PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/03543 Datum 16 januari 2026 Belastingkamer B Onderwerp/tijdvak Algemene ouderdomswet (AOW) Nr. CRvB 23/3018 AOW Nr. Rechtbank 22/3212 CONCLUSIE M.R.T. Pauwels In de zaak van [X] (belanghebbende) tegen de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Rvb-Svb) 1Inleiding en overzicht Reden voor selectie van deze zaak voor conclusie: doorbreking beperkte beoordelingsbevoegdheid van CRvB-uitspraken? 1.1 Deze zaak gaat over een besluit van de Svb waarbij voorlopig is vastgesteld dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving toepassing vindt op belanghebbende in de periode 1 oktober 2016 tot en met 31 mei 2017. Deze zaak is evenwel niet geselecteerd voor conclusie in verband met de inhoud van dat besluit. De reden voor die selectie heeft te maken met het procesverloop. Dat procesverloop is in de kern als volgt. 1.2 Belanghebbende heeft zich voor de Rechtbank laten vertegenwoordigen door een raadsman, die hem thans ook in cassatie vertegenwoordigt. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard. De Svb heeft daartegen hoger beroep ingesteld bij de CRvB. De CRvB heeft de kennisgeving van het hoger beroep alleen aan belanghebbende zelf gestuurd en daarin gemeld dat als belanghebbende zich wil laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, belanghebbende de naam en adresgegevens van de gemachtigde moet doorgeven. Belanghebbende heeft daarop niet gereageerd. Bijgevolg is de raadsman niet in de procedure betrokken. Belanghebbende heeft geen verweer gevoerd en is niet ter zitting verschenen. De CRvB heeft het hoger beroep gegrond verklaard. 1.3 Het eerste middel van belanghebbende klaagt in de kern erover dat zowel de CRvB als de Svb diverse wettelijke bepalingen, grondrechtelijke bepalingen en algemene rechtsbeginselen heeft geschonden door de raadsman niet in kennis te stellen van het hoger beroep. 1.4 De wet biedt evenwel de Hoge Raad slechts een beperkte bevoegdheid om CRvB-uitspraken te beoordelen. Het eerste middel valt niet binnen die bevoegdheid. Aangezien het eerste middel echter in wezen (mede) inhoudt dat fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden waardoor niet kan worden gesproken van een eerlijke behandeling, rijst de vraag of – naar analogie van doorbreking van rechtsmiddelverboden – onder omstandigheden de beperkte beoordelingsbevoegdheid kan worden ‘doorbroken’. Die vraag was aanleiding om de zaak te selecteren voor conclusie. Echter meegezogen in een complicatie: tijdigheid beroep in cassatie? 1.5 Veruit de meeste aandacht in deze conclusie is echter uiteindelijk gegaan naar een complicatie, die pas duidelijker naar voren kwam toen het procesdossier (eindelijk) aangevuld was en die ambtshalve onderzocht moet worden, te weten de tijdigheid van het beroep in cassatie. Als voor de aanvang van de cassatietermijn zou moeten worden aangesloten bij de (eerste) verzending van een afschrift van de uitspraak van de CRvB aan belanghebbende, zou het beroep in cassatie namelijk niet tijdig zijn ingesteld. De vraag is echter of de uitspraak van de CRvB met die verzending aan belanghebbende wel op voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In dat kader rijst onder meer de vraag of het afschrift van de uitspraak in strijd met art. 6:17 Awb niet ook aan de raadsman is verzonden, zoals het eerste middel (onder meer) betoogt. 1.6 Het bredere belang van beantwoording van de vraag of in een geval als dit de uitspraak (ook) aan de gemachtigde had moeten worden verzonden, lijkt (zeer) beperkt omdat dit een zeldzaam geval lijkt te zijn waarin de belanghebbende geen actie onderneemt naar aanleiding van de kennisgeving aan (alleen) hem van het hoger beroep door het bestuursorgaan. Niettemin kan er een breder belang zijn, omdat het antwoord op de vraag een impact kan hebben op de handelwijze van zowel de CRvB als de gerechtshoven om de kennisgeving van het hoger beroep door het bestuursorgaan te verzenden alleen aan de belanghebbende en niet ook (een afschrift daarvan) aan de gemachtigde in vorige instantie. Tijdigheid beroep in cassatie: had de CRvB-uitspraak naar de raadsman verzonden moeten worden op grond van art. 6:17 Awb? 1.7 In onderdeel 3 zet ik, mede aan de hand van aanvullend feitenonderzoek, uiteen dat op het eerste oog de cassatietermijn is overschreden, maar dat het gecompliceerder ligt, onder meer omdat de vraag rijst of een afschrift van de uitspraak had moeten worden verstrekt aan de raadsman op grond van art. 6:17 Awb. 1.8 Ter beantwoording van die vraag ga ik eerst in onderdeel 4 in op art. 6:17 Awb en zijn totstandkoming. In onderdeel 5 behandel ik rechtspraak van de Hoge Raad over het verstrekken van een afschrift van de uitspraak aan de gemachtigde. In onderdeel 6 geef ik mijn bevindingen weer van mijn onderzoek naar de praktijk (in belastingprocedures) van verzending van kennisgeving aan de belanghebbende in het geval het bestuursorgaan hoger beroep of beroep in cassatie instelt. In onderdeel 7 maak ik een korte rechtsvergelijkende uitstap naar betekening van appelexploten in dagvaardingszaken. In onderdeel 8 volgt de beschouwing. 1.9 Die beschouwing start ermee dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat art. 6:17 Awb pas van toepassing is indien het aan de appelrechter duidelijk moet zijn dat de belanghebbende zich laat vertegenwoordigen in appel, maar dat de wetsgeschiedenis en jurisprudentie niet leren onder welke omstandigheden aan dat duidelijkheidvereiste is voldaan in het geval niet de belanghebbende maar het bestuursorgaan hoger beroep instelt (8.3-8.6). Vervolgens zet ik uiteen dat in zo’n geval de verhouding tussen art. 6:17 Awb en de kennisgeving van het hoger beroep trekken heeft van een catch 22-situatie: voorwaarde voor de bescherming door art. 6:17 Awb van de procedurele belangen van de belanghebbende is dat aan de appelrechter duidelijk is dat de belanghebbende zich laat vertegenwoordigen, maar om aan de voorwaarde te voldoen is het nodig dat de belanghebbende reageert op een stuk dat onder de procedurele rechtsbescherming van art. 6:17 Awb zou vallen als het artikel van toepassing is (8.7-8.10). Daarna bespreek ik de voor- en nadelen van drie mogelijke werkwijzen met betrekking tot de kennisgeving in het geval de belanghebbende in vorige instantie is vertegenwoordigd door een gemachtigde: (i) toezending aan (ook) de gemachtigde, (ii) toezending van de kennisgeving aan de belanghebbende en toezending van een afschrift daarvan aan de gemachtigde (= werkwijze bij de Hoge Raad), en (iii) toezending van de kennisgeving aan (alleen) de belanghebbende (= werkwijze CRvB en gerechtshoven) (8.11-8.20). In het geval die laatste werkwijze wordt gehanteerd, bepleit ik dat indien de belanghebbende niet heeft gereageerd op de appelkennisgeving en evenmin verweer heeft gevoerd, de appelrechter moet onderzoeken of de belanghebbende zich in hoger beroep laat vertegenwoordigen door de gemachtigde in beroep (8.20). Aangezien de CRvB dat onderzoek in dit geval niet heeft verricht, kan niet worden vastgesteld of in overeenstemming met art. 6:17 Awb is gehandeld en dus evenmin of de CRvB de uitspraak op de voorgeschreven wijze heeft bekendgemaakt – dit leidt vervolgens tot de conclusie dat het beroep in cassatie tijdig is ingesteld (8.21-8.23). 1.10 Voor het geval de Hoge Raad geen grond ziet om een onderzoeksplicht te aanvaarden, meen ik dat getoetst moet worden of op enig moment gedurende de procedure aan de CRvB duidelijk moest zijn dat belanghebbende zich laat vertegenwoordigen. Gelet op diverse omstandigheden in onderlinge samenhang bezien meen ik dat dit de CRvB in elk geval duidelijk moest zijn voorafgaand aan het vaststellen van de uitspraak (8.24-8.27). Dit betekent dat de uitspraak van de CRvB niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, aangezien een afschrift daarvan niet naar de raadsman is verzonden – ook dit leidt tot de conclusie dat het beroep in cassatie tijdig is ingesteld (8.28). 1.11 Voor het geval de Hoge Raad van oordeel is dat in dit geval de uitspraak van de CRvB wél op de voorgeschreven wijze wordt bekendgemaakt door verzending van een afschrift ervan aan belanghebbende zelf, meen ik dat de CRvB had moeten onderzoeken welk adres van belanghebbende moest worden gebruikt, gezien belanghebbende in beroep een domicilie-adres had opgegeven (8.31). In het geval de Hoge Raad echter van oordeel is dat de CRvB wel het adres van belanghebbende zelf mocht gebruiken, speelt nog de extra complicatie in deze zaak dat het adres waarnaar het afschrift van de uitspraak is verzonden, in die zin onjuist is dat het adres van belanghebbende inmiddels was gewijzigd in de basisregistratie persoonsgegevens (8.32). Aangezien echter het gebruik van dat onjuiste adres niet is te wijten aan de CRvB, zou de uitspraak in dat geval wel op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt en zou de cassatietermijn wel zijn overschreden (8.33). Ik ben echter van opvatting dat die termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn, nu de verwijtbaarheid daarvan aan belanghebbende gering is gelet op de omstandigheden van dit geval (8.34). Arrest-economie: een aantrekkelijke ‘way out’? 1.12 Mocht de Hoge Raad die laatste opvatting delen, dan dient zich voor de Hoge Raad een optie aan die aantrekkelijk is uit overwegingen van arrest-economie. Gegeven (i) dat een eventuele termijnoverschrijding toch verschoonbaar zou zijn, en (ii) dat de Rvb-Svb geen niet-ontvankelijkheidsverweer heeft gevoerd, zou de Hoge Raad de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie onbesproken kunnen laten in het arrest. Dat zou weliswaar spijtig zijn uit oogpunt van het gedane onderzoek in deze conclusie, maar dat is op zichzelf van weinig gewicht. Bovendien lijkt – als gezegd (1.6) – het bredere belang beperkt bij beantwoording van de vraag of in een (zeldzaam) geval als dit de uitspraak (ook) aan de gemachtigde had moeten worden verzonden. Middel 1 1.13 In onderdeel 9 komt vervolgens (pas) middel 1 aan bod. Ik zet eerst uiteen dat het middel, dat in de kern erover klaagt dat diverse wettelijke bepalingen, grondrechtelijke bepalingen en algemene rechtsbeginselen zijn geschonden doordat de raadsman niet in kennis is gesteld van het hoger beroep (en evenmin van de uitspraak), buiten de beperkte bevoegdheid van de Hoge Raad valt om uitspraken van de CRvB te beoordelen, gelet op de relevante cassatiebepaling zoals die in art. 53
(1)AOW (9.3-9.12). 1.14 Vervolgens ga ik, mede gelet op de strekking van middel 1, in op de vraag of onder (bijzondere) omstandigheden die beperkte bevoegdheid kan worden ‘doorbroken’. Dat hangt er mijns inziens van af (i) of een cassatiebepaling als art. 53
(1)AOW is op te vatten als een cassatieverbod, en zo ja (ii) of het cassatieverbod vatbaar is voor doorbreking (9.13-9.18). 1.15 De eerste vraag beantwoord ik ontkennend. Aangezien het stelsel waartoe een cassatiebepaling als art. 53
(1)AOW behoort, in beginsel geen beroep in cassatie biedt tegen CRvB-uitspraken, is zo’n bepaling niet op te vatten als een cassatieverbod (9.19-9.28). 1.16 Ook de tweede vraag beantwoord ik ontkennend. Ook als een cassatiebepaling als art. 53
(1)AOW wel neerkomt op een cassatieverbod, is dat verbod niet vatbaar voor doorbreking om twee zelfstandige redenen (9.29-9.38). De eerste is dat, naar ik meen, uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 78
(4)RO indirect kan worden afgeleid dat de wetgever heeft voorgestaan dat doorbreking niet mogelijk is. De tweede reden is dat doorbreking niet spoort met de strekking van een cassatiebepaling als art. 53
(1)AOW, nu die strekking uitsluitend is om de rechtseenheid bij de uitleg van bepaalde begrippen te waarborgen. 1.17 Aangezien de beperkte beoordelingsbevoegdheid niet kan worden doorbroken, wordt niet eraan toegekomen óf zich een doorbrekingsgrond voordoet en kan middel 1 (ook overigens) niet inhoudelijk worden beoordeeld in cassatie. Dit betekent niet dat het beroep in cassatie in zoverre niet-ontvankelijk is, maar dat het middel niet tot cassatie kan leiden (9.39-9.41). Middel 2 1.18 De CRvB heeft geoordeeld dat de Svb, bij gebrek aan objectief verifieerbare individuele informatie, terecht op grond van een beredeneerd vermoeden de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing heeft verklaard op belanghebbende. Dat vermoeden van de Svb is dat belanghebbende een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in Nederland heeft verricht. De omstandigheden waarop de Svb dat vermoeden baseert zijn dat: (a) belanghebbende woont in Nederland, en (b) hij werkt op een schip van een in Nederland gevestigde eigenaar en exploitant. 1.19 Ik meen dat, gelet op het HvJ-arrest Hakamp, middel 2 terecht betoogt dat met deze omstandigheden geen rekening mag worden gehouden bij de toepassing van art. 14
(8)Toepassingsverordening (10.3-10.6). 1.20 Lastiger vind ik of het middel 2 ook tot cassatie kan leiden. Bij een enge lezing van de uitspraak van de CRvB is dat niet vanzelfsprekend (10.7-10.8). Ik meen echter dat een dergelijke enge lezing geen recht doet aan de zaak, mede omdat de uitspraak zo kan worden begrepen dat de CRvB ook het beredeneerde vermoeden als zodanig onderschrijft (10.9-10.10). Daarvan uitgaande leidt middel 2 tot cassatie en dient terugwijzing te volgen (10.11), waarbij overwogen kan worden om de CRvB te instrueren om de raadsman in de procedure te betrekken (10.12). Conclusie 1.21 Het beroep in cassatie is mijns inziens gegrond. Tot slot 1.22 Ik wijs erop dat het door de CRvB aangeleverde procesdossier mogelijk niet compleet is (zie 2.14), dat mogelijk nog stukken aan de raadsman ter beschikking moeten worden gesteld (zie 2.15) en dat belanghebbende nog niet in de gelegenheid is gesteld om zich uit te laten over de mogelijke overschrijding van de cassatietermijn (zie 3.16 en 2.15).
