PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/04854 C Zitting 13 januari 2026 CONCLUSIE V.M.A. Sinnige In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, hierna: de verdachte 1Inleiding 1.1 De verdachte is bij vonnis van 30 november 2023 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (verder: “het Hof”) (parketnr. H 210/21), middels bevestiging (met aanvulling en verbetering) van het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (“verder het Gerecht”) wegens: - ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde: medeplegen van – kort gezegd – passieve ambtelijke omkoping, meermalen gepleegd; - ten aanzien van het onder feit 3 en 4 ten laste gelegde: “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, en opzettelijk gebruik maken van valse of vervalste geschriften, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden en is de verdachte voor de duur van 7 jaar ontzet van het recht ambten te bekleden. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. S.W.M. Stevens, advocaat in Den Haag, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld. 1.3 Er bestaat samenhang met de zaak 23/04911 C. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen. 2De zaak 2.1 Uit het, door het Hof bevestigde, vonnis van het Gerecht kan worden afgeleid dat het onderzoek in deze zaak is gestart naar aanleiding van zogenaamde TCI-informatie inhoudend dat het aanbestedingsproces rondom de vuilnisstortplaats op Sint Maarten (hierna ook: [A] ) niet integer zou zijn verlopen. In deze informatie werd onder meer de naam van [verdachte] genoemd die steekpenningen zou hebben ontvangen. Op 7 juli 2018 is het opsporingsonderzoek Ruby gestart. Dit onderzoek richtte zich in eerste instantie op [verdachte] en zijn echtgenote [echtgenote verdachte] in de periode van 1 mei 2015 tot en met augustus 2018. Zij werden verdacht van het medeplegen van het aannemen van steekpenningen in dienstbetrekking van [betrokkene 1] en zijn bedrijf [B] (hierna ook: [B] ) in ruil voor het winnen van de aanbesteding van de vuilnisstortplaats. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat er vermoedelijk ook sprake was van misbruik van een stelpost Sewage bij [C] en dat [verdachte] misbruik maakte van zijn functie bij de toewijzing van de herlocatie en huur en bouwvergunningen aan een familiebedrijf op [locatie] . Het onderzoek naar deze strafbare feiten is beschreven in drie zaaksdossiers te weten: Zaaksdossier 1: Aanbesteding Zaaksdossier 2: [locatie] Zaaksdossier 3: Stelpost. 2.2 Naar aanleiding van zaaksdossier 1 is aan de verdachte medeplegen van ambtelijke omkoping (feit 1) ten laste gelegd. Feit 3 en 4 betreffen medeplegen van twee vormen van valsheid in geschrift en hebben betrekking op zaaksdossier 3. Voor deze feiten is de verdachte door het Hof veroordeeld. Ten aanzien van feit 2 (misbruik van functie ex art. 2:354 SrSM), welk feit ziet op zaaksdossier 2, is de verdachte door (het Gerecht
- en)het Hof vrijgesproken. 3Het eerste middel 3.1 In het eerste middel (zoals gewijzigd in de aanvullende schriftuur) wordt geklaagd dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gewezen uitspraak nietig zijn omdat “de volledige versie van de pleitaantekeningen die de raadsvrouw van verzoeker ter terechtzitting in hoger beroep op zowel 5 als 6 september 2023 aan het Gemeenschappelijk Hof van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft overgelegd” zich niet bij de stukken bevindt. 3.2 Ik schets kort de gang van zaken met betrekking tot het processtuk in kwestie:
- i)Op 27 augustus 2024 is door de raadsvrouw (tijdig) verzocht om verstrekking van, onder meer, voornoemde pleitnota in hoger beroep.
- ii)Op 23 september 2024 is een schriftuur ingediend, waarin werd geklaagd over het ontbreken van de pleitnota. iii) Op 8 oktober is de pleitnota in het digitale dossier geplaatst en is een nadere termijn verleend om de schriftuur te wijzigen, aan te vullen dan wel een of meer middelen in te trekken.
- iv)Op 17 oktober 2024 is door de raadsvrouw een aanvullend verzoek gedaan tot verstrekking van de volledige pleitnota, inclusief de daarvan deel uitmakende bijlagen/producties, die in het op 8 oktober verstrekte document ontbraken.
- v)Op 21 oktober 2024 is een aanvullende schriftuur ingediend, waarin het onderhavige middel (gewijzigd) is voorgesteld.
- vi)Daarna, op 4 december 2024, zijn de bijlagen/producties in het digitaal dossier geplaatst. Daarbij is wederom een nadere termijn verleend, waarvan geen gebruik is gemaakt. 3.3 Nu de volledige pleitnota in hoger beroep, inclusief bijlagen/producties zich (thans) bij de stukken bevindt, mist het middel feitelijke grondslag, zodat het niet tot cassatie kan leiden. 4Het vijfde middel 4.1 In het vijfde middel wordt geklaagd dat de vordering ter terechtzitting in hoger beroep van de procureur-generaal ontbreekt, niet blijkt dat de procureur-generaal op de voet van art. 353 SvSM zijn vordering, inhoudende een omschrijving van de geëiste straf of maatregel, ter terechtzitting in hoger beroep heeft voorgelezen en niet blijkt dat de procureur-generaal de vordering na voorlezing aan het Hof heeft overgelegd. Volgens de steller van het middel dient dit te leiden tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak. 4.2 Door de raadsvrouw is de vordering ter terechtzitting in hoger beroep opgevraagd. Ik schets hier de gang van zaken omtrent dit verzoek: (
- i)Op 27 augustus 2024 is door de raadsvrouw van de verdachte (tijdig) verzocht om verstrekking van, onder meer, de schriftelijke vordering ter terechtzitting van het OM in hoger beroep. (
- ii)Op 5 september 2024 is aan de raadsvrouw medegedeeld dat het stuk niet is aangetroffen en zal worden opgevraagd bij het Hof. (iii) Op 10 september 2024 heeft de griffie van de Hoge Raad een e-mail van het Hof ontvangen waarmee diverse opgevraagde stukken aan de Hoge Raad zijn verstrekt. Meegezonden is een e-mailbericht van een “Senior Legal Assistance to the Sollicitor-General & the International Legal Assistance Centre Carib” aan het Hof waarin is opgenomen: “De schriftelijke vordering ter terechtzitting van het OM in eerste aanleg en hoger beroep zijn niet op een aparte vordering overhandigd. De eis is telkens opgenomen in het schriftelijke requisitoir.” (
- iv)Op 23 september 2024 is een schriftuur ingediend. (
- v)Op 8 oktober 2024 is door de griffie van de Hoge Raad aan de raadsvrouw medegedeeld dat het stuk geen deel uitmaakt van het dossier dat aan de Hoge Raad is toegestuurd en is een nadere termijn verleend om de schriftuur te wijzigen, aan te vullen dan wel een of meer middelen in te trekken. (
- vi)Op 17 oktober 2024 is door de raadsvrouw nogmaals om het stuk verzocht. Op dezelfde datum is door de griffie medegedeeld dat in het portaalbericht van 8 oktober 2024 reeds is medegedeeld dat dit stuk geen deel uitmaakt van het dossier dat is toegestuurd aan de Hoge Raad. (vii) Op 21 oktober 2024 is een aanvullende schriftuur ingediend, waarin het onderhavige middel is voorgesteld. 4.3 Het proces-verbaal van de zitting van het Hof van 4, 5 en 6 september 2023 houdt het volgende in: “Het Hof hervat het onderzoek van de zaak op 5 september 2023 in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de onderbreking daarvan. (…) De procureur-generaal voert het woord overeenkomstig de inhoud van het door hem aan het Hof overgelegde op schrift gestelde requisitoir, dat in het dossier is gevoegd en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd. De procureur-generaal deelt in aanvulling daarop het volgende mede: (…) De procureur-generaal vordert daarop in de zaak van [verdachte] een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur 3 jaren en de ontzetting uit het recht ambten te bekleden voor de duur van 7 jaren. De procureur-generaal deelt voorts mede dat in het requisitoir abusievelijk 5 jaren staat. (…) Het Hof hervat het onderzoek van de zaak op 6 september 2023 in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de onderbreking daarvan. (…) De procureur-generaal voert het woord overeenkomstig de inhoud van het door hem aan het Hof overgelegde op schrift gestelde repliek, dat in het dossier is gevoegd en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd. De procureur-generaal deelt in aanvulling daarop het volgende mede: Punt drie in mijn repliek voer ik ook aan in de zaak van [verdachte] . Ik pas mijn eis aan conform de door het Gerecht opgelegde straffen. De redelijke termijn is met langer dan zes maanden, maar minder dan twaalf maanden overschreden. Dat betekent een strafkorting van tien procent. Voor [verdachte] betekent dat een strafkorting van vier maanden zoals het Gerecht heeft overwogen. Ten aanzien van [echtgenote verdachte] sluit ik mij ook aan bij de overweging van het Gerecht.” 4.4 In het requisitoir, dat ziet op zowel de onderhavige zaak van de verdachte als de zaak van de medeverdachte gaat de procureur-generaal, per zaakdossier, in op de ten laste gelegde feiten en hetgeen hier in hoger beroep tegenin is gebracht en geeft hij aan welke feiten wat hem betreft bewezen verklaard kunnen worden en of de motivering van het Gerecht wat hem betreft aanvulling behoeft. Vervolgens worden overwegingen met betrekking tot de strafmaat weergegeven. Het requisitoir eindigt met een eis ten aanzien van de verdachte en de medeverdachte. Ten aanzien van de verdachte luidt deze als volgt: “Eis [verdachte] Het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd, omdat is gerekwireerd tot een bewezenverklaring van feit 2 ten aanzien van de huurovereenkomst. [verdachte] dient partieel te worden vrijgesproken van feit 2 ten aanzien van het herlocatieverzoek en de bouwvergunning en hij dient voor het overige tenlastegelegde (feit 1 primair, 2 ten aanzien van de huurovereenkomst, 3 en 4) te worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren. Om te voorkomen dat hij in de gelegenheid zal komen om opnieuw misbruik te maken van enig ambt, ben ik voorts met het Gerecht van oordeel dat het thans nog steeds noodzakelijk is dat aan [verdachte] de maatregel tot ontzetting van het recht om ambten te bekleden voor de duur van vijf jaren wordt opgelegd.” 4.5 Het op schrift gestelde repliek houdt (met weglating van voetnoten) onder meer het volgende in: “Redelijke termijn Ik neem eenzelfde standpunt in als in de zaak van [echtgenote verdachte] . Volledigheidshalve heb ik die hieronder opgenomen, maar met uw goedvinden wil ik dit als voorgedragen beschouwen. Allereerst wijzig ik mijn standpunt dat geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Hoewel sprake is van een bijzondere situatie nu een vervolgingsbeslissing pas genomen kon worden na verlof, zie ik conform de jurisprudentie van de HR de doorzoeking met de RC wel als een daad van vervolging. Gelet op vaste jurisprudentie leidt een overschrijding van de redelijke termijn niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen, en wordt een overschrijding van de redelijke termijn in de regel gecompenseerd door strafvermindering. Het Gerecht heeft naar mijn oordeel deze rechtsregel op een juiste manier toegepast.” 4.6 Art. 353 lid 1 SvSM, dat ingevolge art. 302 SvSM toepasselijk is op zowel de terechtzitting in eerste aanleg als in hoger beroep, luidt als volgt: 1. Nadat, behoudens het bepaalde bij artikel 347, de ondervraging van de verdachte heeft plaatsgehad, kan de procureur-generaal het woord voeren en legt hij zijn vordering, na voorlezing, aan het Hof over. De vordering omschrijft de straf of de maatregel, indien oplegging daarvan wordt geëist, en vermeldt in dat geval tevens, welk bepaald strafbaar feit zou zijn begaan. De procureur-generaal maakt, voor zover zulks aan de verdachte niet reeds eerder was gebleken, kenbaar of hij voornemens is een vordering als bedoeld in artikel 1:77 van het Wetboek van Strafrecht van Curaçao aanhangig te maken, alsmede of daartoe een strafrechtelijk financieel onderzoek, als bedoeld in artikel 177a, is ingesteld. Van deze mededeling van de procureur-generaal wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting aantekening gedaan. 4.7 Art. 353 SvSM bepaalt dat de procureur-generaal kan rekwireren, maar schrijft dwingend voor dat hij zijn vordering, na voorlezing, overlegt aan het Hof. Aan het nalaten de vordering voor te lezen en te overleggen is in de wet geen nietigheid verbonden. De Hoge Raad heeft in zijn jurisprudentie – over het op dit punt nagenoeg gelijkluidende art. 311 lid 1 SvNL – evenwel geoordeeld dat , het voorlezen van de vordering een zo belangrijk onderdeel is van een accusatoir en openbaar strafproces, dat dit op straffe van (substantiële) nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en het daarop gebouwde vonnis of arrest is vereist. Van voorlezing van de vordering moet in het proces-verbaal van de zitting blijken. Het nalaten van overlegging van de vordering wordt niet met nietigheid bedreigd. Uit de wet, waarin wordt voorgeschreven dat de vordering wordt voorgelezen en overgelegd, volgt dat de vordering op schrift wordt gesteld. De wet bevat verder geen voorschriften voor de vorm van de vordering. Niet is bijvoorbeeld voorgeschreven dat de vordering een separaat document betreft. Wat betreft de inhoud van de vordering geldt dat deze, indien geëist, de straf of maatregel bevat en, in dat geval ook, het strafbare feit dat zou zijn begaan (de kwalificatie). 4.8 In de onderhavige zaak is, zo maak ik op uit de berichtgeving vanuit het Hof, geen separate vordering opgesteld. Wel is onderaan het op schrift gestelde requisitoir de vordering (“eis”) opgenomen dat het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd, dat de verdachte ten aanzien van feit 2 partieel wordt vrijgesproken en voor het overige (feit 1 primair, feit 2 voor het overige, feiten 3 en 4) wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar en dat aan hem een ontzegging van het recht om ambten te bekleden voor de duur van vijf jaar. Het proces-verbaal van de zitting vermeldt dat de procureur-generaal het woord heeft gevoerd overeenkomstig de inhoud van dit, door hem aan het Hof overgelegde op schrift gestelde, requisitoir (dat in het dossier is gevoegd en als herhaald en ingelast wordt beschouwd), dat hij in aanvulling op het requisitoir een aantal mededelingen heeft gedaan en vervolgens dat de procureur-generaal heeft gevorderd dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar en een ontzegging van het recht om ambten te bekleden voor de duur van zeven jaar wordt opgelegd en dat hij bij het doen van de vordering heeft medegedeeld dat in het requisitoir abusievelijk vijf jaar staat (waar dit dus zeven jaar moet zijn). Tot slot blijkt uit het proces-verbaal dat de procureur-generaal bij repliek (dat ook op schrift is overgelegd), vanwege overschrijding van de redelijke termijn, zijn strafeis heeft verminderd met vier maanden, tot een gevangenisstraf voor de duur gelijk aan door het Gerecht in het vonnis waarvan beroep was opgelegd – en dus: 32 maanden. Gelet op het voorgaande meen ik dat is voldaan aan het vereiste uit art. 353 lid 1 SvSM dat de procureur-generaal zijn vordering voorleest. