30 augustus 2024 schreef [betrokkene 3] onder meer: “the current proposal of Supervisory board requires quite some changes as the current one will be difficult to implement given the impact it will have on Nexperia company operation and also shareholder control.”
2.15 Op 28 september 2024 heeft een bespreking plaatsgevonden bij Nexperia waarbij het hoger management en [betrokkene 3] aanwezig waren. EZ was hierbij niet aanwezig. Tijdens deze bespreking is geconcludeerd dat de voorliggende governanceherziening niet acceptabel was. [verweerder 4] is vervolgens geïnstrueerd om met EZ te onderhandelen over het achterwege laten van de reserved matters.
2.16 Begin december 2024 werd bekend dat [A] met ingang van 31 december 2024 door het Bureau of Industry and Security (onderdeel van het Amerikaanse Ministerie van Handel) op de zogeheten U.S. Entity List was gezet. Gevolg hiervan was dat [A] werd blootgesteld aan verstrekkende handelsbeperkingen. [A] heeft vervolgens besloten om haar divisie Original Design Manufacturing af te stoten en zich uitsluitend nog te richten op halfgeleideractiviteiten.
2.17 Bij e-mail van 20 december 2024 heeft een ambtenaar van EZ aan onder anderen [betrokkene 2] en [verweerder 4] geschreven dat de steun van de Nederlandse overheid in het licht van de plaatsing van [A] op de U.S. Entity List van groter belang werd en dat die steun “unequivocal measures to be developed, adopted and implemented by Nexperia” vereiste, waarbij de afspraken tussen EZ en Nexperia nog eens werden samengevat. Verder werd namens de minister geschreven: “Key is the notion that the Nexperia group has an operational independence from its listed shareholder, has an effective and coherent security and information policy both regarding cyber security as well as insider threats and finally has some form of internal supervision which provides for effective protection of these aspects. These measures should be in line with and build upon the measures the Dutch authorities already indicated in its letter of August 2024.”
2.18 Bij e-mail van 28 maart 2025 heeft [verweerder 4] aan EZ onder meer geschreven: “A clear/unconditional guarantee in relation to the Dutch/European identity/presence cannot be given since this would restrict the shareholder’s control rights too much as well as would also limit the company’s flexibility in relation to its business needs/plans in an unreasonable manner.”
2.19 Namens EZ is hierop bij e-mail van 28 april 2025 geantwoord dat: “it is essential that the company and its CEO clearly choose to maintain its European and Dutch footprint. (…) For further assistance and help from our side there must be more sufficient assurance by the company and its CEO. This needs to be clarified as well as a clear engagement to implement the broader measures as discussed.”
2.20 In gesprekken en e-mails van onder meer 5 juni 2025 heeft EZ Nexperia geïnformeerd over de mogelijk op korte termijn door de VS in te voeren 50%-rule die ook voor Nexperia tot directe handelsbeperkingen zou kunnen leiden. In deze e-mail staat onder meer: “Mocht Nijmegen een ontheffingsverzoek indienen, dan heeft VS aangegeven dat het met name zal kijken naar (1) de mitigatiemaatregelen om de overdracht van US IP, technologie, kennis en capaciteiten naar het land van zorgen te beperken (...).”
2.21 Op (onder meer) 12 juni 2025 heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken (hierna: BZ) gesproken met het Bureau of International Security and Nonproliferation van de VS. In het gespreksverslag staat onder andere dat voor de VS een belangrijk punt is: “dat aan de buitenkant geen zichtbare maatregelen zijn genomen. Dat een divestment tijd kost is begrijpelijk (...) maar dat de CEO van het bedrijf nog steeds diezelfde Chinese eigenaar is, is problematisch. Gesprekspartner en team herhalen meermaals het punt van de CEO. (...) Het is vrijwel zeker dat de CEO zal moeten worden vervangen om in aanmerking te komen voor de uitzondering op de entity list.”
2.22 In lijn met de strategie om te (kunnen) produceren in zowel Europa als in China, plaatste Nexperia geregeld wafer orders bij WSS. Deze orders werden geplaatst op basis van het raamwerk dat in de FSA was overeengekomen. WSS bevond zich in 2025 in een lastige financiële positie.
2.23 Op 4 september 2025 heeft [betrokkene 3] op instructie van [bestuurder/CEO] medegedeeld dat de bankvolmachten van drie financiële functionarissen waren ingetrokken, onder wie die van CFO [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4]), tevens lid van het Enterprise Management Team (hierna ook: het EMT), en die van de Group Treasurer. In hun plaats werd een bankvolmacht verleend aan drie personen zonder bijzondere financiële ervaring. Onder hen is een persoon die geen werknemer van Nexperia is en een medewerker met een ESG-achtergrond. In reactie hierop heeft [betrokkene 4] ervoor gewaarschuwd dat dit zou leiden tot “significant operational impact”. [betrokkene 4] heeft gewezen op de fiscale gevolgen, de gevolgen voor het cash management, hedging risico’s en het risico op fouten en vertragingen indien het financiële beheer in handen zou komen van personen zonder financiële ervaring.
2.24 Naar aanleiding van het intrekken van de bankvolmachten heeft [verweerder 4] bij e-mail van 5 september 2025 aan onder anderen [bestuurder/CEO] en [betrokkene 3] geschreven: “I am deeply concerned about the developments and interactions on this topic and believe that these do not reflect good governance and are not in the best interests of Nexperia. In my role as Chief Legal Officer and member of the board, it is my duty to advise on this to ensure we all act in the interest of Nexperia and, for board members specifically, to act in line with their fiduciary duties to Nexperia.
My key concern is that, in the context of a meaningful project on enhancing controls and decision making with the treasury team, a request is made to change the authorizations for banking transactions to individuals that have no clear role, no responsibility and, at least to my knowledge, no proper background in Nexperia’s treasury operations. This request is further made without explanation as to the reason why this change is needed. The input that was subsequently provided in response to [betrokkene 4] ’s [ [betrokkene 4] , A-G] questions and remarks does not convince and leaves unanswered why this change to become signatories is suggested and how this is embedded in the organization (chain of command/ lines of responsibility). From a governance and control perspective, I believe these to be fundamental points to be addressed.
These banking authorizations are key to a properly functioning treasury operation and changes to that should be made carefully and with involvement of the CFO and the head of treasury. Within our organization, they bear responsibility for the treasury function. Moving away their authority to enter into banking transactions is a fundamental change that should carefully be considered. These changes therefore warrant robust argumentation and decision making. [betrokkene 4] has clearly indicated his concerns and demonstrated that this change is not in the interest of Nexperia and conflicts with his (...) responsibilities and duties as CFO and head of treasury respectively. I agree with those concerns.”
2.25 Op 9 september 2025 heeft [bestuurder/CEO] aan [verweerder 4] geschreven: “As you are aware, the Nexperia Group is undergoing a period of significant transition. (...) Only with a shared vision and unity in execution can we implement the necessary changes effectively and ensure the organization is futureproof.
As part of this strategic reorientation, we have also assessed the extent to which key individuals are aligned with the strategic direction of the organization. In your case, we have observed that your approach diverges from the course envisioned by the Board on several key points.
It is our conclusion that your current role is no longer aligned with the requirements of this phase of transition and commercial focus. (...) We therefore aim to terminate your employment agreement and statutory positions.”
2.26 De OR is niet in kennis gesteld van het voorgenomen ontslag van [verweerder 4] als bestuurder van Nexperia.
2.27 Op 11 september 2025 heeft [bestuurder/CEO] brieven met vergelijkbare inhoud verzonden aan [betrokkene 4] en [betrokkene 5] (COO, lid van het EMT) (hierna: [betrokkene 5]). [verweerder 4] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] zijn niet akkoord gegaan met de aan hen aangeboden vaststellingsovereenkomsten.
2.28 In september 2025 heeft het Global Head Finance na 39 jaar bij (de voorlopers van) Nexperia ontslag genomen. In zijn ontslagbrief schrijft hij onder meer: “Given the recent decisions to replace a Key Number of European EMT Members, I feel the Mgt Culture but also the Company is now a purely Chinese Company where (executive) leaders are expected to literally execute top-down decisions in a micro managed way. This Style of Mgt may be common in Local Chinese Companies but surely is not in Global companies.”
2.29 Bij besluit van 30 september 2025 heeft de minister het bevel op grond van de Wbg aan Nexperia gegeven.
2.30 Op 30 september 2025 heeft de Amerikaanse overheid de 50%-rule gepubliceerd op basis waarvan entiteiten die (direct of indirect) voor 50% of meer in handen zijn van een entiteit op de U.S. Entity List zijn onderworpen aan dezelfde exportcontrolevereisten als de entiteiten op de U.S. Entity List. Als gevolg hiervan dient iedere partij die enig product of enige technologie waarop exportcontrolerestricties van toepassing zijn, wil uitvoeren naar of overdragen aan Nexperia, hiervoor een vergunning van het U.S. Bureau of Industry and Security te verkrijgen, waarbij als uitgangspunt geldt dat de vergunning wordt geweigerd. De productie- en R&D-locaties van Nexperia in China, Maleisië en de Filipijnen vallen met onmiddellijke ingang onder deze nieuwe regels, terwijl de regels voor Nexperia pas na 60 dagen zullen gelden (dat wil zeggen met ingang van 28 november 2025). Deze regels kunnen aanzienlijke gevolgen hebben voor de R&D-inspanningen in de VS die waarschijnlijk aan dezelfde restricties onderhevig zullen zijn.
2.31 Op 4 oktober 2025 heeft de Chinese overheid exportrestricties opgelegd aan onderaannemers van Nexperia, alsmede aan de Chinese back end-productieorganisatie van Nexperia.
3Procesverloop De ex parte-beschikking 3.1 Bij verzoekschrift van 1 oktober 2025 heeft Nexperia de OK, kort samengevat, verzocht een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Nexperia en voor de duur van de procedure enkele onmiddellijke voorzieningen te treffen, waaronder de schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia, het buiten toepassing verklaren van art. 3 bestuursreglement Nexperia B.V., de benoeming van een onafhankelijke niet-uitvoerende bestuurder met beslissende stem en zelfstandige vertegenwoordigingsbevoegdheid, en de overdracht van de door Yuching gehouden aandelen in Nexperia Holding aan een door de OK te benoemen beheerder. Nexperia heeft de OK verder verzocht het verzoek te behandelen met gesloten deuren, de zaak niet op te nemen in openbare overzichten van aanhangige zaken, geen mededelingen van de griffie aan derden over deze zaak te doen, partijen op de voet van art. 28 lid 1, aanhef en onder b Rv te verbieden aan derden mededelingen te doen omtrent deze procedure, en geen vertrouwelijke informatie op te nemen in de beschikking dan wel vertrouwelijke informatie weg te laten in de publicatieversie van de beschikking of aan derden te vertrekken. Bij brief van later die dag, 1 oktober 2025, heeft EZ het verzoek van Nexperia ondersteund en de OK met klem verzocht om het verzoek op de kortst mogelijke termijn toe te wijzen.
3.2 Bij beschikking van (eveneens) 1 oktober 2025 (hierna ook: de ex parte-beschikking) heeft de OK, kort samengevat: a. bepaald dat het verzoek om onmiddellijke voorzieningen te treffen op maandag 6 oktober 2025 met gesloten deuren zal worden behandeld; b. verzoeksters, verweersters, belanghebbenden en alle overige (rechts)personen die kennis hebben of op enig moment zullen krijgen van deze procedure verboden aan derden mededelingen te doen omtrent de procedure; c. verstaan dat naar voorlopig oordeel gegronde redenen bestaan om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken bij Nexperia; d. bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog totdat na de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 op het verzoek onmiddellijke voorzieningen te treffen zal zijn beslist met ingang van heden: (i) [bestuurder/CEO] als uitvoerende bestuurder van Nexperia Holding en als niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia B.V. geschorst; (ii) de werking van art. 3 bestuursreglement Nexperia B.V. geschorst; (iii) bepaald dat alle aandelen in Nexperia Holding ten titel van beheer zijn overgedragen aan een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon; e. iedere verdere beslissing aangehouden.
3.3 De OK heeft daartoe in de ex parte-beschikking als volgt overwogen: “2.1 De Ondernemingskamer zal partijen oproepen voor een op 6 oktober 2025 te 13:00 uur te houden mondelinge behandeling van, vooralsnog, uitsluitend het verzoek om onmiddellijke voorzieningen te treffen.
2.2 Om redenen vermeld in paragraaf 1 van het verzoekschrift en in de brief van de Staat (p. 2 onder ‘Vertrouwelijkheid’) zal de Ondernemingskamer op de voet van art. 27 lid 1, aanhef en onder b, Rv bepalen dat het verzoek alsdan zal worden behandeld met gesloten deuren. De Ondernemingskamer zal om dezelfde redenen partijen en belanghebbenden verbieden aan derden mededelingen te doen omtrent deze procedure.
2.3 De Ondernemingskamer ziet in de bijzondere aard van het verzoek en de grote spoedeisendheid van de verzochte voorzieningen aanleiding reeds thans, voorafgaand aan de op maandag 6 oktober 2025, te 13:00 te houden mondelinge behandeling, en dus ex parte op de voet van artikel 2:349a lid 3 BW te beslissen op - een deel van - de verzochte voorzieningen.