- De feiten, het geding in feitelijke aanleg, het geding in cassatie en de in cassatie beschikbare gedingstukken Feiten 2.1 Belanghebbende woont in Nederland. Vanaf 1 oktober 2016 tot en met 31 mei 2017 (de betrokken periode) stond hij op de loonlijst van een in Liechtenstein gevestigde werkgever (de werkgever) en werkte hij op een binnenvaartschip (het schip) in Frankrijk, Duitsland, België en Nederland. Het schip is van een in Nederland gevestigde eigenaar en exploitant. 2.2 Bij brief van 10 oktober 2016 heeft de werkgever de Svb verzocht vast te stellen dat de Liechtensteinse socialezekerheidswetgeving van toepassing is op belanghebbende. De Svb heeft om haar onbekende redenen geen gevolg gegeven aan dit verzoek. Bijna vijf jaar later, op 21 september 2021, heeft de Belastingdienst de Svb verzocht vast te stellen welke wetgeving toepasselijk is. Dit is gedaan naar aanleiding van de aangifte inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen voor 2017, waarin is vermeld dat belanghebbende niet het gehele jaar verzekerd is voor de Nederlandse wetgeving. Dat verzoek heeft geleid tot een onderzoek van de Svb. 2.3 De Svb heeft belanghebbende verzocht een aantal vragen te beantwoorden en stukken te overleggen, waaronder een vaartijdenboek en dienstboekjes. Dit is gebeurd eerst bij brief van 24 september 2021 en vervolgens bij rappel van 19 november
- Belanghebbende heeft niet gereageerd. Daarna, bij brief van 14 december 2021, heeft de Svb de werkgever verzocht dezelfde vragen te beantwoorden en stukken te overleggen. Bij brief van 13 januari 2022 heeft mr. M.J. van Dam, advocaat in Rotterdam (de raadsman), gereageerd namens de werkgever door het overleggen van een arbeidsovereenkomst met belanghebbende, jaaropgaven van belanghebbende voor 2016 en 2017, een verklaring van belanghebbende, drie getuigenverklaringen, een uitdraai van een logboek (Bordbuch) en een verklaring van een bestuursorgaan in Liechtenstein over uitkering van kinderbijslag. 2.4 Vervolgens heeft de Svb bij besluit van 10 maart 2022 (het primaire besluit) voorlopig vastgesteld dat de Nederlandse wetgeving toepassing vindt op belanghebbende in de betrokken periode. Daarbij is de Svb ervan uitgegaan dat belanghebbende ondanks een verzoek daartoe onvoldoende informatie heeft verstrekt om te kunnen bepalen welk gedeelte van zijn werkzaamheden is verricht in Nederland. Dit heeft de Svb gebracht tot het beredeneerde vermoeden dat een substantieel gedeelte daarvan is verricht in Nederland, omdat belanghebbende woont in Nederland en in die periode werkt op een schip van een in Nederland gevestigde eigenaar en exploitant. Bij het primaire besluit heeft de Svb een A1-verklaring verstrekt, die vermeldt dat belanghebbende pleegt te werken in verschillende Rijnoeverstaten en dat in diezelfde periode de Nederlandse wetgeving van toepassing is op hem. De Svb heeft de bevoegde autoriteiten van Frankrijk, Duitsland, België en Liechtenstein in kennis gesteld van dit besluit en deze A1-verklaring. 2.5 Ook voor de voorafgaande periode vanaf 12 augustus 2015 tot en met 30 juni 2016 heeft de Svb vastgesteld dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is op belanghebbende. Dat is reeds geschied bij besluit van 6 juni 2016 (het besluit van 6 juni 2016), dat onherroepelijk is komen vast te staan. 2.6 Namens belanghebbende heeft de raadsman bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij uitspraak van 15 juli 2022 heeft de Svb het bezwaar ongegrond verklaard. Rechtbank Noord-Nederland 2.7 De raadsman heeft namens belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. In het beroepschrift is vermeld dat belanghebbende “te dezer zake mede woonplaats” kiest ten kantore van de raadsman. 2.8 De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de Svb gelast opnieuw te beslissen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak van de Rechtbank. 2.9 Voor de Rechtbank is in geschil of de Nederlandse socialezekerheidswetgeving terecht van toepassing is geacht op belanghebbende in de betrokken periode. Dit geschilpunt spitst zich erop toe of de Svb heeft mogen uitgaan van het vermoeden dat hij een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden heeft verricht in Nederland. De Rechtbank is van oordeel dat de Svb niet zonder nadere motivering heeft mogen uitgaan daarvan. Daartoe wijst zij erop dat de Svb aanvankelijk belanghebbende heeft verzocht en gerappelleerd om informatie en, na het uitblijven van zijn reactie, vervolgens de werkgever wel heeft verzocht maar niet heeft gerappelleerd om de ontbrekende informatie. Ook heeft de Svb de exploitant van het schip geheel niet verzocht om informatie. Daarnaast wijst de Rechtbank op het tijdsverloop tussen het verzoek van de werkgever op 10 oktober 2016 en het verzoek van de Belastingdienst op 21 september
- Dit tijdsverloop betekent dat de Svb indringender heeft moeten toetsen of zij gegevens als een vaartijdenboek en dienstboekjes nog met succes zou hebben kunnen vragen bij belanghebbende als werknemer. Het betekent ook dat ter bepaling van de toepasselijke wetgeving een lichtere bewijslast rust op hem dan die welke in het algemeen wordt aangenomen. Daarom heeft de Svb niet zonder nadere motivering mogen uitgaan van dat vermoeden, aldus de Rechtbank. Centrale Raad van Beroep 2.10 De Svb heeft hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Vervolgens heeft noch belanghebbende noch de raadsman namens hem een verweerschrift ingediend. Geen van beiden is verschenen voor het onderzoek ter zitting van de CRvB. De CRvB heeft het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en alsnog het beroep ongegrond verklaard. 2.11 De CRvB is van oordeel dat de Svb terecht op grond van een beredeneerd vermoeden de Nederlandse wetgeving van toepassing heeft geacht op belanghebbende in de betrokken periode. De CRvB overweegt daartoe in de kern dat, gelet op de omstandigheden, de Svb toereikend onderzoek heeft verricht naar de relevante feiten vóór het nemen van het primaire besluit, en dat er geen aanleiding voor een andere verdeling van de bewijslast is dan in zijn uitspraak van 22 oktober
- Ik citeer (met weglating van voetnoten): “4.
- Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de Svb voorafgaand aan het bestreden besluit toereikend onderzoek heeft gedaan naar de relevante feiten, terwijl betrokkene en [bedrijf] niet met vaartijdenboeken of anderszins genoegzaam aannemelijk hebben gemaakt in welke verhouding de werkzaamheden van betrokkene in de periode in geding waren verdeeld tussen zijn woonland Nederland en de andere lidstaten. De Svb heeft aan zijn onderzoeksplicht voldaan door bij betrokkenen en [bedrijf] de benodigde documentatie op te vragen. De Svb heeft daarom, bij gebrek aan objectief verifieerbare individuele informatie, terecht op grond van een beredeneerd vermoeden vastgesteld dat over de periode in geding niet de wetgeving van Liechtenstein maar die van Nederland op betrokkene van toepassing is. De Raad acht daarbij van belang dat de situatie van betrokkene dezelfde was als die waarop het (…) besluit van 6 juni 2016 zag. In dat besluit heeft de Svb vastgesteld dat op betrokkene vanaf 12 augustus 2015 de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing was. Alleen door een korte onderbreking in het dienstverband tussen betrokkene en [bedrijf], zijn er aparte procedures ontstaan. Hoewel de Svb pas in september 2021 aan betrokkene en [bedrijf] heeft gevraagd om informatie over de verdeling van de werkzaamheden in deze procedure in te brengen, was aan betrokkene en [bedrijf] al op 16 september 2016 in de procedure tegen het besluit van 6 juni 2016 gevraagd om deze informatie, waaronder (kopieën van) vaartijdenboek te overleggen. In die procedure is op 15 november 2017 opnieuw door de Svb aan betrokkene en aan [bedrijf] gevraagd om informatie en bewijsstukken van de stelling dat niet substantieel in Nederland wordt gewerkt. Desondanks zijn geen objectief verifieerbare gegevens zoals een vaartijdenboek ingebracht, ook niet in het verdere verloop van die procedure, waardoor in die procedure de beslissing op grond van het beredeneerde vermoeden in stand is gebleven. Onder die omstandigheden, waarbij wordt opgemerkt dat betrokkene tot aan dit hoger beroep is bijgestaan door dezelfde professionele gemachtigde als in de andere procedure, ziet de Raad geen aanleiding om in dit geding uit te gaan van een andere bewijslast- en risicoverdeling dan in zijn uitspraak van 22 oktober 2020.” Het geding in cassatie 2.12 De raadsman heeft namens belanghebbende beroep in cassatie ingesteld. Dat is mogelijk niet tijdig gebeurd (zie onderdeel 3 van deze conclusie). De Rvb-Svb heeft geen verweerschrift ingediend, hoewel hij daartoe op regelmatige wijze in de gelegenheid is gesteld. 2.13 Belanghebbende stelt twee middelen voor. Middel 1 richt zich in de kern tegen het procesverloop bij de CRvB, met onder meer het betoog dat zowel de Svb als de CRvB een kennisgeving van het hoger beroep ten onrechte niet heeft doen toekomen aan de raadsman of belanghebbende op het adres van de raadsman. Middel 2 keert zich tegen het oordeel van de CRvB dat de SvB terecht de Nederlandse wetgeving van toepassing heeft geacht op belanghebbende in de betrokken periode. De in cassatie beschikbare gedingstukken (I) 2.14 Na ommekomst van de termijn om een verweerschrift in te dienen, is mij de gelegenheid geboden om al dan niet te concluderen in deze zaak. Op dat moment waren de stukken van het geding in feitelijke instanties nog niet ontvangen van de CRvB. Na interventie van de waarnemend griffier van de Hoge Raad zijn uiteindelijk pas bij brief van 15 mei 2025 van de griffier van de CRvB stukken (op papier) ontvangen. Deze stukken betreffen echter alleen stukken van het geding bij de Rechtbank en het proces-verbaal van de zitting bij de CRvB. Nadat de waarnemend griffier van de Hoge Raad heeft geattendeerd op de incompleetheid van het dossier is langs digitale weg op 27 mei 2025 een bestand met zogenoemde i-stukken ontvangen. Ook daarmee bleek het dossier niet compleet te zijn, omdat kenbaar was dat bepaalde stukken in elk geval ontbraken, zoals de uitspraak van de CRvB en de brieven waarbij een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen. Nadat daarop is geattendeerd, is langs digitale weg op 13 juni 2025 een nieuw bestand met zogenoemde i-stukken ontvangen. Ik heb dat bestand in combinatie met de eerder op papier toegestuurde stukken tot uitgangspunt genomen voor mijn conclusie. Ik merk hier echter wel reeds op dat ik niet zeker weet of het dossier compleet is. Zo is mij op basis van het dossier niet duidelijk waarom de uitspraak van de CRvB tweemaal bij brief (eerst aangetekend en vervolgens bij gewone post naar een ander adres) naar belanghebbende is gezonden (zie 3.3 hierna). Mocht de aanleiding daarvoor zijn dat de eerste brief retour is gekomen, dan ontbreekt dat stuk in het dossier. De in cassatie beschikbare gedingstukken (II): stukken van de procedure bij de CRvB ter beschikking stellen aan de raadsman? 2.15 Zoals uit de aanvullende feitenvaststelling hierna (3.4-3.5) volgt, blijkt uit de stukken van het geding niet dat de raadsman op enig moment in de procedure van de CRvB is betrokken. Dat vindt ook steun zowel in de feitelijke grondslag waarop middel 1 berust als in het proces-verbaal van de zitting van de CRvB waaruit ik afleid dat de CRvB de raadsman niet heeft “benaderd” (zie 3.7). De raadsman zal denkelijk dan ook niet beschikken over alle stukken van de procedure bij de CRvB. Ik geef de Hoge Raad in overweging om die stukken aan de raadsman ter beschikking te stellen (art. 6:17 Awb). Weliswaar heeft de raadsman zelf niet verzocht om die stukken, maar terbeschikkingstelling van die stukken lijkt me wel aangewezen, in het bijzonder in verband met de hierna (3.12 e.v.) aan de orde komende ambtshalve constatering dat de cassatietermijn mogelijk is overschreden. Ervan uitgaande dat de raadsman niet beschikt over de stukken van de procedure bij de CRvB, heeft de raadsman bijvoorbeeld geen kennis van het adres waarnaar de uitspraak van de CRvB bij de eerste brief is verzonden, en heeft hij zich dus daarover nog niet kunnen uitlaten. 3Ambtshalve onderzoek naar ontvankelijkheid beroep in cassatie 3.1 Voordat ik toekom aan een onderzoek naar de middelen, werp ik – ambtshalve – de vraag op of belanghebbende tijdig beroep in cassatie heeft ingesteld. Dit is om twee redenen. Ten eerste, blijkens de stukken van het geding is een afschrift van de bestreden uitspraak tweemaal verzonden aan belanghebbende. Daarmee is niet zonder meer helder wanneer de termijn voor het instellen van beroep in cassatie is aangevangen: vanaf de eerste verzending of de tweede? Ten tweede, het beroepschrift in cassatie is ingekomen op 19 september
- Dit is zes weken na de tweede verzending op 8 augustus
- Maar het is acht weken na de eerste op 22 juli
- Het doet dus ertoe wanneer die termijn is aangevangen. 3.2 De beoordeling of tijdig beroep in cassatie is ingesteld, is in dit geval (veel) meer omvattend gebleken dan doorgaans het geval is. Hierna doe ik eerst verslag van mijn aanvullend feitenonderzoek (3.3-3.11). Dat onderzoek lijkt op het eerste oog mee te brengen dat de cassatietermijn is overschreden (3.12-3.15). Het ligt echter gecompliceerder (3.16-3.21). Eerste vraag is in dit verband een juridische vraag, namelijk of in dit geval een afschrift van de uitspraak had moeten worden verstrekt aan de raadsman op grond van art. 6:17 Awb. Het plan van aanpak ter beantwoording van die vraag is vermeld in 3.