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit het proces-verbaal volgt dat de procureur-generaal zijn in het requisitoir opgenomen vordering heeft voorgedragen (en bij repliek heeft bijgesteld). Dat de vordering niet separaat op schrift is gesteld, maar is opgenomen in (aan het einde van) het requisitoir maakt dit niet anders. Voor zover in het middel wordt geklaagd dat vordering ontbreekt of dat is nagelaten de vordering te overleggen, leidt het middel (bovendien) reeds niet tot cassatie omdat deze verzuimen niet tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en het vonnis van het Hof dienen te leiden. 4.9 Het middel faalt. 5Het tweede middel 5.1 Het tweede middel ziet op de bewezenverklaring van de onder feit 1 ten laste gelegde ambtelijke omkoping. Het middel (zoals gewijzigd in de aanvullende schriftuur) is gericht tegen (de motivering van) het oordeel van het Hof dat de verdachte (als medepleger) giften en diensten heeft gevraagd dan wel aangenomen, wetende dat deze werden gedaan teneinde hem te bewegen iets te doen of na te laten en/of dat hij niet alleen vanwege zakelijke redenen positief omtrent de gunning aan [B] heeft geadviseerd. Ook wordt geklaagd dat het Hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging dat vrijspraak diende te volgen zonder dat het Hof in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die daartoe hebben geleid. 5.2 Ten laste van de verdachte is onder feit 1 bewezen verklaard dat: “hij in de periode van 2 juni 2015 tot en met 30 augustus 2018 in Sint Maarten , telkens tezamen en in vereniging met anderen, als ambtenaar, te weten als hoofd van de afdeling Infrastructuurbeheer (Infrastructure Management), werkzaam bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur (VROMI), een gift en een dienst heeft aangenomen van [betrokkene 1] en/ of [betrokkene 2] en/of [B] B.V., en telkens voor zichzelf en zijn echtgenote [echtgenote verdachte] en zijn zoon [verdachte] , een gift en een dienst heeft gevraagd aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/ of [B] B.V., zijnde die giften en diensten: - een geldbedrag van USD 5.000,-; en - een geldbedrag van USD 22.700,-; en - het aangaan van een dienstverleningsovereenkomst met het bedrijf van [D] ( [D] ) en een geldbedrag van in totaal ANG 233.496,91 en| - het aangaan van een arbeidsovereenkomst met [verdachte] en een geldbedrag van in totaal ANG 128.832,09 en - een geldbedrag van in totaal NAF 188.800,-, telkens wetende dat die giften en diensten hem, verdachte en anderen werden gedaan en werden verleend teneinde hem, de verdachte, te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten en ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn bediening was gedaan of nagelaten, hebbende verdachte en zijn mededader telkens: - niet alleen vanwege zakelijke redenen positief geadviseerd middels een intern toewijzingsadvies (Internal Awarding Advice) om te bewerkstelligen dat aan [B] B.V. dat contract werd gegund en - informatie aan [B] verstrekt en de benodigde aanbestedingsdocumenten opgesteld en geadviseerd en geassisteerd en geassisteerd bij het opstellen van aanbestedingsdocumenten, benodigd voor het verkrijgen van het beheerscontract van de vuilstortplaats (Contract Management [E] Pond Island 2016-2017) en - een relatie onderhouden tussen hem, verdachte enerzijds en [B] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] anderzijds teneinde gunning van verlenging van een beheerscontract mogelijk te maken en - ervoor gezorgd dat genoegzame naleving van geldende veiligheidsprocedures en verplichtingen die voor [B] B.V. en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voortvloeiden uit het beheerscontract van de vuilstortplaats (Contract Management [E] Pond Island 2016-2017) en overige relevante regelgeving niet (volledig) zouden worden gehandhaafd of dat anderszins (volledige) nakoming daarvan zou worden afgedwongen.” 5.3 Het Hof heeft ten aanzien van feit 1 het (Promis)vonnis van het Gerecht bevestigd, met aanvulling en verbetering van de bewijsmiddelen en -overwegingen. Daarmee heeft het Hof aan de bewezenverklaring het volgende (met weglating van voetnoten) ten grondslag gelegd: “Zaaksdossier 1: Aanbesteding van [A] Geschriften, van belang voor deze zaak Op 24 november 2015 verschijnt in The Daily Herald een advertentie onder de kop: Public Tender Management [E] Pond Island 2016-2017. Als 'principal' wordt genoemd het Ministerie van VROMI, vertegenwoordigd door het Department of Infrastructure Management. Als uiterste inlevermoment voor biedingen wordt 30 november 2015 om 10.00 uur genoemd. Ook wordt melding gemaakt van een informatiebijeenkomst. Verdere informatie kan volgens deze advertentie verkregen worden bij het Ministerie van VROMI, Department of Infrastructure Management, ter attentie van [verdachte] . Op 1 december 2015 stelt het Department of Infrastructure Management van VROMI een Internal Awarding Advice op, waarbij de twee binnengekomen biedingen, waarvan een van [B] ad NAf 4.662.920,- en een van [C] ad NAf 7.187.672,-, worden geëvalueerd. De conclusie van het departement luidt dat op basis van het puntensysteem, zoals omschreven in de Terms of Reference, het beheerscontract voor de [E] Pond Island 2016-2017 zou moeten worden gegund aan [B] . Dit advies is ondertekend door de contract manager E. [betrokkene 3] en het hoofd van het departement [verdachte] . Na goedkeuring door de Raad Van Ministers op 8 en 27 januari 2016, en ondertekening van het Landsbesluit door de Gouverneur op 10 maart 20165, wordt op 16 maart 2016 tussen het Land Sint Maarten , vertegenwoordigd door de Minister van VROMI [betrokkene 12] , en [B] , vertegenwoordigd door [betrokkene 1] , overeengekomen dat [B] van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017 de [E] zal beheren, met de mogelijkheid van verlenging met een jaar. Hiervoor wordt een vergoeding overeengekomen van NAf 4.462.920,-. Dit contract draagt de naam: Agreement Management [E] Pond Island 2016-2017. [B] is opgericht op 2 juni 2015, met als statutair directeur [betrokkene 1] . In de periode van 29 juli 2015 tot en met 30 november 2015, de dag waarop de biedingen binnen moeten zijn, vindt de navolgende communicatie plaats. - Op 29 juli 2015 mailt [betrokkene 7] , voormalig bedrijfsleider bij [C] , het bid-document van [C] uit 2011 naar [verdachte] , die de ontvangst bevestigt. Dit betreft de biedingsdocumenten die [C] in 2011 heeft ingediend voor de aanbesteding van het beheerscontract van de [E] met daarin de specificaties. - Op 14 augustus 2015 wordt van de printer bij VROMI het Kamer van Koophandel uittreksel van [B] ingescand en gestuurd naar het e-mailadres van [verdachte] . [verdachte] mailt dit, zonder toelichting, naar het e-mailadres van zijn dochter. - Op 18 augustus 2015 wordt op de tijdens de huiszoeking bij [D] inbeslaggenomen computer de bestandsmap Babadoo\tender\ [E] \ geopend. - Op 18 augustus 2015 wordt op de bij [D] aangetroffen computer een bestand aangemaakt, genaamd Plan of Action.docx van [B] . Uit de documenteigenschappen blijkt dat dit bestand is aangemaakt door [echtgenote verdachte] . Als contributor staat vermeld: Princess [dochter verdachte] . In het Plan of Action van [B] van 10 september 2015 wordt onder punt 6.1 onder 'involved parties' als 'Employer/Principal' genoemd: Ministry of VROMI, met als contactpersoon: [verdachte] . Het gerecht constateert dat het Plan of Action zoals aangetroffen in de computer van [D] inhoudelijk overeenkomt met teksten vermeld in het door [betrokkene 7] aan [verdachte] toegestuurde bid 2011 van [C] . - Op 28 augustus 2015 wordt op de bij [D] aangetroffen computer een bestand aangemaakt, genaamd Equipment for works.docx van [B] . Uit de documenteigenschappen blijkt dat dit bestand is aangemaakt door [echtgenote verdachte] . Als contributor staat vermeld: Princess [dochter verdachte] . Het gerecht constateert dat bij dit document dezelfde foto's zijn gevoegd als in het bid van [C] uit 2011. - Op 28 augustus 2015 stuurt [verdachte] van zijn zakelijke e-mailadres een e-mail naar zijn privé e-mailadres met als tekst: "Hi [betrokkene 2] , Please fill out accordingly and return to me." Als attachment is gevoegd een document genaamd: Equipment list for work.docx van [B] . In de documenteigenschappen van dit bestand staat als creator [echtgenote verdachte] vermeld en als contributor [verdachte] . Het gerecht constateert dat dit bestand vrijwel identiek is aan het hiervoor genoemde document Equipment for works.docx van [B] . - Op 29 augustus 2015 stuurt [verdachte] van zijn privé e-mailadres naar zijn zakelijke e-mailadres en zijn privé e-mailadres een e-mail met de tekst: Prepare for a formal letter to purchase these items from [F] B.V. Als attachment is gevoegd een document genaamd Investments by government.docx. Dit betreft een Word bestand met daarin opgenomen de 'investments' met daarbij de vermelding "included" of "purchase". In de documenteigenschappen staat [echtgenote verdachte] als creator en als contributor vermeld. - Op 29 augustus 2015 wordt een Word document opgemaakt waarin de vragen van [B] inzake de aanbesteding zijn opgenomen. In de documenteigenschappen is [echtgenote verdachte] als creator en contributor opgenomen. - Op 30 augustus 2015 Stuurt [verdachte] van zijn privé e-mailadres naar zijn zakelijke e-mailadres en privé e-mailadres een e-mail met als onderwerp: brief [C] ending contract and purchase goods met als tekst: Place a letter head and send out. Bij deze e-mail zijn twee attachments gevoegd: a. het eerder genoemde document van 29 augustus 2015: Investments by government.docx en b. een document: [F] purchase everything [E] .docx. Dit laatste document betreft een conceptbrief van secretaris-generaal [betrokkene 14] van VROMI aan [C] , cc aan [verdachte] , inhoudende dat het beheer van de [E] stopt per 31 december 2015. Tevens wordt gevraagd om medewerking van [C] bij de verkoop van materieel aan de overheid omdat dit de overgang voor de nieuwe contractant soepeler zal maken en de tender prijs laag kan houden. Verder wordt [C] bedankt voor haar positieve inzet in de afgelopen 15 jaar. In de kenmerken van dit bestand staat [echtgenote verdachte] als creator en contributor vermeld. - Op 30 augustus 2015 stuurt [verdachte] een e-mail naar zijn [dochter verdachte] met de tekst: Hi [dochter verdachte] , did you make the following docs: * organizational chart *Staffing use for the works based on the organizational chart. It's going good but still need to put in some serious extra time to fine tune it. Spent about 12 hours nearly non stop on it but we nearly there. Just need to get lots of info from the boys yet. Love daddy. - Op 30 augustus 2015 antwoordt [dochter verdachte] : Hi daddy, I do have the organization chart. I'll send it to you just in case though. Also when you get a chance could you send me the tender document? - [verdachte] antwoordt hierop op diezelfde dag: Hi [dochter verdachte] , I'll send you the tender docs just now. - Op 31 augustus 2015 stuurt [betrokkene 2] een e-mail naar [verdachte] met als onderwerp: Equipment list en als tekst: Please see Attachments. Als bijlage wordt een equipment list for works 2015 bijgevoegd. - Op 16 september 2015 stuurt [verdachte] een e-mail naar [betrokkene 2] met als onderwerp: please have these filled out en met de tekst: handle as fast as possible. Als bijlage is gevoegd: Curriculum vitae of key personnel.docx. - Op 29 oktober 2015 stuurt [verdachte] een e-mail naar [betrokkene 2] met het onderwerp questions en met de tekst: Questions: 1. If government tenders the security separately who is responsible for our equipment if something happens and who covers our lost wages? 2. Are the equipments being used on [E] presently by [F] for sale if we would win the tender? If you had other questions please add and send back now for me on a letterhead. Het gerecht constateert dat de vragen gelijkluidend zijn aan de vragen die staan vermeld in het hierboven genoemde Word document dat op 29 augustus 2015 is opgemaakt en waarin de vragen van [B] inzake de aanbesteding zijn opgenomen. - Op 29 oktober 2015 stuurt [betrokkene 2] de vragen die [verdachte] hem heeft gestuurd naar het zakelijke e-mailadres van [verdachte] . Het gerecht leidt uit de inhoud van deze correspondentie en stukken af dat [verdachte] , in samenwerking met [echtgenote verdachte] , in de aanloop naar de aanbesteding van het beheerscontract voor de [E] niet alleen informatie heeft verstrekt aan een van de latere bieders, te weten [B] , maar ook dat hij - samen met hun dochter - daadwerkelijk heeft geholpen bij het opstellen van aanbestedingsdocumenten, die nodig waren voor het verkrijgen van het beheerscontract, en dat zij deze documenten ook hebben opgemaakt. Over het verdere verloop van, en het vervolg op de aanbestedingsprocedure en de betalingen die in het kader daarvan door [B] zijn gedaan bevat het dossier voorts de volgende informatie. Diverse personen hebben zich uitgelaten over de overgang van het beheerscontract van [C] naar [B] en de rol van [verdachte] in dat verband. Het gerecht geeft hun verklaringen hierna weer. [betrokkene 13] heeft onder meer het volgende verklaard. "Ik was directeur bij [C] . [verdachte] kan nogal dwingend zijn. Het moet gaan zoals hij wil en hij geeft weinig ruimte. Als het niet gaat hoe hij het wil dan kom je weer in de donkere wereld van Sint Maarten terecht. Dan gaan de dingen zoals ik liever niet wil dat ze zouden gaan. Ik had moeite met de laatste aanbesteding van [A] . Het was een bestek met zoveel eisen waarbij je, wilde je alles opvolgen, een hoop moest investeren. Ik denk dat wij een nette prijs hadden neergelegd na zoveel jaar ervaring. Dan komt er een ander en die schrijft voor een veel lager bedrag in, daar was ik wel ziek van. Ik had het gevoel dat de inschrijving van [betrokkene 2] niet klopte. Als je al bepaalde vaste kosten optelt die in het bestek zijn genoemd dan zat je al boven het bedrag waar [B] op had ingeschreven. Na het verliezen van de aanbesteding voelde ik me genaaid. We stonden onder tijdsdruk, het was een hele korte periode dat je de bieding moest inleveren. Die trucjes ken ik ook. Ik bedoel dat de periode van aanbesteding heel kort is en dat het kan zijn dat iemand anders de informatie al heeft. Voor een degelijk belangrijk, groot project is dat raar. Je voelt al in het hele proces dat het niet klopte, alles zat te dicht op elkaar. Ik