2.4 Naar het voorlopig oordeel van de Ondernemingskamer zijn er gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Nexperia c.s. (vgl. art. 2:349a lid 3 BW). De Ondernemingskamer verwijst ter nadere motivering naar hetgeen Nexperia c.s. daarover in hun verzoekschrift in paragraaf 2 (randnummer 9 tot en met 16) hebben vermeld, zoals uitgewerkt in het vervolg van het verzoekschrift en hetgeen is vermeld in het bevel van de minister van Economische Zaken van 30 september 2025 (bijlage 1 bij het verzoekschrift).
2.5 Wat betreft de spoedeisendheid verwijst de Ondernemingskamer naar hetgeen is vermeld in de brief van mr. Van der Schrie[c]k [advocaat van Nexperia, A-G] van 1 oktober 2025, p. 1 tot en met 5, eerste alinea. Op de gronden vermeld in het verzoekschrift, paragraaf 6 en 7 zal het verzoek worden toegewezen als in het dictum vermeld.
2.6 De Ondernemingskamer zal de zaak niet opnemen in openbare overzichten van aanhangige zaken en zal geen mededelingen aan derden over deze zaak doen.”
De kop-staart-beschikking 3.4 Bij verweerschrift van 5 oktober 2025 heeft EZ zich achter het verzoek van Nexperia geschaard. Bij verweerschrift van 6 oktober 2025 respectievelijk mondeling verweer ter zitting hebben [bestuurder/CEO] en Yuching de internationale bevoegdheid van de OK betwist. Subsidiair hebben zij verzocht om, kort samengevat, Nexperia niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek althans het verzoek af te wijzen, de in de ex parte-beschikking getroffen onmiddellijke voorzieningen per direct op te heffen en het verzoek om onmiddellijke voorzieningen van Nexperia af te wijzen. Voor zover de OK onmiddellijke voorzieningen treft, verzoekt Yuching [verweerder 4] te schorsen als bestuurder en een onafhankelijke bestuurder te benoemen die (namens [bestuurder/CEO] ) het concernbelang behartigt en bepaalde instructies ten aanzien van het bevel te verstrekken. [bestuurder/CEO] heeft eveneens als voorwaardelijk tegenverzoek schorsing van [verweerder 4] verzocht. Bij mondeling verweer ter zitting heeft de OR steun uitgesproken voor het verzoek van Nexperia.
3.5 Van het verhandelde ter zitting van de OK van 6 oktober 2025 is proces-verbaal opgemaakt. Aan het slot van de mondelinge behandeling heeft de OK medegedeeld dat op 7 oktober 2025 een verkorte beschikking zal worden gegeven en dat de nadere uitwerking daarvan zo spoedig mogelijk op schrift zal worden gesteld.
3.6 Bij beschikking van 7 oktober 2025 (hierna ook: de kop-staart-beschikking) heeft de OK, uitvoerbaar bij voorraad en voor zover relevant:
3.7 De OK heeft daartoe in de kop-staart-beschikking onder meer als volgt overwogen: “3.1 De Ondernemingskamer is internationaal bevoegd kennis te nemen van het verzoek. Nexperia c.s. zijn ontvankelijk in hun verzoek.
3.2 Naar voorlopig oordeel van de Ondernemingskamer is sprake van gegronde redenen om aan een juist beleid en juiste gang van zaken te twijfelen, zoals bedoeld in artikel 2:349a lid 3 BW.
3.3 De Ondernemingskamer is van oordeel dat de toestand van Nexperia c.s. het noodzakelijk maakt de navolgende onmiddellijke voorzieningen te treffen.
3.4 De Ondernemingskamer zal bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van de procedure [bestuurder/CEO] schorsen als niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia Holding en als uitvoerende bestuurder van Nexperia B.V.
3.5 De Ondernemingskamer zal de hierna te noemen persoon benoemen tot tijdelijk niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia c.s. aan wie in het bestuur van Nexperia c.s. - voor zover nodig in afwijking van de statuten - een beslissende stem toekomt, wat betekent dat overeenkomstig die stem wordt besloten, ook als die stem afwijkt van de meerderheid van de uitgebrachte stemmen en die zelfstandig bevoegd is Nexperia c.s. te vertegenwoordigen.
3.6 Ook acht de Ondernemingskamer het noodzakelijk om bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van de procedure, de door Yuchin[g] Holding gehouden aandelen in Nexperia Holding, minus één aandeel, ten titel van beheer over te dragen aan nader te noemen beheerder van aandelen. (…) 3.8 Verder acht de Ondernemingskamer het noodzakelijk om bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van de procedure de werking van artikel 3 van het bestuursreglement van Nexperia B.V. te schorsen, voor zover dit reglement van kracht is.
3.9 Voor het treffen van andere onmiddellijke voorzieningen ziet de Ondernemingskamer vooralsnog geen aanleiding. (…).”
De opheffingsbeschikking I 3.8 Bij brief van 7 oktober 2025 heeft EZ op de voet van art. 28 lid 2 Rv verzocht om gedeeltelijke opheffing van het mededelingenverbod, vervat in de beslissing in de ex parte-beschikking als bedoeld onder 3.2 sub b hiervoor en gehandhaafd in de kop-staart-beschikking, namelijk voor zover dit in het kader van diplomatieke contacten (in het belang van de onderneming) nodig is. Bij e-mail van de OK van 7 oktober 2025 zijn partijen in staat gesteld uiterlijk 8 oktober 2025 om 10:00 uur op het verzoek van EZ te reageren. De OR en Nexperia hebben het verzoek van EZ gesteund. [bestuurder/CEO] en Yuching hebben per e-mail om uitstel gevraagd, waarna de OK uitstel heeft verleend tot 8 oktober 2025 om 12:00 uur. Bij e-mails van 8 oktober 2025 (respectievelijk 11:59 uur en 12:12 uur) hebben [bestuurder/CEO] en Yuching bezwaar gemaakt tegen het verzoek van EZ.
3.9 Bij beschikking van 8 oktober 2025 (hierna ook: de opheffingsbeschikking I) heeft de OK, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat het verbod tot het doen van mededelingen aan derden omtrent deze procedure gedeeltelijk wordt opgeheven, namelijk voor zover die mededelingen worden gedaan door of namens EZ in het kader van diplomatiek overleg met betrekking tot Nexperia in verband met deze zaak. Verder heeft de OK A.R.J. Croiset van Uchelen aangewezen als beheerder van de aandelen als bedoeld in de kop-staart-beschikking (hierna ook: de OK-beheerder).
3.10 De OK heeft daartoe in de opheffingsbeschikking I als volgt overwogen: “2.1 De Ondernemingskamer stelt vast dat, gegeven de aan het enquêteverzoek ten grondslag liggende internationale problematiek en de positie waarin Nexperia c.s. zich thans bevinden, het voor Nexperia c.s. van groot belang is dat er op zo kort mogelijke termijn diplomatiek overleg kan plaatsvinden teneinde handelsbelemmeringen voor Nexperia c.s. zoveel mogelijk te voorkomen. Daarbij is noodzakelijk dat zijdens de Minister mededelingen gedaan kunnen worden over de stand van zaken in deze procedure en de gevolgen die dat heeft en mogelijk zal hebben voor de governance van Nexperia c.s. De Ondernemingskamer weegt daarbij mee dat Nexperia c.s. de noodzaak van diplomatiek overleg onderschrijven en dat zijdens de Minister van Economische Zaken is toegezegd dat hij alle ontvangers van informatie over onderhavige procedure zal wijzen op het verbod op het doen van mededelingen en hen zal verzoeken zich hieraan te houden. De Ondernemingskamer zal het verzoek van de Staat daarom toewijzen in die zin dat het verbod om mededelingen over deze procedure zal worden opgeheven voor zover die mededelingen worden gedaan door of namens de Staat (de Minister van Economische Zaken) in het kader van diplomatieke contacten met betrekking tot Nexperia c.s. in verband met deze zaak.
2.2 De Ondernemingskamer zal verder de hierna te vermelden persoon aanwijzen als beheerder van aandelen, één en ander zoals bedoeld in haar beschikking van 7 oktober 2025.”
De opheffingsbeschikking II 3.11 Bij brief van 13 oktober 2025 heeft EZ verzocht het voornoemde mededelingenverbod geheel op te heffen, onder verwijzing naar een bijgevoegd bericht dat door [A] in China zou zijn gepubliceerd. De OK-beheerder, Yuching en [bestuurder/CEO] hebben zich gerefereerd aan het oordeel van de OK. Nexperia heeft het verzoek van EZ gesteund.
3.12 Bij beschikking van 13 oktober 2025 (hierna ook: de opheffingsbeschikking II) heeft de OK, uitvoerbaar bij voorraad, het mededelingenverbod geheel opgeheven.
3.13 De OK heeft daartoe in de opheffingsbeschikking II als volgt overwogen: “2.1 Bij beschikkingen van 1 en 7 oktober 2025 heeft de Ondernemingskamer het verbod om mededelingen te doen over deze procedure opgelegd. Het verbod is opgelegd om de betrokken partijen de gelegenheid te bieden om zonder de externe druk die van eventuele publiciteit zou kunnen uitgaan in het belang van Nexperia en haar onderneming tot een werkbare oplossing van de ontstane situatie te komen. Met de publicatie van het bericht door Win[g]tech en de daarop gevolgde nieuwsberichten dient verdere geheimhouding geen redelijk doel meer. De Staat en Nexperia onderschrijven dat. Yuching Holding, [bestuurder/CEO] en de OK-beheerder hebben zich gerefereerd aan het oordeel van de Ondernemingskamer. De Ondernemingskamer zal daarom het verbod opheffen.”
De uitgewerkte beschikking 3.14 Bij beschikking van eveneens 13 oktober 2025 (hierna ook: de uitgewerkte beschikking) heeft de OK een nadere uitwerking gegeven van de kop-staart-beschikking en de opheffingsbeschikking I. De OK heeft eerst onder het opschrift “Rechtsmacht van de Nederlandse rechter” overwogen waarom zij de bevoegdheid heeft van de verzoeken van Nexperia kennis te nemen (rov. 3.1-3.5), en vervolgens onder het opschrift “Ontvankelijkheid” waarom Nexperia in haar verzoek kan worden ontvangen (rov. 3.6-3.10). Het beroep van Yuching en [bestuurder/CEO] op strijd met de goede procesorde en/of het bepaalde in art. 6 EVRM heeft de OK in de uitgewerkte beschikking met de volgende motivering verworpen: “Strijd met goede procesorde en/of artikel 6 EVRM 3.11 Yuching en [bestuurder/CEO] voeren tot hun verweer verder aan dat de gang van zaken in deze procedure in strijd is met fundamentele beginselen van een goede procesorde en met het bepaalde in artikel 6 EVRM, waaronder het recht op equality of arms en een redelijke mogelijkheid tot het voeren van verweer. Aan Yuching en [bestuurder/CEO] kan worden toegegeven dat de gang van zaken zeer ongebruikelijk is, omdat (i) de Ondernemingskamer enkele uren na ontvangst van het verzoek ex parte enige ingrijpende onmiddellijke voorzieningen heeft getroffen, (ii) de Ondernemingskamer binnen drie werkdagen (vijf dagen) een zitting heeft georganiseerd, terwijl (iii) het gaat om een complexe zaak en (iv) Yuching en [bestuurder/CEO] in deze periode ook nog op zoek moesten naar een advocaat, (v) op een moment waarop in China belangrijke feestdagen worden gevierd.
3.12 De eerste beschikking is ex parte gegeven in het licht van het onderbouwde beroep door Nexperia en de Staat dat zich bij Nexperia een acute noodsituatie voordeed. Zoals de Staat ter zitting heeft toegelicht, was het bevel in voorbereiding op het moment waarop de Staat werd overvallen door de vervroegde invoering van de 50%-rule, welke vervroeging was ingegeven door de sluiting van de federale overheid in de Verenigde Staten. Zoals in het verzoekschrift is onderbouwd, leidde de samenval van de 50%-rule en het bevel tot een onhoudbare situatie bij Nexperia, nu daarmee haar bedrijfsvoering mogelijk zou kunnen stilvallen.
3.13 Verder is van belang dat de Staat heeft betoogd dat de door Nexperia gedreven onderneming van essentieel belang is voor de economische veiligheid van Nederland en Europa, terwijl op heel korte termijn cruciale bedrijfsprocessen, goederen en kennis verloren dreigden te gaan door verplaatsing naar locaties buiten Europa. De Staat heeft daarbij de vrees uitgesproken dat overtreding van het bevel zeer waarschijnlijk zou leiden tot een feitelijk onomkeerbare situatie. Iedere dag dat deze situatie zou voortduren, zo heeft de Staat betoogd, vormde een bedreiging voor de continuïteit van de onderneming en daarmee voor de economische veiligheid van Nederland en Europa. Onder deze uitzonderlijke omstandigheden is ex parte beslist tot het treffen van enkele onmiddellijke voorzieningen, waarmee werd beoogd de situatie te bevriezen tot het verzoek inhoudelijk zou zijn behandeld en om te voorkomen dat in de periode tot aan de inhoudelijke behandeling Nexperia en haar onderneming onherstelbare schade zou worden berokkend.