- Daaruit volgt dat mijn onderzoek naar de ontvankelijkheid de onderdelen 4 tot en met 8 in beslag neemt. Aanvullende feiten 3.3 Een afschrift van de bestreden uitspraak is tweemaal verzonden. Eerst is bij aangetekend verzonden brief van 22 juli 2024 een afschrift verzonden aan elk van beide partijen. De brief voor belanghebbende richt zich tot hem en is geadresseerd aan [a-straat 1] in [Q] (eerste adres). Vervolgens is bij brief van 8 augustus 2024 nogmaals een afschrift verzonden, ditmaal alleen aan belanghebbende. Ook deze brief richt zich tot hem, maar is geadresseerd aan [b-straat 1] in [Q] (tweede adres). Die brief is (kennelijk) verzonden per gewone post. De brief vermeldt: “Hierbij zend ik u opnieuw een brief die al eerder aan u is toegezonden. In die brief is u een termijn gesteld. Er gaat met deze nieuwe toezending niet opnieuw een termijn lopen.” 3.4 Geen van beide afschriften is verzonden aan de raadsman. Ik heb tussen de gedingstukken ook niet enig andere brief kunnen vinden die afkomstig is van de griffier van de CRvB, zich richt tot de raadsman of is geadresseerd aan zijn kantoor(adres) en waarbij een afschrift van de bestreden uitspraak is verzonden. 3.5 Los van verzending van een afschrift daarvan heb ik tussen de gedingstukken evenmin een brief kunnen vinden die afkomstig is van de griffier van de CRvB en zich richt tot de raadsman of is geadresseerd aan zijn kantoor(adres). De kennisgeving van het hoger beroep richt zich tot belanghebbende en is geadresseerd aan zijn eerste adres. Hetzelfde geldt voor de brief waarbij de griffier van de CRvB gelegenheid biedt voor het voeren van verweer. Dit geldt ook voor de uitnodiging voor het onderzoek ter zitting van de CRvB. Het geldt ook voor andere stukken. 3.6 Uit de gedingstukken volgt dat de CRvB reeds direct bij het instellen van het hoger beroep door de Svb op de hoogte ervan is gebracht dat belanghebbende in de procedure voor de Rechtbank is vertegenwoordigd door de raadsman. 3.7 Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting van de CRvB volgt waarom de kennisgeving van het hoger beroep zich richt tot belanghebbende en is verzonden aan zijn adres, en zich niet richt tot de raadsman en niet is verzonden aan diens adres. Dit is omdat de CRvB “niet automatisch” de gemachtigde van de belanghebbende benadert in gevallen waarin de Svb hoger beroep instelt. In het proces-verbaal staat: “Voorzitter (…) Ik constateer dat in deze zaak voor de Svb [A] is verschenen. Betrokkene is er niet, ook niet bij gemachtigde. Wij hebben het nog even gecheckt, maar wij hebben betrokkene op tijd op de hoogte gesteld van de zitting, dus dat zou moeten kloppen. Gemachtigde van de Svb Het verbaast mij. Ik heb nog nooit gehad dat meneer Van Dam [de raadsman; MP] er niet was. Voorzitter Ik begrijp dat het zo is dat als de Svb als bestuursorgaan hoger beroep instelt, dat wij dan niet automatisch de gemachtigde van de burger benaderen. Wij hebben betrokkene een brief gestuurd dat wij dat niet doen en dat hij dat dus zelf moet doen. Dat hebben wij zonet even gecheckt. Dat is dus waarom meneer Van Dam [de raadsman; MP] er niet is.” 3.8 Voor het geval dat een gemachtigde is opgetreden bij de rechtbank, bevat de kennisgeving van het hoger beroep voor belanghebbende inderdaad een algemene opmerking dat de CRvB deze gemachtigde niet in kennis stelt van het hoger beroep. En voor het geval dat een gemachtigde zal optreden bij de CRvB, bevat deze kennisgeving ook het verzoek naam en adresgegevens van die gemachtigde zo spoedig mogelijk te verstrekken: “Indien er bij de rechtbank een gemachtigde voor u heeft opgetreden deel ik u mede dat deze niet door ons van het ingestelde hoger beroep in kennis wordt gesteld. Wilt u zich in hoger beroep laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, dan ontvang ik zo spoedig mogelijk de naam en adresgegevens.” 3.9 Tussen de gedingstukken heb ik vergeefs gezocht naar een reactie van belanghebbende op het verzoek om naam en adresgegevens van een gemachtigde te verstrekken. 3.10 Bij het beroepschrift in cassatie is e-mailcorrespondentie tussen de raadsman en de Svb overgelegd. Uit die e-mailcorrespondentie volgt (i) dat de Svb bij e-mail van 5 oktober 2023 aan de raadsman heeft laten weten dat de Svb zich beraadt of hoger beroep wordt ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank en dat de Svb de raadsman op de hoogte houdt van de beslissing van de Svb, (ii) dat de raadsman bij e-mail van 19 september 2024 heeft verzocht te laten weten welk vervolg is gegeven aan de uitspraak van de Rechtbank, en (iii) dat de Svb bij e-mail op diezelfde dag – om 14:51 uur – heeft laten weten dat de Svb hoger beroep heeft ingesteld en dat de CRvB inmiddels uitspraak heeft gedaan. 3.11 Het beroepschrift in cassatie is door de raadsman – namens belanghebbende – ingediend via het digitale portaal van de Hoge Raad. Het is ingekomen bij portaalbericht van 19 september 2024 om 16:47 uur. Daarbij is een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd, evenals de brief van 8 augustus 2024 van de griffier van de CRvB maar niet diens eerdere brief van 22 juli 2024 (zie 3.3). Naast een verzoek om het beroep in cassatie nader te mogen motiveren, vermeldt het (pro forma)beroepschrift in cassatie het volgende naar aanleiding van de in 3.3 geciteerde passage in de brief van 8 augustus 2024: “In de brief van 8 augustus 2024 waarmee de uitspraak is toegezonden wordt door de Centrale Raad van Beroep ten onrechte kennelijk gesteld dat met de brief van 8 augustus 2024 de termijn voor cassatie niet is aangevangen.” Op het eerste oog: overschrijding van de termijn voor het rechtsmiddel van cassatie 3.12 De termijn voor het indienen van een beroepschrift in cassatie is zes weken. Dit staat in art. 6:7 Awb, dat volgens art. 6:24 Awb van overeenkomstige toepassing is op het beroep in cassatie. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat staat in art. 6:8
(1)Awb, dat eveneens van overeenkomstige toepassing is op het beroep in cassatie. 3.13 Een beroepschrift in cassatie richt zich niet tegen een besluit van een bestuursorgaan. Het richt zich tegen een uitspraak van een onafhankelijk, bij de wet ingesteld orgaan dat is belast met rechtspraak en een uitspraak van zo’n orgaan is geen besluit volgens art. 1:3
(1)Awb want het is geen bestuursorgaan volgens art. 1:1
(2)(c) Awb. De overeenkomstige toepassing van art. 6:8
(1)Awb houdt dan ook in dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift in cassatie aanvangt met ingang van de dag na die waarop de bestreden uitspraak op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. 3.14 Volgens art. 8:79
(1)Awb stelt de griffier een afschrift van de uitspraak binnen twee weken na de dagtekening daarvan kosteloos ter beschikking van partijen. In overeenstemming met de hoofdregel van art. 3:41
(1)Awb, houdt art. 8:37
(1)Awb in dat de terbeschikkingstelling van het afschrift – en daarmee de bekendmaking van de uitspraak – plaatsvindt doordat de griffier het afschrift verzendt bij aangetekende brief. 3.15 Als ervan wordt uitgegaan dat met de verzending van een afschrift van de bestreden uitspraak bij aangetekende brief van 22 juli 2024 (zie 3.3), de uitspraak op de voorgeschreven wijze aan belanghebbende is bekendgemaakt, zou de termijn voor het indienen van het beroepschrift in cassatie in deze zaak zijn aangevangen op 23 juli 2024 en eindigen op 2 september
- Het op 19 september 2024 ingekomen beroepschrift in cassatie zou dan dus buiten de termijn zijn ingediend. Maar: bekendmaking op de voorgeschreven wijze bij de brief van 22 juli 2024? 3.16 Over de vraag of het beroepschrift in cassatie tijdig is ingediend, heeft belanghebbende zich kort uitgelaten in de in 3.11 geciteerde passage in het pro-formaberoepschrift in cassatie. In de motivering van het beroep in cassatie komt de kwestie slechts zijdelings aan de orde. Die motivering snijdt haar indirect aan in punt 4, waarin wordt uiteengezet dat de raadsman beroep in cassatie heeft ingesteld nog op dezelfde dag als waarop de Svb hem informeerde dat de CRvB uitspraak heeft gedaan. Verder wordt in punt 16 betoogd dat het beroep in cassatie ontvankelijk is omdat, kort gezegd, de uitspraak ten onrechte niet aan de raadsman is verzonden. Dat belanghebbende zich (nog) maar beperkt heeft uitgelaten over de tijdigheidskwestie, is overigens in die zin niet vreemd dat belanghebbende nog niet in de gelegenheid is gesteld om zich uit te laten over de mogelijke overschrijding van de termijn. 3.17 De in 3.15 gedane constatering over de mogelijke termijnoverschrijding gaat ervan uit dat de uitspraak op de voorgeschreven wijze aan belanghebbende is bekendgemaakt met de brief van 22 juli
- De vraag is of dit uitgangspunt juist is. 3.18 Daarbij speelt ten eerste een juridische vraag. Die vraag is aan wie de uitspraak verzonden had moet worden, wil sprake zijn van een bekendmaking op de voorgeschreven wijze: aan belanghebbende zelf of (ook) aan de raadsman. In de motivering van het beroep in cassatie ligt besloten (zie vooral punt 16) dat belanghebbende betoogt daarin dat in strijd met (onder meer) art. 6:17 Awb de uitspraak van de CRvB niet aan de raadsman is verzonden. 3.19 Als het antwoord op de eerste vraag inhoudt dat bekendmaking op de voorgeschreven wijze kon geschieden door verzending aan (alleen) belanghebbende, rijst ten tweede de vraag of de brief aan het juiste adres is gezonden. In dat kader rijzen twee deelvragen. 3.20 De eerste deelvraag komt op mede naar aanleiding van de motivering van het beroep in cassatie. Belanghebbende betoogt daarin namelijk ook dat de kennisgeving van het hoger beroep ten onrechte niet is gezonden naar het in het beroepschrift voor de Rechtbank vermelde (zie 2.7) domicilieadres. Dit impliceert naar mijn mening dat belanghebbende ook van opvatting is dat de uitspraak van de CRvB naar dat domicilieadres had moet worden verzonden. 3.21 Indien die opvatting onjuist is en de CRvB dus de uitspraak naar het adres van belanghebbende zelf mocht verzenden, is bij mij een vervolgvraag gerezen. Deze tweede deelvraag is of het eerste adres waarnaar de brief van 22 juli 2024 is verstuurd, wel het juiste adres van belanghebbende is. Die vraag is bij mij gerezen omdat de tweede brief (van 8 augustus 2024) naar een ander adres is verzonden, te weten het tweede adres (zie 3.3). Uit ingewonnen inlichtingen bij en via de griffie van de Hoge Raad begrijp ik dat dit tweede adres als adres van belanghebbende in de basisregistratie persoonsgegevens is geregistreerd vanaf 19 maart 2024, met de aantekening dat dit adres een briefadres en geen woonadres is. Aangezien de adreswijziging heeft plaatsgevonden vóór 22 juli 2024, zou een verklaring voor verzending van de tweede brief kunnen zijn dat de griffier de eerste brief heeft terug ontvangen. Maar dat is gissen: het dossier dat mij ter beschikking staat, bevat geen stuk van terugontvangst. Zou de brief van 22 juli 2024 wel zijn terugontvangen, dan zou de griffier van de CRvB overigens in strijd met art. 8:38
(2)Awb de brief niet opnieuw aangetekend hebben verzonden. Terzijde: het moment van adreswijziging is ook gelegen vóór de datum waarop de aangetekende brief met de uitnodiging voor de zitting is verstuurd; dit doet de vraag rijzen welk onderzoek, waarvan het proces-verbaal gewag maakt (zie 3.7), heeft plaatsgevonden naar de uitnodiging van de zitting toen belanghebbende niet ter zitting verscheen – de uitspraak van de CRvB bevat bovendien ten onrechte geen vaststelling van feiten waaruit blijkt dat de uitnodiging op regelmatige wijze is aangeboden aan belanghebbende. Vervolg en plan van aanpak 3.22 Omdat de in 3.18 vermelde juridische vraag voorafgaat aan de vraag of de uitspraak naar het juiste adres van belanghebbende is gestuurd, ga ik op die juridische vraag als eerste in. Ter beantwoording van die vraag ga ik eerst in onderdeel 4 in op art. 6:17 Awb en zijn totstandkoming. In onderdeel 5 behandel ik de rechtspraak van de Hoge Raad over het verstrekken van een afschrift van de uitspraak aan de gemachtigde. In onderdeel 6 geef ik mijn bevindingen weer van mijn onderzoek naar de praktijk (in belastingprocedures) van verzending van kennisgeving aan de belanghebbende indien het bestuursorgaan hoger beroep of beroep in cassatie instelt. In onderdeel 7 waag ik een korte rechtsvergelijkende uitstap naar betekening van appelexploten in dagvaardingszaken. In onderdeel 8 volgt de beschouwing. 4De regeling van art. 6:17 Awb en haar totstandkoming Tekst en reikwijdte 4.1 Art. 6:17 Awb luidt sinds 12 juni 2017 (zie 4.4 hierna) als volgt: “Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, stelt het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar of beroep te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval ter beschikking aan de gemachtigde.” 4.2 Het artikel richt zich tot het bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen op het bezwaar en tot de bestuursrechter die bevoegd is te beslissen op het beroep. Aangezien art. 6:24 Awb het artikel van overeenkomstige toepassing verklaart op het (incidenteel) hoger beroep, richt het zich eveneens tot de appelrechter. Wetshistorie 4.3 Evenals de Awb zelf, is art. 6:17 van deze wet in werking getreden op 1 januari 1994. Toen luidde dit artikel als volgt: “Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, zendt het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar of beroep te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde.” 4.4 Na zijn inwerkingtreding is art. 6:17 Awb eenmaal gewijzigd, namelijk per 12 juni 2017 bij de vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht. Daarbij is de term ‘zendt’ gewijzigd in de term ‘stelt (…) ter beschikking’. Deze wijziging verduidelijkt dat de op de zaak betrekking hebbende stukken evengoed mogen worden verstrekt op digitale wijze als zij mogen worden verstrekt op papier. Ik laat deze wijziging en haar totstandkomingsgeschiedenis verder onbesproken, mede omdat ik in de parlementaire stukken geen passages heb gevonden die relevant zijn voor de onderhavige zaak. 4.5 Hierna behandel ik parlementaire geschiedenis van art. 6:17 Awb toegespitst op onderwerpen die relevant zijn voor de onderhavige zaak. Dat doe ik vooral aan de hand van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Awb. Voor zover ik overzie, is tijdens de behandeling van dat wetsvoorstel in de Tweede Kamer en de Eerste Kamer niet nader ingegaan op de bepaling. Welke stukken: ook de uitspraak van de (appel)rechter? 4.6 Voor de onderhavige zaak is ten eerste relevant of art. 6:17 Awb zich ook uitstrekt tot de uitspraak van de (appel)rechter. In haar advies over het oorspronkelijke wetsvoorstel voor de Awb heeft (thans) de Afdeling advisering van de Raad van State de regering gevraagd of het voorgestelde art. 6.3.17
(2)– het latere art. 7:12