ken [echtgenote verdachte] als de vrouw van [verdachte] . Ik heb een keer een overeenkomst met haar gesloten. [verdachte] vroeg of we werk hadden, want ze had geen werk. Ze kon helpen met werkvergunningen. [verdachte] is nogal persistent. Het enige wat ik doe is dingen afwegen. Je bent het zat om telkens te horen dat je niemand wil helpen en dan weeg je dat af, wat kost het. Er ging wel door mijn hoofd dat als ik [echtgenote verdachte] niet aan werk hielp; [C] daar last van kreeg. Dit is niet uit liefde gegaan." [betrokkene 13] heeft verder verklaard dat de betalingen aan [echtgenote verdachte] voor het helpen in de werkvergunningssfeer onzin-betalingen waren. "We hadden dit als [C] niet nodig. Ik heb dit in 2015 stop gezet omdat er niks gebeurde", aldus [betrokkene 13] . [betrokkene 13] heeft, gehoord als getuige ter terechtzitting van 28 september 2021 het volgende verklaard: " [verdachte] was iets dwingender dan de gemiddelde zakenrelatie. Het was beter maar om te doen wat hij wilde. In die zin voelde ik mij onder druk gezet door hem. Ik noemde al als voorbeeld de overeenkomst met [D] , maar hetzelfde geldt voor de overeenkomst met [I] . [C] heeft die overeenkomsten met [echtgenote verdachte] getekend onder druk van [verdachte] . Hij bleef er maar op terugkomen. De druk die ik voelde was reëel. Als iemand steeds weer terugkomt met het verzoek een overeenkomst te tekenen dan ervaart ieder normaal mens dat als druk. Uiteindelijk heb ik ook getekend. [D] ontving maandelijks een bedrag van [C] . In de overeenkomst staat welke werkzaamheden zij hiervoor moesten doen. Dat deden ze niet." [betrokkene 12] heeft onder meer het volgende verklaard. "Ik was van november 2015 tot december 2016 minister van VROMI. Ik kreeg direct na mijn aanstelling het verzoek om snel een advies te tekenen met betrekking tot de aanbesteding van [A] . Wij hebben de vragen met betrekking tot [B] voorgelegd aan [verdachte] . Een van de vragen waar ik moeite mee had was de ervaring die [B] zou hebben. Ik wist dat [C] al jaren [A] beheerde en van [B] had ik nog nooit gehoord. [verdachte] zou in mijn beleving de belangen van de overheid moeten waarborgen. Maar zijn argumenten lagen meer in de lijn van [B] . Dat vond ik raar. [verdachte] deelde de zorg die wij hadden niet. [verdachte] was aan het sturen en had mooie praatjes waarom vooral [B] de aanbesteding moest krijgen." [betrokkene 12] heeft verder verklaard 100% zeker te weten dat [verdachte] geld kreeg van [B] . [B] kreeg ineens overal opdrachten voor: het ophalen van vuilnis, het schoonmaken van stranden en het beheer van [A] . [betrokkene 14] , secretaris-generaal van het Ministerie van VROMI, heeft verklaard dat zijn ministerie vijf diensten kent. De verantwoordelijke voor de beheersdienst is [verdachte] . Hij heeft verklaard dat de Terms of Reference voor de aanbesteding van het beheerscontract van de [E] zijn opgesteld door de Beheersdienst en dat het proces van aanbesteding en toewijzing werd getrokken vanuit de Beheersdienst. Vanuit die dienst was [verdachte] daar als hoofd bij betrokken. Ter zitting als getuige gehoord, heeft [betrokkene 14] verklaard dat hij het opmerkelijk vond dat de prijs van [B] zo dicht lag bij het voor het beheer van [A] in de begroting gereserveerde bedrag, omdat die begroting weliswaar geen geheim was, maar het werk in redelijkheid niet voor die prijs kon worden uitgevoerd. Het gereserveerde bedrag was veel te krap voor een gedegen beheer van [A] . Hij vond het dan ook opmerkelijk dat [B] dacht dat ze het voor dat bedrag konden doen en merkt op dat de berekeningen van [B] achteraf ook niet bleken te kloppen. [betrokkene 1] heeft onder meer het volgende verklaard. "Ik weet dat er iets gaande was tussen [verdachte] en [C] . [C] was het bedrijf dat voordat wij de aanbesteding wonnen het beheer van [A] deed. Ik voelde dat [verdachte] en [C] geen vrienden meer waren zoals dat daarvoor wel het geval was. Ik denk dat [B] geen betrokkenheid zou hebben gehad bij [A] wanneer de relatie tussen [verdachte] en [C] goed was gebleven. Dan was [C] gewoon [A] blijven doen." Rapport SOAB d.d. 17 februari 2017 Uit het rapport van 17 februari 2017 van het SOAB, gericht aan de minister van VROMI, blijkt dat er na de overname van het beheerscontract van de [E] op 1 januari 2016 naast een gebrek aan expertise sprake was van een algeheel gebrek aan "compliance management": "Assessment [E] Management Agreement. Though some transition issues were expected there have been numerous fires and incidents at the [E] which initiated a request (...) to assess the situation. (…) two weaknesses were identified. (…) we noted the absence of the requirement of expertise in the field of sanitary landfilling. (...) The assessment of compliance with the TOR by the Contractor and Principal revealed that both have not been sufficiently compliant. (…) The key responsibilities of the Principal are to ensure compliance with the contract and related TOR by the Contractor, to monitor their operations, to rectify the situation as appropriate and to provide the policy and guidelines for waste management on St Maarten to guide the activities at the [E] . The TOR and contract contain sufficient enforcement measures and sanctions to deal with cases of non-compliance, however these were insufficiently enacted by the Principal. (…) There is a general lack of contract compliance management. 5.4 Het Hof heeft daaraan de volgende bewijsmiddelen toegevoegd: “ [betrokkene 3] heeft op 11 juni 2019 onder meer het volgende verklaard: "Ik was de contractmanager binnen de beheersdienst van VROMI. Ik hield mij bezig met de aanbesteding van [A] . Met betrekking tot [A] was de TOR al min of meer geschreven. [verdachte] was mijn leidinggevende. Het advies voor wat betreft de toewijzing van het contract aan [B] B.V. kwam tot stand op basis van de puntentelling. Deze is door [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) en mij gedaan. Ik heb de draft voor het advies geschreven en die heb ik naar [verdachte] gestuurd." [betrokkene 3] heeft op 7 juni 2023 onder meer het volgende verklaard: "Ik denk wel dat ik een advies heb opgesteld waarin mijn evaluaties en puntentoekenning is opgenomen. Ik wil hier wel aan toevoegen dat dat dan is gebaseerd op de methode die wordt gehandhaafd binnen VROMI. Dat is niet per se logischerwijs. De interne regelgeving was een beetje outdated. Waar ik mij aan stoorde was dat de toekenning vaak gebaseerd was op het budget. 50% van de punten ging puur om de prijs, waar op sommige contracten andere punten zwaarder hadden mogen wegen. [F] had duidelijk meer expertise. Het andere bedrijf, [B] , het was volgens mij hun eerste keer. Dit is nou een goed voorbeeld van hoe het destijds gehanteerde puntensysteem geen of te weinig rekening hield met de gevraagde expertise ten opzichte van de prijs. Ik heb de richtlijnen gehanteerd." [verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard: “Als de bids zijn binnengekomen, beginnen we met de evaluatie daarvan. We kijken naar de documenten. Er moet een lijst van documenten zijn. We kijken niet of de documenten correct zijn. [betrokkene 3] heeft het Internal Awarding Advice geconcipieerd." 5.5 Het Hof heeft de volgende bewijsmiddelen en -overwegingen van het Gerecht vervolgens wederom bevestigd: “Ten aanzien van de ten laste gelegde geldbedragen a. Het bedrag van USD 5.000,- [betrokkene 1] heeft hierover verklaard dat [betrokkene 2] weleens heeft gezegd dat de dochter van [verdachte] hielp met de aanbestedingsstukken. Hij gelooft dat ze daarvoor een bedrag van USD 5.000,- hebben betaald. Hij kan zich niet herinneren of [betrokkene 2] of hijzelf dit bedrag betaald heeft. Hij weet niet meer of aan [verdachte] of aan zijn dochter is betaald. [betrokkene 2] heeft hierover het volgende verklaard. "Toen de tender uitkwam kon je de documentatie/de Terms of Reference ophalen bij de overheid. Om alles goed op papier te zetten heb ik de hulp ingeschakeld van [betrokkene 4] . Ook heb ik de hulp ingeschakeld van [verdachte] wanneer ik iets niet begreep in de Terms of Reference. Een voorbeeld is dat er gevraagd werd om een CV. [verdachte] heeft toen aangegeven dat ik al mijn ervaring op papier moest zetten omdat ervaring heel belangrijk was om de tender te verkrijgen. [verdachte] adviseerde mij hoe ik de organisatiestructuur op moest bouwen." [betrokkene 2] heeft verder verklaard dat het opstellen van de tenderdocumenten is geregeld door [verdachte] , zijn vrouw en [betrokkene 4] . "Tijdens de informatiebijeenkomst op 29 oktober 2015 heb ik vragen gesteld. Ik had niet echt ervaringen met aanbestedingen dus ik heb vooraf aan [verdachte] gevraagd wat voor soort vragen ik zou kunnen stellen. Hij heeft me vervolgens per e-mail de vragen gestuurd die ik tijdens de informatiemeeting heb gesteld. Op de vraag van verbalisanten waarom [verdachte] zich zo nadrukkelijk bemoeide met de aanbesteding van [B] antwoordde [betrokkene 2] : "It's all about the kick backs". In het begin lijkt het alsof ze je helpen. [echtgenote verdachte] kon helpen met de aanbestedingsstukken, daar hebben we haar USD 5.000,- voor moeten betalen. Dit was op aanraden van [verdachte] . Zoals gezegd: Alles was [verdachte] , [verdachte] , [verdachte] . De betaling moet cash geweest zijn, dat geld is niet aan [echtgenote verdachte] betaald, dat werd aan [verdachte] gegeven. [betrokkene 5] of ik heb dat geld betaald. Als het om cash geld ging moet het [verdachte] zijn geweest die het geld heeft ontvangen, want dat werd niet aan zijn vrouw betaald." b. Het bedrag van USD 22.700,- Uit een e-mail van 14 juli 2015 van [betrokkene 6] aan [betrokkene 7] en [betrokkene 8] van [C] blijkt dat [verdachte] bij haar heeft geïnformeerd naar een cheque van [B] , nadat [betrokkene 2] daar ook om gevraagd had. [betrokkene 8] heeft, na raadpleging van het administratieve systeem van [C] , verklaard dat de desbetreffende factuur is geboekt op het project [A] en dat een bedrag van USD 22.700,- is betaald. In het dossier bevindt zich een factuur van 9 juli 2015 van [B] aan [C] ten bedrage van USD 30.000,- onder vermelding van: loader service sanitaire [E] for month of june 2015. Op die factuur staat handgeschreven een bedrag van USD 22.700,- en het woord paid. In het dossier bevindt zich ook een cheque van 13 juli 2015 van [C] aan [B] voor een bedrag van USD 22.700,-. Het bedrag van USD 22.700,- is in de administratie van [B] vermeld onder de omschrijving: [G] , beach cleaning. [betrokkene 9] , werkzaam als hoofd administratie bij [C] , heeft over deze factuur verklaard dat deze is verrekend met twee facturen van [D] aan [C] . [betrokkene 9] heeft geconstateerd dat ten aanzien van deze factuur via een op 27 juli 2015 geïnde cheque een bedrag van USD 22.700,- is betaald aan [B] . [betrokkene 1] heeft over deze cheque het volgende verklaard. "Wij hebben op verzoek van [verdachte] een keer een cheque opgehaald bij [C] . Volgens mij heeft [betrokkene 2] de cheque opgehaald en bleef ik in de auto wachten. De cheque was uitgeschreven op naam van [B] , wij hebben het geld op de bankrekening ontvangen en vervolgens cash aan [verdachte] gegeven. Het was [betrokkene 2] of ik zelf die het geld aan [verdachte] heeft gegeven." Nadat [betrokkene 1] de factuur en de cheque in kwestie wordt getoond zegt hij dat het kan zijn dat dit de cheque is die betrekking heeft op de doorbetaling aan [verdachte] en dat [B] in ieder geval geen werkzaamheden heeft uitgevoerd voor de cheque die [betrokkene 2] en hij bij [C] opgehaald hebben. Ook verklaart hij dat het volledige bedrag van USD 22.700,- is doorbetaald aan [verdachte] . " [verdachte] was greedy, ik hoor van meer mensen dat zij geld moeten betalen aan [verdachte] en die dat op een gegeven moment zat zijn." [betrokkene 2] heeft hierover, nadat hij is geconfronteerd met de verklaring van [betrokkene 1] , dat ten aanzien van deze factuur geen werkzaamheden door [B] zijn uitgevoerd, verklaard dat het klopte wat [betrokkene 5] had verklaard. c. Het bedrag van NAf 233.496,91 Op 3 december 2015, twee dagen na de totstandkoming van het eerder genoemde, mede door [verdachte] ondertekende, Internal Awarding Advice stuurt [echtgenote verdachte] vanuit [D] een e-mail naar [betrokkene 2] , waarin zij aangeeft wat zij hebben besproken. In deze e-mail staat onder meer welke administratieve diensten [D] voor haar rekening neemt voor [B] . In de administratie van [D] wordt een overeenkomst aangetroffen tussen [D] en [B] , inhoudende dat [D] de administratieve werkzaamheden voor [B] vanaf het fiscale jaar 2015 zal uitvoeren. Dit document is op 11 januari 2016 door [echtgenote verdachte] als directeur van [D] en [betrokkene 1] als directeur van [B] ondertekend, en treedt met terugwerkende kracht in werking vanaf 4 januari 2016. Op 25 januari 2016 wordt, onder verwijzing naar de overeenkomst van 4 januari 2016, hiervoor een bedrag overeengekomen van USD 2.500,- per maand. Op 4 december 2017 wordt een verhoging van de maandelijkse fee overeengekomen tot USD 4.950,-. Bij huiszoeking bij het accountantskantoor [D] , toebehorend aan [echtgenote verdachte] , werd administratie met betrekking tot [B] aangetroffen. Uit de fysieke bankafschriften van [rekeningnummer 1] van [D] blijkt dat [D] over de periode 29 februari 2016 tot en met 19 april 2018 in totaal een bedrag van NAf 233.496,91 betaald heeft gekregen van [B] . [betrokkene 2] heeft hierover het volgende verklaard. " [echtgenote verdachte] deed de administratie voor [B] . Wij betaalden best veel aan haar, zij heeft haar prijs bij ons neergelegd en dat hebben wij geaccepteerd. Achteraf kwam ik erachter dat wij eigenlijk veel teveel betaalden voor het werk dat zij deed, maar ik heb helemaal geen ervaring met het aannemen van een accountant. Ze is bij ons terechtgekomen op aanraden van haar man [verdachte] . [verdachte] heeft ons gewezen om [echtgenote verdachte] als accountant te nemen. Later is de prijs van [echtgenote verdachte] nog omhoog gegaan. Toen [echtgenote verdachte] het contract eenmaal had en ik van haar af wilde, wilde ik geen slapende honden wakker maken. Dit is vanwege de functie van [verdachte] . Hij is het hoofd van de onderhoudsafdeling van VROMI. Hij heeft een functie waarbij je beslissingen kunt maken, je wilt dus wel aan de goede kant van hem staan." Op de vraag hoe het komt dat afvalverwerkingsbedrijven allemaal door het kantoor van [echtgenote verdachte] worden benaderd dan wel contracten met haar afsluiten antwoordt [betrokkene 2] : "Dat komt door de functie van [verdachte] . Hij kan je maken of breken. Ik weet niet wat er gebeurt als je niet voor [echtgenote verdachte] kiest. Je voelt wel een bepaalde druk om voor haar te kiezen. Wij moesten op verzoek van [verdachte] zijn zoon een baan geven, terwijl