3.14 Juist uit oogpunt van hoor en wederhoor is besloten deze eenzijdige bevriezing van de situatie zo kort mogelijk te doen voortduren en is op zeer korte termijn een inhoudelijke behandeling gelast. Een tweede reden voor het plannen van een zitting binnen enkele dagen was gelegen in de onderkenning dat Nexperia op korte termijn dreigt te worden getroffen door de maatregelen uit hoofde van de 50%-rule en dat in de gesprekken van Nexperia, respectievelijk de Staat met de Amerikaanse autoriteiten van groot belang is dat aan die tijdelijke bevriezing zo snel mogelijk een einde komt. Om die reden heeft de Ondernemingskamer niet bewilligd in het verzoek van Yuching en [bestuurder/CEO] tot uitstel van de mondelinge behandeling.
3.15 Intussen is in de gegeven omstandigheden zo veel mogelijk recht gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor. Belanghebbenden is tot 9.00 uur op 6 oktober 2025 (maandagochtend), vier uur voor de mondelinge behandeling, gelegenheid gegeven een verweerschrift in te dienen. Yuching heeft een volwaardig verweerschrift ingediend en haar verweer op zitting nader aangevuld. [bestuurder/CEO] - die niet in de gelegenheid is geweest tijdig een verweerschrift in te dienen - heeft op zitting extra tijd gekregen [zijn] positie toe te lichten. De behandeling op zitting is vervolgens meermalen geschorst, opdat de advocaten van [bestuurder/CEO] en Yuching in de gelegenheid werden gesteld telefonisch overleg te plegen met hun cliënten. Aldus is tegen de ongebruikelijke achtergrond van deze zaak en de hoge spoedeisendheid voldoende recht gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor en de redelijke mogelijkheid geboden tot het voeren van verweer. Het beroep op strijd met de goede procesorde en het bepaalde in artikel 6 EVRM wordt daarom verworpen.”
3.15 Naar voorlopig oordeel van de OK zijn er gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia, die geen verband houden met het bevel maar onder meer betrekking hebben op een tegenstrijdig belang van [bestuurder/CEO] , op het niet opvolgen van toezeggingen aan EZ om de governance van Nexperia te wijzigen, op het verlenen van een bankvolmacht aan personen zonder financiële ervaring, en op de ontslagaanzegging van [verweerder 4] en enkele sleutelfunctionarissen uit het EMT: “Gegronde redenen om aan een juist beleid en juiste gang van zaken te twijfelen 3.16 Naar voorlopig oordeel van de Ondernemingskamer zijn gegronde redenen aanwezig om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. Dit voorlopig oordeel steunt niet op het bevel en de gronden waarop het bevel berust. Het bevel heeft nog geen formele rechtskracht en er moet rekening mee worden gehouden dat bezwaar en beroep tegen het besluit waarbij het bevel is gegeven zal worden ingesteld. Nu het voorlopig oordeel niet steunt op het bevel, behoeft de Ondernemingskamer verder niet te treden in de uitspraak die in dat kader van de bestuursrechter mag worden verwacht (vgl. HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1128).
3.17 Het voorlopig oordeel heeft in de eerste plaats betrekking op tegenstrijdig belang. In dit verband memoreert de Ondernemingskamer dat een tegenstrijdig belang als bedoeld in artikel 2:239 lid 6 BW zich voordoet indien een bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het belang van de vennootschap en haar onderneming (vgl. HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0033, Bruil). De vraag of een tegenstrijdig belang bestaat moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Bij aanwezigheid van een tegenstrijdig belang is een hogere mate van zorgvuldigheid vereist in de voorbereiding, besluitvorming en uitvoering van de transactie. Daarbij moeten de te onderscheiden belangen op zorgvuldige wijze gescheiden worden gehouden en dient een zo groot mogelijke openheid te worden betracht. De verhoogde zorgvuldigheid dient in beginsel erop te zijn gericht dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden zodat deze zakelijk verantwoord is. Daartoe kan inschakeling van deskundige derden gewenst en onder omstandigheden geboden zijn. Indien in het bestuur beraadslaging en/of besluitvorming plaatsvindt waarbij een bestuurder een tegenstrijdig belang heeft, dient deze zich op de voet van artikel 2:239 lid 6 BW van deelname te onthouden.
3.18 [bestuurder/CEO] heeft een indirect belang in Nexperia van ongeveer 15%. Tegelijk heeft hij een controlerend belang in WSS. Dat betekent dat [bestuurder/CEO] ten aanzien van transacties tussen Nexperia en WSS te maken heeft met onverenigbare belangen waarbij, zeker nu de financiële positie van WSS slecht is, in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen als bestuurder van Nexperia uitsluitend laat leiden door het belang van Nexperia en haar onderneming. Tussen Nexperia en WSS zijn in de FSA afspraken gemaakt over wafers die door WSS zouden worden geproduceerd en aan Nexperia zouden worden geleverd. Nexperia heeft uitvoerig onderbouwd dat in 2025 zeer grote orders bij WSS werden geplaatst, in een omvang die Nexperia niet nodig heeft en die zelfs - volgens medewerkers van Nexperia - werden geplaatst for scrap (voor vernietiging).
Volgens een interne inschatting van 8 mei 2025 zou het bedrijfsonderdeel Metal-Oxide-Semiconductor in 25Q2, 25Q3 en 25Q4 in totaal 98.400 wafers nodig hebben. [bestuurder/CEO] drong er evenwel op aan dat Nexperia voor dit bedrijfsonderdeel 215.000 wafers bij WSS zou bestellen. Terwijl bedrijfsonderdeel Logic verwachtte maandelijks 400 wafers nodig te hebben, wilde [bestuurder/CEO] dat maandelijks 5.000 wafers bij WSS zouden worden besteld. De door [bestuurder/CEO] gewenste orders bij WSS voor 2025 kwamen daarmee uit op US$ 200 miljoen, terwijl de behoefte van de business zou leiden tot orders ter grootte van US$ 70-80 miljoen. Volgens interne berichten zou dit betekenen dat de door WSS te leveren wafers niet verwerkt zullen worden, maar zolang op voorraad zullen worden gehouden dat ze verouderd zijn voordat ze gebruikt kunnen worden, zodat Nexperia de orders feitelijk for scrap zou plaatsen.
De Ondernemingskamer is niet gebleken dat bij het plaatsen van de orders de vereiste verhoogde zorgvuldigheid bij tegenstrijdig belang in acht is genomen om te waarborgen dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden en zakelijk verantwoord is. Integendeel, Nexperia heeft voldoende onderbouwd dat betwijfeld kan worden dat [bestuurder/CEO] bij het plaatsen van deze orders uitsluitend het belang van Nexperia voor ogen heeft gehad en niet met name ook dat van WSS. Het gaat daarbij niet om geringe bedragen: volgens Nexperia had zij in 2025 behoefte aan wafers voor een totaalbedrag van US$ 70-80 miljoen, terwijl voor US$ 200 miljoen aan orders is geplaatst. Bij dit alles moet worden bedacht dat de FSA op aandringen van [bestuurder/CEO] met ingang van 1 januari 2025 aldus is gewijzigd, dat zij bij elke bestelling 70% van de koopprijs vooraf moet betalen.
3.19 Een tweede grond voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken is gelegen in het niet opvolgen van toezeggingen aan de Staat om de governance van Nexperia te wijzigen - in het bijzonder ten aanzien van de invoering van een raad van commissarissen met belangrijke goedkeuringsrechten. Daarbij moet worden bedacht dat het Nexperia was die in verband met de negatieve gevolgen van de perceptie van de invloed van haar Chinese aandeelhouder contact heeft gezocht met EZK en heeft gevraagd om steun voor haar als Nederlandse onderneming. Het voorgaande ging te meer klemmen toen [A] op de US Entity List werd geplaatst en werd nog urgenter toen Nexperia op 5 juni 2025 en nadien door BZ en EZK erover is geïnformeerd dat de 50%-rule mogelijk zou worden ingevoerd. Voor alle betrokkenen was duidelijk dat de 50%-rule een grote negatieve impact op Nexperia en haar onderneming zou kunnen hebben.
3.20 Tegen deze achtergrond roept het gebrek aan voortvarendheid waarmee Nexperia uitvoering heeft gegeven aan de met EZK afgestemde governance wijzigingen de nodige vragen op. Zeker vanaf het moment dat [A] op de Entity List is geplaatst moet het voor [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia duidelijk zijn geweest dat implementatie van de in overleg met EZK afgestemde maatregelen nodig was om te voorkomen dat Nexperia en haar onderneming in toenemende mate de nadelige gevolgen zouden ondervinden van de gepercipieerde invloed van haar Chinese aandeelhouder. Desondanks zijn geen stappen gezet om in het belang van Nexperia en haar onderneming tot aanpassing van de governance te komen. Ook niet toen in juni 2025 duidelijk werd dat er een aanzienlijke kans was dat de 50%-rule zou worden ingevoerd, waardoor Nexperia ook direct door handelsbeperkingen uit de Verenigde Staten zou worden geraakt.
Vanaf dat moment lag het op de weg van [bestuurder/CEO] om maatregelen te treffen om de kans te minimaliseren dat Nexperia door de 50%-rule zou worden geraakt. Nakoming van de eerdere toezeggingen tot wijziging van de governance werd zeker vanaf dat moment evident in het belang van Nexperia, omdat BZ en/of EZK daarmee een argument kon worden verschaft jegens de autoriteiten in de Verenigde Staten om de 50%-rule niet ook op Nexperia van toepassing te verklaren. De Ondernemingskamer heeft niet kunnen vaststellen dat behoudens het terugtreden van diens zuster als bestuurder zijdens [bestuurder/CEO] enige maatregel is getroffen om de nadelige gevolgen van de gepercipieerde invloed van de Chinese aandeelhouder op Nexperia en haar onderneming tegen te gaan.
3.21 Vanaf september 2025 wees het optreden van [bestuurder/CEO] zelfs eerder in de tegengestelde richting. Zonder zakelijke toelichting werden de betalingsbevoegdheden van de CFO en twee andere financiële sleutelfunctionarissen ingetrokken. In plaats daarvan werd een bankvolmacht verleend aan personen zonder financiële ervaring. Voor een onderneming van de orde van grootte van Nexperia grenst een dergelijke handelwijze aan roekeloosheid. Een paar dagen later kregen [verweerder 4] en enkele sleutelfunctionarissen uit het EMT ontslag aangezegd. De gebruikte woorden ‘We therefore aim to terminate your employment agreement and statutory positions’ maken ondubbelzinnig duidelijk dat het ontslagbesluit al vast stond. De ondernemingsraad was over dit alles niet geïnformeerd, laat staan dat hij op de voet van artikel 30 WOR tijdig om advies was gevraagd over een voorgenomen ontslag van [verweerder 4] als statutair bestuurder. De keuze om in het licht van de nakende toepassing van de 50%-rule zonder overleg of ruggenspraak over te gaan tot het ontslag van deze drie sleutelfunctionarissen in de Nederlandse organisatie van Nexperia bevreemdt te meer nu ook [bestuurder/CEO] in de gesprekken met EZK onderschreef dat het voor Nexperia van belang was het Nederlandse karakter van de onderneming te waarborgen.
3.22 De Ondernemingskamer is reeds gelet op het voorgaande voorshands van oordeel dat gegronde redenen bestaan voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Nexperia Holding en Nexperia BV. De overige aangevoerde gronden behoeven daarmee op dit moment geen behandeling.”
3.16 Over de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen is in de uitgewerkte beschikking het volgende overwogen: “Onmiddellijke voorzieningen 3.23 De Ondernemingskamer is van oordeel dat de toestand van Nexperia, zoals die blijkt uit het voorgaande het nodig maakt de navolgende onmiddellijke voorzieningen te treffen. Zij zal [bestuurder/CEO] schorsen als bestuurder van Nexperia en in zijn plaats G.R.C. Dierick tot niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia benoemen. Deze bestuurder heeft in het bestuur een beslissende stem, wat betekent dat overeenkomstig die stem wordt besloten, ook als die stem afwijkt van de meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Deze bestuurder zal zich bij de uitoefening van zijn bestuurstaak naar eigen inzicht kunnen doen bijstaan door [bestuurder/CEO] op door hem te bepalen, nader te stellen voorwaarden. De Ondernemingskamer ziet ook aanleiding om de aandelen in Nexperia Holding met uitzondering van één aandeel ten titel van beheer over te dragen aan mr. drs. A.R.J. Croiset van Uchelen. Tot slot ziet de Ondernemingskamer aanleiding de werking van artikel 3 van het Bestuursreglement te schorsen voor zover dit niet reeds strijdig is met dwingend recht.