(2)Awb – moet regelen dat de gemachtigde de uitspraak op bezwaar ontvangt. De regering antwoordt van niet; het voorgestelde art. 6.2.8b – het latere art. 6:17 Awb – regelt dit al: “Indien de indiener van het bezwaarschrift zich laat vertegenwoordigen, moet het bestuursorgaan krachtens artikel 6.2.8b de stukken tijdens de bezwaarschriftprocedure in ieder geval aan de gemachtigde zenden. Dit geldt niet alleen voor de uitspraak, maar ook voor de andere stukken zoals de ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift of de oproeping van het horen. (…)” 4.7 In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de Awb expliciteert de regering dat art. 6:17 Awb zich uitstrekt tot de uitspraak van de bestuursrechter. Dit artikel vindt volgens haar steun in destijds bestaande rechtspraak van hoogste bestuursrechters. Daartoe wijst de regering onder meer op de beslissing van één van hen dat het behoort tot het wezen van een goede procesorde om de uitspraak van een raad van beroep aan de gemachtigde te verzenden: “(…) Artikel 6.2.8b stelt buiten twijfel dat in ieder geval de gemachtigde de stukken krijgt toegezonden. Het artikel legt daarmee slechts vast, hetgeen nu reeds vaste praktijk is. De regel vindt steun in de jurisprudentie waarin herhaaldelijk werd benadrukt, dat zij geldt, ook wanneer geen uitdrukkelijke bepaling (…) voorhanden is (CRvB 23 april 1965, RSV 1965, 90). Genoemd kunnen worden de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, waarin verzending van de uitspraak van een raad van beroep aan de gemachtigde gezegd werd te behoren tot het wezen van een goede procesorde (CRvB 6 mei 1970, AB 1972, 186) en, ten aanzien van de beslissing op bezwaar van de inspecteur, gerechtshof Amsterdam, 16 maart 1970, BNB 1971/8. (…)” 4.8 Gelet op dit een en ander, strekt art. 6:17 Awb zich uit tot de uitspraak van de appelrechter want, zoals gezegd, het artikel is van overeenkomstige toepassing op het (incidenteel) hoger beroep. Voor wie: ook de geïntimeerde? 4.9 Daarnaast is de regering in dezelfde memorie van toelichting ingegaan op de vraag voor wie art. 6:17 Awb geldt. Dit is eenieder die zich laat vertegenwoordigen in bezwaar of beroep: “Deze bepaling heeft betrekking op de verzending van stukken in de situatie dat iemand zich in bezwaar of beroep laat vertegenwoordigen, waartoe hij op grond van artikel 2.1.1 bevoegd is. Die vertegenwoordiging is voor een ieder die in een procedure participeert mogelijk; in het voorontwerp werd ten onrechte slechts over vertegenwoordiging door de indiener gesproken. Het inschakelen van een gemachtigde brengt met zich, dat deze namens de belanghebbende de procedure voert, totdat het tegendeel blijkt.” Aangezien dit artikel van overeenkomstige toepassing is op het (incidenteel) hoger beroep, maak ik uit deze toelichting op dat het artikel eveneens geldt voor de geïntimeerde – dus: de wederpartij van de appellant – wanneer hij zich laat vertegenwoordigen in (incidenteel) hoger beroep. Immers, het geldt niet alleen voor de indiener van het bezwaar- of beroepschrift en (dus) ook niet alleen voor de appellant. ‘Duidelijk moet zijn’-criterium 4.10 Wel geldt art. 6:17 Awb eerst als aan het behandelend orgaan duidelijk moet zijn dat belanghebbende zich laat vertegenwoordigen. In diezelfde memorie van toelichting heeft de regering dat namelijk geformuleerd als een vereiste voor het slagen van een beroep op dat artikel: “Voor de duidelijkheid wordt erop gewezen dat, wil een belanghebbende een beroep kunnen doen op dit artikel, aan het behandelend orgaan duidelijk moet zijn dat hij zich laat vertegenwoordigen. Voor de gang van zaken in dezen zij verwezen naar de toelichting op artikel 2.1.1.” 4.11 Hoewel de regering verwijst naar de toelichting op het voorgestelde art. 2.1.1 – het latere art. 2:1 Awb – leert deze toelichting mij slechts beperkt meer over het ‘duidelijk moet zijn’-criterium. Die toelichting is namelijk weliswaar betrekkelijk uitgebreid over de verschillende aspecten van (het recht op) vertegenwoordiging, maar het is zoeken naar passages die betrekking hebben op duidelijkheid over vertegenwoordiging. Mogelijk gaat het om de volgende passage, waarin erop wordt gewezen dat het van de omstandigheden afhangt of contact (uitsluitend) via een gemachtigde moet lopen: “Niet altijd impliceert echter het optreden van een gemachtigde, dat ieder contact tussen bestuursorgaan en belanghebbende uitsluitend via de gemachtigde moet lopen. Veel zal van de omstandigheden afhangen. Zowel de aard van de contacten als de bedoeling van de belanghebbende zijn factoren die hierbij een rol kunnen spelen. Een vaste regel, geldende voor alle fasen van het bestuurlijke proces, is daarom niet te geven. Vooral tijdens de voorbereiding van de beschikking, wanneer velerlei contacten plaatsvinden, zou een algemene regel zijn doel voorbij schieten. Wel is in hoofdstuk 6 een op de bezwaarschrift- en beroepsprocedure toegesneden regeling opgenomen, die het bestuursorgaan verplicht de stukken in ieder geval aan de gemachtigde te zenden.” Het zou (daarnaast) ook kunnen gaan om de passage over de bevoegdheid om een schriftelijke machtiging te verlangen: “Het tweede lid geeft het bestuursorgaan de bevoegdheid, van gemachtigden te verlangen dat zij een schriftelijke machtiging overleggen. De regeling komt overeen met de regelingen van administratief procesrecht. Het bestuursorgaan dient de mogelijkheid te hebben om na te gaan of degene die zich als gemachtigde van een bepaalde belanghebbende aandient daartoe werkelijk bevoegd is. Daarbij is een schriftelijk stuk gewenst, mede om de omvang van de vertegenwoordigingsbevoegdheid te bepalen. Meestal zal op grond daarvan voldoende duidelijk zijn tot hoever de bevoegdheid van de gemachtigde zich uitstrekt. Mocht de machtiging op dit punt onvoldoende duidelijk zijn, dan zal op grond van de omstandigheden van het geval en hetgeen op het betreffende terrein gebruikelijk is moeten worden bepaald hoever de bevoegdheid van de gemachtigde zich uitstrekt.” 4.12 Uit de in 4.9 en 4.10 aangehaalde passages tezamen volgt mijns inziens dat voor de appelrechter art. 6:17 Awb geldt vanaf het moment waarop aan hem duidelijk moet zijn dat de belanghebbende zich laat vertegenwoordigen en vervolgens blijft gelden tot het moment waarop het tegendeel blijkt. Dit geldt ook indien de belanghebbende de geïntimeerde in appel is. Gevolg voor bekendmaking uitspraak 4.13 Indien art. 6:17 Awb van toepassing is, dienen de stukken primair aan de gemachtigde te worden gezonden, aldus de memorie van toelichting: “(….) Het inschakelen van een gemachtigde brengt met zich, dat deze namens de belanghebbende de procedure voert, totdat het tegendeel blijkt. De op de zaak betrekking hebbende stukken dienen derhalve primair aan hem te worden gezonden; uiteraard bestaat er geen bezwaar tegen, en is dat soms ook aangewezen, tevens de belanghebbende aan te schrijven. (…)” 4.14 Daarbij sluit aan dat de bekendmaking van de uitspraak van het beslissingsbevoegde orgaan dient te geschieden door tussenkomst van de gemachtigde. De regering wijst daarop expliciet met betrekking tot de uitspraak op bezwaar in het artikelsgewijze gedeelte bij het voorgestelde art. 6.3.17
(2), dat ziet op de uitspraak op bezwaar: “Er zij nog op gewezen dat, indien de belanghebbende zich tijdens de procedure heeft laten vertegenwoordigen, op grond van artikel 6.2.8b alle stukken die op de zaak betrekking hebben, in ieder geval aan de gemachtigde moeten worden toegezonden. De bekendmaking dient derhalve in dat geval door tussenkomst van de gemachtigde te geschieden.” 4.15 Het lijkt mij niet anders voor de bekendmaking van de uitspraak van de appelrechter aan de geïntimeerde. Immers, art. 6:17 Awb richt zich ook tot de appelrechter (zie 4.2), strekt zich uit tot die uitspraak (zie 4.7) en geldt ook voor de geïntimeerde (zie 4.9). 5Cassatierechtspraak over verstrekking van uitspraken aan gemachtigden 5.1 De uitspraak van het beslissingsbevoegde orgaan is niet op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt als art. 6:17 Awb toepassing vindt maar de uitspraak niet aan de gemachtigde is verstrekt. Dit volgt mijns inziens uit de wetsgeschiedenis (zie 4.14-4.15). Het is ook de opvatting van de Hoge Raad, die blijkt uit HR BNB 2014/
- In geschil is of niet tijdig is beslist op het bezwaar als de uitspraak op bezwaar tijdig is verzonden aan de belanghebbende, maar niet aan de gemachtigde. De Hoge Raad beslist dat dan is voldaan aan de strekking van de bepalingen over tijdig beslissen. Hier is relevant dat de Hoge Raad daarbij overweegt dat daaraan niet afdoet dat de uitspraak op bezwaar niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt doordat zij ondanks het van toepassing zijnde art. 6:17 Awb – want: in strijd daarmee – niet is verzonden aan de gemachtigde: “3.3.
- Onder de hiervoor in 3.3.4 omschreven omstandigheden [dat de belanghebbende tijdig kennis heeft kunnen nemen van de uitspraak op bezwaar omdat deze uitspraak tijdig is genomen, is verzonden aan hem en hem heeft bereikt, MP] is voldaan aan de strekking van de toepasselijke beslistermijn en heeft het Hof daarom terecht geoordeeld dat geen beroep openstond wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van belanghebbende, en dat belanghebbende geen recht heeft op een dwangsom. Anders dan in de klachten wordt aangevoerd doet daaraan niet af dat de uitspraak op bezwaar in strijd met het bepaalde in artikel 6:17 Awb niet is gezonden aan de gemachtigde, en daardoor niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Artikel 6:17 Awb strekt tot bescherming van de procedurele belangen van de belanghebbende; dat is van een andere orde dan de hiervoor in 3.3.3 omschreven strekking van de bepalingen inzake het tijdig beslissen, die ziet op zekerheid omtrent de inhoudelijke positie van de belanghebbende tegenover het bestuursorgaan. De klachten falen derhalve in zoverre.” 5.2 Opmerkingswaardig – mede erop gelet dat de memorie van toelichting zich niet met zoveel woorden uitlaat over de strekking van art. 6:17 Awb – is dat de Hoge Raad overweegt dat art. 6:17 Awb strekt tot bescherming van de procedurele belangen van de belanghebbende. 5.3 Als de uitspraak op bezwaar ten onrechte niet is verstrekt aan de gemachtigde, start de termijn voor het instellen van beroep met ingang van de eerste van twee dagen. De ene dag is die waarop de uitspraak wordt verstrekt aan de gemachtigde want dan is zij alsnog op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. De andere dag is die waarop de gemachtigde op andere wijze (een afschrift van) de uitspraak onder ogen krijgt. Dit volgt uit HR BNB 2007/200, waarin de Hoge Raad het oordeel van het hof casseert dat die termijn niet eerder aanvangt dan nadat de uitspraak is verstrekt aan de gemachtigde: “Het Hof heeft vastgesteld dat de Inspecteur niet (een kopie van) zijn uitspraak heeft toegezonden aan de gemachtigde van belanghebbende. Naar het oordeel van het Hof kan de beroepstermijn niet eerder aanvangen dan nadat de Inspecteur alsnog tot die toezending is overgegaan. Dat oordeel is evenwel onjuist. Indien de gemachtigde op andere wijze de beschikking heeft gekregen over (een afschrift van) de uitspraak, is de beroepstermijn aangevangen op de dag dat zulks is geschied (vgl. HR 15 april 2005, nr. 40279, BNB 2005/251).” 5.4 In dit arrest wordt weliswaar nog het criterium ‘de beschikking krijgen’ gehanteerd, maar in meer recente rechtspraak wordt het iets strengere criterium ‘onder ogen krijgen’ gehanteerd. Verder heeft HR BNB 2007/200 weliswaar betrekking op een uitspraak op bezwaar, maar het is mijns inziens niet anders als de uitspraak van de bestuursrechter ten onrechte niet is verstrekt aan de gemachtigde. Ook dan vangt de termijn voor het instellen van hoger beroep of beroep in cassatie aan op de dag waarop de gemachtigde een afschrift van de uitspraak onder ogen krijgt. Dit strookt ermee dat de Hoge Raad dezelfde rechtsregel heeft aanvaard voor andere gevallen waarin een besluit niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. 5.5 Voor deze zaak is vooreerst van belang onder welke omstandigheden het aan de bestuursrechter duidelijk moet zijn dat de belanghebbende zich laat vertegenwoordigen. Zodra dit duidelijk is, vindt art. 6:17 Awb toepassing (zie 4.10). Dan is het in strijd daarmee wanneer de uitspraak van die bestuursrechter wel wordt verzonden aan de belanghebbende maar niet aan diens gemachtigde. De vraag is dus of de Hoge Raad zich heeft uitgelaten over omstandigheden waaronder dat wél duidelijk is dan wel juist níet. Cassatie: kenbare vertegenwoordiging bij het hof? 5.6 Ik begin met de periode vanaf 1 januari 2005, toen de tweede feitelijke instantie is ingevoerd in belastingzaken. Eerst in deze periode kan spelen dat, zoals hier, het bestuursorgaan hoger beroep instelt bij het hof nadat de belanghebbende zich heeft laten vertegenwoordigen bij de rechtbank. Voor deze periode heb ik evenwel vergeefs gezocht naar arresten over een geval als dit, die mij leren wanneer de Hoge Raad het al dan niet duidelijk acht voor het hof dat de belanghebbende zich heeft laten vertegenwoordigen (ook) bij het hof. 5.7 Ik vervolg met de periode tussen 1 januari 1994, toen art. 6:17 Awb in werking is getreden, en 1 januari
- Een geval als dit kan niet spelen in die periode want destijds was het hof de eerste en enige feitelijke instantie in belastingzaken. Wel kan een ander geval spelen, namelijk dat waarin de belanghebbende beroep instelt bij het hof nadat hij zich heeft laten vertegenwoordigen in bezwaar. Dat geval is minder vergelijkbaar met een geval als dit, omdat niet het bestuursorgaan maar de belanghebbende het rechtsmiddel instelt. Voor die periode heb ik twee arresten gevonden. Het eerste is HR BNB 1999/
- Ik citeer (en merk terzijde op dat destijds het instellen van beroep in cassatie plaatsvond door het indienen van een beroepschrift in cassatie bij het hof): “Volgens een door de Griffier van het Hof op de uitspraak van het Hof gestelde aantekening is een afschrift van die uitspraak aangetekend aan partijen verzonden op 14 januari
- Het beroepschrift in cassatie met dagtekening 27 februari 1998 is blijkens een door die griffier op dit beroepschrift gestelde aantekening op 3 maart 1998 ter griffie van het Hof ingekomen, derhalve meer dan zes weken na 14 januari
- Gelet op de door de gemachtigde van belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat de uitspraak van het Hof hem met vertraging via de curator van de faillietverklaarde belanghebbende heeft bereikt, heeft de Griffier van de Hoge Raad bij het Hof een onderzoek ingesteld waaruit is gebleken dat het afschrift van die uitspraak aan de curator is verzonden en niet aan genoemde gemachtigde. Mitsdien is ´s Hofs uitspraak niet op de voorgeschreven wijze verzonden zodat het beroep van belanghebbende ontvankelijk is.” Zoals Feteris annoteert, gaat de Hoge Raad in dit arrest ervan uit dat de uitspraak van het hof niet op de voorgeschreven wijze – want: in strijd met art. 6:17 Awb – is bekendgemaakt als zij niet is verzonden aan de gemachtigde. Maar ook dit arrest leert mij nog niet waarom de Hoge Raad het duidelijk acht dat de belanghebbende zich heeft laten vertegenwoordigen (ook) bij het hof. Ik beschik niet over de uitspraak van het hof, zodat ik niet kan uitsluiten dat het duidelijk was alleen al doordat dezelfde gemachtigde namens hem beroep instelde. 5.8 Het tweede arrest is HR BNB 1996/
- Bij het hof stelt D als gemachtigde beroep in en ter zitting treedt F als gemachtigde op. Beiden zijn destijds werkzaam bij het kantoor E. De uitspraak van het hof is verzonden aan E ter attentie van D. Méér dan zes weken later stelt F namens de belanghebbende beroep in cassatie in. Dit is te laat, aldus de Hoge Raad: “1.
- Anders dan F (…) betoogt, behoefde het Hof niet [uit, MP] het enkele feit dat de gemachtigde – evenals de indiener van het beroepschrift (…) werkzaam bij E – ter zitting (…) als gemachtigde optrad niet te begrijpen dat D die hoedanigheid had verloren, zodat de termijn voor het instellen van beroep in cassatie aanving op 15 maart
- 1.
- Ook hetgeen de gemachtigde overigens nog heeft aangevoerd (…) vermag het in 1.2 bedoelde verzuim [om tijdig beroep in cassatie in te stellen, MP] niet weg te nemen. 1.
- Het beroep is mitsdien niet-ontvankelijk.” Het gaat in dit arrest niet erom of duidelijk is voor het hof dat een gemachtigde aantreedt, maar of duidelijk is dat de ene gemachtigde plaatsmaakt voor de andere. Voor het antwoord daarop acht de Hoge Raad van belang of het hof is gebleken dat D de hoedanigheid van gemachtigde heeft verloren. Daarmee sluit dit arrest aan bij art. 6:17 Awb, in die zin dat deze bepaling geldt totdat blijkt dat de belanghebbende zich niet langer laat vertegenwoordigen (zie 4.9). 5.9 Wel plaats ik de kanttekening dat mijn onderzoek naar de rechtspraak van de Hoge Raad niet geheel concludent is. Als hij van oordeel is dat het beroep in cassatie ontvankelijk is en de wederpartij geen ontvankelijkheidsverweer voert, pleegt de Hoge Raad dit oordeel niet te expliciteren. Wat dat betreft, is HR BNB 1999/269 een uitzondering. Bezwaar of beroep: kenbare vertegenwoordiging bij beslissingsbevoegd orgaan? 5.10 Daarom heb ik gezocht naar nog een ander geval. Dit is het geval waarin in geschil is of de uitspraak op bezwaar (in de periode tot 1 januari 2005) of die van de rechtbank (in de periode vanaf 1 januari 2005) ten onrechte niet is verstrekt aan de gemachtigde. In dat geval bewaakt de Hoge Raad niet ‘zijn’ cassatietermijn; hij controleert of de feitenrechter op de juiste wijze en met toereikende gronden ‘diens’ rechtsmiddeltermijn bewaakt. Ook dat geval is minder vergelijkbaar met een geval als dit, wederom omdat niet het bestuursorgaan maar de belanghebbende het rechtsmiddel instelt waarvan de ontvankelijkheid in geschil is. 5.11 Zo’n ander geval doet zich voor in HR BNB 2007/200 (zie 5.3). Het doet zich ook voor in HR BNB 2003/
- Eerst dient de belanghebbende zelf een bezwaarschrift in. Vervolgens schakelt hij een belastingadviseur, B, in om het bezwaarschrift te completeren. De inspecteur verzendt de uitspraak op bezwaar aan B. De Hoge Raad acht onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat de beroepstermijn is aangevangen toen de belanghebbende die uitspraak van B ontving. Immers, de inspecteur heeft moeten begrijpen dat B de belanghebbende vertegenwoordigde, zodat – zo voeg ik daaraan toe – de uitspraak op bezwaar terecht is verzonden aan B. Ik citeer: “3.