hij er niet vaak was en wij moesten zijn vrouw als accountant inhuren. Het is [verdachte] , [verdachte] , [verdachte] die dit vraagt. En hadden we een probleem als we hen zouden ontslaan...YES! Hij kan wraakzuchtig zijn en kan ervoor zorgen dat je geen werk meer krijgt." [betrokkene 1] heeft hierover als volgt verklaard. "USD 2.500,- per maand is heel veel voor de hoeveelheid administratie. Eigenlijk is ze ons te slim af geweest. Later hoorde ik van anderen dat wij teveel betaalden, maar toen was het al te laat. Ik denk dat als wij het contract met [echtgenote verdachte] zouden beëindigen, dan zou er druk op ons worden uitgeoefend en zouden wij het contract verliezen. Dat heeft te maken met de positie van haar man." Op de vraag waarom [B] specifiek [verdachte] en [echtgenote verdachte] inhuurde antwoordde [betrokkene 1] : "Als je daar niet in meegaat dan bestaat de mogelijkheid dat je het contract verliest." d. Het bedrag van NAf 128.832,09 In het dossier bevindt zich een Waste Management Service Agreement met bijlagen, waarin [B] als werkgever en [verdachte] als werknemer overeenkomen dat laatstgenoemde voor [B] werkzaamheden zal verrichten ingaande 1 januari 2016, tegen een in bijlage A genoemd salaris vanaf 1 februari 2017 van NAf 6.725,25 bruto per maand. Tijdens een huiszoeking bij [D] werd beslag gelegd op digitale en fysieke administratie van [D] . Hieruit kwam naar voren dat [D] de administratie voert voor [B] en dat de administratie inzicht geeft in de salarisbetalingen van [B] . In de administratie zijn in de periode 29 januari 2016 tot en met 15 augustus 2018 totaal 32 betalingen per cheque verwerkt ten aanzien van de begunstigde [verdachte] tot in totaal NAf 128.832,09. [betrokkene 1] heeft hierover als volgt verklaard. "Ik heb weleens gevraagd waarom [verdachte] zoveel verdiende en dan zei [betrokkene 2] : because of his knowledge. Ik weet niet welke knowledge. Soms kwam [verdachte] niet eens opdagen voor zijn werk. Daar werd niets aan gedaan vanwege de invloed die zijn vader had denk ik. Dat is de power die [verdachte] heeft, dat heeft hij ook bij [C] gedaan, maar die betaalden op een gegeven moment niet meer." [betrokkene 2] heeft hierover als volgt verklaard. " [verdachte] zat in de container bij de ingang van [A] . Hij deed alleen het noteren en invoeren in de computer van de gewichten van de trucks. Zijn moeder heeft bij ons aangegeven dat [verdachte] een baan nodig had. Ik had een salaris van NAf 1.800,- per maand aangeboden aan [verdachte] . Zijn vader [verdachte] vertelde toen tegen mij dat zijn zoon meer zou moeten verdienen omdat hij ervaring had met computers. Die ervaring was handig als de computer kapot ging, hij kon dat dan maken. Het klopt dat wij maar één computer hadden staan." Op de vraag wie bepaalde dat het salaris van [verdachte] van NAf 1.800,- omhoog ging, antwoordt [betrokkene 2] : " [verdachte] vertelde dat hij meer wilde verdienen. Ik ben daarmee akkoord gegaan. Ik heb er niet moeilijk over gedaan omdat het de zoon van [verdachte] was en het werk heel moeilijk zou kunnen maken in de toekomst. Het klopt dat de weegbrug al na drie maanden kapot ging. Daarna deden we schattingen van hoeveel een truck woog. [verdachte] kwam precies op het goede moment vragen voor die baan omdat ik iemand nodig had. Hij wist dat ongetwijfeld via zijn vader." Wanneer [betrokkene 2] een reactie wordt gevraagd op de opmerking dat hij de vrouw en zoon van [verdachte] inhuurt voor ongeveer USD 5.000,- per maand, antwoordt hij: "Ja ongelooflijk, en dat terwijl ze bijna niks doen." [betrokkene 2] heeft verder verklaard dat [verdachte] ’s loonsverhoging absoluut ook te maken had met het feit dat hij de zoon is van [verdachte] . "Dat maakt uit want [verdachte] is het hoofd van VROMI en je wilt die relatie niet verstoren. [verdachte] is ook iemand die wraakzuchtig ("vindictive") kan zijn. Dit is ook één van de redenen dat ik heb toegestemd met de vaststelling van het loon van [verdachte] . Ik heb geen sollicitatiegesprek met [verdachte] gehad. [echtgenote verdachte] vertelde dat hij werk zocht en zo is het gegaan." Op de vraag of [verdachte] goed functioneerde antwoordt [betrokkene 2] : "Als hij er was wel." e. Het bedrag van NAf 188.800,- Uit de boekhouding van [B] komen verschillende boekingen naar voren in relatie tot [H] en/of [betrokkene 10] . [betrokkene 2] heeft verklaard dat [verdachte] USD 6.000,- of 7.000,- per maand wilde ontvangen. Omgerekend naar Antilliaanse guldens komt USD 6.000,- neer op NAf 10.800,-. Dit resulteert over de periode 1 februari 2016 tot en met 1 augustus 2018 in 17 betalingen, waarbij van een betaling een factuur is aangetroffen. Van de overige 16 betalingen zijn geen aanwijzingen gevonden waaruit zou kunnen blijken dat er een (volledige) dienstverlening tegenover heeft gestaan. Deze 16 betalingen komen neer op een totaalbedrag van NAf 188.800,- [betrokkene 1] heeft hierover als volgt verklaard. " [B] betaalde [verdachte] ook. [betrokkene 2] heeft weleens verteld over de doorbetalingen aan [verdachte] . Als we niet zouden betalen aan [verdachte] dan zouden we het contract verliezen. Ik denk niet dat [verdachte] zoiets letterlijk zegt, dat is een gevoel wat [betrokkene 2] kreeg, het gaat om de manier hoe hij praat en hoe dingen gezegd worden waardoor je dat gevoel krijgt. Voor zover ik weet is het alleen [H] die geld cash komt brengen. Ook hier gold dat [betrokkene 2] aangaf dat als je dat niet doet, dan heb je morgen de klus niet meer. [verdachte] is zeer powerful." [betrokkene 2] heeft mij verteld dat, nadat er problemen ontstonden op [A] , hij aangaf dat hij [verdachte] zou gaan betalen, omdat anders het risico bestond dat we het contract zouden verliezen. Op de vraag wat zijn mening is over de gang van zaken op Sint Maarten antwoordt [betrokkene 1] : Ja het klopt niet, zo werkt het gewoon hier. Het contract gaat dan gewoon naar de partij die meer betaalt. [betrokkene 10] heeft mij weleens cash gegeven." Op de vraag of [betrokkene 1] weet of [betrokkene 2] cash geld heeft betaald aan [verdachte] antwoordt [betrokkene 1] dat hij heeft toegestemd met het idee om [verdachte] te betalen. Vervolgens vraagt hij zich af of hij nu zelf in de problemen zit. [betrokkene 2] heeft hierover als volgt verklaard. "Ik tekende cheques af en ik weet dat er cheques werden uitgeschreven aan het bedrijf [H] , een bedrijf waar [betrokkene 10] achter zit. Ik weet dat de bedragen die [betrokkene 10] ontving niet overeenkwamen met de werkzaamheden die hij deed voor [A] . De bedragen die hij per cheque ontving waren veel hoger. Ik weet dus dat dit niet klopt. [betrokkene 10] int de cheques bij de WIB bank." Op de vraag bij wie het geld uiteindelijk terecht kwam antwoordt [betrokkene 2] : "Bij [verdachte] . Dat bleek doordat [H] een of twee keer tegen mij heeft gezegd bij het ophalen van de cheque dat hij geld moest betalen aan [verdachte] ." Als [betrokkene 2] wordt voorgehouden dat er in de periode 1 februari 2016 tot 1 augustus 2018 een bedrag van NAf 254.221,92 via cheques is uitbetaald aan [H] zegt hij dat dat absoluut niet het bedrag is waar [H] voor gewerkt heeft en datje zou moeten kijken voor welke bedragen er facturen in de administratie zitten. Verbalisanten merken voorts op dat [betrokkene 2] nog verklaarde dat [betrokkene 10] aangaf dat hij de naam van zijn bedrijf wilde veranderen door de problemen die hij had met de Belastingdienst omdat zoveel geld bij hem is binnengekomen wat niet voor hem, maar voor [verdachte] was. "Wij waren verplicht [verdachte] geld te geven, als je het niet doet kun je vertrekken en zet hij een andere contractor neer. Ik heb wel eens gezien dat [H] geld terug kwam brengen naar kantoor. Hij ging naar de bank en kwam dan terug. Hij heeft weleens gezegd: Ik moet geld wisselen voor [verdachte] . [verdachte] belde weleens naar kantoor om te vragen: is het gelukt met de overboeking vanuit VROMI? Hebben jullie je geld ontvangen? Hij zal nooit zeggen: ik kom mijn geld halen. Maar het feit dat de overboeking vanuit VROMI binnen was betekende voor hem dat zijn geld er was. We waren ongeveer een maand bezig met het beheer van [A] en toen is het begonnen. [verdachte] kwam zelf vragen om een fee. Bij deze gesprekken waren zowel [betrokkene 5] , [verdachte] als ikzelf aanwezig. Hij wilde, zoals hij het noemde, een fee "to get the company running". [verdachte] heeft zelf een bedrag van USD 6.000,- of USD 7.000,- genoemd dat hij per maand van ons wilde ontvangen. Uiteindelijk was het [betrokkene 5] die de maandelijkse cash betalingen aan [verdachte] gaf. Ik heb dat niet met eigen ogen gezien, maar ik heb er wel met [betrokkene 5] over gesproken." Op de vraag of je geen nee kunt zeggen als [verdachte] , nadat [B] de aanbesteding heeft gewonnen, om geld komt vragen, antwoordt [betrokkene 2] : "Nee!! [verdachte] heeft de absolute power. We hadden veel dingen niet op orde. Wanneer hij wordt betaald ziet hij zaken door de vingers en maakt hij het je niet lastig. Zodra je hem niet betaalt krijg je een hoop problemen op je nek en gaat hij elke regel handhaven en je het leven zuur maken." [betrokkene 10] heeft hierover het volgende verklaard. "Ok het zit zo, ik ga naar [B] en krijg een cheque. Ze moeten me bijvoorbeeld NAf 10.000,- voor mijn werk betalen en betalen me dan NAf 10.000,- meer. In totaal krijg ik dus een cheque van NAf 20.000,-. Ik ga dan naar de bank om de cheque om te wisselen voor cash geld. NAf 10.000,- hou ik dan zelf en de andere NAf 10.000,- doe ik in een envelop en geef ik terug aan hen, aan [B] . Het was niet altijd dezelfde persoon aan wie ik het cash geld gaf. Het was of [betrokkene 5] , [betrokkene 2] of [betrokkene 11] . Ik denk niet dat het geld uiteindelijk voor hen is." Overwegingen met betrekking tot het bewijs Uit bovenstaande bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] en [echtgenote verdachte] voor de door hen in de aanloop naar de aanbesteding in het tenderproces aan [B] verleende bijstand, de toekenning van het beheerscontract aan [B] , de tussen partijen in dat kader onderhouden relatie en een soepele handhaving van de in het beheerscontract overeengekomen verplichtingen, een reeks aan tegenprestaties hebben verlangd, die ook daadwerkelijk aan hen en hun zoon zijn betaald. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben op overtuigende wijze verklaard dat zij niet de ruimte voelden om tegen die verlangens in te gaan. Het ging om betalingen die nodig waren om aan de goede kant van [verdachte] te staan, zoals [betrokkene 2] het uitdrukt. Het was ook vanwege de functie van [verdachte] , die ervoor kon zorgen dat [B] het contract zou verliezen en/of geen werk meer zou krijgen, dat [echtgenote verdachte] en de zoon van [verdachte] tegen relatief hoge bedragen door [B] werden ingehuurd. Datzelfde gold voor de maandelijkse betalingen aan [verdachte] zelf. [betrokkene 1] heeft daarover verklaard dat ze het contract zouden verliezen als ze niet aan [verdachte] zouden betalen. [betrokkene 2] verwoordt dit door te zeggen dat zij verplicht waren om [verdachte] geld te geven, omdat hij een andere contractor zou neerzetten als ze niet betaalden. [betrokkene 2] spreekt in dit verband van [verdachte] 'absolute power' die maakte dat zij geen nee konden zeggen als [verdachte] om geld kwam vragen. Ook het bedrag van USD 5.000,- was volgens [betrokkene 2] een kickback, in ruil voor de onder anderen door [verdachte] en [echtgenote verdachte] verleende hulp in het aanbestedingsproces. Ten slotte kan op grond van de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] worden vastgesteld dat de betaling van het bedrag van USD 22.700,- aan [verdachte] geen betrekking had op door [B] voor [C] verrichte werkzaamheden, en dat een (andere) legale rechtsgrond voor deze betaling ontbreekt. Bij die stand van zaken houdt het gerecht het er, mede omdat deze betaling past in een reeks van betalingen van steekpenningen door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aan [verdachte] en de zijnen, voor dat het ook hier ging om voor [verdachte] bestemde steekpenningen. De verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] staan niet op zichzelf, maar worden ook ondersteund door de verklaring van [betrokkene 12] , inhoudende dat [verdachte] voorafgaand aan de aanbesteding aan het sturen was en mooie praatjes had waarom vooral [B] de aanbesteding moest krijgen, waarbij hij niet zozeer de belangen van de overheid, maar meer die van [B] leek te dienen. Voor wat betreft de betalingen aan [echtgenote verdachte] kan steun worden gevonden in de verklaring van [betrokkene 13] , inhoudende dat [C] , in de tijd dat zij [A] nog beheerde, op aandringen van [verdachte] een overeenkomst heeft gesloten met diens echtgenote, en daarvoor, in de woorden van [betrokkene 13] , onzinbetalingen aan haar heeft gedaan, omdat hij geen last wilde krijgen met [verdachte] . Dit sterkt het gerecht in de overtuiging dat ook de door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aan [echtgenote verdachte] betaalde fees moeten worden aangemerkt als steekpenningen. Betrouwbaarheid verklaringen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] (…)” 5.6 Naar aanleiding van het in hoger beroep gevoerd verweer heeft het Hof de volgende aanvullende overwegingen opgenomen: “Betrouwbaarheid verklaringen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] (…) De positie van [verdachte] binnen de overheidsorganisatie De raadsvrouw heeft betoogd dat het dossier onvoldoende bewijs bevat waaruit volgt dat [verdachte] het besluit om het contract van [A] aan [B] te gunnen, heeft (kunnen) beïnvloed(en). Het Internal Awarding Advice is afkomstig van [betrokkene 3] en moest bovendien nog worden goedgekeurd door andere personen binnen de overheid. Uiteindelijk moet het besluit worden genomen door de Raad van Ministers, aldus de raadsvrouw. Het Hof overweegt als volgt. Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, volgt uit de bewijsmiddelen wel degelijk dat [verdachte] het besluit om het contract van [A] aan [B] te gunnen, heeft (kunnen) beïnvloed(en). Als hoofd van de beheersdienst van VROMI was [verdachte] direct betrokken bij het aanbestedingsproces. Hij fungeerde als aanspreekpunt/contactpersoon voor geïnteresseerden, beoordeelde - samen met [betrokkene 3] , aan wie hij leiding gaf - de ingediende aanbestedingsdocumenten en adviseerde de minister van VROMI over toewijzing van de aanbesteding. Aldus was [verdachte] in de positie om het aanbestedingsproces te beïnvloeden. Dat hij dat ook daadwerkelijk heeft gedaan blijkt uit de verklaring van [betrokkene 12] , de toenmalige minister van VROMI, inhoudende dat [verdachte] aan het sturen was en met allemaal mooie praatjes kwam waarom vooral [B] de aanbesteding zou moeten krijgen. Daarnaast is van belang dat [verdachte] vanuit zijn ambt bekend was met (
