RECHTBANK ALKMAAR Sector kanton Locatie Alkmaar parketnummer: 14/038033-02 uitspraak: 25 oktober 2002 Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 oktober 2002 gewezen in de zaak tegen: Boehringer Ingelheim B.V. Berenkoog 28 1822 BJ Alkmaar.
(1)Reclamebesluit zou onverbindend zijn wegens strijd met artikel 9 lid 1 van de EEG richtlijn nr. 92/82, nu artikel 14 strenger zou zijn dan de richtlijn. Dit verweer wordt verworpen, nu de uitzonderingen genoemd in artikel 14 niet cumulatief dienen te worden gelezen. Artikel 14 dient derhalve gelezen te worden in samenhang met artikel 9 en is dan ook hiermee niet strijdig. Het verweer, dat de Minister door deze afwijking de verschillen met andere lidstaten zou bevorderen, dient derhalve te worden verworpen. 5.4 De term "geringe waarde" in artikel 14 lid 1 Reclamebesluit zou onduidelijk zijn; verdachte doet er een beroep op, dat een strafbaarstelling alleen maar doel treft voor zover het voorschrift een strafrechtelijk voldoende duidelijke norm is. De kantonrechter verwerpt dit verweer. Voor een verbindende strafbaarstelling is volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens - voor zover hier van belang - vereist dat de strafbepaling "is formulated with sufficient precision to enable the citizen to regulate his conduct: he must be able -if need be with appropriate advice- to foresee, to a degree that is reasonable in the circumstances, the consequences which a given action may entail. Those consequences need not be foreseeable with absolute certainty: experience shows this to be unattainable. Again, whilst certainty is highly desirable, it may bring in its train excessive rigidity and the law must be able to keep pace with changing circumstances. Accordingly, many laws are inevitably couched in terms which, to a greater or lesser extent, are vague and whose interpretation and application are questions of practice." De kantonrechter is van oordeel dat de norm van artikel 14 Reclamebesluit aan die eis voldoet. De aard en de inhoud van die norm maken enerzijds een zekere vaagheid in de delictsomschrijving onvermijdelijk, terwijl anderzijds die tot de verdachte gerichte norm voldoende concreet is om haar, als farmaceutisch bedrijf met voldoende juridische kennis bij haar medewerkers, in staat te stellen haar gedrag daarop af te stemmen. Het feit dat momenteel gewerkt wordt aan nadere invulling en concretisering van de norm betekent nog niet dat genoemd artikel thans onverbindend is. Een norm als de onderhavige maakt het immers mogelijk om bij de toepassing ervan rekening te houden met de maatschappelijke opvattingen en verhoudingen. Dat zou bij een stringent geformuleerde strafbepaling minder het geval kunnen zijn. Daarnaast is van belang dat naar onvoldoende weersproken door de officier van justitie is gesteld, dat de norm van ± 50,-- euro (althans de toenmalige tegenwaarde daarvan in toenmalig Nederlands courant) sinds omstreeks 2000 opgeld deed ten aanzien van rijksambtenaren, hetgeen voor verdachte een duidelijke indicatie moet zijn geweest waar de grens lag. 5.5 Voorts zou onduidelijk zijn op wie die "geringe waarde" van toepassing zou zijn. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende duidelijk dat dit doelt op in artikel 14 van het Reclamebesluit genoemde "personen die bevoegd zijn om geneesmiddelen voor te schrijven of af te leveren". Dit verweer wordt dan ook verworpen. 5.6 Onduidelijk zou zijn wat artikel 15 van het Reclamebesluit bedoelt met het "hoofddoel van de bijeenkomst". Van onduidelijk is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake, omdat artikel 15 moet worden gelezen in samenhang met het daaraan voorafgaande artikel
- Nu artikel 14 van het Reclamebesluit spreekt van het "wetenschappelijke hoofddoel van de bijeenkomst" is voldoende duidelijk dat met het hoofddoel in artikel 15 eveneens wordt bedoeld het wetenschappelijk hoofddoel. Dit verweer wordt derhalve verworpen. 5.7 De "normen" die de inspectie hanteert zouden strenger zijn dan die in andere EEG-landen worden gehanteerd. De kantonrechter verwerpt dit verweer. De Europese regelgeving laat onverlet dat binnen de EEG-lidstaten op basis van het opportuniteitsbeginsel op verschillende wijze, binnen zekere grenzen, uitvoering wordt gegeven aan de nationale wettelijke bepalingen, die zijn geënt op Europese regelgeving. Dat daarbij grenzen zijn overschreden die nopen tot een ander oordeel is niet aannemelijk geworden.
- De strafbaarheid van de verdachte. Voorzover verdachte heeft betoogd met voornoemde verweren haar strafbaarheid uit te sluiten, wordt dat verweer, als overwogen, niet gehonoreerd.
- De motivering van de sancties en de overige beslissingen. De hoofdstraf 7.1 Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de kantonrechter zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. 7.2 De kantonrechter is van oordeel dat voor elk der overtredingen een geldboete moet worden opgelegd. Omdat de verdachte niet eerder voor feiten als de onderhavige is vervolgd en/of veroordeeld zal de kantonrechter de eis van de officier van justitie volgen, te weten: 2.300,- euro per georganiseerde bijeenkomst. Er worden 4 bijeenkomsten bewezen verklaard. Daarom zullen 4 boetes van elk 2.300,- euro, in totaal derhalve 9.200,- euro, worden opgelegd.
- Toepasselijke wettelijke voorschriften. Van toepassing zijn de artikelen 9, 23 en 62 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 31 van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening en artikel 15, juncto 14 van het Reclamebesluit geneesmiddelen.
- Beslissing. De kantonrechter beslist als volgt: Hij verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten zoals hiervoor onder 3.1.1 vermeld, heeft begaan. Hij verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert het hierboven in rubriek
- vermelde strafbare feit op. Hij verklaart de verdachte hiervoor strafbaar. Hij veroordeelt de verdachte wegens die feiten tot betaling van 4 geldboeten van elk 2.300,- euro, in totaal derhalve 9.200,- euro. Dit vonnis is gewezen door mr. P.G. Vroom, kantonrechter, bijgestaan door J.A.J. Kreijger, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 25 oktober 2002.