- 's Hofs andersluidende oordeel dat de beroepstermijn pas is aangevangen op 1 april 2000, namelijk de dag waarop belanghebbende van zijn adviseur B te Q de brief van de Inspecteur van 16 maart 2000 ontving, is zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Immers uit de omstandigheid dat belanghebbende voor het completeren van zijn bezwaarschrift een beroepsmatig optredende verlener van rechtsbijstand, te weten B, had ingeschakeld moest de Inspecteur, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, afleiden dat belanghebbende zich door laatstgenoemde liet vertegenwoordigen in de zin van artikel 6:17 Awb.” 5.12 Zo’n ander geval doet zich ook voor in HR BNB 1998/328, met dien verstande dat op dit geval art. 6:17 Awb nog niet van toepassing was, omdat de desbetreffende uitspraak op bezwaar is verzonden vóór inwerkingtreding van de Awb. Nadat N als gemachtigde bezwaar heeft gemaakt, treedt C als zodanig op. De uitspraak op bezwaar is verzonden aan C, niet aan N. Het hof acht het beroep niet-ontvankelijk want de inspecteur heeft mogen aannemen dat alleen C nog optrad als gemachtigde toen hij de uitspraak op bezwaar verzond. De Hoge Raad casseert omdat niet is gebleken dat de belanghebbende zelf bij de inspecteur heeft aangegeven dat zij zich niet langer laat vertegenwoordigen door N: “(…) 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding houden niet in dat van de zijde van belanghebbende aan de Inspecteur te kennen is gegeven dat N niet meer als haar gemachtigde optrad, zodat ervan dient te worden uitgegaan dat N nog als gemachtigde van belanghebbende is aan te merken. Het voorgaande brengt mee dat het Hof belanghebbende ten onrechte wegens termijnoverschrijding niet ontvankelijk in haar beroep heeft verklaard. (…)” Dit arrest sluit in die zin aan bij art. 6:17 Awb dat aangezien niet door of namens de belanghebbende het tegendeel ter kennis is gegeven, ervan moet worden uitgegaan dat N nog steeds de procedure voert (vgl. 4.9). 5.13 Feteris annoteert bij dit arrest dat reeds in HR B. 4821 als ongeschreven rechtsregel is aanvaard dat de inspecteur de uitspraak op een bezwaarschrift dat een gemachtigde heeft ingediend, moet verzenden aan de gemachtigde. Wel werpt hij op of de belanghebbende in HR BNB 1998/328, die uiteindelijk ook zelf de uitspraak op bezwaar ontving, niet te veel van het goede heeft gekregen. Hij suggereert een gedachtegang waarin het antwoord ontkennend is: “(…) Wellicht gaat de Hoge Raad ervan uit dat de belanghebbende die een gemachtigde heeft aangewezen erop moet kunnen vertrouwen dat (ook) deze de uitspraak op het bezwaarschrift ontvangt, en daarop zo nodig uit eigen beweging en zonder ruggespraak met de belanghebbende tijdig beroep instelt. In die gedachtengang zou van de belanghebbende die zelf de uitspraak op het bezwaarschrift krijgt niet mogen worden verlangd dat hij binnen de beroepstermijn met zijn gemachtigde contact opneemt voor overleg over de verder te ondernemen stappen.” 5.14 Deze gedachtegang is niet zonder steun in de rechtspraak van de Hoge Raad. Nog vóór HR B. 4821 heeft hij blijk gegeven van die gedachtegang in HR B. 4473, waarin de uitspraak op bezwaar over een aanslag is verzonden aan de belanghebbende zelf in stede van de gemachtigde. In dit arrest overweegt de Hoge Raad namelijk: “dat, wanneer een aangeslagene zonder restrictie een derde machtigt om hem ter zake van zijn aanslag in de forensenbelasting te vertegenwoordigen, moet worden aangenomen, dat die derde niet alleen gemachtigd is om voor hem een bezwaarschrift (…) in te dienen, doch ook om hem verder te vertegenwoordigen, met name om voor hem tegen de beschikking van den inspecteur op het bezwaarschrift in beroep te komen bij den raad van beroep; dat hieruit volgt, dat in een dergelijk geval het afschrift van de beschikking van den inspecteur behoort te worden toegezonden aan den gemachtigde als zoodanig, opdat deze in de gelegenheid worde gesteld daarvan kennis te nemen en te beraden wat hij verder in zijne kwaliteit van vertegenwoordiger van den aangeslagene geraden zal oordeelen; (…)”
- De belastingrechtspraakpraktijk met betrekking tot de verzending van de kennisgeving van een door het bestuursorgaan ingesteld hoger beroep of beroep in cassatie 6.1 Gelet op wat in het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting van de CRvB is vermeld (zie 3.7) en de inhoud van kennisgevingsbrief die aan belanghebbende is verstuurd (zie 3.8), begrijp ik dat de handelwijze van de CRvB is dat in zaken waarin (alleen) het bestuursorgaan hoger beroep instelt, de CRvB de kennisgeving alleen aan de belanghebbende stuurt en niet (ook) aan degene die de belanghebbende als gemachtigde heeft vertegenwoordigd voor de rechtbank. Om een breder beeld te krijgen heb ik navraag gedaan wat bij andere instanties de handelwijze is in gevallen waarin het bestuursorgaan het rechtsmiddel instelt tegen een uitspraak in vorige instantie. Ik heb me daarbij beperkt tot instanties die belastingzaken behandelen. Hoge Raad 6.2 Ik ben binnenshuis gestart. Als het bestuursorgaan beroep in cassatie instelt, moet de Hoge Raad de wederpartij zo spoedig mogelijk in kennis stellen daarvan. Dit volgt uit art. 6:14
(2)Awb, dat van overeenkomstige toepassing is op het beroep in cassatie. De vraag is dan aan wie de kennisgeving van het beroep in cassatie wordt verzonden: aan de belanghebbende, aan degene die is opgetreden als gemachtigde in vorige instantie, of aan beiden? Navraag bij de griffie van de Hoge Raad leert mij dat haar medewerkers plegen te zorgen voor een ‘dubbele strik’: zij verzenden de brief met de kennisgeving aan de belanghebbende en een afschrift van diezelfde brief aan de gemachtigde in vorige instantie. 6.3 De brief met de kennisgeving die aan belanghebbende wordt verstuurd, bevat naast de kennisgeving als zodanig en informatie over de wijze van procederen (digitaal of op papier) ook een passage over vertegenwoordigen, die als volgt luidt: “Laat u zich vertegenwoordigen? Als u niet verplicht bent om digitaal te procederen en u zich in deze zaak laat vertegenwoordigen door een beroepsmatige rechtsbijstandverlener, dan is uw rechtsbijstandverlener verplicht om digitaal te procederen. Als u zich in deze zaak laat vertegenwoordigen door iemand die dat niet beroepsmatig doet, dan is digitaal procederen voor uw gemachtigde niet verplicht. Kiest uw gemachtigde ervoor om op papier te procederen, dan verzoek ik u mij zo spoedig mogelijk de naam en het adres van die gemachtigde mee te delen. De correspondentie in deze zaak zal voorlopig alleen naar uw adres wordt gestuurd. Zodra ik heb vernomen dat u zich in de cassatieprocedure laat vertegenwoordigen door een gemachtigde die dat niet beroepsmatig doet, stuur ik vanaf dat moment de correspondentie naar het adres van uw gemachtigde.” 6.4 Ik heb bij de griffie navraag gedaan hoe men ten tijde van de verzending van de kennisgeving weet óf belanghebbende zich heeft laten vertegenwoordigen in vorige instantie. Die informatie krijgt men van de griffie van de vorige instantie. Indien het bestuursorgaan beroep in cassatie instelt, wordt de griffie van de vorige instantie gecontacteerd voor de adresgegevens van de belanghebbende, waarbij tevens wordt gevraagd of de belanghebbende zich heeft laten vertegenwoordigen in die instantie en zo ja om de contactgegevens. Gerechtshoven 6.5 Ook bij de belastingteamvoorzitters van de gerechtshoven heb ik gevraagd wat hun griffiemedewerkers plegen te doen indien het bestuursorgaan hoger beroep instelt. Ik heb daarbij ook gevraagd om de achterliggende gedachte van de handelwijze. Aangemoedigd door een eerdere, mijns inziens vruchtbare bevraging van de praktijk heb ik de teamvoorzitters verzocht om inlichtingen bij e-mailbericht van 1 oktober
- Dit verzoek luidt als volgt: “In een bestuursrechtelijke zaak die ik heb geselecteerd voor conclusie, is aan de orde dat (de griffie van) de CRvB alleen de belanghebbende zelf in kennis heeft gesteld van het hoger beroep dat het bestuursorgaan heeft ingesteld. De kennisgeving van het hoger beroep is niet tevens verzonden aan degene die als gemachtigde de belanghebbende heeft vertegenwoordigd voor de rechtbank. Ook vervolgcorrespondentie (zoals de uitnodiging voor de zitting) is verstuurd aan alleen de belanghebbende. De belanghebbende heeft niet op enig moment gereageerd en is ook niet ter zitting verschenen. De CRvB heeft na de zitting uitspraak gedaan, die wederom aan alleen de belanghebbende is verzonden. Deze zaak leidt tot de vraag of de kennisgeving van het hoger beroep had moeten worden verzonden aan (ook) de gemachtigde. Mijn verzoek aan u is om mij informatie te verstrekken over de manier waarop (de griffie van) de belastingkamer van uw gerechtshof kennis geeft van het instellen van hoger beroep door het bestuursorgaan in een geval waarin de belanghebbende voor de rechtbank is vertegenwoordigd door een gemachtigde. Hieronder vindt u eerst een gestileerde weergave van de casus en vervolgens een aantal vragen over deze casus. Ik verzoek u bij de beantwoording van de vragen ermee rekening te houden dat de antwoorden mogelijk (integraal) worden opgenomen in mijn conclusie.” 6.6 Het verzoek valt dus uiteen in een casus en een aantal vragen naar aanleiding van de casus. Die casus is een (zeer) gestileerde weergave van deze zaak: “Een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent (hierna: de gemachtigde), heeft namens de belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank. Na een gewone behandeling van het beroep heeft de rechtbank beslist in het voordeel van de belanghebbende. Daarna stelt het bestuursorgaan tijdig hoger beroep in bij uw gerechtshof.” 6.7 Het verzoek bevat vijf vragen aan ieder van de teamvoorzitters. Hun antwoorden zijn ingekomen tussen 1 en 16 oktober
- Ik geef hun antwoorden niet integraal weer want zij komen onderling nagenoeg geheel overeen. In plaats daarvan volgt eerst – in mijn bewoordingen – de gemene deler in hun antwoorden en vervolgens – bij wijze van citaat – een eventueel specifieke toevoeging van één of meer teamvoorzitters. Dat doe ik per vraag afzonderlijk. 6.8 De eerste vraag is aan wie de griffie van het desbetreffende hof de kennisgeving van het hoger beroep verzendt: alleen aan de belanghebbende zelf, alleen aan de gemachtigde of aan beiden? Het antwoord is: alleen aan de belanghebbende zelf. Dit geldt voor elk van de vier hoven. Daaraan voegt de teamvoorzitter bij het hof Den Bosch toe: “Artikel 6 van onze procesregeling luidt: “(…) De griffier zendt aan de andere partij (…) een mededeling dat een beroepschrift is ingediend.” De andere partij is in dit geval belanghebbende.” 6.9 De teamvoorzitter bij het hof Arnhem-Leeuwarden voegt nog toe dat dit hof één uitzondering maakt, waarbij de kennisgeving alleen wordt verzonden aan de gemachtigde (in plaats van alleen aan de belanghebbende). Deze uitzondering doet zich voor als de gemachtigde vóór of tegelijk met het bestuursorgaan hoger beroep instelt tegen dezelfde uitspraak: “De kennisgeving wordt alleen verzonden aan de belanghebbende zelf. Daarop is één uitzondering. In het geval dat een bestuursorgaan hoger beroep instelt en er tegelijkertijd, of al eerder, ook hoger beroep wordt ingesteld tegen dezelfde uitspraak door een gemachtigde, gaan wij ervan uit dat deze gemachtigde ook in het hoger beroep van het bestuursorgaan de belanghebbende vertegenwoordigt. Dit wordt dan niet eerst nagevraagd bij de belanghebbende. De kennisgeving wordt dan alleen gestuurd naar de gemachtigde.” 6.10 De tweede vraag is of het verschil maakt voor degene aan wie de griffie de kennisgeving van het hoger beroep verzendt, als de gemachtigde een advocaat is. De derde vraag is of het verschil maakt daarvoor als de belanghebbende domicilie heeft gekozen ten kantore van de gemachtigde, ook al woont hij zelf in Nederland. Het antwoord is: noch het een noch het ander maakt verschil daarvoor; ook dan verzendt de griffie de kennisgeving alleen aan de belanghebbende. Dit geldt wederom voor elk van de vier hoven. 6.11 Zowel de vierde als vijfde vraag is gesteld voor het geval dat de griffie de kennisgeving alleen aan de belanghebbende verzendt. De vierde vraag betreft de inhoud van de kennisgeving. Vermeldt zij alleen te zijn verzonden aan de belanghebbende, niet aan de gemachtigde? En verzoekt zij om naam en adresgegevens van een gemachtigde als de belanghebbende zich laat vertegenwoordigen in hoger beroep? Zo ja, stelt zij dan een termijn voor dit verzoek en vermeldt zij ook wat de handelwijze van de griffie zal zijn als de belanghebbende niet (tijdig) voldoet aan dat verzoek? Het antwoord is dat elk van de vier hoven gebruikmaakt van één en dezelfde (standaard)kennisgeving, die – voor zover thans van belang – luidt als volgt: “Bij de belastingkamer van dit gerechtshof is het mogelijk om digitaal te procederen via ‘Mijn Rechtspraak’. Voor alle informatie hierover verwijs ik naar de bijgevoegde brochure. In belastingzaken maakt het gerechtshof altijd een digitaal dossier aan. Hierbij ontvangt u een afschrift van een of meer stukken zoals die in het digitaal dossier zijn geplaatst. Indien het uw bedoeling is dat in hoger beroep een gemachtigde voor u optreedt, dient u een ondertekende volmacht die niet ouder is dan drie maanden en waarin de naam en het adres van deze gemachtigde worden vermeld, zo spoedig mogelijk aan het gerechtshof over te leggen. Na ontvangst van de volmacht zal het gerechtshof in het vervolg van de procedure nieuwe stukken die in het digitaal dossier worden geplaatst, aan uw gemachtigde sturen. Als u nog vragen heeft, kunt u telefonisch contact opnemen met de administratie van de belastingkamer.” 6.12 Daaraan voegt de teamvoorzitter bij het hof Den Bosch toe dat geen volmacht nodig is als een advocaat zich meldt. Deze teamvoorzitter merkt ook nog op: “In de kennisgeving wordt geen termijn gesteld. Tot het moment dat is bevestigd dat de gemachtigde die beroep heeft ingesteld bij de rechtbank belanghebbende ook in hoger beroep vertegenwoordigt, wordt gecommuniceerd met belanghebbende (…).” 6.13 Eenzelfde opmerking is te vinden bij de teamvoorzitter bij het hof Arnhem-Leeuwarden. Die teamvoorzitter geeft nog aan dat de belanghebbende in vrijwel alle gevallen reageert op de kennisgeving. In de uitzonderingsgevallen waarin de belanghebbende niet reageert, pleegt dit hof op een andere manier in contact te komen met hem. Dit gebeurt vóór het plannen van een zitting: “In vrijwel alle gevallen leidt deze handelwijze ertoe dat de belanghebbende op een of andere wijze (al dan niet via een gemachtigde) reageert. In de uitzonderingsgevallen dat geen enkele reactie volgt, proberen wij (voordat een zitting wordt gepland) op andere wijze in contact te komen met de belanghebbende, bijvoorbeeld telefonisch of via de gemachtigde die in eerste aanleg optrad.” 