- i)het destijds - bij de beoordeling van de aanbesteding - gehanteerde puntensysteem, dat (zoals [betrokkene 3] heeft verklaard) geen of te weinig rekening hield met de gevraagde expertise ten opzichte van de prijs en (
- ii)de werkwijze dat de ingediende aanbestedingsdocumenten niet op juistheid werden gecontroleerd (zoals [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard). Nu [verdachte] samen met zijn vrouw en dochter de aanbestedingsdocumenten voor [B] heeft opgesteld, heeft hij deze kennis kunnen benutten om de aanbestedingsdocumenten zo op te stellen dat [B] op grond van het puntensysteem als winnaar uit de bus zou rollen. Als het ware heeft hij de rode loper voor [B] uitgerold. Op het moment dat er desondanks kritische vragen rezen bij (bijvoorbeeld) de toenmalige minister van VROMI over de gunning aan [B] op basis van het puntensysteem, heeft [verdachte] , zoals hiervoor weergegeven, zijn invloed ten gunste van [B] uitgeoefend.” 5.7 Voordat ik overga tot bespreking van het middel, sta ik stil bij het van toepassing zijnde juridisch kader. Passieve ambtelijke omkoping (in strijd met de plicht) is strafbaar gesteld in art. 2:351 SrSM. 5.8 Art. 2:351 SrSM luidt: 1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft de ambtenaar: a. die, een gift of belofte dan wel een dienst aanneemt, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem of een ander gedaan, verleend of aangeboden wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten; b. die, een gift of belofte dan wel een dienst aanneemt, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem of een ander gedaan, verleend of aangeboden wordt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten; c. die, voor zich zelf of een ander, een gift of belofte dan wel een dienst vraagt teneinde hem zelf te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten; d. die, voor zich zelf of een ander, een gift of belofte dan wel een dienst vraagt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem zelf, in strijd met zijn plicht, in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten. 5.9 Voor de toepassing van art. 2:351 SrSM is, in lijn met art. 363 SrNL, het volgende van belang. De strafbaarstelling ziet op zowel het aannemen als het vragen van een gift, belofte of dienst. Voor het begrip gift wordt een ruime definitie gehanteerd. Elk overdragen aan een ander van iets dat voor deze waarde heeft kan daaronder worden verstaan. Van een persoonlijke bevoordeling van de ontvanger hoeft daarbij geen sprake te zijn; een ambtenaar kan ook worden omgekocht door een gift bestemd voor een ander, bijvoorbeeld familieleden. Het aannemen of vragen kan direct of indirect, via een tussenpersoon, plaatsvinden. Om te kunnen spreken van passieve ambtelijke omkoping is vereist dat de ambtenaar wist (of, in de culpoze variant, redelijkerwijs moest vermoeden) dat de gift (of dienst) de strekking had om hem te bewegen tot een bepaalde ambtshandeling of naar aanleiding daarvan is gedaan. Voor het ‘weten’ is voorwaardelijk opzet voldoende. Het is niet vereist dat de ambtenaar zich door de gift daadwerkelijk heeft laten beïnvloeden, in de zin dat hij tot het verrichten van de tegenprestatie zou moeten zijn overgehaald (‘omgekocht’). Ook hoeft het oogmerk van degene die de ambtenaar omkoopt niet te worden bewezen (wat beoogde deze precies?); voor de strafbaarheid van de ambtenaar wordt het kennelijke doel of de uiterlijke strekking van de giften doorslaggevend geacht doorslaggevend geacht. De door de ambtenaar te leveren tegenprestatie kan bestaan uit het doen of het niet doen in strijd met zijn plicht. Niet is noodzakelijk dat er een direct verband bestaat tussen de gift en een concrete tegenprestatie. Ook voldoende is dat de giften worden gedaan om een relatie met die ambtenaar te doen ontstaan en/of te onderhouden met het doel een voorkeursbehandeling te krijgen. 5.10 In de onderhavige zaak is de verdachte veroordeeld voor (passieve) ambtelijke omkoping rondom de aanbesteding van het beheer van een vuilstortplaats (“dump”) op Sint Maarten . Het Hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte (hoofd van de afdeling Infrastructuurbeheer van VROMI), tezamen en in vereniging met zijn echtgenote, giften en diensten heeft aangenomen dan wel gevraagd van (personen gelieerd aan) het bedrijf [B] ( [B] ), aan wie de aanbesteding is gegund, wetende dat deze werden gedaan en verleend om hem te bewegen tot het leveren van een tegenprestatie. 5.11 Het middel bevat een (aanzienlijk) aantal klachten die zich richten tegen (de motivering van) de bewezenverklaring. Voor de bespreking van het middel stel ik voorop dat de rechter die over de feiten oordeelt, beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren. Dat is anders in een aantal specifieke gevallen, onder meer wanneer door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen over het gebruikte bewijsmateriaal. Hoe ver die motiveringsplicht gaat, hangt onder meer af van de inhoud en indringendheid van de argumenten die zijn aangevoerd. Die motiveringsplicht gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. Tegen deze achtergrond zal ik het middel bespreken. 5.12 De bewijsconstructie van het Hof berust onder meer op de verklaringen van [betrokkene 1] (directeur van [B] ) en [betrokkene 2] (ook betrokken bij [B] ). Zij hebben – kort gezegd – verklaard dat [B] de verdachte en zijn familie diverse betalingen heeft gedaan, (het bedrijf van) de echtgenote van de verdachte tegen (
- te)hoge bedragen heeft ingehuurd en de zoon van de verdachte in dienst heeft genomen. Zij hebben betalingen gedaan en zijn de overeenkomsten aangegaan – en hebben deze niet beëindigd – om bij de verdachte in de gunst te komen dan wel blijven en omdat hij er vanwege zijn functie voor zou kunnen zorgen dat [B] het contract voor de vuilstortplaats zou verliezen en/of geen werk meer zou krijgen. 5.13 De bewezenverklaring betreft zowel de periode voorafgaand aan de gunning van de aanbesteding als de periode daarna. Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte in de aanloop naar de aanbesteding aan [B] informatie heeft verstrekt, heeft geadviseerd en geassisteerd bij het opstellen van aanbestedingsdocumenten en deze ook zelf heeft opgesteld. Blijkens de bewijsmiddelen gaat het onder meer om de documenten ‘Plan of Action’ en ‘Equipment (list) for works’. Deze documenten zijn aangemaakt op een bij [D] , het bedrijf van de echtgenote van de verdachte, aangetroffen laptop; de documenteigenschappen vermelden ‘ [echtgenote verdachte] ’ (de voornaam van de echtgenote van de verdachte) als creator en ‘Princess [dochter verdachte] ’ ( [dochter verdachte] is de voornaam van de dochter van de verdachte) als contributor. Het Hof heeft vastgesteld dat de inhoud van deze documenten op onderdelen overeenkomt met aanbestedingsdocumenten uit 2011 van [C] (het bedrijf dat de vuilstortplaats toen nog in beheer had) uit een eerdere procedure, die de verdachte enkele weken daarvoor bij [C] heeft opgevraagd. De verdachte heeft diverse aanbestedingsdocumenten per e-mail uitgewisseld met zijn dochter en met de directeur van [B] en gevraagd om documenten aan te vullen. In een e-mail van de verdachte aan zijn dochter vraagt hij of zij een aantal documenten heeft opgemaakt en geeft hij aan dat hij bijna 12 uur achter elkaar heeft gewerkt en dat ‘we er bijna zijn’; er moet nog worden gefinetuned en informatie worden ontvangen van ‘the boys’. Ook heeft de verdachte vragen toegestuurd aan [B] die zij tijdens de aanbestedingsprocedure kon stellen. Dit alles heeft plaatsgevonden nog voordat de openbare aanbesteding via de krant bekend wordt gemaakt. De inschrijving sloot 6 dagen na publicatie van de advertentie. Het Hof heeft tevens geconstateerd dat op de laptop van [D] (in concept) correspondentie namens VROMI aan [C] is opgemaakt over de beëindiging van het beheerscontract van [C] en een verzoek om medewerking aan de verkoop van materieel aan de overheid (zodat de aanbestedingsprijs lager kan worden gehouden). In de documenteigenschappen staat ‘ [echtgenote verdachte] ’ als creator en contributor vermeld. Op grond van het voorgaande heeft het Hof geconcludeerd dat de verdachte, in samenwerking met zijn echtgenote, in de aanloop naar de aanbesteding van het beheerscontract voor de vuilstortplaats niet alleen informatie heeft verstrekt aan een van de latere bieders, te weten [B] , maar ook dat hij - samen met hun dochter - daadwerkelijk heeft geholpen bij het opstellen van aanbestedingsdocumenten, die nodig waren voor het verkrijgen van het beheerscontract, en dat zij deze documenten ook hebben opgemaakt. Dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat [betrokkene 2] ( [B] ) heeft verklaard dat het opstellen van de tenderdocumenten “is geregeld door” de verdachte en zijn echtgenote (en [betrokkene 4] ) en dat [betrokkene 1] ( [B] ) heeft verklaard dat hij van [betrokkene 2] heeft begrepen dat de dochter van de verdachte daarbij heeft geholpen. Hier zou (in ieder geval) een betaling van $5.000 tegenover hebben gestaan. 5.14 Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte het besluit om het contract van [A] aan [B] te gunnen, heeft kunnen beïnvloeden en dat ook heeft gedaan. Aan dat oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd dat de verdachte als hoofd van de beheersdienst van VROMI – volgens de minister de trekker van de aanbesteding en toewijzing – direct bij het aanbestedingsproces was betrokken: hij was contactpersoon voor (potentiële) bieders, beoordeelde (samen met een medewerker aan wie hij leiding gaf) de aanbestedingsdocumenten en adviseerde de minister over toewijzing van de aanbesteding. Uit de verklaring van zowel de medewerker [betrokkene 3] als van de verdachte zelf kan worden afgeleid dat de verdachte samen met [betrokkene 3] de biedingen evalueerde (op basis van een, in de door de beheersdienst opgestelde Terms of Reference vastgelegd, puntensysteem waarbij in grote mate rekening werd gehouden met de prijs en zonder dat de bij de aanbesteding gevoegde documentatie op juistheid werd gecontroleerd). Het interne adviesdocument (Internal awarding advice) is door [betrokkene 3] en de verdachte ondertekend. Gelet op het voorgaande acht ik de bewezenverklaring dat de verdachte “positief heeft geadviseerd door middel van een intern toewijzingsadvies (Internal awarding advice)” niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat namens de verdachte is aangevoerd dat niet hij, maar de secretaris-generaal, de bevoegdheid had het uiteindelijke besluit tot positief adviseren aan de minister te nemen. De overweging van het Hof dat de verdachte tegenprestaties verlangde voor, onder meer, “de toekenning van het beheerscontract aan [B] ” moet in het licht van het voorgaande zo worden begrepen dat tegenprestaties werden verlangd voor zijn inspanningen om dit voor elkaar te krijgen. Ik wijs in dit kader ook op de verklaring van de toenmalig minister van VROMI dat de verdachte, toen vragen rezen over de ervaring en (daarmee) de geschiktheid van [B] als beheerder van de vuilstortplaats, deze zorgen niet deelde, sturend was en met “mooie praatjes kwam” waarom het contract aan [B] moest worden toegewezen. Het verweer van de verdediging dat de verdachte de gunning niet heeft (kunnen) beïnvloed(
- en)is door het Hof voldoende gemotiveerd verworpen. Voor zover wordt geklaagd dat het Hof niet is ingegaan op de door de verdediging aangedragen contra-indicaties voor dit oordeel en hieromtrent geen vaststellingen heeft gedaan, mist het middel feitelijke grondslag. Ik wijs in het bijzonder op de aanvullende bewijsmiddelen en bewijsoverweging die het Hof in zijn vonnis heeft opgenomen. 5.15 Ten aanzien van de periode na de aanbestedingsprocedure heeft het Hof vastgesteld dat, naast een gebrek aan expertise bij [B] , ook sprake was van een gebrek aan compliance management. Dit heeft het Hof afgeleid uit het als bewijsmiddel opgenomen rapport van het SOAB aan de minister van VROMI van 17 februari 2017. Daarin werd geconstateerd dat (in de TOR en het contract) voldoende maatregelen en sancties voorhanden waren om naleving te handhaven, maar dat hiervan onvoldoende gebruik werd gemaakt door de “Principal” (het ministerie VROMI). [betrokkene 2] heeft verklaard dat [B] veel dingen niet op orde had en dat de verdachte dingen door de vingers ziet en het je niet lastig maakt als hij wordt betaald. Zodra hij niet wordt betaald “gaat hij elke regel handhaven en je het leven zuur maken”. 5.16 In cassatie wordt, evenals in hoger beroep, ten aanzien van de giften en diensten aangevoerd dat niet uit de bewijsmiddelen volgt, en ook niet toereikend en begrijpelijk is gemotiveerd, dat de verdachte deze heeft aangenomen. De bewezenverklaring is volgens de steller van het middel in strijd met bewijsmiddelen en/of overwegingen van het Hof, nu daaruit volgt dat niet de verdachte maar zijn zoon of (het bedrijf van) zijn echtgenote een dienst of geldbedrag heeft ontvangen. Anders dan de steller van het middel lijkt te menen, is voor een bewezenverklaring van passieve ambtelijke omkoping niet noodzakelijk dat de dienst of gift aan de ambtenaar zelf is verleend. Bepalend is of verdachte (in voorwaardelijk zin) heeft geweten dat deze werd geleverd of gedaan met het doel hem, de ambtenaar, ergens toe te bewegen. Dit kan een concrete tegenprestatie zijn maar ook het onderhouden van een relatie met als doel een voorkeursbehandeling te krijgen valt hieronder. In de bewezenverklaring komt dit tot uitdrukking. Bewezen verklaard is immers dat de verdachte diensten en giften heeft aangenomen en, voor zichzelf, zijn echtgenote en zijn zoon, heeft gevraagd, wetende dat die giften en diensten de verdachte en anderen werden gedaan en werden verleend teneinde de verdachte ergens toe te bewegen. 