3.24 Op zitting is uitvoerig met partijen besproken of minder vergaande voorzieningen uit oogpunt van proportionaliteit en subsidiariteit de voorkeur verdienen. De Ondernemingskamer beantwoordt die vraag ontkennend. Wat [bestuurder/CEO] als bestuurder betreft, illustreert zijn handelwijze ten aanzien van onderwerpen waarbij hij een tegenstrijdig belang heeft, dat hij zich niet uitsluitend heeft laten leiden door het belang van Nexperia en haar onderneming, maar mogelijk zijn belangen in WSS de doorslag heeft doen geven ten koste van die van Nexperia. Het bezwaar dat geen uitvoering is gegeven aan eerdere toezeggingen betreffende de wijziging van de governance nadat [A] op de Entity List werd geplaatst en in het zicht van de 50%-rule treft zowel [bestuurder/CEO] als bestuurder als Yuching als aandeelhouder. Tegen deze achtergrond acht de Ondernemingskamer een schorsing van [bestuurder/CEO] en het onder beheer plaatsen van alle aandelen minus één aandeel noodzakelijk, en proportioneel met het oog op het belang van de vennootschap, haar onderneming en de daarbij betrokkenen.
3.25 De Ondernemingskamer ziet geen aanleiding [verweerder 4] te schorsen als bestuurder en evenmin om bij onmiddellijke voorziening te verbieden dat hij wordt geschorst of ontslagen. Het is [op] dit moment veeleer in het belang van Nexperia en (de continuïteit van) haar onderneming dat [verweerder 4] en het EMT in staat worden gesteld de uitdagende omstandigheden het hoofd te bieden. De Ondernemingskamer ziet evenmin aanleiding instructie(s) aan de bestuurder te geven; deze dient naar eigen inzicht het belang van Nexperia te dienen. Of dat belang meebrengt dat bezwaar wordt gemaakt tegen het besluit waarbij het bevel is gegeven, is aan het bestuur van Nexperia.”
3.17 Over het door de OK opgelegde mededelingenverbod is in de uitgewerkte beschikking het volgende overwogen: “3.26 In de kop-staart beschikking van 7 oktober 2025 heeft de Ondernemingskamer partijen verboden (…) mededelingen te doen over deze procedure. Bij beschikkingen van 8 en 13 oktober 2025 is dit verbod gedeeltelijk en vervolgens geheel opgeheven. Om die reden zal hierover in het dictum niets meer worden vermeld.”
3.18 Verder heeft de OK in de uitgewerkte beschikking nog onder meer overwogen: “3.27 De Ondernemingskamer zal binnen redelijke termijn een zitting bepalen om het enquêteverzoek ten gronde te behandelen.”
Cassatieberoep 3.19 Bij procesinleiding van 2 januari 2026 heeft [bestuurder/CEO] (tijdig) cassatieberoep ingesteld van de ex parte-beschikking, de kop-staart-beschikking, de opheffingsbeschikking I, de opheffingsbeschikking II en de uitgewerkte beschikking. [bestuurder/CEO] heeft Yuchings verzoek om spoedbehandeling ondersteund. Omdat de grond voor een spoedbehandeling in strikte zin door de ontwikkelingen is achterhaald (zie met name onder 3.22-3.23 hierna), heeft de rolraadsheer dit verzoek afgewezen, waarbij overigens wel is toegezegd dat ernaar wordt gestreefd de zaak met voortvarendheid te behandelen.
3.20 Door Nexperia, EZ en de OR zijn verweerschriften ingediend.
3.21 Yuching heeft eveneens cassatieberoep ingesteld van de vijf onder 3.19 hiervoor genoemde OK-beschikkingen. De cassatieklachten van Yuching overlappen grotendeels met die van [bestuurder/CEO] en in deze samenhangende zaak, die bij de Hoge Raad aanhangig is onder zaaknummer 25/04297, wordt ook door dezelfde partijen verweer gevoerd. Ik neem vandaag in de zaak 25/04297 een afzonderlijke conclusie. Hoewel de cassatieklachten een grote inhoudelijke overlap vertonen, bespreek ik de cassatieklachten in beide conclusies volledig.
Ontwikkelingen nadien 3.22 Bij beschikking van 11 februari 2026 (hierna ook: de eerstefasebeschikking) heeft de OK vastgesteld dat er gegronde redenen bestaan om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia, en een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van deze vennootschappen over de periode vanaf 1 december 2023 tot de datum van de beschikking als omschreven in rov. 3.35 (hierna geciteerd). De OK heeft de bij de kop-staart-beschikking getroffen onmiddellijke voorzieningen in de eerstefasebeschikking gehandhaafd. Hoewel het onderhavige cassatieberoep van [bestuurder/CEO] niet is gericht tegen de eerstefasebeschikking, komt het mij dienstig voor enkele overwegingen uit die beschikking uit te lichten. “De Staat als belanghebbende 3.1 In beschikking 1 [de ex parte-beschikking, A-G] heeft de Ondernemingskamer de Staat aangemerkt als belanghebbende. Yuching stelt die hoedanigheid ter discussie. Volgens Yuching komt de Staat in deze procedure op ter handhaving van het bevel. Handhaving van het bevel is echter geen eigen belang waarin de Staat door de uitkomst van deze procedure geraakt kan worden, zodat hij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang. Indien het openbare belang moet worden behartigd door middel van een enquêteprocedure, is dit volgens Yuching op grond van de wet exclusief voorbehouden aan het Openbaar Ministerie. Verder levert de uitoefening door de Staat van eventuele privaatrechtelijke bevoegdheden als belanghebbende in deze procedure volgens Yuching een onaanvaardbare doorkruising op van de handhavingsbevoegdheden krachtens de Wbg en de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waaruit volgt dat het bevel slechts via het bestuursrecht kan worden gehandhaafd. Daarbij komt dat de Staat kennelijk beoogt om via het enquêterecht preventief handhavend op te treden, terwijl hij die bevoegdheid op grond van de Wbg en de Awb niet heeft, aldus telkens Yuching.
3.2 De Ondernemingskamer verwerpt dit betoog. Het feit dat het Openbaar Ministerie ingevolge artikel 124 Wet RO is belast met de strafrechtelijke handhaving en andere bij wet vastgestelde taken staat niet eraan in de weg dat de Staat in een enquêteprocedure optreedt als belanghebbende. Ook de bevoegdheden die in de artikelen 2:345 lid 2, 2:349 lid 1 en 2:355 lid 1 BW zijn toegekend aan de advocaat-generaal bij het ressortsparket Amsterdam staan hieraan niet in de weg (vgl. o.a. HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2456, SNS; HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:600, SNS).
3.3 De vraag of de Staat belanghebbende is, moet worden beoordeeld op basis van de maatstaf die de Hoge Raad heeft geformuleerd in de Scheipar-beschikking (HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440). Volgens de Hoge Raad zal daarbij een rol spelen (i) in hoeverre de Staat door de uitkomst van (…) deze procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat hij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang of (ii) in hoeverre de Staat anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.
3.4 De Ondernemingskamer merkt de Staat reeds op de tweede grond aan als belanghebbende. Een belangrijk onderwerp dat in deze procedure wordt behandeld is het beleid en de gang van zaken bij Nexperia in relatie tot de met EZ vanaf 2023 gevoerde gesprekken. Nexperia heeft uit eigen beweging steun bij EZ gezocht om te worden erkend als Nederlands (Europees) halfgeleiderbedrijf. In het enquêteverzoek en in de verschillende verweerschriften komt onder meer aan de orde de vraag welke voorwaarden EZ heeft gesteld aan het verlenen van steun, welke toezeggingen Nexperia in dit verband heeft gedaan, of zij van bepaalde toezeggingen is teruggekomen en of (en zo ja: hoe) zij aan toezeggingen aan EZ uitvoering heeft gegeven. Reeds in deze betrokkenheid van EZ is een voldoende belang gelegen voor de Staat om in de procedure als belanghebbende te verschijnen. Daarom kan in het midden blijven of de Staat in de procedure (slechts) beoogt het bevel te handhaven en of daarmee de uitoefening door de Staat van zijn publiekrechtelijke bevoegdheden uit hoofde van de Wbg en Awb op onaanvaardbare wijze wordt doorkruist. (…) Belangenafweging en onderzoek 3.32 Yuching en [bestuurder/CEO] hebben betoogd dat het verzoek - ook bij gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken - op grond van een belangenafweging moet worden afgewezen. Zij voeren aan dat de enquêteprocedure heeft geleid tot aanzienlijke schade voor Nexperia, zowel operationeel als financieel. Tegelijk moet worden erkend, zo betogen Yuching en [bestuurder/CEO] , dat een onderzoek geen oplossing kan bieden voor de problematiek die Nexperia aan de orde stelt, noch voor de huidige crisis, nu deze in de kern het gevolg is van de gewijzigde geopolitieke verhoudingen en het optreden van de Minister. Een onderzoek zal de onderneming van Nexperia juist nog verder belasten, zo betogen zij. Ook kan het onderzoek niet het publieke belang dienen nu de enquêteprocedure niet geschikt is om de ‘economische veiligheid’ in Nederland en Europa te waarborgen. Het verkrijgen van openheid van zaken en het vaststellen bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid had volgens hen ook op andere wijze kunnen worden gerealiseerd. Er is bovendien een gerede kans dat er aan het eind van een eventueel onderzoek geen aan Nexperia verbonden onderneming meer zal bestaan. Daarbij wijzen zij op het vertrek van werknemers en klanten. Maatregelen van reorganisatorische aard kunnen in dit geval geen soelaas bieden. Het enige wat resteert is een schadevergoedingsvordering tegen de Nederlandse staat, zo betogen Yuching en [bestuurder/CEO] .
3.33 De Ondernemingskamer stelt voorop dat de bevoegdheid een enquête te bevelen indien er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen, een discretionaire is. Bij de uitoefening van die bevoegdheid dient een afweging van de betrokken belangen plaats te vinden. De belangenafweging moet steunen op de feiten en omstandigheden van het concrete geval, waarbij naast de doeleinden van het enquêterecht mede moeten worden betrokken de aard van het tussen de verzoeker en de rechtspersoon bestaande geschil en de bezwaren tegen een ruime toepassing van het middel van enquête. De regeling van het enquêterecht is gericht op het belang van de rechtspersoon en bij de belangenafweging staat dat belang daarom voorop (HR, 18 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1705, SMHHC).
3.34 In de belangenafweging spelen het bevel, de opschorting daarvan en de beweegredenen die aan die besluiten ten grondslag liggen geen rol; de Ondernemingskamer treedt niet in deze onderwerpen die zich bevinden buiten het bereik van het enquêterecht. Uit het voorgaande is gebleken dat op belangrijke onderdelen van het vennootschapsrechtelijke en ondernemingsbeleid twijfel is gerezen. Het betreft onder meer kernelementen van goed bestuur, waaronder de naleving van vennootschapsrechtelijke regels bij tegenstrijdig belang en het functioneren van collegiaal bestuur, onder meer bij de vaststelling van de strategie. Die twijfel over het interne functioneren van het bestuur werkt ook door naar het ondernemingsbeleid - zie bijvoorbeeld de gang van zaken bij het intrekken van de bankvolmachten ondanks principiële bezwaren van een van de twee statutaire bestuurders. Een te gelasten onderzoek kan over de oorzaken van dit alles meer duidelijkheid geven en daarmee handvatten bieden voor het treffen van maatregelen om de rust binnen de onderneming te herstellen en in het belang van Nexperia herhaling te voorkomen. De Ondernemingskamer heeft er oog voor dat Nexperia onderdeel is van een internationaal concern met een wereldwijd vertakte onderneming en een Chinese aandeelhouder. Ook onderkent zij dat Nexperia als gevolg van geopolitieke ontwikkelingen werd geplaatst voor ingewikkelde dilemma’s. Dat alles brengt echter niet mee dat in dit geval een onderzoek achterwege dient te blijven.
3.35 De Ondernemingskamer zal een onderzoek gelasten naar het beleid en de gang van zaken van Nexperia vanaf eind 2023, toen Nexperia voor het eerst contact zocht met EZ. Gelet op het voorgaande dient het onderzoek zich in het bijzonder toe te spitsen op: a. de wijze waarop Nexperia is omgegaan met tegenstrijdig belang. Naast de onderwerpen die onder 3.9-3.15 aan de orde zijn gekomen, kan de onderzoeker ook andere onderwerpen die betrekking hebben op tegenstrijdig belang in zijn onderzoek betrekken. Daarbij valt te denken aan de deposit agreement en de discussie over het ter beschikking stellen van machines en van IE-rechten aan WSS; b. de wijze waarop Nexperia heeft geacteerd in het licht van de listing van [A] en de dreigende toepassing van de 50%-rule op Nexperia. Daarbij dient het onderzoek in het bijzonder betrekking te hebben op de gang van zaken in relatie tot EZ en andere Nederlandse overheidsorganen. Verder dient aandacht te worden besteed aan de strategische keuzes die daarbij zijn gemaakt, hoe deze zich verhouden tot de gesprekken met EZ en in hoeverre deze berusten op deugdelijke en collegiale besluitvorming binnen het statutair bestuur en het EMT. Daarbij kan, zoals subsidiair en voorwaardelijk door Yuching is verzocht, ook aandacht worden besteed aan het optreden van de CLO, CFO en COO in dat kader; c. de gang van zaken rondom de intrekking van de bankvolmachten en de ontslagaanzegging van de CLO, CFO en COO. Desgewenst kan onderzoeker deze onderwerpen behandelen als onderdeel van het onder b bedoelde onderwerp; d. de gang van zaken na de beschikking van 1 oktober 2025 tot heden, in het bijzonder omtrent het schisma tussen Nexperia enerzijds en [bestuurder/CEO] , [A] , Yuching en Nexperia China anderzijds. (…) Onmiddellijke voorzieningen 3.38 De Ondernemingskamer is van oordeel dat de toestand van Nexperia, zoals die blijkt uit het voorgaande het nodig maakt dat de eerder getroffen onmiddellijke voorzieningen worden gehandhaafd. De toestand van Nexperia vraagt nu in de eerste plaats om rust zodat zij in staat gesteld wordt de gezonde interne verhoudingen, haar productieketen en de levering aan haar klanten wereldwijd te herstellen. Dat vereist een bestuur dat in zijn functioneren niet belemmerd wordt door het geschil tussen de verschillende onderdelen van de multinationale onderneming van Nexperia en/of haar aandeelhouder. Daarnaast heeft Nexperia nog steeds het hoofd te bieden aan de geopolitieke omstandigheden en de beperkingen die dat meebrengt voor het functioneren van haar wereldwijde onderneming. Handhaving van de onmiddellijke voorzieningen stelt Nexperia in staat om daarvoor een oplossing te vinden.