6.14 De vijfde vraag is welke gedachte eraan ten grondslag ligt dat de griffie de kennisgeving alleen aan de belanghebbende verzendt. Dit dient volgens de teamvoorzitter bij het hof Den Haag twee belangen. Het ene belang is te waarborgen dat de belanghebbende een vrije vertegenwoordigingskeuze heeft, óók (of opnieuw) in hoger beroep. Het andere belang is te voorkomen dat de gemachtigde zonder diens medeweten (maar op diens kosten) voortgaat: “De gedachte is dat de belanghebbende zelf moet kunnen besluiten of de bijstand van de gemachtigde in de volgende fase nodig is. De belanghebbende moet de vrije keuze hebben om de procedure zelf voort te zetten, geen tijd en/of middelen in de procedure te steken, een andere gemachtigde in te schakelen dan wel met de huidige gemachtigde verder te gaan. De handelwijze is ook bedoeld om te voorkomen dat de gemachtigde zonder medeweten van de belanghebbende verder procedeert en de belanghebbende de gevolgen (o.a. de kosten, maar ook de keuzes van de gemachtigde) moet dragen.” 6.15 Daarbij sluit de teamvoorzitter bij het hof Amsterdam zich aan. Ook de teamvoorzitter bij het hof Den Bosch wijst – zij het zijdelings – op het belang te voorkomen dat de gemachtigde zonder medeweten van de belanghebbende (of zelfs tegen diens wens) voortgaat. Deze teamvoorzitter wijst – vooral – op een verschil tussen het geval waarin de belanghebbende appelleert en dat waarin het bestuursorgaan dit doet. Anders dan in het eerste geval, weet (de griffie van) dit hof in het tweede geval niet zonder nader bericht van de belanghebbende of hij zich nog wenst te laten vertegenwoordigen door dezelfde gemachtigde: “In het geval het bestuursorgaan hoger beroep instelt, weten wij zonder nader bericht niet of belanghebbende nog langer de wens heeft zich te laten vertegenwoordigen door de gemachtigde die beroep bij de rechtbank heeft ingesteld. In zoverre verschilt dit geval van de situatie dat niet het bestuursorgaan hoger beroep instelt, maar de gemachtigde namens belanghebbende. Ten slotte en zijdelings relevant voor de beantwoording van onderhavige vragen: zoals bleek uit onze beantwoording van de vragen over de zogenoemde machtigingsproblematiek hebben wij meerdere ervaringen hebben met zaken waarbij in eerste aanleg een zogenoemde NCNP–dienstverlener als gemachtigde betrokken was en belanghebbende vervolgens expliciet te kennen heeft gegeven niet de wens te hebben dat namens haar/hem hoger beroep wordt ingesteld.” 6.16 De teamvoorzitter bij het hof Arnhem-Leeuwaarden wijst erop dat gegevens waarover het hof komt te beschikken op een later moment in het hoger beroep, zoals de adresgegevens van een gemachtigde of de machtiging, nog niet beschikbaar zijn op het (eerdere) moment waarop de griffie de kennisgeving verzendt: “Het is niet bekend of de belanghebbende in hoger beroep vertegenwoordigd wil worden door dezelfde gemachtigde. Wij beschikken in dat stadium ook nog niet over het rechtbankdossier en kunnen dus niet nagaan of de machtiging die in eerste aanleg is overgelegd, ook geldt voor hoger beroep. De adresgegevens van de gemachtigde zijn ook niet altijd bekend, omdat we nog niet beschikken over het rechtbankdossier.” Samenvattend 6.17 Kortom, waar de Hoge Raad kiest voor een dubbele strik (zie 6.2), hanteren de gerechtshoven als uitgangspunt een enkele strik: de kennisgeving wordt alleen verzonden aan de belanghebbende zelf. Daarvoor worden verschillende, deels overlappende argumenten aangevoerd: (i) het is niet bekend of belanghebbende in hoger beroep vertegenwoordigd wil worden door dezelfde gemachtigde, (ii) het belang te waarborgen dat de belanghebbende een vrije vertegenwoordigingskeuze heeft in hoger beroep, (iii) het belang te voorkomen dat de gemachtigde zonder medeweten van de belanghebbende proceshandelingen verricht en (iv) de adresgegevens van de gemachtigde zijn niet steeds al bekend. 7Betekening van appelexploot in dagvaardingszaken 7.1 Aangezien de hoven zonder uitzondering de appelkennisgeving plegen te verzenden alleen aan de belanghebbende in belastingzaken waarin het bestuursorgaan hoger beroep instelt (zie 6.8-6.10), heb ik mij de vraag gesteld of en, zo ja, in hoeverre deze handelwijze verschilt van wat rechtens is in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid bij de burgerlijke rechter (dagvaardingszaken). 7.2 Anders dan in belastingzaken, stelt in dagvaardingszaken niet de appelrechter maar de appellant zelf de geïntimeerde in kennis van het hoger beroep. Dit vindt plaats doordat de appellant de appeldagvaarding, waarmee het hoger beroep aanvangt, doet uitbrengen aan de geïntimeerde. Het uitbrengen van de appeldagvaarding gebeurt doordat een daartoe bevoegde deurwaarder haar betekent – in wettelijke termen: exploot doet – en afschrift daarvan laat aan de geïntimeerde. 7.3 Een algemene regeling voor het doen van exploot is te vinden in art. 46
(1)Rv. Volgens dit artikellid kan de deurwaarder exploot doen aan de geïntimeerde in persoon, ongeacht waar de deurwaarder hem aantreft in Nederland. Dat kan doordat de deurwaarder een afschrift van de appeldagvaarding laat aan de geïntimeerde zelf. Daartoe begeeft de deurwaarder zich gewoonlijk naar de woonplaats van de geïntimeerde. Als de deurwaarder hem daar niet aantreft, kan hij volgens hetzelfde artikellid exploot doen aan – kort gezegd – een huisgenoot van de geïntimeerde. Ook dat kan door het laten van een afschrift van de appeldagvaarding aan de huisgenoot. 7.4 Daarnaast voorzien art. 47-63 Rv in bijzondere regelingen voor het doen van exploot. Voor deze conclusie is art. 63
(1)Rv van belang. Die bepaling biedt een alternatieve regel voor onder meer het doen van een appelexploot – dus: exploot van een appeldagvaarding. Voor zover thans van belang, luidt zij aldus: “Een exploot waarbij (…) waarbij hoger beroep wordt ingesteld (…), kan ook worden gedaan aan het kantoor van de advocaat of deurwaarder bij wie degene voor wie het exploot is bestemd, laatstelijk ter zake woonplaats heeft gekozen, (…). Deze advocaat of deurwaarder bevordert dat het exploot degene voor wie het is bestemd, tijdig bereikt.” 7.5 Dit heet ook wel de kantoorbetekening. Als de geïntimeerde domicilie heeft gekozen ten kantore van een advocaat, zoals tijdens het geding in eerste aanleg, kan de deurwaarder de appeldagvaarding uitbrengen door haar te betekenen aan het kantoor van die advocaat. In dit verband wijs ik op art. 79
(2)en art. 80
(4)Rv, die een domiciliekeuze fingeren voor het geding in eerste aanleg van dagvaardingszaken met respectievelijk zonder verplichte procesvertegenwoordiging. Volgens beide artikelleden worden partijen geacht domicilie te hebben gekozen ten kantore van hun respectieve advocaten dan wel gemachtigden tot het eindvonnis in eerste aanleg is gewezen. 7.6 In hetzelfde verband merk ik op dat de kantoorbetekening een facultatief alternatief is (“ook”). Ook als de geïntimeerde domicilie heeft gekozen ten kantore van een advocaat (al dan niet bij wege van wettelijke fictie), kan de deurwaarder de appeldagvaarding uitbrengen volgens de algemene regeling van art. 46
(1)Rv – dus: aan de geïntimeerde in persoon of aan diens huisgenoot (zie 7.3) – of volgens enig andere bijzondere regeling die in aanmerking komt voor toepassing in het desbetreffende geval. 8Beschouwing Algemeen 8.1 Gestileerd weergegeven, kenmerkt deze zaak zich mijns inziens door zes omstandigheden: (
- a)de belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen in (bezwaar
- en)beroep (vgl. 2.6-2.7), (
- b)het bestuursorgaan heeft geappelleerd (vgl. 2.10), (
- c)de appelkennisgeving is wél aan de belanghebbende maar níet aan de gemachtigde verzonden (vgl. 3.5), (
- d)de belanghebbende heeft – om onbekende redenen – niet gereageerd op het verzoek in de appelkennisgeving naam en adresgegevens van een eventuele gemachtigde te verstrekken (vgl. 3.8-3.9), (
- e)de belanghebbende is wél uitgenodigd voor het voeren van verweer en het onderzoek ter zitting bij de appelrechter maar heeft – opnieuw om onbekende redenen – geen van beide benut (vgl. 3.5), en (
- f)de gemachtigde is níet uitgenodigd voor één van beide (vgl. 3.5-3.7). 8.2 De (wijze van) beoordeling of tijdig beroep in cassatie is ingesteld in deze zaak, kan een breder belang hebben. Dit bredere belang is niet zozeer gelegen in de vraag of onder zulke omstandigheden de uitspraak van de appelrechter op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt wanneer het afschrift daarvan wél is verzonden aan de belanghebbende maar níet aan de gemachtigde, zoals hier (zie 3.3-3.4). Die vraag kan weliswaar evengoed spelen in andere zaken waarin het bestuursorgaan appelleert, maar er zijn denkelijk niet veel zaken waarin de vraag speelt onder dezelfde omstandigheden (vgl. 6.13: doorgaans reageert de belanghebbende). Het bredere belang kan vooral zijn gelegen in de impact op de handelwijze van zowel de CRvB als van elk van de hoven om de appelkennisgeving te verzenden alleen aan de belanghebbende en niet ook aan de gemachtigde in vorige instantie (zie 6.1 resp. 6.8-6.10). Eenduidige rechtsregels zonder eenduidig antwoord 8.3 Het is mijns inziens niet eenduidig of in een geval als dit, waarin de in 8.1 weergegeven omstandigheden spelen, de uitspraak van de appelrechter behoorlijk is bekendgemaakt met verzending van het afschrift aan alleen de belanghebbende. Dat ligt niet aan de rechtsregels. Zij zijn mijns inziens eenduidig. Als art. 6:17 Awb toepassing mist, is de uitspraak daarmee wél naar behoren bekendgemaakt. Als art. 6:17 Awb evenwel toepassing vindt in zo’n geval, is de uitspraak daarmee níet naar behoren bekendgemaakt. Dit is de opvatting van de wetgever (zie 4.14) en ook die van de Hoge Raad (zie 5.1). Of art. 6:17 Awb toepassing vindt, hangt mijns inziens niet zozeer af van de uitleg daarvan: dit artikel richt zich tot de appelrechter (zie 4.2), strekt zich uit tot diens uitspraak (zie 4.7) en geldt voor de geïntimeerde (zie 4.9). Ik meen dat het veeleer afhangt van de toepassing van – wat ik noem – het duidelijkvereiste op een geval als dit. 8.4 Dit vereiste betekent dat het aan de appelrechter duidelijk moet zijn dat de geïntimeerde – dus: de belanghebbende – zich laat vertegenwoordigen in appel (zie 4.10). Eerst nadat is voldaan aan dat vereiste, vindt art. 6:17 Awb toepassing. Vervolgens blijft zij van toepassing totdat het kenbaar is voor de appelrechter dat de geïntimeerde zich niet langer laat vertegenwoordigen in appel (zie 4.12). 8.5 Het komt mijns inziens door het duidelijkvereiste dat niet eenduidig is of in een geval als dit de uitspraak van de appelrechter behoorlijk is bekendgemaakt met verzending van het afschrift aan de belanghebbende. De wetsgeschiedenis van art. 6:17 Awb leert slechts dat het vereiste geldt (zie 4.10). Deze leert niet onder welke omstandigheden vertegenwoordiging duidelijk moet zijn (vgl. 4.11), zeker niet in een geval waarin niet de belanghebbende maar het bestuursorgaan het rechtsmiddel aanwendt. 8.6 Het is vergelijkbaar voor de rechtspraak van de Hoge Raad. Ik heb vergeefs gezocht naar een arrest over dat vereiste in een geval waarin het bestuursorgaan appelleert (zie 5.6). De arresten die ik wel heb kunnen vinden, betreffen niet zo’n geval maar gevallen waarin de belanghebbende zich wendt tot de rechter of het bestuursorgaan (zie 5.7-5.8 resp. 5.11-5.12). Ik noem twee van die arresten afzonderlijk: HR BNB 1996/188 (zie 5.8) en HR BNB 1998/328 (zie 5.12). Beide gaan over een wisseling van gemachtigde: eerst stelt de ene gemachtigde zich en later lijkt een andere gemachtigde zich te stellen. Ik leid uit beide af dat de rechter of het bestuursorgaan zich heeft te verstaan met de eerste gemachtigde, tot de belanghebbende te kennen geeft dat deze hem niet meer vertegenwoordigt. Dit sluit aan bij het moment waarop art. 6:17 Awb zich ‘deactiveert’, namelijk wanneer is gebleken dat de belanghebbende zich niet langer laat vertegenwoordigen (zie 4.12). Maar het leert mij niets over onder welke omstandigheden art. 6:17 Awb zich ‘activeert’. Art. 6:17 Awb en de appelkennisgeving: een soort catch 22? 8.7 In het geval de belanghebbende appellant is, zal het duidelijkvereiste doorgaans geen problemen opleveren, noch voor de appelrechter noch voor de belanghebbende die zich laat vertegenwoordigen door een gemachtigde. Doorgaans zal de gemachtigde het hogerberoepschrift indienen. Daarmee is aan de appelrechter duidelijk dat belanghebbende zich door de gemachtigde laat vertegenwoordigen. De appelrechter zal vervolgens overeenkomstig art. 6:17 Awb de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de gemachtigde verstrekken. Bij de overgang van de beroepsfase naar de hogerberoepsfase treedt aldus geen onderbreking op in de mogelijkheid van de gemachtigde om kennis te nemen van op de zaak betrekking hebbende stukken en om vervolgens naar bevind van zaken te handelen: de uitspraak van de rechter in eerste aanleg is aan de gemachtigde door die rechter toegezonden, de gemachtigde zelf heeft het hogerberoepschrift ingediend en in het vervolg van de appelprocedure krijgt de gemachtigde de stukken toegestuurd door de appelrechter. Met andere woorden: in zo’n geval wordt onafgebroken aan de strekking van art. 6:17 Awb voldaan, te weten de bescherming van de procedurele belangen van de belanghebbende (zie 5.2). 8.8 In het geval de belanghebbende de geïntimeerde is, ligt het wat anders. Aangezien het bestuursorgaan het hogerberoepschrift indient, is niet reeds daarmee voor de appelrechter duidelijk of de belanghebbende zich door een gemachtigde laat vertegenwoordigen in hoger beroep. Als de appelrechter vervolgens de appelkennisgeving alleen aan de belanghebbende stuurt, krijgt de gemachtigde als uitgangspunt geen kennis van dat stuk. Anders dan indien de gemachtigde het hogerberoepschrift indient, treedt dan dus een onderbreking op in de toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De procedurele belangen van de belanghebbende die met zo’n toezending worden gediend, worden dan in zoverre niet beschermd. Tegengeworpen kan worden dat de gemachtigde alsnog kennis krijgt van dat stuk, indien de belanghebbende hem dat stuk toestuurt. Dit veronderstelt echter adequaat handelen van de belanghebbende, terwijl art. 6:17 Awb juist ertoe strekt de belanghebbende in zijn procedurele belangen te beschermen door op de zaak betrekking hebbende stukken aan de gemachtigde ter beschikking te stellen. 