5.17 Wat betreft het opzet heeft het Hof overwogen dat de verdachte (samen met zijn echtgenote) giften en diensten heeft verlangd in ruil voor tegenprestaties. Daarin ligt besloten als oordeel van het Hof dat de verdachte (op zijn minst voorwaardelijk) de wetenschap had dat giften en diensten door [B] werden gedaan en geleverd met als doel zijn hulp te krijgen bij de aanbestedingsprocedure en de verkrijging van het contract, een goede relatie met hem te onderhouden en ervoor te zorgen dat niet (volledig) werd gehandhaafd op de nakoming van verplichtingen en naleving van regelgeving met betrekking tot het beheer van de vuilstortplaats. Gelet op de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen en daaruit getrokken conclusies acht ik ook dat oordeel niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Daarbij neem ik mede in aanmerking de redenen die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben genoemd voor het doen van betalingen en aangaan (en behouden) van de dienst- en arbeidsovereenkomst met de echtgenote respectievelijk zoon van de verdachte, de functie van de verdachte als hoofd van de beheersdienst en diens rol bij de aanbesteding en handhaving van compliance met betrekking tot de vuilstortplaats en de gedragingen van de verdachte rondom de aanbesteding. Onder die omstandigheden heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de (gevraagde) betalingen en diensten werden gedaan en verleend met als doel hem gunstig gezind te zijn en een voorkeursbehandeling te genieten bij het verkrijgen en behouden van het beheercontract van de vuilstortplaats. Dat ook bij derden dit beeld is gerezen blijkt uit de verklaring van de minister, die stelt voor 100% zeker te weten dat de verdachte steekpenningen van [B] ontving, omdat dit bedrijf opeens allerlei opdrachten binnenhaalde zonder noemenswaardige ervaring in de branche. 5.18 Voor zover wordt geklaagd over de bewezenverklaring van het vragen om een dienst, merk ik op dat uit de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] volgt dat zij de echtgenote en de zoon van de verdachte hebben ingehuurd op verzoek van de verdachte, en dat zij zich hiertoe verplicht voelden (als zij op goede voet met hem wilden blijven). Dat de zoon van de verdachte zelf ook om werk gevraagd zou hebben doet hieraan niet af. Met betrekking tot de het inhuren van en de betalingen aan de echtgenote van de verdachte heeft het Hof gewezen op de verklaring van de directeur van [C] dat zijn bedrijf, in de tijd dat dit de vuilstortplaats beheerde, op aandringen van de verdachte een overeenkomst met zijn echtgenote heeft gesloten en “onzinbetalingen” heeft gedaan (betalingen waarvoor geen werkzaamheden werden verricht) omdat hij “geen last wilde krijgen” met de verdachte. Dit heeft het Hof gesterkt in de overtuiging dat ook deze betalingen moeten worden aangemerkt als steekpenningen en – zo lees ik daarin ook – dat deze werden betaald om de relatie met de verdachte goed te houden. Ik merk op dat de directeur van [C] ook heeft verklaard dat hij in 2015 met deze betalingen is gestopt en dat [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij heeft begrepen dat de relatie tussen [C] en de verdachte was verstoord en dat hij vermoedt dat [B] het contract anders niet had gekregen. 5.19 Het oordeel van het Hof dat de verdachte (tezamen en in vereniging met zijn echtgenote) de in de bewezenverklaring opgenomen giften en diensten, heeft aangenomen – dan wel gevraagd – acht ik niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Voor zover wordt geklaagd dat het Hof is afgeweken van door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunten met de strekking dat vrijspraak dient te volgen omdat de verdachte geen enkele gift heeft aangenomen, breng ik in herinnering dat de rechter niet gehouden is om op alle argumenten afzonderlijk in te gaan. Anders dan de steller van het middel meen ik dat de motivering voor de verwerping van het verweer van de verdediging voldoende besloten ligt in de gebezigde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen van het Hof. 5.20 Tot slot sta ik kort stil bij de klacht over de gift van (in totaal) NAf 188.800, voor zover die inhoudt dat de hoogte van het bedrag niet uit de bewijsvoering kan volgen. Nog los van de vraag of de bewijsvoering van het Hof - waarbij het uitgaat van in de boekhouding opgenomen boekingen ter waarde van NAf 188.000 - onverenigbaar is met de verklaring van [betrokkene 10] over de wijze waarop hij cheques inde voor bedragen die niet in verhouding stonden met werkzaamheden die hij voor [B] zou hebben verricht, geldt dat bewezen is verklaard dat de verdachte giften heeft ontvangen en heeft gevraagd. Nu het Hof op grond van de verklaring van [betrokkene 2] heeft vastgesteld dat de verdachte $6.000 (omgerekend NAf 10.800) of $7.000 per maand wilde ontvangen, kan de bewezenverklaring – mede gelet op de periode waarin uiteindelijk 16 betalingen zijn verricht, namelijk 29 maanden – wel degelijk uit de bewijsvoering volgen. 5.21 Het middel faalt in al zijn onderdelen. 6Het derde en het vierde middel 6.1 Het derde en het vierde middel hebben betrekking op (onderdelen van) de bewezenverklaring van het onder feit 3 (valselijk opmaken en/of vervalsen van geschriften) respectievelijk feit 4 (gebruikmaken van valse/vervalste geschriften) ten laste gelegde. In het derde middel gaat het daarbij, hoofdzakelijk, om de betrokkenheid van de verdachte bij het valselijk opmaken of vervalsen van een aantal geschriften. In het vierde middel wordt, met name, van een deel van de geschriften betwist dat hiervan gebruik is gemaakt in de zin van art. 230 lid 2 SrNA (oud). De bewezenverklaring en de bewijsvoering van het Hof 6.2 Ten laste van de verdachte is onder de feiten 3 en 4 bewezen verklaard dat: “hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 te Sint Maarten , telkens tezamen en in vereniging met anderen, een factuur/purchase order, te weten: 1. a. een factuur van [J] N.V. d.d. 8 mei 2013 ten bedrage van USD 546,- en b. een factuur bedoeld als estimate van [J] N.V, d.d. 23 mei 2013 ten bedrage van USD 9.427,25 en c. een purchase order van [F] met kenmerk PO 131318 d.d. 7 juni 2013 ten bedrage van USD 9.973,25 en 2. a. een factuur van [K] N.V. d.d. 21 september 2013 ten bedrage van USD 29.100,- en b. een purchase order van [F] met kenmerk PO 10489 d.d. 23 september 2013 ten bedrage van USD 29.100,- en c. een factuur van [K] N.V. d.d. 11 juni 2014 ten bedrage van USD 6.720,- en d. een purchase order van [F] met kenmerk PO 0031 d.d. 16 juni 2014 ten bedrage van USD 6.720,- en e. een factuur van [K] N.V. d.d. 22 oktober 2013 ten bedrage van USD 16.766,- en f. een purchase order van [F] met kenmerk PO 0966 d.d. 11 november 2013 ten bedrage van USD 5.126,- en 3. a. een factuur van [L] N.V. d.d. 3 juli 2013 ten bedrage van USD 2.640,- en b. een purchase order van [F] met kenmerk PO 10457 d.d. 8 juni 2013 ten bedrage van USD 2.640,- en c. een purchase order van [F] met kenmerk PO 10475 d.d. 14 augustus 2013 ten bedrage van USD 8.940,- en d. een factuur van [L] N.V. d.d. 8 september 2013 ten bedrage van USD 1.120,- en e. een purchase order van [F] met kenmerk PO 132483 d.d. 10 september 2013 ten bedrage van USD 1.120,- en 4. a. een factuur van [M] d.d. 1 maart 2014 ten bedrage van USD 1.813,84 en b. een PO 5553 d.d. 24 februari 2014 ten bedrage van USD 964,- en c. een purchase order van [F] met kenmerk PO 5554 d.d. 24 februari 2014 ten bedrage van USD 900,- en 5. a. een factuur van [N] d.d. 1 juni 2014 ten bedrage van USD 790,- en b. een purchase order van [F] met kenmerk PO 141307 d.d. 29 augustus 2014 ten bedrage van USD 790,- en 6. a. een factuur van [R] d.d. 13 januari 2014 ten bedrage van USD 2.200,- en b. een purchase order van [F] met kenmerk PO 14002 d.d. 6 januari 2014 ten bedrage van USD 2.200,- en c. een factuur van [R] d.d. 18 maart 2014 ten bedrage van USD 1.959,55 en d. een purchase order van [F] met kenmerk PO 5585 d.d. 9 april 2014 ten bedrage van USD 1.959,55 en 7. a. een factuur van [O] d.d. 17 maart 2014 ten bedrage van USD 615,- en b. een purchase order van [F] met kenmerk PO 5567 d.d. 18 maart 2014 ten bedrage van USD 615,- en 8. a. een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van [F] met factuurnummer 2130213 d.d. 14 juni 2013 ten bedrage van NAf 44.657,68 en b. een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van [F] met factuurnummer 2130365 d.d. 9 oktober 2013 ten bedrage van NAf 105.113,53 en c. een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van [F] met factuurnummer 2140164 d.d. 28 maart 2014 ten bedrage van NAf 39.659,90 en d. een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van [F] met factuurnummer 2140181 d.d. 10 april 2014 ten bedrage van NAf 40.852,14 en e. een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van [F] met factuurnummer 2140282 d.d. 20 juni 2014 ten bedrage van NAf 35.293,84, zijnde telkens een geschrift waaruit enig recht kan ontstaan en dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan voor het bedrijf [F] B.V. of het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu & Infrastructuur (VROMI), immers hebben de verdachte en zijn mededaders telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid op genoemde factuur en purchase order vermeld dat - zakelijk weergegeven -: - de factuur bestemd was voor [F] B.V. en - de werkzaamheden of diensten zijn verricht/verleend of goederen zijn geleverd voor en/of op verzoek van het bedrijf [F] B.V. terwijl in werkelijkheid vermelde werkzaamheden en diensten en goederen niet voor of op verzoek dat bedrijf zijn verricht/verleend of geleverd en - de werkzaamheden of diensten zijn verricht in het kader van een bepaald project en derhalve zijn geboekt onder een stelpost, terwijl de op de factuur vermelde werkzaamheden of diensten niet in het kader van dit project/deze stelpost zijn verricht en is onder feit 4 bewezen verklaard: “dat hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 te Sint Maarten , telkens tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals of vervalst geschrift, te weten: 1. a. een factuur van [P] N.V. d.d. 8 mei 2013 ten bedrage van USD 546,- en b. een factuur bedoeld als estimate van [J] N.V. d.d. 23 mei 2013 ten bedrage van USD 9.427,25 en c. een purchase order van [F] met kenmerk PO 131318 d.d. 7 juni 2013 ten bedrage van USD 9.973,25 en 2. a. een factuur van [K] N.V. d.d. 21 september 2013 ten bedrage van USD 29.100,- en b. een purchase order van [F] met kenmerk PO 10489 d.d. 23 september 2013 ten bedrage van USD 29.100,- en c. een factuur van [K] N.V. d.d. 11 juni 2014 ten bedrage van USD 6.720,- en d. een purchase order van [F] met kenmerk PO 0031 d.d. 16 juni 2014 ten bedrage van USD 6.720,- en e. een factuur van [K] N.V. d.d. 22 oktober 2013 ten bedrage van USD 16.766,- en f. een purchase order van [F] met kenmerk PO 0966 d.d. 11 november 2013 ten bedrage van USD 5.126,- en 3. a. een factuur van [L] N.V. d.d. 3 juli 2013 ten bedrage van USD 2.640,- en b. een purchase order van [F] met kenmerk PO 10457 d.d. 8 juni 2013 ten bedrage van USD 2.640,- en c. een purchase order van [F] met kenmerk PO 10475 d.d. 14 augustus 2013 ten bedrage van USD 8.940,- en d. een factuur van [L] N.V. d.d. 8 september 2013 ten bedrage van USD 1.120,- en e. een purchase order van [F] met kenmerk PO 132483 d.d. 10 september 2013 ten bedrage van USD 1.120,- en 4. a. een factuur van [M] d.d. 1 maart 2014 ten bedrage van USD 1.813,84 en b. een PO 5553 d.d. 24 februari 2014 ten bedrage van USD 964,- en c. een purchase order van [F] met kenmerk PO 5554 d.d. 24 februari 2014 ten bedrage van USD 900,- en 5. a. een factuur van [N] d.d. 1 juni 2014 ten bedrage van USD 790,- en b. een purchase order van [F] met kenmerk PO 141307 d.d. 29 augustus 2014 ten bedrage van USD 790,- en 6. a. een factuur van [R] d.d. 13 januari 2014 bedrage van USD 2.200,- en b. een purchase order van [F] met kenmerk PO 14002 d.d. 6 januari 2014 ten bedrage van USD 2.200,- en c. een factuur van [R] d.d. 18 maart 2014 ten bedrage van USD 1.959,55 en d. een purchase order van [F] met kenmerk PO 5585 d.d. 9 april 2014 ten bedrage van USD 1.959,55 en 7. a. een factuur van [O] d.d. 17 maart 2014 ten bedrage van USD 615,- en b. een purchase order van [F] met kenmerk PO 5567 d.d. 18 maart 2014 ten bedrage van USD 615,- en 8. a. een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van [F] met factuurnummer 2130213 d.d. 14 juni 2013 ten bedrage van NAf 44.657,68 en b. een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van [F] met factuurnummer 2130365 d.d. 9 oktober 2013 ten bedrage van NAf 105.113,53 en c. een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van [F] met factuurnummer 2140164 d.d. 28 maart 2014 ten bedrage van NAf 39.659,90 en d. een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van [F] met factuurnummer 2140181 d.d. 10 april 2014 ten bedrage van NAf 40.852,14 en e. een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van [F] met factuurnummer 2140282 d.d. 20 juni 2014 ten bedrage van NAf 35.293,84, elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware dat geschrift telkens echt en onvervalst, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan en bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte en zijn mededaders telkens: - deze factuur ter uitbetaling heeft/hebben ingediend of laten indienen bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur (VROMI) en - deze factuur/purchase order heeft/hebben laten voorzien van een paraaf ter goedkeuring en - deze factuur heeft/hebben laten uitbetalen door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur (VROMI) en - deze factuur/purchase order heeft/hebben opgenomen of heeft laten opnemen in de crediteurenadministratie/boekhouding van [F] B.V., bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat in die factuur/purchase order telkens was opgenomen - zakelijk weergegeven - dat: - de factuur bestemd was voor [F] B.V. en - de werkzaamheden of diensten zijn verricht/verleend of goederen zijn geleverd voor en/of op verzoek van het bedrijf [F] B.V. terwijl in werkelijkheid vermelde werkzaamheden en diensten en goederen niet voor of op verzoek dat bedrijf zijn verricht/verleend of geleverd en - de werkzaamheden of diensten zijn verricht in het kader van een bepaald project en derhalve zijn geboekt onder een stelpost, terwijl de op de factuur vermelde werkzaamheden of diensten niet in het kader van dit project/ deze stelpost zijn verricht.” 6.3 Zoals gezegd betreffen deze feiten zowel het valselijk opmaken of vervalsen van facturen en purchase orders (en in het verlengde daarvan verzamelfacturen) als het gebruikmaken daarvan, waarbij het gebruikmaken (onder meer) zit in het doorbelasten van facturen aan VROMI via de stelpost van de Sewage plant. Het Hof heeft, middels bevestiging van het (Promis)vonnis van het Gerecht, de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen ter zake van deze feiten gezamenlijk weergegeven onder de bewijsvoering ten aanzien van Zaaksdossier 3. 