3.39 De Ondernemingskamer zal in de eerste plaats de schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia en de benoeming van G.R.C. Dierick tot niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia met beslissende stem handhaven. De Ondernemingskamer onderkent dat de schorsing voor [bestuurder/CEO] om diverse (door [bestuurder/CEO] in zijn verweerschrift uiteengezette) gronden bezwaarlijk kan zijn, maar deze bezwaren wegen gelet op de gegronde redenen voor twijfel aan het beleid en de gang van zaken niet op tegen het belang van Nexperia bij rust en het herstel van gezonde verhoudingen.
3.40 De Ondernemingskamer ziet ook aanleiding om de overdracht van de aandelen in Nexperia Holding met uitzondering van één aandeel ten titel van beheer aan A.R.J. Croiset van Uchelen te handhaven. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer kan het in het belang van Nexperia noodzakelijke herstel van gezonde verhoudingen alleen worden bereikt als de daarvoor nodige besluitvorming binnen de algemene vergadering onbelemmerd kan plaatsvinden. De toestand van de vennootschap vereist daarom dat de tijdelijke overdracht ten titel van beheer van alle aandelen minus één, in stand blijft. De keuze om één aandeel in Nexperia Holding bij Yuching te laten is gemaakt om te waarborgen dat Yuching toegang houdt tot de algemene vergadering van Nexperia Holding en de in dat kader aan de aandeelhouders te verstrekken informatie.
De Ondernemingskamer merkt daarbij op dat de overdracht ten titel van beheer betekent dat de aan de aandelen verbonden vennootschapsrechtelijke bevoegdheden (waaronder het vergaderrecht en het stemrecht) tijdelijk zijn overgedragen aan de OK-beheerder, maar dat de overige (economische) aandeelhoudersrechten - waaronder het recht op dividend, voorkeursrechten en rechten in het kader van de geschillenregeling en de uitkoopprocedure - bij de aandeelhouder blijven. De door de Ondernemingskamer benoemde beheerder van aandelen is dan ook niet bevoegd om over de aan hem in beheer gegeven aandelen te beschikken; die bevoegdheid blijft bij de aandeelhouder (vgl. OK 30 april 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1535). (…).”
3.23 Bij beschikking van 17 februari 2026 heeft de OK M. Bijkerk en R.J.W. Analbers aangewezen als onderzoekers.
3.24 Het is mij ambtshalve bekend dat Yuching en [bestuurder/CEO] inmiddels ook, op 8 mei 2026 respectievelijk 11 mei 2026, cassatieberoep hebben ingesteld van de eerstefasebeschikking en de OK-beschikking van 17 februari 2026. Deze cassatieberoepen zijn bij de Hoge Raad aanhangig onder zaaknummer 26/01783 (Yuching) en zaaknummer 26/01817 ( [bestuurder/CEO] ). Voor de goede orde: op deze cassatieberoepen ziet de onderhavige conclusie niet.
4Bespreking van het cassatiemiddel 4.1 Het cassatiemiddel van [bestuurder/CEO] beslaat ruim 50 pagina’s. Het middel vangt aan met een korte inleiding zonder klacht, waarin onder meer wordt gewezen op de grote overlap - “met wat verkorting” - met het cassatiemiddel van Yuching. De onderdelen gaan, kort samengevat, over het volgende.
Vooraf: iets over ontvankelijkheid en belang 4.2 Het cassatiemiddel van [bestuurder/CEO] geeft mij aanleiding tot de volgende prealabele opmerkingen over ontvankelijkheid en belang.
4.3 Doorgaans wordt in enquêteprocedures onderscheid gemaakt tussen twee fasen. De eerste fase begint met het indienen van het enquêteverzoek als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW en eindigt in geval van toewijzing in beginsel met de deponering van het onderzoekverslag ter griffie van de OK (art. 2:353 lid 1 BW). In onze zaak is de eerste fase dus gestart op 1 oktober 2025 (zie onder 3.1 hiervoor) en loopt die fase, gelet op het in de eerstefasebeschikking bevolen onderzoek gevolgd door de aanwijzing van twee onderzoekers, in beginsel nog door tot de deponering van het onderzoekverslag ter griffie van de OK. Indien het tot een tweede fase komt, neemt die eerst een aanvang met het indienen van een verzoek tot het vaststellen van wanbeleid als bedoeld in art. 2:355 lid 1 BW.
Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de beide fasen als twee afzonderlijke procedures worden beschouwd. De eerstefasebeschikking is met andere woorden een eindbeschikking waarvan cassatieberoep openstaat. Zowel in de eerste fase als in de tweede fase kan de OK onmiddellijke voorzieningen treffen als bedoeld in art. 2:349a BW (voor de tweede fase in verbinding met art. 2:355 lid 3 BW). Onmiddellijke voorzieningen zijn voorlopige voorzieningen als bedoeld in art. 401a lid 1 Rv en met betrekking tot een OK-beschikking waarin onmiddellijke voorzieningen zijn getroffen, bestaat dus in beginsel een keuze om dadelijk cassatieberoep in te stellen van die beschikking (art. 401a lid 1 Rv in verbinding met art. 426 Rv) of dat tegelijk te doen met het cassatieberoep van de desbetreffende eindbeschikking (in dit geval zou dat dus tegelijk met het cassatieberoep van de eerstefasebeschikking zijn).
4.4 [bestuurder/CEO] heeft met het instellen van het onderhavige cassatieberoep niet gewacht tot het instellen van cassatieberoep van de eerstefasebeschikking. Niet alle vijf bestreden OK-beschikkingen zijn echter uitspraken waarbij een voorlopige voorziening wordt toegestaan of geweigerd als bedoeld in art. 401a lid 1 Rv in verbinding met art. 426 Rv. Alleen de ex parte-beschikking, de kop-staart-beschikking en de uitgewerkte beschikking kwalificeren als zodanig. Dat geldt niet voor de opheffingsbeschikking I en de opheffingsbeschikking II voor zover die verband houden met art. 28 Rv. In art. 28 lid 2 Rv is geregeld dat de rechter het mededelingenverbod als bedoeld in lid 1 van de bepaling op verzoek van een van de partijen geheel of gedeeltelijk kan opheffen.
Eerst heeft EZ op de voet van art. 28 lid 2 Rv verzocht om gedeeltelijke opheffing van het verbod, welk verzoek is toegewezen in de opheffingsbeschikking I. Vervolgens heeft EZ op diezelfde voet verzocht om het verbod geheel op te heffen, welk verzoek is toegewezen in de opheffingsbeschikking II. In art. 28 Rv is niet uitgemaakt of tegen de beslissing op het verzoek als bedoeld in art. 28 lid 2 Rv een voorziening openstaat. Op het eerste gezicht lijkt het gebruik van de woorden “op verzoek” in art. 28 lid 2 Rv te wijzen op toepasselijkheid van de regels voor de verzoekschriftprocedure (art. 261 e.v. Rv), waaruit dan zou kunnen worden afgeleid dat tegen een opheffingsbeschikking een rechtsmiddel (in dit geval cassatieberoep) openstaat.
Het gebruik van de wettelijke term “op verzoek” impliceert echter niet altijd dat de regels voor de verzoekschriftprocedure van toepassing zijn. Volgens Lock lijkt voor art. 28 lid 2 Rv ook veeleer aannemelijk dat de wetgever het oog heeft gehad op de informelere ‘procedure op verlangen’. Dat ook op informele wijze (niet bij verzoekschrift, maar bijvoorbeeld per gewone brief) om opheffing kan worden verzocht, betekent echter niet zonder meer dat tegen een beschikking waarin op een dergelijk verzoek is beslist geen rechtsmiddel openstaat. Volgens Tjong Tjin Tai is de beslissing op het verzoek tot gehele of gedeeltelijke opheffing als bedoeld in art. 28 lid 2 Rv een eindbeschikking waar geen rechtsmiddel tegen openstaat.
Daarvan uitgaande, geldt het volgende.
4.5 [bestuurder/CEO] is dan in beginsel niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep voor zover dat is gericht tegen de opheffingsbeschikking I en de opheffingsbeschikking II. Voor de opheffingsbeschikking I plaats ik daarbij de kanttekening dat [bestuurder/CEO] wél in zijn cassatieberoep van deze beschikking kan worden ontvangen voor zover het de beslissing tot aanwijzing van de OK-beheerder betreft (zie rov. 2.2 en dictum). Dit laatste staat immers niet in de sleutel van art. 28 lid 2 Rv, maar van art. 2:349a lid 3 BW. En daartegen kan [bestuurder/CEO] als gezegd, gelet op art. 401a lid 1 Rv in verbinding met art. 426 Rv, in cassatie wél (dadelijk) opkomen.
4.6 Bij het voorgaande dient verder de mogelijkheid van een doorbrekingsgrond onder ogen te worden gezien. Zo is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat bij veronachtzaming van een zo fundamenteel beginsel van behoorlijke rechtspleging, zoals het beginsel van hoor/wederhoor, niet meer kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak en grond bestaat voor doorbreking van een rechtsmiddelenverbod.
4.7 Volgens [bestuurder/CEO] onderdeel 1 is sprake van schending van zijn recht op een eerlijk proces, met name hoor/wederhoor en equality of arms. Als ik het goed zie, richt [bestuurder/CEO] zijn pijlen in dit onderdeel echter niet op de opheffingsbeschikking I en de opheffingsbeschikking II. Dat bij deze opheffingsbeslissingen essentiële vormen zouden zijn verzuimd, valt overigens ook niet in te zien. Uit de opheffingsbeschikking I blijkt immers dat de OK het uitgestelde verweer van [bestuurder/CEO] en Yuching tegen de gedeeltelijke opheffing van het verbod in de beoordeling heeft betrokken, en uit de opheffingsbeschikking II blijkt dat [bestuurder/CEO] en Yuching tijdig te kennen hebben gegeven dat zij zich refereren aan het oordeel van de OK over de gehele opheffing van het verbod. Deze beschikkingen dateren ook van na de mondelinge behandeling op 6 oktober 2025.
4.8 In [bestuurder/CEO] onderdeel 2 zou wellicht een beroep op een andere mogelijke doorbrekingsgrond gelezen kunnen worden, namelijk dat de OK buiten het toepassingsgebied van art. 28 Rv is getreden in de opheffingsbeschikking I, bij het verzoek van EZ (belanghebbende) tot gedeeltelijke opheffing van het verbod op de voet van art. 28 lid 2 Rv. Een dergelijk verzoek kan volgens de wettekst alleen worden gedaan door “een der partijen”, welk partijbegrip blijkens de wetsgeschiedenis ruim moet worden uitgelegd en in een verzoekschriftprocedure ook een belanghebbende omvat. Volgens onderdeel 2 is EZ ten onrechte als belanghebbende aangemerkt. Dat zou kunnen worden verstaan als het buiten het toepassingsgebied van art. 28 Rv treden, in de zin dat het verzoek dan niet door een der partijen als bedoeld in art. 28 lid 2 Rv is gedaan, namelijk volgens dit onderdeel door een niet-belanghebbende. Hoe dit ook zij, onderdeel 2 is alleen gericht tegen de opheffingsbeschikking I en laat dus onbestreden de opheffingsbeschikking II waarin eveneens op verzoek van EZ het desbetreffende verbod geheel is opgeheven, zodat al geen belang bestaat bij cassatieberoep van de opheffingbeschikking I in verband met EZ als belanghebbende.