8.9 Bij zowel de CRvB als de gerechtshoven bevat (de brief met) de kennisgeving van het instellen van het hoger beroep door het bestuursorgaan tevens een passage die in de kern inhoudt dat als de belanghebbende zich in hoger beroep wil laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, de belanghebbende de griffier daarover moet informeren (zie 3.8 en 6.11). Dat is begrijpelijk vanuit het oogpunt van het duidelijkvereiste. Tegelijkertijd is er in het geval de belanghebbende zich al laat vertegenwoordigen, daarmee een spanning met de strekking van art. 6:17 Awb. Immers, de bescherming van de procedurele belangen van de belanghebbende is ermee gediend, indien die kennisgeving juist ook naar de gemachtigde wordt verzonden. In zeker opzicht is sprake van een catch 22-situatie: voorwaarde voor de bescherming door art. 6:17 Awb van de procedurele belangen van de belanghebbende is dat aan de appelrechter duidelijk is dat de geïntimeerde zich laat vertegenwoordigen, maar om aan de voorwaarde te voldoen is het nodig dat de belanghebbende reageert op een stuk dat onder de procedurele rechtsbescherming van art. 6:17 Awb zou vallen als het artikel van toepassing is. 8.10 Van een zuivere catch 22-situatie is vanzelfsprekend geen sprake. Doorbreking is mogelijk: de belanghebbende kan immers na de kennisgeving actie ondernemen door de appelrechter (al dan niet via zijn gemachtigde) te informeren dat hij zich laat vertegenwoordigen door een gemachtigde. Het catch 22-achtige probleem manifesteert zich in de (zeldzame) gevallen waarin de belanghebbende juist niet adequaat actie onderneemt – door wat voor omstandigheid dan ook. En juist in die gevallen zou art. 6:17 Awb voor procedurele rechtsbescherming hebben kunnen zorgen. En de omstandigheid die maakt dat niet adequaat wordt gereageerd, kan bovendien juist mede reden voor de belanghebbende zijn geweest om eerder de gemachtigde in te schakelen. Drie mogelijke benaderingen met betrekking tot de appelkennisgeving 8.11 Voor het geval een belanghebbende zich in beroep heeft laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, zie ik grofweg drie mogelijke benaderingen wat betreft de verzending van de appelkennisgeving indien het bestuursorgaan hoger beroep heeft ingesteld. 8.12 De eerste benadering is dat de appelkennisgeving (ook) aan die gemachtigde wordt verzonden. Betoogd kan worden dat de tekst van art. 6:17 Awb (“indien iemand zich laat vertegenwoordigen”) daarvoor ruimte biedt. Gedachte daarbij is dan dat voorshands ervan wordt uitgegaan dat de belanghebbende zich ook in hoger beroep laat vertegenwoordigen door de gemachtigde. De appelrechter kan de juistheid van dat uitgangspunt verifiëren door om een schriftelijke machtiging te verzoeken dan wel (in het geval van een advocaat) om bevestiging daarvan te vragen. Deze benadering heeft als voordeel dat de procedurele belangen van de belanghebbende die zich inderdaad (ook voor een eventuele hogerberoepsprocedure) laat vertegenwoordigen door de gemachtigde, worden beschermd, en dat een mogelijke catch 22-achtige situatie wordt voorkomen. Deze benadering zou bovendien in die zin stroken met HR B. 4473 dat daarin het belang naar voren komt dat in het geval een gemachtigde zonder restrictie is ingeschakeld voor een bepaalde aangelegenheid, aan de gemachtigde de relevante stukken worden toegestuurd opdat de gemachtigde naar bevind van zaken kan handelen (vgl. 5.13-5.14). 8.13 Tegenover de voordelen staan echter bezwaren. Inherent bezwaar tegen een algemene handelwijze om de appelkennisgeving te sturen aan de gemachtigde in eerste instantie is dat dan in voorkomende gevallen de appelkennisgeving wordt verzonden aan de gemachtigde, terwijl de belanghebbende zich voor het hoger beroep (nog) niet laat vertegenwoordigen door die gemachtigde. Met andere woorden: art. 6:17 Awb wordt dan toegepast, terwijl het (nog) niet van toepassing is. Zeker indien niet alleen de kennisgeving maar (tegelijk) ook andere stukken naar de gemachtigde worden verstuurd, kan dan bovendien de gegevensbescherming in het geding zijn. Met voornoemd inherente bezwaar hangt samen dat zo’n algemene handelwijze ook anderszins de belangen van de belanghebbende kan aantasten. Ik doel daarbij op de belangen die in de reacties van de belastingteamvoorzitters naar voren worden gebracht, te weten (
- i)het belang te waarborgen dat de belanghebbende een vrije vertegenwoordigingskeuze heeft in hoger beroep en (
- ii)het belang te voorkomen dat de gemachtigde zonder medeweten van de belanghebbende proceshandelingen verricht (zie 6.17). Verder is er het praktische bezwaar, waarop de teamvoorzitter bij het hof Arnhem-Leeuwaarden wijst, dat de griffier nog niet beschikt over naam en adresgegevens van degene die de belanghebbende vertegenwoordigde in beroep (zie 6.16). Dat bezwaar is relevant omdat de appelkennisgeving “zo spoedig mogelijk” moet worden verzonden (art. 6:14
(2)in verbinding met art. 6:24 Awb). Binnen deze “zo spoedig mogelijk”-termijn hoeft in het wettelijk stelsel de appelrechter nog niet te beschikken over de stukken van het geding van de rechtbank, waaruit de bedoelde gegevens doorgaans zullen blijken. 8.14 Naar mijn mening wegen de bezwaren tegen de eerste benadering zwaarder dan de voordelen. Ik zou daarom niet als opvatting willen aanvaarden dat art. 6:17 Awb in het algemeen vergt dat de appelkennisgeving wordt verzonden naar de gemachtigde in vorige instantie. Ik wijs erop dat ook bij de griffie van de Hoge Raad niet de eerste benadering wordt gehanteerd voor de kennisgeving van het cassatieberoep indien dat beroep is ingesteld door het bestuursorgaan. De brief met die kennisgeving wordt immers gericht en verstuurd aan de belanghebbende zelf en bevat een passage over wat moet gebeuren als de belanghebbende zich laat vertegenwoordigen in cassatie. De gemachtigde in de vorige instantie krijgt ‘slechts’ een afschrift. Zie 6.2-6.3. Ik wijs er verder op dat een contra-indicatie niet te vinden is in hetgeen de wetgever heeft geregeld voor het appelexploot in dagvaardingszaken. Eerder integendeel, namelijk dat daarin een argument tegen de eerste benadering is te vinden. Voor het appelexploot in dagvaardingszaken – in zeker opzicht de civielrechtelijke tegenhanger van de appelkennisgeving door de bestuursrechter – heeft de wetgever niet verder willen gaan dan het bieden van een facultatief alternatief: de kantoorbetekening. Het appelexploot kan “ook” worden gedaan aan het kantoor van de advocaat bij wie degene voor wie het is bestemd, domicilie heeft gekozen in eerste aanleg (zie 7.4-7.6). In dagvaardingszaken heeft de wetgever dus niet zo ver willen gaan de kantoorbetekening te verplichten, ook al trad de advocaat in eerste aanleg voor diegene op. 8.15 De tweede benadering is dat – overeenkomstig de handelwijze bij de griffie van de Hoge Raad (zie 6.2) – een afschrift van de appelkennisgeving wordt verstuurd aan de gemachtigde in vorige instantie. Het voordeel van die benadering is dat de potentiële catch 22-situatie wordt doorbroken. Het procedurele belang van de belanghebbende dat de gemachtigde kennis krijgt van het instellen van het hoger beroep, wordt beschermd door toezending van het afschrift van de kennisneming. De charme van deze benadering is dat dit belang wordt beschermd zonder dat voorshands ervan wordt uitgegaan dat de belanghebbende zich ook in hoger beroep laat vertegenwoordigen. Dit brengt mee dat als uitgangspunt evenmin, althans minder, in het gedrang komt het belang te voorkomen dat de gemachtigde zonder medeweten van de belanghebbende proceshandelingen verricht. Immers, (
- i)de kennisgeving gaat naar belanghebbende en (
- ii)als de gemachtigde zich zelf meldt naar aanleiding van het afschrift zal deze een toereikende machtiging moeten overleggen. Een nadeel is wel dat ook bij deze benadering in zekere mate de vrije vertegenwoordigingskeuze van belanghebbende wordt aangetast. Door toezending van het afschrift aan de gemachtigde wordt die keuze immers toch in zekere mate beïnvloed. Verder kan nog steeds het (praktische) bezwaar spelen dat ten tijde van verzending van de appelkennisgeving de griffie bij de appelrechter nog niet beschikt over contactgegevens van de gemachtigde. Een oplossing zou kunnen zijn om te bellen met de griffie van de vorige instantie, zoals de griffie van de Hoge Raad doet (zie 6.4), maar ik heb er onvoldoende zicht op of dat werkbaar is in het geval van grotere zaakstromen zoals die bij de appelrechters. 8.16 Hoewel deze tweede benadering naar mij voorkomt een redelijk evenwicht weet te bereiken tussen de verschillende belangen c.q. voor- en nadelen, meen ik dat zij niet in het algemeen kan worden ‘opgelegd’ aan de appelrechters. Het versturen van het afschrift van de kennisgeving is immers niet gebaseerd op art. 6:17 Awb. Anders gezegd: er is geen juridische grond waarop een verplichting tot verzending van een afschrift van de appelkennisgeving aan de gemachtigde kan worden gebaseerd. Los daarvan zou ik de benadering ook niet aan de appelrechters willen opleggen. Zij wijkt namelijk af van de huidige werkwijze van de appelrechters, en die werkwijze levert naar mijn indruk doorgaans geen problemen op. Die indruk vindt steun in de opmerking van de teamvoorzitter bij het hof Arnhem-Leeuwarden dat een belanghebbende in vrijwel alle gevallen reageert op de kennisgeving (zie 6.13). De bedoelde indruk is er ook omdat mij geen eerdere zaak bekend is waarin het catch 22-probleem zich heeft gemanifesteerd, zoals (ogenschijnlijk) in de onderhavige zaak. Anders gezegd: dat in een zeldzaam geval het catch 22-probleem zich manifesteert, rechtvaardigt niet een verandering in een werkwijze die buiten zo’n geval goed functioneert. 8.17 De derde benadering is tot slot de benadering van de CRvB en de gerechtshoven: de kennisgeving wordt verzonden aan alleen de belanghebbende, zonder dat de gemachtigde een afschrift krijgt toegezonden. Bij deze benadering wordt het duidelijkvereiste in wezen ingevuld als een kenbaarheidsvereiste: art. 6:17 Awb vindt pas toepassing nadat door of namens de belanghebbende kenbaar is gemaakt aan de appelrechter dat de belanghebbende zich in appel laat vertegenwoordigen door een gemachtigde. De voordelen van deze benadering zijn het spiegelbeeld van nadelen van de eerste benadering. Voorkomen wordt dat een persoon over het hoger beroep wordt geïnformeerd terwijl de belanghebbende zich (nog) niet laat vertegenwoordigen in hoger beroep door die persoon. Samenhangend daarmee wordt daarmee geborgd de belangen die in de reacties van de belastingteamvoorzitters worden genoemd, te weten (
- i)het belang dat de belanghebbende een vrije vertegenwoordigingskeuze heeft in hoger beroep en (
- ii)het belang te voorkomen dat de gemachtigde zonder medeweten van de belanghebbende proceshandelingen verricht (zie 6.17). 8.18 Het inherente nadeel van de derde benadering is dat ook in het geval de volmacht van de gemachtigde zich uitstrekt tot een eventueel hoger beroep, de gemachtigde niet in kennis wordt gesteld van het hoger beroep. Dit brengt mee dat het catch 22-probleem zich kan manifesteren. Dat is het geval indien de belanghebbende niet reageert op het verzoek van de appelrechter om naam en adresgegevens van een eventuele gemachtigde te verstrekken en evenmin zijn gemachtigde informeert over de kennisgeving van het hoger beroep. 8.19 Gelet op dit inherente nadeel spreekt mij de benadering bij het hof Arnhem-Leeuwarden aan in het geval de belanghebbende niet reageert op het verzoek om naam en adresgegevens van een eventuele gemachtigde te verstrekken en ook niet op de uitnodiging om verweer te voeren. Als ik het goed begrijp, komt zij erop neer dat de rechter de griffier (c.q. een griffiemedewerker) verzoekt alsnog contact te zoeken met de belanghebbende zelf of desnoods met degene die hem vertegenwoordigde in beroep, telkens nog vóór het plannen van een zitting in de desbetreffende zaak (zie 6.13). Deze benadering spreekt mij aan om twee samenhangende redenen. Ten eerste, zij biedt een extra waarborg dat de procedurele belangen van de belanghebbende worden beschermd. Ten tweede, zij legt de verantwoordelijkheid voor het bieden van zo’n waarborg niet zozeer bij de griffier (c.q. een griffiemedewerker) maar bij de rechter. 8.20 De vraag rijst of de appelrechter ook verplicht is te handelen zoals gebeurt bij hof Arnhem-Leeuwarden. Ik zou menen van wel in het geval de belanghebbende zich in beroep heeft laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Gelet op het in 8.18 vermelde inherente nadeel van de derde benadering (waaronder dat het catch 22-probleem zich kan manifesteren), brengt de strekking van art. 6:17 Awb – al dan niet in combinatie met de goede procesorde, waaraan art. 6:17 Awb invulling geeft (4.7) – voor dat geval naar mijn mening mee dat onderzocht moet worden of de belanghebbende zich in hoger beroep laat vertegenwoordigen door de gemachtigde in beroep, indien de belanghebbende niet heeft gereageerd op de appelkennisgeving en evenmin verweer heeft gevoerd. Ik zou menen dat dit onderzoek in elk geval dient plaats te vinden bij de gemachtigde in beroep. De uitspraak van de appelrechter moet mijns inziens blijk ervan geven dat het onderzoek is verricht en welke uitkomst het heeft gehad. Toepassing op deze zaak 8.21 In deze zaak heeft belanghebbende zich in beroep laten vertegenwoordigen door de raadsman. Vast staat dat de CRvB de appelkennisgeving alleen aan de belanghebbende heeft verzonden (3.5 en 3.7). Uit de gedingstukken volgt niet dat de raadsman enige andere brief van de CRvB over deze zaak heeft ontvangen (3.4-3.7). Het staat vast dat belanghebbende niet heeft gereageerd op de appelkennisgeving (zie 3.8-3.9) en dat hij geen verweer heeft gevoerd (zie 2.10). 8.22 Gelet op deze omstandigheden en op de in 8.20 bepleite opvatting, meen ik dat de CRvB had moeten onderzoeken of de raadsman de belanghebbende ook in hoger beroep vertegenwoordigt, en wel door de raadsman te benaderen. Uit de bestreden uitspraak blijkt niet dat de CRvB dat onderzoek heeft verricht. Gelet op de inhoud van het proces-verbaal van de zitting (zie 3.7) kan zelfs ervan worden uitgegaan dat het onderzoek niet is verricht. 8.23 Dit betekent dat niet vastgesteld kan worden óf de CRvB in overeenstemming met art. 6:17 Awb heeft gehandeld wat betreft verzending van de op de zaak betrekking hebbende stukken gedurende de procedure in hoger beroep. Het betekent ook dat niet vastgesteld kan worden of de griffier van de CRvB de uitspraak van de CRvB op de voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt door een afschrift daarvan (alleen) aan belanghebbende te verzenden en niet (ook) aan de raadsman. Dat geldt voor zowel de verzending van een afschrift op 22 juli 2024 als die op 8 augustus 2024 (zie 3.3). Voor de aanvang van de termijn voor het instellen van beroep in cassatie is dan van belang op welk moment de raadsman de uitspraak onder ogen heeft gekregen (zie 5.3-5.4). Uit het beroepschrift in cassatie (punt 4 en 16) meen ik af te leiden dat de stelling is dat de raadsman de uitspraak niet eerder onder ogen heeft gekregen dan op 19 september 2024, welke stelling bovendien met bewijsstukken is onderbouwd (zie 3.10). Hoe dan ook, er zijn voorshands in elk geval geen aanwijzingen dat de raadsman de uitspraak eerder onder ogen heeft gekregen dan zes weken voor het moment indiening van beroepschrift in cassatie, dus eerder dan 8 augustus 2024. Dit betekent dat het beroep in cassatie tijdig is ingesteld. Subsidiair 8.24 Voor het geval de Hoge Raad geen grond ziet om de in 8.20 bepleite onderzoeksplicht te aanvaarden, meen ik dat getoetst moet worden of op enig moment gedurende de procedure bij de CRvB aan het duidelijkvereiste van art. 6:17 is voldaan, i.e. dat aan de CRvB duidelijk moest zijn dat belanghebbende zich laat vertegenwoordigen (vgl. 4.10). 