6.4 In het navolgende geef ik de bewijsmiddelen en overwegingen weer die in het algemeen zijn gebezigd. De bewijsvoering die specifiek ziet op de facturen en purchase orders die in de bewezenverklaring zijn opgenomen geef ik, indien nodig voor de bespreking ervan, weer bij de klacht over het specifieke onderdeel. Aan de bewezenverklaring is onder meer het volgende ten grondslag gelegd: “Zaaksdossier 3: Stelpost Sewage - ten aanzien van de feiten 3 en 4 – Inleiding Het gerecht stelt voorop dat binnen het opsporingsonderzoek Ruby de verdenking is ontstaan dat [verdachte] facturen indient bij [C] die vervolgens door [C] worden betaald en die via de stelpost Sewage plant (rioolzuiveringsinstallatie) in de boekhouding worden doorbelast aan het Ministerie van VROMI, terwijl deze facturen in werkelijkheid geen betrekking hebben op het project Sewage plant noch op andere onvoorziene kosten binnen het departement van VROMI. Deze gang van zaken deed zich voor bij een groot aantal facturen. Een aantal van die facturen is aan de verdachte ten laste gelegd en is afkomstig van de volgende bedrijven: [J] , [K] , [L] , [M] , [N] , [R] en [O] . De door deze bedrijven opgemaakte facturen en in voorkomende gevallen de daarvan door [C] opgemaakte purchase orders (hierna: PO) worden hierna in de volgorde van de tenlastelegging besproken, op grond waarvan het gerecht uiteindelijk zal concluderen dat deze facturen en PO's geen betrekking hadden op het project Sewage maar veelal op geleverde goederen of diensten die vallen binnen de privésfeer van [verdachte] of zijn naasten. Op grond van de stukken in het dossier en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting stelt het gerecht hef volgende vast. In het onderzoek Ruby komt naar voren dat offertes en facturen die betaald zijn door [C] via de stelpost worden doorbelast aan het Ministerie van VROMI. Uit onderzoek in het digitale beslag kwam naar voren dat facturen zijn aangetroffen die via [verdachte] aan [C] zijn doorgestuurd. Er is nader onderzoek gedaan naar de betaling van deze facturen. [C] heeft al jaren een beheerscontract met VROMI inzake de Sewage plant. Dit contract heeft betrekking op het beheer van rioolzuiveringsinstallatie op Sint Maarten . Dit contract valt onder [verdachte] die werkzaam is als hoofd van de beheerdienst van VROMI. Bij [C] is de stelpost Sewage een gebudgetteerde post die, volgens het contract, naast het vaste contractbedrag wordt gebruikt om (onvoorziene) kosten door [C] door te belasten aan VROMI. Naast de doorbelasting van de kosten brengt [C] tevens 25% overhead kosten in rekening aan VROMI. Uit het onderzoek is een beeld verkregen van het goedkeuringsproces ten aanzien van de stelpostfacturen Sewage. Hieruit volgt dat [verdachte] zowel facturen aanlevert, deze als opdrachtgever goedkeurt en vervolgens als hoofd beheersdienst de stelpostfacturen accordeert. Door [betrokkene 8] zijn de stelpostfacturen over de periode 2012 - 2019 die betrekking hebben op de Sewage aangeleverd. Op basis van bovenstaande volgt uit diverse verklaringen, digitaal onderzoek en het doornemen van de fysieke stelpostfacturen dat sprake is van kosten die niet Sewage gerelateerd zijn maar wel worden doorbelast via de Sewage stelpost. Ten aanzien van deze facturen is nader onderzoek ingesteld. De bevindingen ten aanzien van deze facturen zijn in detail uitgewerkt in onderliggende processen-verbaal van bevindingen waarnaar wordt verwezen in het zaaks proces-verbaal. [betrokkene 7] heeft op 17 januari 2020 het volgende verklaard. "Ik ben in 2006 begonnen bij [C] als uitvoerder. Op enig moment werd ik bedrijfsleider. [verdachte] is verantwoordelijk voor de beheersdienst. Hij was onder andere betrokken bij het project Sewage. Na verloop van tijd kwamen er wel eens facturen binnen bij [C] via [verdachte] . Dat betroffen facturen waarvan ik niet altijd wist wat het was en die op verzoek van [verdachte] op een stelpost geboekt moesten worden. Facturen waarvan we niet wisten waar we die moesten boeken werden, vaak na overleg met [betrokkene 13] , geboekt op Design&Build. In principe was het tijdelijk parkeren van de kosten op het Design & Build project een soort "lopende rekening" geworden voor [verdachte] . Facturen die wij dus hadden betaald maar niet konden doorbelasten. VROMI had in principe een schuld aan [C] . Ik weet dat [betrokkene 13] een stevig gesprek heeft gehad met [verdachte] , waarna de nieuwe instroom van facturen is verminderd. Dat die kosten werden geboekt op Design & Build door [C] heeft te maken met het in stand houden van de relatie met [verdachte] . Als je relatie met [verdachte] kapot is dan is die met VROMI ook stuk en dan kom je daar voorlopig niet meer aan de bak. [verdachte] bepaalde feitelijk op welk project kosten "gecleared" konden worden. Kort samengevat komt het erop neer dat [C] facturen rechtstreeks ontving of op verzoek van [verdachte] . Wij beoordelen deze facturen niet inhoudelijk. Het binnen komen van facturen gaat geleidelijk, het begint klein en dan komen er steeds meer en vreemdere facturen die me opvielen. Ik zag facturen in relatie tot de [vereniging] . De facturen die via [verdachte] binnenkwamen kunnen dus op verschillende manieren zijn verwerkt. - via de stelpost van de projecten - door het ophogen van man- of machine-uren op de projecten - door verrekeningen met meer- en minderwerk - voor rekening nemen van [C] . Voor ons ging het erom om die kosten op Design&Build weg te krijgen. [verdachte] bepaalde hoe dat gebeurde. Wij konden niet zomaar bepalen dat iets op een stelpost kwam dat moest hij beslissen en goedkeuren. Als we daar niet in meegingen dan stonden die kosten over vijf jaar nog open. We wilden daar vanaf. Heel de stelpost was [verdachte] zijn speeltje". [betrokkene 13] heeft op 18 juli 2019 het volgende verklaard. "Met betrekking tot de Sewage waren er twee stelposten. Je had een algemene stelpost en een educatiestelpost. Ik denk dat die er ergens vanaf 2013 zijn gekomen. De algemene stelpost gaat om onvoorziene kosten die niet binnen het contract vallen." Vraag verbalisanten Maar wat vond je van die facturen die via [C] werden ingediend door [verdachte] ? "Soms had ik daar een goed gevoel en soms een slecht gevoel bij." [betrokkene 8] heeft op 31 januari 2019 het volgende verklaard: " [C] heeft een onderhoudscontract met VROMI voor de Sewage. Dit valt onder [verdachte] . De stelpost is voor meerwerk. De stelpost is een bedrag van standaard NAf 400.000,- op jaarbasis. De kosten die binnen de stelpost vallen worden maandelijks gefactureerd aan VROMI." Op 24 juni 2013 stuurt [P] een offerte en een factuur naar de e-mailadressen van [verdachte] en [echtgenote verdachte] . In de cc wordt [betrokkene 15] van [C] meegenomen. De factuur en offerte staan op naam van [C] . Het betreft een totaalbedrag van USD 9.427,25. Deze factuur is geboekt op het project Sewage (D-063). "Ik zie dat deze factuur is geboekt op het project Sewage en betaald is door [C] aan [P] ." Door [betrokkene 8] worden twee facturen overhandigd van [P] die afwijkend zijn van de facturen die hem tijdens het verhoor zijn getoond. Op de factuur van USD 546,- is de naam en adres van [echtgenote verdachte] gewijzigd naar de naam en adres van [C] . Op een factuur is met tipex tekst weggehaald. "Dit ziet er inderdaad niet goed uit als je de facturen vergelijkt die jullie mij getoond hebben met de facturen die bij ons in de administratie zitten. De paraaf op de originele factuur is van [betrokkene 7] en de handgeschreven tekst ook. Ik zie dat de factuur met het bedrag USD 546,- is doorbelast aan VROMI." De navolgende getuigen [betrokkene 14] , [betrokkene 13] , [betrokkene 15] en [betrokkene 8] zijn ter terechtzitting van het gerecht gehoord en hebben hierover het volgende verklaard. [betrokkene 14] heeft als getuige ter zitting van 27 september 2021 het volgende verklaard. Het klopt dat via de stelpost Sewage niet alleen onvoorziene kosten in het kader van het beheer van de Sewage plant werden doorbelast aan VROMI maar ook andere ten behoeve van VROMI gemaakte kosten. Deze kosten werden door [C] voorgeschoten en via de stelpost aan VROMI doorbelast. Mij zijn door de politie facturen getoond die op het eerste gezicht niet VROMI gerelateerd lijken te zijn. Een van die facturen betrof de aankoop van printers voor de [vereniging] . Het is niet de bedoeling dat de stelpost wordt gebruikt voor charitatieve doeleinden. Ik zie niet in waarom de overheid voor die kosten zou moeten opdraaien. [verdachte] , als hoofd van de beheersdienst van VROMI, moest de facturen goedkeuren. [betrokkene 13] heeft als getuige ter terechtzitting van 28 september 2021 het volgende verklaard. Ik was directeur bij [F] . Dit is een groot bouwbedrijf in Sint Maarten . Wij hebben jarenlang het beheer uitgevoerd van de rioolzuiveringsinstallatie op Sint Maarten , ook wel Sewage plant genoemd. [C] had daarvoor een contract met het ministerie van VROMI gesloten. De uitvoering van dit contract viel onder de verantwoordelijkheid van [verdachte] als hoofd van de beheersdienst bij VROMI. In de boekhouding van [C] is de stelpost Sewage plant opgenomen. Op die stelpost worden allerlei kosten opgevoerd die te maken hebben met het beheer en onderhoud van de rioolzuiveringsinstallatie en andere onvoorziene kosten. Ik denk dat 80% van de facturen op de stelpost facturen waren die [verdachte] naar [betrokkene 15] stuurde. Via de stelpost werden ook facturen betaald die geen betrekking hadden op de Sewage plant, of een andere overheid gerelateerde leverantie voor VROMI. Deze rekeningen werden op verzoek van [verdachte] door ons betaald. Hij gaf aan dat de facturen konden Worden doorbelast aan VROMI. Ik controleerde de factuur en keek of er een Purchase order (PO), bij zat. Deze werden verzameld in een maandstaat en doorberekend aan VROMI- Wij brachten 25% administratie kosten in rekening. Het klopt dat ik [verdachte] de mogelijkheid gaf om facturen op te voeren als kosten van VROMI terwijl dit in werkelijkheid geen overheid-gerelateerde kosten waren. Dit is menigmaal gebeurd. Ik begrijp dat u zegt dat ik in feite welbewust gebruik maakte van valse facturen. Dat klopt. Alle facturen worden uiteindelijk ondertekend en met een PO nummer ter goedkeuring naar onze financiële afdeling gestuurd. Daar worden ze meestal per cheque aan de onderaannemer betaald. Vervolgens worden de facturen in een verzamelfactuurstaat opgenomen en via de stelpost Sewage doorbelast aan VROMI. [verdachte] tekende de verzamelfactuur ter goedkeuring af en vervolgens betaalde VROMI de rekening aan [C] . Wij kregen de facturen van [verdachte] . Bij sommige facturen had ik geen goed gevoel. De kosten waren dan buitensporig hoog of hadden niets met VROMI te maken. [betrokkene 15] heeft als getuige ter terechtzitting van 27 september 2021 het volgende verklaard. [betrokkene 15] is vanaf 2008 tot 2017 werkzaam geweest als projectleider bij [C] op Sint Maarten . Ik was projectleider voor de Sewage plant bij [C] . Ik tekende de PO nadat een factuur was ontvangen. Na accordering van de PO kan de factuur worden uitbetaald. U zegt dat mij bij de politie facturen zijn getoond van [O] en [K] . Ik antwoord dat ik dingen heb gezien die niet klopten. Ik zag dat facturen in de administratie op kantoor verschilden van de facturen in mijn eigen administratie. Ik realiseer me dat ik inderdaad wel verkeerde dingen heb gezien. Ik wist dat er geschoven werd met facturen voor andere VROMI-gerelateerde zaken. [verdachte] heeft mij vaak gebeld over zaken die niets met de Sewage plant te maken hadden, maar die wel via de stelpost moesten worden afgeboekt. Ik heb facturen ontvangen van [verdachte] en van kantoor en daarmee bedoel ik [betrokkene 7] . De werkzaamheden hadden niet altijd betrekking op de Sewage plant. Ik kreeg de opdracht van kantoor om ze af te boeken op de stelpost. Ik wist dat de stelpost werd gebruikt voor niet Sewage gerelateerde dingen. Ik heb dat gezien. [betrokkene 8] heeft als getuige ter terechtzitting van 27 september 2021 het volgende verklaard. Ik was boekhouder/controller van [C] . [verdachte] stuurde [C] facturen die volgens hem via de stelpost betaald konden worden. Ik heb ook wel facturen gezien die op privé-uitgaven leken. [betrokkene 13] heeft weleens tegen mij verzucht dat we beter konden meegaan in het systeem. Wij spraken er dan met elkaar over of dit nou echt de bedoeling was. Of de stelpost misbruikt mocht worden voor niet Sewage of VROMI gerelateerde kosten. We factureerden dingen die niet op de stelpost thuishoorden. We zeiden dat het te maken had met Sewage, maar dat was niet zo. Deze verklaringen van de hiervoor genoemde getuigen worden ondersteund door de navolgende e-mailberichten die zijn aangetroffen in het digitale beslag. Hoewel deze berichten buiten de ten laste gelegde periode vallen, vindt het gerecht ze illustratief voor de verhoudingen tussen [C] en [verdachte] met betrekking tot het gebruik van de stelpost. Een reeks e-mailberichten tussen [betrokkene 13] , [betrokkene 15] en [betrokkene 8] vanaf 15 februari 2017. Deze berichten houden in: [betrokkene 8] stuurt om 7.50 uur een bericht aan [verdachte] . Onderwerp: factuur 2014 [Q] Hierbij 2 "oude" facturen die nog bij ons open staan. Hier hebben we het al vaker over gehad. Zou je kunnen kijken of dit geboekt kan gaan worden. [betrokkene 8] stuurt om 9.05 uur een bericht aan [betrokkene 15] met in de cc [verdachte] . Onderwerp: factuur 2014 [Q] . In opdracht van [verdachte] , zou je deze kosten op willen voeren bij de stelpost van januari 2017 van de Sewage. VROMI handelt dit intern af met Ministerie Justitie. [betrokkene 15] stuurt om 9.52 uur een bericht aan [betrokkene 13] met in de cc [betrokkene 8] . Onderwerp: factuur 2014 [Q] . Dit is geen Sewage. Wat doen we? [betrokkene 13] stuurt om 04.00 uur een bericht aan [betrokkene 15] met in de cc [betrokkene 8] , Ik ben bang dat we het niet gaan winnen van het systeem, dus zet maar door. Uit het voorgaande kan worden opgemaakt dat [verdachte] facturen die geen betrekking hebben op de Sewage plant of het Ministerie van VROMI ter betaling doorstuurt naar [C] met het verzoek om daarvan een PO op te maken en via de stelpost Sewage te factureren aan het Ministerie van VROMI, waarna hij de betaling van deze facturen opgenomen in een zogenaamde verzamelfactuur vallend onder het project Sewage weer goedkeurde. Deze gang van zaken doet zich ook voor bij na te noemen facturen. Door de samenwerking tussen [verdachte] en bepaalde medewerkers van [C] worden op deze manier facturen betaald door VROMI, voor werkzaamheden die in werkelijkheid niet door [C] voor VROMI zijn verricht. Met betrekking tot de in de tenlastelegging genoemde facturen en PO's stelt het gerecht het volgende vast. (…) Overwegingen met betrekking tot het bewijs Uit de hierboven weergegeven bewijsmiddelen volgt dat de verdachte, in samenwerking met anderen een reeks van facturen heeft vervalst en heeft ingediend bij [C] om te worden doorbelast op de stelpost voor de Sewage plant. Van verschillende van deze facturen is een eerdere versie achterhaald, waarop in een tweede versie, zowel voor wat betreft de omschrijving van de werkzaamheden als voor wat betreft de geadresseerde partij, wijzigingen zijn aangebracht, waardoor deze facturen niet langer in overeenstemming waren met de werkelijkheid. Zo zijn omschrijvingen van werkzaamheden voor of ten behoeve van [verdachte] , diens familie, of de [vereniging] , gewijzigd in werkzaamheden voor de Sewage plant. In die gevallen blijkt reeds uit de inhoud van de gewijzigde facturen zelf dat de op ten laste gelegde facturen vermelde werkzaamheden niet voor de Sewage plant zijn uitgevoerd, maar voor of ten behoeve van [verdachte] privé, waarbij [verdachte] in verschillende gevallen ook zelf de opdracht heeft gegeven om een dergelijke factuur aan [C] te richten en/of op de stelpost voor de Sewage plant te zetten. Ook werden deze facturen zodanig aangepast dat het leek alsof de werkzaamheden voor [C] waren verricht, terwijl dit in werkelijkheid niet het geval was. Ook de facturen ten aanzien waarvan uit verklaringen van degenen die de werkzaamheden hebben uitgevoerd slechts blijkt dat de op de factuur vermelde werkzaamheden geen betrekking hadden op de Sewage plant, zijn vervalst. Deze facturen waren immers, anders dan hun inhoud doet vermoeden, in werkelijkheid niet bestemd voor [C] , betroffen geen werkzaamheden die voor [C] zijn verricht en zijn niet verricht in het kader van een project waarvoor de stelpost Sewage was bestemd. Het gerecht gaat ervan uit dat [verdachte] degene is geweest die al deze facturen, in samenwerking met anderen, heeft vervalst. In de eerste plaats omdat deze facturen bewijsbaar ten goede komen aan hemzelf en/of zijn naasten. In de tweede plaats omdat alleen [verdachte] vanuit zijn functie kon bepalen welke facturen via de stelpost mochten worden doorbelast aan VROMI en hij ook degene was die de betaling uiteindelijk goedkeurde. Zonder zijn medewerking zouden de facturen niet worden betaald. Dit gevoegd bij het feit dat het doorbelasten van facturen die geen betrekking hebben op de stelpost past in een patroon, dat hij ook toepaste bij de facturen waarvan vaststaat dat hij deze heeft vervalst, acht het gerecht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] ook deze facturen, in samenwerking met anderen, heeft vervalst.” Het juridisch kader 6.5 Valsheid in geschrifte was ten tijde van de ten laste gelegde periode strafbaar gesteld in art. 230 SrNA (oud). 