4.9 In [bestuurder/CEO] onderdeel 5 komt de opheffingsbeschikking II nog wel aan de orde. Dit onderdeel is onder meer gericht tegen rov. 2.1 van deze beschikking voor zover de OK daarin heeft overwogen wat de reden voor het opleggen van het verbod is geweest, te weten om de betrokken partijen de gelegenheid te bieden zonder de externe druk die van eventuele publiciteit zou kunnen uitgaan in het belang van Nexperia en haar onderneming tot een werkbare oplossing van de ontstane situatie te komen. De motivering voor het opleggen van het verbod blijkt echter al uit de ex parte-beschikking, rov. 2.2. Dat een van de redenen voor het opleggen van het verbod in de opheffingsbeschikking II, rov. 2.1 nog eens wordt herhaald, levert geen grond op voor cassatie(beroep) van de beslissing in de opheffingsbeschikking II om het verbod geheel op te heffen.
4.10 Hoewel EZ reeds in de ex parte-beschikking als belanghebbende is aangemerkt, heeft de OK de motivering voor de toelating van EZ als belanghebbende pas in de eerstefasebeschikking gegeven (rov. 3.1-3.4). Deze motivering (geciteerd onder 3.22 hiervoor) kan dan volgens mij wel bij de beoordeling van [bestuurder/CEO] onderdeel 2 worden betrokken, overigens met de kanttekening dat hij hier, gelet op de volgorde van/het tijdsverloop tussen de PI en de eerstefasebeschikking, nog geen rekening heeft kunnen houden met deze motivering. Eenzelfde dynamiek speelt in het kader van [bestuurder/CEO] onderdeel 4 over de getroffen onmiddellijke voorzieningen van onder meer de schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder en benoeming van G.R.C. Dierick als niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia, en de overdracht ten titel van beheer van Yuchings aandelen minus één. In de eerstefasebeschikking heeft de OK toegelicht waarom voor deze onmiddellijke voorzieningen is gekozen (rov. 3.39-3.40, ook geciteerd onder 3.22 hiervoor). Wel is het zo dat de OK in de uitgewerkte beschikking (rov. 3.24) hierover ook al enig licht laat schijnen.
4.11 Verder merk ik nog op dat [bestuurder/CEO] onderdeel 5, anders dan de onderdelen 1 t/m 4, geen verband houdt met de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen. Dit onderdeel heeft betrekking op de reikwijdte van het door de OK in verband met art. 28 lid 1 Rv in de ex parte-beschikking opgelegde en in de kop-staart-beschikking gehandhaafde mededelingenverbod. Onderdeel 5 klaagt dat de OK met dit verbod in verschillende opzichten de grenzen van art. 28 Rv heeft miskend. Wordt aangenomen dat geen cassatieberoep openstaat van de beslissingen op het verzoek als bedoeld in art. 28 lid 2 Rv om het verbod eerst gedeeltelijk (opheffingsbeschikking I) en daarna geheel (opheffingsbeschikking II) op te heffen, dan laat dit onverlet dat in het onderhavige cassatieberoep wel erover geklaagd kan worden dat de OK bij het opgelegde verbod buiten het toepassingsgebied van art. 28 Rv zou zijn getreden. Zie vanaf 4.142 hierna.
4.12 Resumerend concludeer ik, uitgaande van de hiervoor geschetste lijn, tot niet-ontvankelijkheid van [bestuurder/CEO] in zijn cassatieberoep betreffende de opheffingsbeschikking I en de opheffingsbeschikking II voor zover daarin beslissingen op de voet van art. 28 lid 2 Rv zijn gegeven. Dit met de kanttekening dat voor zover de opheffingsbeschikking I verband houdt met het treffen van onmiddellijke voorzieningen (dat wil hier dus zeggen: de beslissing over de aanwijzing van de OK-beheerder als bedoeld in de kop-staart-beschikking) [bestuurder/CEO] wél, evenals bij de andere drie beschikkingen (de ex parte-beschikking, de kop-staart-beschikking en de uitgewerkte beschikking), in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
4.13 Voor zover wel een rechtsmiddel zou openstaan tegen de beslissingen op de voet van art. 28 lid 2 Rv in de opheffingsbeschikking I en de opheffingsbeschikking II merk ik op dat [bestuurder/CEO] , gelet ook op de feitelijke gang van zaken en zijn uiteindelijke opstelling ter zake bij de OK (zie nader onder 3.13 en 4.7 hiervoor), ook geen belang heeft bij vernietiging van deze opheffingsbeslissingen en het cassatieberoep voor zover het is gericht tegen deze opheffingsbeslissingen dus hoe dan ook dient te worden afgewezen (verworpen). Overigens verdient nog opmerking dat voor zover de opheffingbeschikking I wordt betrokken in subonderdeel 2.2 (zie PI 52), te gelden heeft dat het daarin door [bestuurder/CEO] gedane beroep op de ‘doorkruisingsleer’ in ieder geval faalt, nog los van het voorgaande. Zie vanaf 4.73 hierna.
Nu naar de inhoud 4.14 Daarmee kom ik toe aan de inhoudelijke bespreking van [bestuurder/CEO] cassatieklachten.
Onderdeel 1 (“Schending van [bestuurder/CEO] recht op een eerlijk proces, met name hoor en wederhoor en equality of arms”) 4.15 Onderdeel 1 (PI 3) klaagt in de kern dat de OK met de procesgang voorafgaand aan de ex parte-beschikking en daarna, uitmondend in de kop-staart-beschikking en de uitgewerkte beschikking, [bestuurder/CEO] door art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijke behandeling van de zaak heeft geschonden. Volgens het onderdeel heeft de OK ten onrechte onmiddellijke voorzieningen getroffen en deze vervolgens gehandhaafd, zonder dat [bestuurder/CEO] (voldoende) in de gelegenheid is gesteld zich daartegen te verweren. Het onderdeel bevat drie subonderdelen (PI 4).
4.16 Volgens subonderdeel 1.1 (PI 5) bestaat, kort samengevat, geen uitdrukkelijke wettelijke grondslag voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen in een enquêteprocedure zonder dat de daardoor direct geraakte belanghebbenden van tevoren worden gehoord en de mogelijkheid hebben om verweer te voeren. Het subonderdeel bevat een rechtsklacht (toegelicht in PI 6-18) en een motiveringsklacht (toegelicht in PI 19-21).
Behandeling 4.17 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.18 Onder 4.18.1-4.18.8 hierna maak ik enkele inleidende opmerkingen. Onder 4.19 hierna keer ik terug naar het subonderdeel, te beginnen met de rechtsklacht.
4.18.1 Het recht op rechterlijk gehoor en het daarmee samenhangende recht op hoor/wederhoor (art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM), waaronder equality of arms, wordt wel beschouwd als het meest fundamentele beginsel van het (burgerlijk) procesrecht. Hoewel het naar de letter gaat om een recht van partijen, is het ook toepasselijk op belanghebbenden in een verzoekschriftprocedure. Art. 6 EVRM kan eveneens spelen bij de behandeling van een verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen in de zin van art. 2:349a BW als door die onmiddellijke voorzieningen, die kunnen worden beschouwd als zogenoemde interim measures, burgerlijke rechten en verplichtingen worden vastgesteld. Toch is het niet zo dat de OK in verband met het bepaalde in art. 19 Rv en art. 6 EVRM nimmer mag beslissen op een verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen zonder belanghebbenden, zoals hier [bestuurder/CEO] , in de gelegenheid te hebben gesteld zich over dat verzoek uit te laten. Een dergelijke absolute gelding hebben die bepalingen niet.
4.18.2 Zo laat de EHRM-rechtspraak over interim measures uitdrukkelijk de mogelijkheid open dat in uitzonderlijke (spoedeisende) gevallen burgerlijke rechten en verplichtingen kunnen worden vastgesteld zonder dat onmiddellijk aan alle vereisten van art. 6 EVRM wordt voldaan. En zo biedt art. 19 lid 1 Rv uitdrukkelijk de ruimte voor uitzonderingen, want “een en ander tenzij uit de wet anders voortvloeit”. Een bekend voorbeeld van dit laatste is het verzoek tot verlof voor het leggen van conservatoir beslag waarop de voorzieningenrechter na summier onderzoek en meestal beslist zonder de aspirant-beslagene vooraf te hebben gehoord (zie art. 700 Rv). Daarnaast zijn ook gevallen uit de rechtspraak bekend waarin een partij afstand heeft gedaan van de in het beginsel van hoor/wederhoor gelegen bescherming, of waarin een partij geen belang heeft bij hoor/wederhoor over een bepaald stuk.
4.18.3 Het is verder vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat, hoewel de rechter in verband met het bepaalde in art. 19 Rv of art. 6 EVRM in het algemeen niet op een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening mag beslissen zonder de belanghebbende(n) in de gelegenheid te hebben gesteld zich over dat verzoek uit te laten, de omstandigheden van het concrete geval zodanig bijzonder kunnen zijn dat de rechter met spoed voorlopig op dat verzoek beslist zonder de belanghebbende(n) te horen. Geen wet van Meden en Perzen derhalve.
4.18.4 Illustratief is de volgende passage uit een Hoge Raad-uitspraak van 20 april 2007: “(…) Voorzover het onderdeel berust op de opvatting dat een verzoek ingevolge art. 2:298 lid 2 BW tot het treffen van voorlopige voorzieningen als de onderhavige nimmer kan worden toegewezen zonder dat de betrokken bestuurder vooraf is gehoord, faalt het omdat die opvatting in haar algemeenheid onjuist is. In het algemeen dient de rechter niet te beslissen zonder een dergelijk verhoor vooraf. Het bepaalde in art. 19 Rv. of art. 6 EVRM staat echter niet eraan in de weg dat de rechter met het oog op de ernst van de aan het verzoek tot schorsing van een bestuurder en benoeming van een tijdelijk bestuurder ten grondslag gelegde feiten of de spoedeisendheid van de verzochte voorzieningen, tot het treffen daarvan overgaat zonder de betrokken bestuurder vooraf te horen. Bij de verdere behandeling van het verzoek tot ontslag van de voorlopig geschorste bestuurder dient de rechter dan, eventueel na een verzoek tot vervroegde mondelinge behandeling, te beoordelen of de gronden tot het treffen van de voorlopige voorzieningen en de noodzaak tot het handhaven daarvan nog steeds bestaan, en zijn oordeel dienaangaande, indien hetgeen de geschorste bestuurder in dat verband aanvoert daartoe aanleiding geeft, nader te motiveren.”
4.18.5 Hierop bouwde de Hoge Raad op 14 december 2018 als volgt voort, inzake een beslissing tot schorsing van een schriftelijke aanwijzing op de voet van art. 1:264 lid 1, laatste zin BW (waarop de algemene bepaling inzake voorlopige voorzieningen van art. 223 Rv van overeenkomstige toepassing is): “Hoewel de rechter in verband met het bepaalde in art. 19 Rv of art. 6 EVRM in het algemeen niet op een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening mag beslissen zonder de belanghebbenden in de gelegenheid te hebben gesteld zich over dat verzoek uit te laten, kan dat anders zijn bij een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als hier aan de orde. Genoemde bepalingen staan niet eraan in de weg dat de kinderrechter met het oog op de spoedeisendheid van het verzoek tot schorsing van een schriftelijke aanwijzing, mede gelet op de ernst van de eraan ten grondslag gelegde feiten, met spoed voorlopig op dat verzoek beslist zonder de belanghebbenden te horen. Het is aan de kinderrechter overgelaten of hij daartoe overgaat. Beslist de kinderrechter met spoed voorlopig en zonder de belanghebbenden te horen op het schorsingsverzoek, dan dient hij bij de verdere behandeling van het verzoek tot vervallenverklaring, eventueel na een verzoek tot vervroegde mondelinge behandeling, het schorsingsverzoek nader te beoordelen en zijn oordeel dienaangaande zo nodig te heroverwegen of nader te motiveren mede in het licht van hetgeen de belanghebbenden in dat verband aanvoeren (vgl. HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9324).”
4.18.6 Waar de omstandigheden van het concrete geval de rechter aanleiding geven met spoed voorlopig op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening te beslissen zonder de belanghebbende(n) te horen, kan, voor zover dan nodig, de wettelijke basis voor een uitzondering in de zin van art. 19 lid 1 Rv gevonden worden: in de algemene regeling inzake voorlopige voorzieningen van art. 223 Rv, waar deze zich leent voor overeenkomstige toepassing in de desbetreffende verzoekschriftprocedure; of in een bijzondere regeling inzake voorlopige voorzieningen, zoals in Boek 2 BW te vinden is in het stichtingenrecht (art. 2:298 lid 2 BW), en in het enquêterecht (art. 2:349a lid 2-3 BW), waarbij aan overeenkomstige toepassing van art. 223 Rv niet wordt toegekomen. Ik schrijf “voor zover dan nodig”, nu in de literatuur wel lijkt te worden aangenomen dat een dergelijk spoedeisend geval een afzonderlijke categorie betreft, naast het geval waarin een (uitdrukkelijke) wettelijke basis voor een uitzondering in zin van art. 19 lid 1 Rv is vereist en bestaat, zoals het reeds genoemde art. 700 Rv. De rechtspraak van het EHRM biedt hiertoe trouwens ook een aanknopingspunt.