8.25 Ik meen dat aan de CRvB in elk geval voorafgaand aan het vaststellen van zijn uitspraak duidelijk moest zijn dat belanghebbende zich laat vertegenwoordigen ook in hoger beroep, gelet op de volgende omstandigheden in onderlinge samenhang bezien: 1) Vanaf het moment waarop de Svb hoger beroep instelde, is de CRvB ermee bekend geweest dat de raadsman belanghebbende vertegenwoordigde in het geding bij de Rechtbank (zie 3.6). 2) Vanaf het moment waarop de CRvB de stukken van het geding bij de Rechtbank ontving, is hij ermee bekend geweest dat belanghebbende heeft gekozen voor domicilie ten kantore van de raadsman (zie 2.7). 3) Vanaf het moment waarop de Svb hoger beroep instelde, is de CRvB ermee bekend geweest dat belanghebbende op een binnenvaartschip werkt, althans in de betrokken periode maar gelet daarop mogelijk ook ten tijde van de procedure voor de CRvB. Dat werk is naar mijn mening een omstandigheid die meeweegt, nu het meebrengt dat belanghebbende niet thuis pleegt te zijn voor aaneengesloten perioden. 4) Aangezien de CRvB uit eigener beweging acht heeft geslagen op de procedure over het eerdere besluit, kan hem niet zijn ontgaan dat de raadsman belanghebbende vertegenwoordigde in elke fase van de procedure over het eerdere besluit. De raadsman vertegenwoordigde hem in het geding bij de rechtbank Amsterdam, wat blijkt uit dier uitspraak. Hij vertegenwoordigde hem in het geding bij de CRvB zelf, wat blijkt uit diens uitspraak. En hij vertegenwoordigde hem in het geding bij de Hoge Raad, wat blijkt uit diens arrest. 5) De CRvB is ervan uitgegaan dat twee afzonderlijke procedures zijn ontstaan “alleen” door een korte onderbreking in de dienstbetrekking tussen belanghebbende en de werkgever (rov. 4.3). 6) De Svb is ervan uitgegaan dat de raadsman belanghebbende vertegenwoordigt, óók in het geding bij de CRvB. In het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting bij de CRvB staat namelijk dat de gemachtigde van de Svb “verbaasd” is dat de raadsman niet is verschenen want hij heeft “nog nooit” meegemaakt dat de raadsman niet is verschenen (zie 3.7). Dit betekent mijns inziens dat de ervaring van de Svb haar leert dat de raadsman pleegt te verschijnen voor het onderzoek ter zitting in enige zaak die is toevertrouwd aan hem – dus ook in zaken, zoals hier, waarin de Svb appelleert nadat de raadsman heeft opgetreden in beroep. Het betekent ook dat de Svb ervan is uitgegaan dat de raadsman belanghebbende vertegenwoordigt in alle fasen van deze procedure over het primaire besluit – dus ook in het geding bij de CRvB. 7) Belanghebbende heeft geen verweer gevoerd en is niet ter zitting verschenen. In het licht van de procedure over het eerdere besluit en van de procedure voor de Rechtbank is dat op zichzelf een objectieve aanwijzing dat belanghebbende zich ook in hoger beroep laat vertegenwoordigen. 8.26 Naar mijn mening wegen deze omstandigheden duidelijk zwaarder dan de enkele omstandigheid dat belanghebbende niet heeft gereageerd op de kennisgeving en dus niet expliciet kenbaar heeft gemaakt dat hij zich laat vertegenwoordigen in hoger beroep. Daarbij weegt mee dat aan die laatste omstandigheid juist een reden ten grondslag kan liggen die maakt dat belanghebbende zich laat vertegenwoordigen. 8.27 Minder omfloerst gezegd: zeker na de door de Svb ter zitting uitgesproken verbazing, in combinatie met de inhoud van het dossier, had de CRvB toch moeten heroverwegen of zich niet het geval voordoet dat belanghebbende zich laat vertegenwoordigen. De reactie van de CRvB daarop ter zitting dat de gemachtigde van de burger niet “automatisch” wordt benaderd (zie 3.7), is in de omstandigheden van dit geval mijn inziens (zeer) formalistisch, beziet het geval te veel vanuit het eigen systeem van werken, en getuigt bepaald niet van het hanteren van een burgerperspectief. 8.28 Ik meen dus, als gezegd, dat aan de CRvB voorafgaand aan het vaststellen van zijn uitspraak duidelijk moest zijn dat belanghebbende zich laat vertegenwoordigen ook in hoger beroep en dat art. 6:17 Awb dus van toepassing is. Dit impliceert dat de CRvB het vooronderzoek had moeten heropenen omdat de op de zaak betrekking hebbende stukken ten onrechte niet in overeenstemming met art. 6:17 Awb eerder aan de raadsman ter beschikking zijn gesteld. Maar goed, dat heropenen is niet gebeurd en daarover gaat het op deze plaats ook niet. Hier van belang is dat het ook impliceert dat een afschrift van de uitspraak van de CRvB naar de raadsman had moeten zijn verzonden in overeenstemming met art. 6:17 Awb. Nu dat niet is gebeurd (zie 3.3), is de uitspraak niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Nu er geen aanwijzingen zijn dat de raadsman de uitspraak eerder onder ogen heeft gekregen dan zes weken voor het moment van indiening van het beroepschrift in cassatie, is het beroep in cassatie tijdig ingesteld (vgl. 8.23, slot). Intermezzo: verhouding tot beperkte toetsing van CRvB-uitspraken in cassatie? 8.29 Gelet op de wijze waarop ik het handelen van de CRvB toets (zie 8.22-8.23 en 8.25-8.28), zou de vraag kunnen rijzen of die wijze van toetsing te verenigen is met de hierna (zie 9.3 e.v.) aan de orde komende beperkte bevoegdheid van de Hoge Raad om CRvB-uitspraken te beoordelen in cassatie. Ik meen dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord. Het gaat op deze plaats niet om toetsing van de uitspraak van de CRvB als zodanig, maar om de ambtshalve te maken beoordeling of tijdig beroep in cassatie is ingesteld, in welk kader beoordeeld moet worden of de uitspraak op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Wat indien anders? 8.30 Voor het geval de Hoge Raad van oordeel is dat in dit geval de uitspraak van de CRvB wél op de voorgeschreven wijze wordt bekendgemaakt door verzending van een afschrift ervan aan belanghebbende zelf, rijst de vraag of de brief van 22 juli 2024 aan het juiste adres is gezonden (zie 3.19). 8.31 De eerste vraag is of niet het domicilie-adres had moet worden gebruikt, zoals belanghebbende betoogt (zie 3.20). De CRvB heeft dat niet gedaan, maar heeft – denkelijk afgaande op informatie van de Svb in het hogerberoepschrift – het in 3.3 genoemde eerste adres gebruikt, net zoals voor andere eerdere correspondentie met belanghebbende (zie 3.5). Gelet op de in het beroepschrift voor de Rechtbank gemaakte domicilie-keuze (zie 2.7), meen ik dat de CRvB dat eerste adres niet zonder meer had mogen gebruiken, namelijk niet zonder eerst bij belanghebbende na te gaan op welk adres hij zijn post wil ontvangen. Nu uit de gedingstukken niet volgt dat de CRvB dat laatste heeft gedaan, kan niet worden vastgesteld dat de uitspraak op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Aangezien er geen aanwijzingen zijn dat belanghebbende de uitspraak vóór 8 augustus 2024 onder ogen heeft gekregen, is het beroep in cassatie tijdig ingesteld. 8.32 Indien de Hoge Raad echter van oordeel is dat correspondentie van de CRvB wel naar het adres van belanghebbende zelf verzonden mocht worden, is de tweede vraag of het eerste adres waarnaar de brief van 22 juli 2024 is verstuurd, wel het juiste adres van belanghebbende is op moment van verzending van die brief (zie 3.21). Ervan uitgaande dat dit niet het geval is, gelet op de in 3.21 vermelde informatie, is vervolgens de vraag of de verzending van die brief naar het onjuiste adres niettemin kan worden beschouwd als een bekendmaking van de uitspraak op de voorgeschreven wijze. Voor het antwoord op die vraag lijkt mij dienovereenkomstig HR BNB 2012/263 bepalend of die onjuiste adressering al dan niet aan de CRvB is te wijten. Hoewel op dit punt mogelijk nog partijdebat moet plaatsvinden (vgl. 2.15), veroorloof ik me reeds de volgende opmerkingen. 8.33 De Hoge Raad heeft in HR BNB 2008/30 overwogen “dat een belastingplichtige ervan mag uitgaan dat een adreswijziging die hij doorgeeft aan de gemeentelijke basisadministratie, tevens bekend wordt bij de Belastingdienst, waarvan de adresbestanden immers zijn gekoppeld aan de gemeentelijke basisadministratie”. Zie ik het goed, dan is er ook onder de huidige basisregistratie persoonsgegevens sprake van zo’n koppeling bij de Belastingdienst. Zie ik het goed, dan vindt zo’n automatische koppeling daarentegen niet plaats bij de Rechtspraak, waaronder de CRvB; verstrekking van (adres)gegevens aan een rechterlijke instantie vindt namelijk plaats op verzoek van die rechterlijke instantie. Het komt mij daarom voor dat de enkele omstandigheid dat een adreswijziging heeft plaatsgevonden in de basisregistratie persoonsgegevens, nog niet meebrengt dat de CRvB van die wijziging op de hoogte hoort te zijn. De enkele omstandigheid dat in dit geval het in 3.3 vermelde tweede adres is geregistreerd als adres van belanghebbende in de basisregistratie persoonsgegevens vanaf 19 maart 2024, brengt daarom nog niet mee dat de onjuiste adressering van de brief van 22 juli 2024 te wijten is aan de CRvB. Dit zou betekenen dat met de verzending van het afschrift van de uitspraak bij brief van 22 juli 2024 die uitspraak op voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dit zou meebrengen dat de termijn voor het instellen van beroep in cassatie is overschreden. 8.34 Dat zou dan leiden tot een vervolgvraag namelijk of die termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn op grond van art. 6:11 Awb. Daarbij is van belang dat de term “redelijkerwijs” in art. 6:11 Awb de bestuursrechter enige ruimte geeft om in gevallen waarin de verwijtbaarheid met betrekking tot de niet-tijdige indiening van het beroepschrift gering is, die termijnoverschrijding niet aan de indiener toe te rekenen. Ik meen dat in dit geval sprake is van een dergelijke geringe verwijtbaarheid. Belanghebbende heeft de raadsman ingeschakeld om hem te vertegenwoordigen en bovendien domicilie gekozen ten kantore van de raadsman. Waar het voor belanghebbende ‘mis’ gaat, is het niet-reageren op de kennisgeving. Door die enkele fout treedt vervolgens een kettingreactie op in die zin dat zijn raadsman daarna ook overigens geen stukken van de CRvB ontvangt, waaronder de uitspraak niet. Bovendien valt ook de raadsman hooguit in geringe mate wat te verwijten. Naar aanleiding van de uitspraak van de Rechtbank heeft de raadsman de Svb verzocht de proceskosten- en griffierechtvergoedingen over te maken op de derdengeldenrekening. In antwoord daarop heeft de Svb zich voorbehouden te appelleren en toegezegd dat zij de raadsman in kennis zou stellen van haar beslissing, maar de Svb heeft deze toezegging niet gestand gedaan, althans dat stelt middel 1 (zie 9.1) en deze feitelijke stelling is niet betwist door de Rvb-Svb. 9Middel 1: schending van (grond)wettelijke, verdrags- of beginselwaarborgen? Het middel 9.1 Middel 1 richt zich tegen het procesverloop bij de CRvB en valt in wezen uiteen in twee onderdelen. Het eerste onderdeel betoogt dat de Svb ten onrechte niet een kennisgeving van het hoger beroep heeft doen toekomen aan de raadsman. Ondanks een uitlating van de Svb tijdens de hogerberoepstermijn dat zij de raadsman in kennis zou stellen van haar beslissing of zij hoger beroep zou instellen tegen de uitspraak van de Rechtbank, heeft de Svb de raadsman niet eerder in kennis gesteld van het hoger beroep dan nadat de bestreden uitspraak is gedaan. Evenmin heeft de Svb een afschrift van de bestreden uitspraak verzonden aan de raadsman dan wel aan belanghebbende op het adres van de raadsman. Daardoor is art. 18
(1)Gw, art. 6 EVRM, art. 47 Handvest, art. 6:5 Awb, art. 6:17 Awb en/of het beginsel van een goede procesorde geschonden, aldus het onderdeel. 9.2 Het tweede onderdeel betoogt dat (ook) de CRvB ten onrechte niet een kennisgeving van het hoger beroep heeft doen toekomen aan de raadsman dan wel aan belanghebbende op het adres van de raadsman. Dit is ondanks de domiciliekeuze van belanghebbende, welke keuze volgens het onderdeel niet is beperkt tot een bepaalde instantie maar zich uitstrekt tot deze zaak als geheel. Het is ook ondanks de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2014, die meebrengt dat de CRvB zo’n kennisgeving heeft moeten verzenden aan de raadsman. Dit strookt met de maatschappelijke werkelijkheid, waarin degene die zich laat vertegenwoordigen ervan uitgaat dat de rechter de gemachtigde in kennis stelt van het hoger beroep. Het is daarentegen in strijd met art. 18
(1)Gw, art. 6 EVRM en art. 47 Handvest wanneer de rechter de gemachtigde niet in kennis stelt daarvan, zoals hier. Hetzelfde geldt voor de bestreden uitspraak, aldus ook het onderdeel, waarvan een afschrift evenmin is verzonden aan de raadsman dan wel aan belanghebbende op diens adres. Voorvraag: valt beoordeling van middel 1 binnen de beperkte beoordelingsbevoegdheid van de Hoge Raad? 9.3 Daarmee klagen beide middelonderdelen over schending van wettelijke bepalingen (art. 6:5 en art. 6:17 Awb), grondrechtelijke bepalingen (art. 18
(1)Gw, art. 6 EVRM en art. 47 Handvest) en algemene rechtsbeginselen (het beginsel van een goede procesorde). 9.4 Voordat aan de inhoudelijke behandeling kan worden toegekomen, moet eerst worden beoordeeld of de wet ter zake van de gestelde schending van de genoemde normen wel beroep in cassatie openstelt. 9.5 Het gaat hier namelijk om een uitspraak van de CRvB over een besluit betreffende de toepasselijkheid van de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op belanghebbende. Het gaat dus om de toepasselijkheid van de Algemene Ouderdomswet (AOW), de Algemene nabestaandenwet (Anw), de Algemene kinderbijslagwet (Akw) en/of de Wet langdurige zorg (Wlz). Tegen een dergelijke uitspraak van de CRvB stelt elk van deze wetten slechts beroep in cassatie open ter zake van schending of verkeerde toepassing van – wat ik noem – cassabele bepalingen. Elk van die wetten heeft een cassatiebepaling die in wezen inhoudelijk dezelfde cassabele bepalingen noemt. In het vervolg neem ik art. 53 AOW voor het gemak als uitgangspunt. Art. 53
(1)AOW luidt als volgt: “Tegen uitspraken van de Cent