6.6 Art. 230 SrNA (oud) luidt als volgt: 1. Hij die een geschrift waaruit enig recht, enige verbintenis of enige bevrijding van schuld kan ontstaan, of dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt, indien uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan, als schuldig aan valsheid in geschrifte, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren. 2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van het valse of vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst, indien uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan. 6.7 Voor de toepassing van art. 230 SrNA (oud), dat vergelijkbaar is met art. 225 SrNL, is het volgende van belang. Van valselijk opmaken is sprake als een nieuw, vals geschrift wordt opgesteld of als een geschrift dat nog niet af was valselijk wordt voltooid. Onder vervalsen wordt begrepen het zodanig veranderen (iets wijzigen, toevoegen of verwijderen) van een bestaand geschrift dat het daarna vals is. Valsheid kan bestaan uit het voorwenden dat het geschrift door een ander is opgemaakt of van een ander afkomstig is. Ook is sprake van valsheid als de inhoud van het geschrift niet overeenstemt met de werkelijkheid en, in bepaalde gevallen ook, als men nalaat bepaalde gegevens of feiten te vermelden. Valsheid in geschrift vereist (zowel bij vervalsen als valselijk opmaken) opzet op het ‘vals maken’ van het geschrift, welk opzet kan bestaan in de vorm van voorwaardelijk opzet. Daarnaast moet bij de verdachte sprake zijn van een oogmerk tot misleiding: het als echt en onvervalst (doen) gebruiken van het geschrift. Dit gebruikt hoeft niet te zijn verwezenlijkt. 6.8 Voor wat betreft medeplegen van valsheid in geschrift gelden de criteria die de Hoge Raad in zijn algemeenheid hanteert voor medeplegen. Medeplegen veronderstelt een nauw een bewuste samenwerking, waarbij bepalend is of de (intellectuele en/of materiële) bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om van medeplegen te kunnen spreken. Voor de beoordeling daarvan zijn verschillende factoren van belang, zoals de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Ook als geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering kan sprake zijn van medeplegen. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(
- re)rol in de voorbereiding. Op de (feiten)rechter rust in geval hij in zo’n situatie tot een bewezenverklaring komt de taak om in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. In 2018 casseerde de Hoge Raad een veroordeling ter zake van medeplegen van het valselijk opmaken van werkgeversverklaringen en salarisspecificaties (ten behoeve van het aanvragen van een hypotheek). Het Hof had vastgesteld dat de verdachte belang had bij het opmaken van de geschriften en op eigen initiatief om de geschriften had verzocht en geoordeeld dat de rol van de verdachte daarmee zo essentieel was geweest dat ook zonder dat hij een feitelijke uitvoeringshandeling had verricht sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking en de perso(o)n(
- en)die de documenten valselijk heeft/hebben opgemaakt en daarom van een intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht. De Hoge Raad achtte dit oordeel ontoereikend gemotiveerd. In zijn noot bij het arrest merkt Rozemond op dat niet uitgesloten is dat wel sprake was van een gezamenlijke planning, in de zin dat de rol van de medeverdachte die de vervalste verklaringen leverde zich niet daartoe beperkte. Mogelijk was hij op de hoogte was van het criminele plan van de verdachte om de bank op te lichten en wilde hij aan de verwezenlijking van dat plan een wezenlijke bijdrage leveren. In zo’n geval zou het medeplegen volgens Rozemond kunnen worden afgeleid uit de gezamenlijke planning van met elkaar samenhangende misdrijven en de gezamenlijke functionele controle over die misdrijven. Of daarvan sprake was, kon echter niet uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. 6.9 In het tweede lid van art. 230 SrNA (oud) is strafbaar gesteld het gebruikmaken van een vals geschrift, als ware het echt en onvervalst, indien daardoor enig nadeel kan ontstaan. Anders dan in het eerste lid, wordt het daadwerkelijke gebruik van het geschrift vereist. Het gebruikmaken van het geschrift moet strekken ter misleiding van degene ten aanzien van wie het geschrift wordt gebruikt. In het geval dat die ander kennis draagt van de valsheid/vervalsing en de verdachte daar weet van heeft, en er dus niet op uit is de ander om de tuin te leiden, is er geen sprake van gebruikmaken in de zin van lid 2. In lijn hiermee wordt het enkele opnemen in de eigen administratie van ten eigen laste opgemaakte valse facturen onvoldoende geacht voor ‘gebruik maken’, ook als het is bedoeld ter wegwerking van oneffenheden om controle op de werkelijke gang van zaken te belemmeren. Van belang daarbij is ook dat de bekendheid met de valsheid bij een medewerker van een rechtspersoon niet zonder meer kan worden aangemerkt als bekendheid bij de rechtspersoon. Uit oudere jurisprudentie volgt dat, zolang aan het misleidingsvereiste is voldaan, van gebruikmaken vrij snel sprake is. Zo was voldoende dat het geschrift werd overgelegd of ingediend ter plaatse waar het zijn werking kan of moet hebben en ook als een stuk ter hand wordt gesteld aan iemand die er verder gebruik van moet maken. Toereikend kan ook zijn dat de verdachte een ander tot gebruikmaken overhaalt, zonder dat dit laatste hoeft te voldoen aan de vereisten van doen plegen. 6.10 Ik merk nog op dat art. 58 SrNA (oud), evenals art. 56 SrNL, in het eerste lid de samenloopregeling voor de voortgezette handeling bevat en dat deze van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op de situatie van “schuldigverklaring aan valsheid of muntschennis en aan het gebruik maken van het voorwerp ten opzichte waarvan de valsheid of muntschennis gepleegd is”. Met andere woorden: bij een veroordeling voor zowel het valselijk opmaken of vervalsen van stukken als het gebruikmaken van deze stukken door de verdachte, wordt evenals bij de voortgezette handeling slechts één strafbepaling toegepast. De bespreking van de middelen 6.11 Zoals gezegd betreffen de middelen de veroordeling van de verdachte voor het medeplegen van het valselijk opmaken of vervalsen van facturen en purchase orders en voor het medeplegen van het gebruikmaken van deze geschriften. Het Hof heeft daartoe overwogen dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte, in samenwerking met anderen, een reeks van facturen heeft vervalst en heeft ingediend bij [C] om te worden doorbelast aan het ministerie van VROMI op de stelpost voor de Sewage plant. 6.12 Ik leg de door het Hof aangenomen constructie uit. Het Hof heeft vastgesteld dat [C] in de bewezenverklaarde periode een contract met het ministerie van VROMI had voor het beheer van de rioolzuiveringsinstallatie (Sewage plant) op Sint Maarten . Dit beheerscontract viel onder de verantwoordelijkheid van de verdachte, als hoofd van de beheersdienst van VROMI. Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte facturen indiende bij of liet versturen aan [C] voor geleverde goederen of diensten die vielen binnen de privésfeer van de verdachte. Op verzoek van de verdachte, of door het aanbrengen van wijzigingen door de verdachte zelf of op zijn verzoek, werden de facturen gericht aan [C] als geadresseerde en werd het geleverde zo omschreven dat het (ten onrechte) betrekking leek te hebben op de Sewage plant (rioolzuiveringsinstallatie). Binnen [C] werd naar aanleiding van een factuur een purchase order opgemaakt, waarin de werkzaamheden werden omschreven en werd opgenomen op welke post de kosten betrekking hadden. Na betaling van de facturen door [C] aan de betreffende leveranciers werden deze veelal doorbelast aan VROMI, als ware het kosten gemaakt ten behoeve van de Sewage plant. De kosten werden via de stelpost Sewage plant, een gebudgetteerde post die, naast het contractbedrag, was bestemd voor (onvoorziene) kosten, doorbelast aan VROMI. Hiertoe werden verzamelfacturen opgesteld, die door onder meer de verdachte, als opdrachtgever, werden ondertekend ter goedkeuring. Bij het ministerie van VROMI werden de verzamelfacturen afgetekend voor uitbetaling door, wederom, de verdachte, als hoofd van de beheersdienst. Uit de bewijsmiddelen volgt dat diverse sleutelpersonen binnen [C] op de hoogte waren van wat er gebeurde, en daaraan meewerkten. Directeur [betrokkene 13] heeft onder meer verklaard dat hij (met [C] ) de verdachte de mogelijkheid gaf om facturen op te voeren als kosten van VROMI terwijl het in werkelijkheid geen overheid-gerelateerde kosten waren. Ook is uit de bewijsmiddelen af te leiden dat de verschillende leveranciers een bijdrage leverden aan deze constructie door werkzaamheden die niet werden verrichten voor de Sewage plant (maar bijvoorbeeld voor de [vereniging] , waarvan de verdachte sinds 1999 (prominent) lid was, of de verdachte zelf) te factureren aan [C] en daarbij, in voorkomend geval, in de omschrijving van de werkzaamheden op te nemen dat deze betrekking hadden op de Sewage plant. Illustratief is de verklaring van een van de leveranciers die, gevraagd naar een van de facturen, aangaf dat “dit soort dingen” vaak gebeurt in Sint Maarten : overheidsgeld wordt gebruikt voor privézaken. 6.13 Het Hof heeft in de bewijsoverwegingen onderkend dat op grond van de bewijsmiddelen niet voor elk document rechtstreeks de betrokkenheid van de verdachte bij het valselijk opmaken of vervalsen is vast te stellen. Niettemin komt het Hof tot een bewezenverklaring ten aanzien van alle ten laste gelegde facturen en purchase orders. Daartoe heeft het Hof het volgende overwogen. Het Hof heeft op de eerste plaats geconstateerd dat van verschillende facturen een eerdere versie is achterhaald, waarop in een tweede versie, zowel voor wat betreft de omschrijving van de werkzaamheden als voor wat betreft de geadresseerde partij, wijzigingen zijn aangebracht, waardoor deze facturen niet langer in overeenstemming waren met de werkelijkheid. Zo werden omschrijvingen van werkzaamheden voor of ten behoeve van [verdachte] , zijn familie of de [vereniging] gewijzigd in werkzaamheden voor de Sewage plant. Ik wijs ter illustratie op de bewijsvoering met betrekking tot factuur 1a, waarin uit een vergelijking van de verschillende versies blijkt dat in de omschrijving van beveiligingswerkzaamheden is weggelaten dat deze betrekking hadden op de woning van [echtgenote verdachte] (de echtgenote van de verdachte) of haar moeder en de geadresseerde van de factuur op verzoek van de verdachte is veranderd van [echtgenote verdachte] in [C] . Zie ook de bewijsvoering met betrekking tot factuur 2a, waar de omschrijving in eerste instantie zag op verfwerkzaamheden binnen en buiten, maar is gewijzigd naar geheel andere, vrij nauwkeurig beschreven, werkzaamheden met betrekking tot “pits” (aanwezig op de Sewage plant, zo leid ik af uit de bewijsvoering). En de bewijsvoering ten aanzien van factuur 7a, een factuur van [O] , in eerste instantie gericht aan de [vereniging] , later aan [C] , voor het borduren van logo’s (naar blijkt: op vesten voor de [vereniging] ). Daarnaast overweegt het Hof dat er facturen zijn waarvan slechts uit verklaringen van degenen die de werkzaamheden hebben uitgevoerd blijkt dat die werkzaamheden in werkelijkheid niet zagen op de Sewage plant. Ik begrijp dit zo dat dit volgens het Hof in ieder geval betrekking heeft op de hierna de bespreken facturen 2c, 3a en 6a. Het Hof heeft ten aanzien van deze facturen vastgesteld dat deze ook zijn vervalst, omdat zij in werkelijkheid niet voor [C] bestemd waren, geen werkzaamheden betroffen die voor [C] zijn verricht en ook niet in het kader van een project waarvoor de stelpost Sewage was bestemd. Het Hof gaat er ook ten aanzien van deze facturen vanuit dat de verdachte degene is geweest die de facturen, in samenwerking met anderen, heeft vervalst. Daaraan heeft het Hof ten grondslag gelegd dat de facturen bewijsbaar ten goede komen aan hemzelf en/of zijn naasten en dat alleen de verdachte vanuit zijn functie kon bepalen welke facturen via de stelpost mochten worden doorbelast aan het ministerie van VROMI en hij degene was die de betaling uiteindelijk goedkeurde; zonder zijn medewerking zouden de facturen niet betaald zijn. Daarnaast heeft het Hof overwogen dat het doorbelasten van facturen die geen betrekking hadden op de stelpost past in een patroon, dat de verdachte ook toepaste bij de facturen waarvan vaststaat dat hij deze heeft vervalst. Daarmee verwijst het Hof – zo begrijp ik – naar het samenstel van handelingen (waaronder het vervalsen van facture