4.18.7 In de onderhavige zaak gaat het om een enquêteprocedure. Dat daarin, voor zover nodig, art. 2:349a lid 2-3 BW als zodanig zo’n wettelijke basis biedt, laat zich ook onderbouwen door een parallel te trekken met onmiddellijke voorzieningen in kort geding (art. 254 Rv). In kort geding bestaat de mogelijkheid tot het treffen van een zogenoemde freezing order, waarmee in dit verband onder meer wordt bedoeld dat de voorzieningenrechter voorafgaand aan de mondelinge behandeling een voorlopige voorziening treft met gelding tot aan de mondelinge behandeling. Daarbij dient de voorzieningenrechter in beginsel eerst gelegenheid te geven aan de gedaagde op zeer korte termijn summierlijk zijn standpunt te delen, maar de voorzieningenrechter wordt ook bevoegd geacht in uitzonderlijke gevallen waarin zelfs dat verweer niet kan worden afgewacht zo’n freezing order te geven zonder de gedaagde te horen (dus ex parte). Zo’n freezing order kan worden gegeven zodra het kort geding aanhangig is. De grondslag voor deze bevoegdheid van de voorzieningenrechter wordt niet gevonden in (overeenkomstige toepassing van) art. 223 Rv, maar in art. 254 Rv als zodanig, dat immers al de bevoegdheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen geeft.
4.18.8 Deze redenering laat zich naar mijn idee doortrekken naar art. 2:349a lid 2-3 BW, aldus dat deze bijzondere regeling (overeenkomstige toepassing van) art. 223 Rv, of art. 254 Rv, hier overbodig maakt: de bevoegdheid van de OK tot het treffen van een freezing order voorafgaand aan de mondelinge behandeling in een enquêteprocedure volgt immers al uit art. 2:349a BW. In lid 2 daarvan is bepaald dat een onmiddellijke voorziening “in elke stand van het geding” kan worden getroffen, wat dus betekent vanaf het moment dat een enquêteverzoek in de zin van art. 2:345 lid 1 BW is ingediend. In art. 2:349a lid 3 BW wordt nog eens uitdrukkelijk bevestigd dat onmiddellijke voorzieningen kunnen worden getroffen voorafgaand aan de beslissing op het enquêteverzoek (“[i]ngeval nog geen onderzoek is gelast”). Uit de aard van de in de ex parte-beschikking getroffen onmiddellijke voorzieningen en uit de motivering in met name de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12-3.13 maak ik overigens op dat het de OK ook te doen was om het tijdelijk bevriezen van de bestaande situatie tot de mondelinge behandeling ter voorkoming van onherstelbare schade aan Nexperia en de met haar verbonden onderneming, dus met inachtneming van de economische werkelijkheid in dit concrete geval., 4.19 Bezien tegen deze achtergrond voert het subonderdeel m.i. geen overtuigende redenen aan waarom hetgeen in het kader van het treffen van voorlopige voorzieningen als bijvoorbeeld bedoeld in art. 223 Rv en art. 2:298 lid 2 BW door de Hoge Raad is goedgekeurd, en mogelijk wordt geacht als freezing order op de voet van art. 254 Rv in een kort geding, en bovendien uitdrukkelijk in uitzonderlijke (spoedeisende) gevallen is toegelaten door het EHRM, niet mogelijk zou (moeten) zijn in het kader van het treffen van onmiddellijke voorzieningen als bedoeld in art. 2:349a lid 2-3 BW. Daarop stuit de rechtsklacht in het subonderdeel af. Kort en goed, voor zover al een uitdrukkelijke wettelijke grondslag is vereist voor ex parte onmiddellijke voorzieningen is die er hier, te weten art. 2:349a lid 2-3 BW. Ik licht dit hierna verder toe voor zover nodig, onder verwijzing naar relevante randnummers in de PI.
4.19.1 Het betoog in PI 6 dat de uitdrukkelijke wettelijke grondslag niet kan worden gevonden in art. 279 Rv kan [bestuurder/CEO] niet baten, nu, voor zover nodig, in dit geval art. 2:349a BW een toereikende wettelijke basis in de zin van art. 19 lid 1 Rv biedt, zoals overigens uitdrukkelijk door de OK is overwogen in de ex parte-beschikking, rov. 2.3 (“ex parte op de voet van artikel 2:349a lid 3 BW te beslissen op - een deel van - de verzochte voorzieningen”). De ex parte-beschikking biedt geen enkel aanknopingspunt voor de lezing dat de OK haar bevoegdheid ex parte onmiddellijke voorzieningen te treffen mede zou hebben ontleend aan art. 279 Rv.
4.19.2 In PI 7 wordt de onder 4.18.4 hiervoor bedoelde Hoge Raad-uitspraak van 20 april 2007 verkeerd gelezen, voor zover tot uitgangspunt wordt genomen dat de Hoge Raad in die uitspraak geen wettelijke basis als bedoeld in art. 19 lid 1 Rv heeft aangewezen. De wettelijke basis die in die uitspraak wordt genoemd is immers art. 2:298 lid 2 BW.
4.19.3 Volgens PI 8 ligt het in de rede dat ex parte beslissingen in verzoekschriftprocedures: “hooguit toelaatbaar zijn in bijzonder spoedeisende gevallen, waarin geen twijfel bestaat over de onevenredige en onherstelbare schade die voor de verzoeker zal ontstaan door naleving van het beginsel van hoor en wederhoor, waarbij de rechterlijke beslissing slechts een conserverend, niet-ingrijpend karakter kan hebben en waarbij de toepasselijke regeling zich niet tegen een ex parte procedure verzet.” [noten niet overgenomen uit het origineel, A-G] Voor zover hiermee wordt bedoeld te klagen dat in het onderhavige geval geen sprake is van een dergelijk geval, geldt het volgende. Uit de ex parte-beschikking, rov. 2.3 blijkt dat de OK “in de bijzondere aard van het verzoek en de grote spoedeisendheid van de verzochte voorzieningen” aanleiding heeft gezien ex parte op de voet van art. 2:349a lid 3 BW te beslissen op een deel van de verzochte voorzieningen. Dat sprake was van een bijzonder spoedeisend geval blijkt ook uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12-3.13, waarin de OK onder meer heeft overwogen dat de ex parte voorzieningen zijn gegeven “in het licht van het onderbouwde beroep door Nexperia en de Staat dat zich bij Nexperia een acute noodsituatie voordeed”.
De onevenredige en onherstelbare schade die voor Nexperia zou ontstaan als niet onmiddellijk door de OK werd ingegrepen, is eveneens toegelicht in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12-3.13, waarin onder meer wordt gewezen op “een onhoudbare situatie bij Nexperia” (rov. 3.12), op “een bedreiging voor de continuïteit van de onderneming en daarmee voor de economische veiligheid van Nederland en Europa” (rov. 3.13), en op het “voorkomen dat in de periode tot aan de inhoudelijke behandeling Nexperia en haar onderneming onherstelbare schade zou worden berokkend” (rov. 3.13). Verder geldt dat de onmiddellijke voorzieningen die ex parte door de OK zijn getroffen slechts een conserverend, niet-ingrijpend karakter hadden.
Volgens de OK is in die rov. 3.13 onder de aldaar genoemde uitzonderlijke omstandigheden ex parte beslist tot het treffen van enkele onmiddellijke voorzieningen “waarmee werd beoogd de situatie te bevriezen tot het verzoek inhoudelijk zou zijn behandeld (…)”, ofwel een zo kort mogelijke “eenzijdige bevriezing van de situatie” (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14). Dat slechts sprake was van een tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie, ofwel een zuiver conserverende maatregel, blijkt ook uit de in de ex parte-beschikking getroffen onmiddellijke voorzieningen. Tijdelijk, vooralsnog totdat na de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 op het verzoek werd beslist, werd uitsluitend: [bestuurder/CEO] geschorst als bestuurder van Nexperia; de werking van art. 3 bestuursreglement Nexperia B.V. geschorst; en bepaald dat de aandelen van Yuching in Nexperia Holding ten titel van beheer werden overgedragen.
De OK-bestuurder en de OK-beheerder zijn pas later, na gelegenheid tot hoor/wederhoor van [bestuurder/CEO] en Yuching op de mondelinge behandeling en bij verweerschrift, aangewezen, respectievelijk in de kop-staart-beschikking (van 7 oktober 2025) en de opheffingsbeschikking I (van 8 oktober 2025). Dat de toepasselijke wettelijke regeling, art. 2:349a BW, zich niet verzet tegen het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen kwam al aan de orde: zie mede onder 4.18.6-4.18.8 hiervoor. Dat bepalingen zoals art. 700 lid 3, 809 lid 3 en 1019e lid 1 Rv een uitdrukkelijke wettelijke grondslag bieden om geen wederhoor toe te passen, zoals PI 8 aanvoert, betekent ook niet dat a contrario de bevoegdheid om ex parte onmiddellijke voorzieningen te kunnen treffen niet aan art. 2:349a BW kan worden ontleend.
Hierbij is niet een vergelijking met de hiervoor genoemde Rv-bepalingen leidend, maar laat zich, zoals gezegd, een parallel trekken met bijvoorbeeld art. 254 Rv op grond waarvan in kort geding zo nodig ex parte een freezing order kan worden opgelegd. Zie nader onder 4.18.6-4.18.8 hiervoor.
4.19.4 In PI 10 wordt aangevoerd dat de inrichting van de enquêteprocedure en de daarin verplichte belangenafweging voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen zich, zeker als dat berust op een louter voorlopig oordeel ex art. 2:349a lid 3 BW, verzet tegen het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen. Dit argument stuit ook reeds af op die parallel met het treffen van onmiddellijke voorzieningen in kort geding op de voet van art. 254 Rv.
4.19.5 Dat, zoals PI 11 kort samengevat aanvoert, de OK sinds haar instelling in 1971 voor zover bekend uit de gepubliceerde rechtspraak niet eerder in een enquêteprocedure ex parte onmiddellijke voorzieningen heeft getroffen, laat, ook indien juist, eveneens onverlet dat die mogelijkheid in genoemde uitzonderlijke gevallen als de onderhavige wel op grond van art. 2:349a BW toelaatbaar is (nog daargelaten dat de bevoegdheid van de OK tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen niet al sinds 1971, maar pas veel later, sinds 1 januari 1994, in de wet (art. 2:349a BW) is opgenomen). Iets anders is dat de OK in het verleden ook wel op andere wijze rekening heeft gehouden met de bijzonderheden van het concrete geval waar het ging om het beslissen op een verzoek tot (onder meer) het treffen van onmiddellijke voorzieningen. Ik denk bijvoorbeeld aan:
Dit laatste, het houden van een mondelinge behandeling binnen een of enkele dagen na indiening van het verzoekschrift met zo mogelijk direct uitspraak, lijkt ook de route te zijn die Nexperia aanvankelijk voor ogen had. Later die dag, 1 oktober 2025, werd het spoedverzoek nog kracht bijgezet door de brief van EZ. Daarin heeft de OK - kennelijk en niet onbegrijpelijk - aanleiding gezien om met de beslissing tot het treffen van enkele onmiddellijke voorzieningen die de bestaande situatie bij Nexperia tijdelijk zouden bevriezen niet nog enkele dagen, tot (na) de op 6 oktober 2025 geplande mondelinge behandeling, te wachten, maar hierop onmiddellijk, ex parte, te beslissen. Hierbij heeft de OK de procedurele waarborgen die volgen uit de onder 4.18.4-4.18.5 hiervoor bedoelde Hoge Raad-uitspraken van 14 december 2018 en 20 april 2007 in acht genomen.
Ter mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 uitmondend in de kop-staart-beschikking is heroverwogen, rekening houdend met het verweer van [bestuurder/CEO] en Yuching, of de onmiddellijke voorzieningen gehandhaafd dienden te worden, welk antwoord naar het oordeel van de OK bevestigend luidde, met de kanttekening dat de overdracht van Yuchings aandelen ten titel van beheer werd gewijzigd in de zin dat Yuching één aandeel niet hoefde over te dragen aan de OK-beheerder (zie onder meer de kop-staart-beschikking, rov. 3.3, 3.6). En in de uitgewerkte beschikking (rov. 3.23-3.25) heeft de OK de getroffen onmiddellijke voorzieningen nader gemotiveerd, waarbij uitdrukkelijk rekening is gehouden met wat [bestuurder/CEO] en Yuching ter zitting en als verweer hebben aangevoerd.
Dat is dus geheel volgens het spoorboekje dat door de Hoge Raad is uiteengezet in voornoemde uitspraken van 14 december 2018 en 20 april 2007.
4.19.6 Het beroep in PI 12-13 op de Hoge Raad-uitspraken inzake KPNQwest en ATR Leasing treft evenmin doel. Ik licht toe.
4.19.7 In KPNQwest heeft de Hoge Raad overwogen: “De voorzitter van de ondernemingskamer [thans de raadsheer-commissaris als bedoeld in art. 2:350 lid 4 BW, A-G] heeft voorts de vrijheid op de voet van art. 279 lid 1 Rv. het verzoek [als bedoeld in art. 2:352 lid 1 BW, dat wil zeggen een verzoek van de onderzoeker(s) tot het geven van bevelen ter handhaving van de in art. 2:351 BW aan de onderzoeker(s) ter vervulling van diens/hun onderzoekstaak verleende rechten en bevoegdheden, A-G] onmiddellijk toe te wijzen als hij van oordeel is dat het verzochte bevel op de wet is gegrond en aanstonds kan worden verleend en hij zal alleen het oproepen van belanghebbenden moeten bevelen als de mogelijkheid bestaat dat het bevel niet of niet geheel dan wel niet op de gevraagde wijze toewijsbaar is in verband met de rechten of belangen van anderen. Daarbij zal, gelet op de aard van het bevel, meestal uitsluitend aan de orde zijn of de rechtspersoon grond kan hebben de door de onderzoeker(s) verlangde medewerking te weigeren.
Het bevel is immers in de eerste plaats gericht tot de te onderzoeken rechtspersoon, die de wettelijke verplichting heeft aan het onderzoek medewerking te verlenen. Het beginsel van hoor en wederhoor brengt alleen dan een verplichting tot oproeping van andere belanghebbenden mee als aannemelijk is dat dezen door het geven van het bevel rechtstreeks in hun belangen kunnen worden geschaad. Hieruit volgt dat onderdeel 4 wat de in 3.3.2 onder c en d bedoelde klachten betreft, berust op de onjuiste rechtsopvatting dat altijd alle bekende belanghebbenden moeten worden opgeroepen om ter terechtzitting te worden gehoord.”
Hoewel, zoals in PI 12-13 wordt onderkend, dit oordeel betrekking heeft op een heel ander verzoek dan het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, zou hieruit bij wijze van analogie kunnen worden afgeleid dat het beginsel van hoor/wederhoor een verplichting tot oproeping van [bestuurder/CEO] met zich brengt met betrekking tot het verzoek tot het treffen van de onmiddellijke voorziening van schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia, nu [bestuurder/CEO] met betrekking tot dat verzoek immers rechtstreeks in zijn belang kan worden geschaad. Die KPNQwest-uitspraak onderstreept met andere woorden in algemene zin dat het beginsel van hoor/wederhoor in de enquêteprocedure moet worden gerespecteerd. Die uitspraak doet echter niet af aan een (op de voet van art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM) toegelaten uitzondering op dat beginsel bij het treffen van onmiddellijke voorzieningen op de voet van art. 2:349a BW in bijzondere situaties, in lijn met voornoemde Hoge Raad-uitspraken van 14 december 2018 en 20 april 2007, en naar analogie van een freezing order in kort geding op de voet van art. 254 Rv. Zie onder 4.18.1-4.18.8 hiervoor. Voor de goede orde benadruk ik nog een keer dat die wettelijke basis hier niet bestaat in art. 279 Rv (of art. 223 Rv dan wel art. 254 Rv), maar in art. 2:349a BW.
4.19.8 In ATR Leasing heeft de Hoge Raad overwogen: “Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De ondernemingskamer mag een onderzoek als bedoeld in art. 2:345 BW niet bevelen zonder dat daaraan een daartoe strekkend verzoek ten grondslag ligt, doch als zij gebruik maakt van haar wettelijke bevoegdheden heeft de ondernemingskamer een ruime mate van vrijheid in haar beoordeling. Het is in beginsel aan het oordeel van de ondernemingskamer overgelaten het verzoek tot een enquête al dan niet toe te wijzen, met dien verstande dat ingevolge art. 2:350 BW het verzoek slechts toewijsbaar is wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid van de betrokken rechtspersoon te twijfelen (HR 20 november 1996, nr. OK55, NJ 1997, 188). De ondernemingskamer moet daarbij zowel op de belangen van verzoekers tot een enquête letten als op die van andere bij de (onderneming van de) rechtspersoon betrokken belanghebbenden. Daarbij staat het belang van de rechtspersoon voorop.
Met het oog hierop en gelet op de aard van deze op een spoedige beslissing gerichte procedure, past het niet de eis te stellen dat de ondernemingskamer slechts kan beslissen binnen de strikte grenzen van het verzoek zoals verzoekers dit hebben ingekleed. Deze beoordelingsvrijheid brengt mee dat belanghebbenden, ook indien zij niet de bevoegdheid hebben een verzoek tot het bevelen van een onderzoek in te dienen, over alle aspecten van het (verzoek tot het bevelen van een) onderzoek hun standpunt mogen kenbaar maken, dus niet alleen over de al dan niet toewijsbaarheid van het verzoek, maar ook over de aard en omvang van het eventueel door de ondernemingskamer te bevelen onderzoek, waaronder begrepen de periode waarover het zich moet uitstrekken.
Als de ondernemingskamer vervolgens van oordeel is dat het verzoek toewijsbaar is, zal zij de omvang van het onderzoek, en daarmee dus eveneens de periode waarover dat zich moet uitstrekken, alsmede van de daartoe noodzakelijke voorzieningen dienen te bepalen. Haar komt daarbij een grote mate van vrijheid toe (HR 6 juni 2003, nr. R02/078, NJ 2003, 486). Daarbij zal de ondernemingskamer, in verband met het voorschrift van art. 24 Rv., geen beslissing mogen geven waarop de betrokken partijen, gelet op het verloop van het geding en het processuele debat, niet bedacht behoefden te zijn en over de consequenties waarvan zij zich niet hebben kunnen uitlaten. Het staat de ondernemingskamer dan ook niet vrij beslissingen te geven of voorzieningen te treffen die niet stroken met de strekking van het ingediende verzoek of die aan de kenbare bedoeling van verzoekers zodanig afbreuk doen dat moet worden aangenomen dat zij het verzoek, als daaraan op deze wijze uitvoering wordt gegeven, niet zouden hebben gehandhaafd.”
Hieruit blijkt dat die uitspraak niet zozeer betrekking heeft op de beslissing op het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, als wel op de beslissing op het verzoek tot het bevelen van een onderzoek. Overigens heeft de OK in de onderhavige zaak niet ex parte andere onmiddellijke voorzieningen getroffen dan waar door Nexperia om is verzocht. Dat enkele voorzieningen reeds ex parte zijn getroffen, lijkt mij ook geen verrassingsbeslissing als bedoeld in ATR Leasing, nu die beslissing strookt met de strekking van het ingediende verzoek althans geen afbreuk doet aan de kenbare bedoeling van verzoekers. Nexperia heeft immers, daarin gesteund door EZ, verzocht om de zaak “met bijzondere spoed” te behandelen.
Dat zij daarbij niet uitdrukkelijk heeft verzocht om ex parte onmiddellijke voorzieningen te treffen, is te verklaren door het feit dat de OK hiertoe, voor zover mij bekend, niet eerder is overgegaan. Zie ook onder 4.19.5 hiervoor. In dit verband acht ik tevens van belang dat het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen volgens mij niet als een afzonderlijk incident onder overeenkomstige toepassing van art. 223 Rv moet worden beschouwd, maar als een bevoegdheid die rechtstreeks zijn grondslag vindt in art. 2:349a BW. Zie ook onder 4.18.6 en 4.18.8 hiervoor. De OK heeft met andere woorden in de ex parte-beschikking niet ambtshalve, zonder dat daaraan een verzoek op de voet van art. 2:349a BW ten grondslag ligt, beslist tot het ex parte treffen van enkele onmiddellijke voorzieningen.
Ik merk verder op dat wat betreft het moment waarop het treffen van een onmiddellijke voorziening vereist is in verband met de toestand van de rechtspersoon (of in het belang van het onderzoek) aan de OK een grote mate van vrijheid toekomt, die voortvloeit uit het karakter van onmiddellijke voorzieningen als ordemaatregel en besloten ligt in de discretionaire bevoegdheid van de OK in het kader van art. 2:349a lid 2-3 BW.
4.19.9 In PI 14 wordt een beroep gedaan op de aard en doeleinden van de enquêteprocedure, welk beroep overigens slechts wordt toegelicht onder verwijzing naar delen van de tekst van art. 2:349a BW. Ik zie niet in dat de OK met het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen de aard of doeleinden van de enquêteprocedure zou hebben miskend. Wat de aard van de enquêteprocedure betreft, kan bijvoorbeeld worden gewezen op de onder 4.19.8 hiervoor geciteerde rechtsoverweging uit ATR Leasing, waaruit onder meer blijkt dat de enquêteprocedure een op een spoedige beslissing gerichte procedure is waarin het belang van de rechtspersoon vooropstaat. In de aard van de enquêteprocedure in het algemeen en de aard van onmiddellijke voorzieningen in het bijzonder ligt juist een rechtvaardiging besloten voor het onmiddellijk (zo nodig ex parte) moeten kunnen ingrijpen door de OK indien de toestand van de rechtspersoon (of het belang van het onderzoek) dat vergt. Evenmin valt in te zien dat het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen niet zou stroken met de doeleinden van het enquêterecht, waartoe immers onder meer behoort de sanering van en het herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van organisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon.
4.19.10 Voor zover PI 14 aanvoert dat art. 2:349a BW geen grondslag biedt voor het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen, ziet het verder voorbij aan het volgende.
Art. 2:349a lid 1, eerste zin BW bepaalt dat de OK het verzoek “met de meeste spoed” behandelt. Dit heeft overigens niet alleen betrekking op het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, maar ook op het enquêteverzoek in de zin van art. 2:345 lid 1 BW zelf. Uit het vervolg van art. 2:349a lid 1 BW blijkt dat de wetgever daarbij een (mondelinge) behandeling van het verzoek voor ogen heeft gestaan, waarbij belanghebbenden voorafgaand aan de aanvang van de behandeling tot een bepaald door de OK te bepalen tijdstip een verweerschrift kunnen indienen, verzoekers en de rechtspersoon hetzij bij advocaat hetzij bijgestaan door hun advocaten verschijnen, en de OK ook ambtshalve getuigen en deskundigen kan horen alvorens te beslissen op het verzoek.
Het wettelijke uitgangspunt is dus dat na een mondelinge behandeling tegelijk wordt beslist op het enquêteverzoek en het treffen van onmiddellijke voorzieningen voor zover ook om dat laatste is verzocht. Uit het vervolg van art. 2:349a BW blijkt echter dat beide verzoeken los van elkaar kunnen worden behandeld. Volgens art. 2:349a lid 2 BW kan het treffen van onmiddellijke voorzieningen immers “in elke stand van het geding” geschieden, en art. 2:349a lid 3 BW bepaalt uitdrukkelijk dat en onder welke voorwaarden dat kan ingeval “nog geen onderzoek is gelast”. Een onmiddellijke voorziening kan dus worden getroffen vanaf het moment dat een enquêteverzoek (met tevens een verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen) is ingediend; anders gezegd, het geding vangt aan met het indienen van het verzoekschrift als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW.
Voor die tijd, wanneer nog geen enquêteverzoek is ingediend, is men voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen aangewezen op de voorzieningenrechter, die dan terughoudend moet optreden.
4.19.11 In PI 15 wordt aangevoerd dat een parallel met het ex parte leggen van conservatoir beslag op grond van een geïnstitutionaliseerde wettelijke grondslag (“art. 700 jo 705 Rv”) niet opgaat. Het belang van het wijzen op verschillen tussen het ex parte kunnen (geven van verlof voor het) leggen van conservatoir beslag en het al dan niet ex parte kunnen treffen van onmiddellijke voorzieningen ontgaat mij. Het bestreden oordeel van de OK is trouwens ook niet (mede) ingestoken op enige parallel met het ex parte kunnen (geven van verlof voor het) leggen van conservatoir beslag. Waar het om gaat, is immers of er, voor zover nodig, een toereikende wettelijke basis in de zin van art. 19 lid 1 Rv is voor de door de OK gemaakte uitzondering op het beginsel van hoor/wederhoor. En die basis in de wet is er, te weten art. 2:349a BW. Het gaat met andere woorden om een andere basis in de wet dan die in Rv waarop PI 15 is geënt.
4.19.12 In PI 16 wordt in twijfel getrokken of die uitspraak van Hoge Raad van 20 april 2007 in overeenstemming is met de wet. Daarmee wordt kennelijk bedoeld dat de Hoge Raad in die uitspraak geen wettelijke basis in de zin van art. 19 lid 1 Rv voor de uitzondering op het beginsel van hoor/wederhoor zou hebben aangewezen. Dat berust als gezegd op een verkeerde lezing van die uitspraak, nu de door de Hoge Raad aangewezen wettelijke basis in die uitspraak art. 2:298 lid 2 BW betreft. In PI 18 wordt bij herhaling opgemerkt dat in het onderhavige geval een deugdelijke wettelijke basis zoals vereist in art. 19 lid 1 Rv zou ontbreken. Deze basis kan in het onderhavige geval evenwel worden gevonden in art. 2:349a BW, zoals overigens ook uitdrukkelijk door de OK is overwogen in de ex parte-beschikking, rov. 2.3 (“ex parte op de voet van artikel 2:349a lid 3 BW te beslissen op - een deel van - de verzochte voorzieningen”).
4.19.13 Anders dan de hiervoor besproken Hoge Raad-uitspraken inzake KPNQwest en ATR Leasing hebben de Hoge Raad-uitspraken inzake DSM,Versatel en SkyGate, waarop in PI 16-17 beroep wordt gedaan, wel specifiek betrekking op het door de OK treffen van onmiddellijke voorzieningen. Ik citeer uit DSM: