RECHTBANK ALKMAAR Sector Kanton Locatie Alkmaar Datum: 9 november 2005 Zaak 176099 Rolnr.: 5471/04 Vonnis in de zaak van: [opposant], wonende te Alkmaar opposant verder ook te noemen: [opposant] gemachtigde: F.J.M. van der Meer, deurwaarder te Alkmaar tegen [Geopposeerde], wonende te Amsterdam geopposeerde verder ook te noemen: [geopposeerde] gemachtigde: C.Th. Snijder, deurwaarder te Beverwijk. Het procesverloop [Opposant] is bij dagvaarding van 23 november 2004 in verzet gekomen tegen het op 13 oktober 2004 tussen partijen uitgesproken verstekvonnis onder rolnr. 4009/04 en heeft tegen de vordering van [geopposeerde] verweer gevoerd. Vervolgens is gediend van antwoord en repliek in oppositie. Bij akte heeft [geopposeerde] nog gereageerd op de bij repliek in oppositie overgelegde producties. Hierna is vonnis bepaald. De inhoud van alle voormelde stukken geldt als hier ingelast. Het geschil Bij inleidende dagvaarding heeft [geopposeerde] gevorderd [opposant] te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van € 4.826,26, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 augustus 2004, met veroordeling van [opposant] in de proceskosten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij op 17 juni 2003 met [opposant] een overeenkomst tot borgstelling heeft gesloten. [Opposant] heeft zich daarbij borg gesteld voor een schuld van de heer [hoofdschuldenaar] aan [geopposeerde], en wel tot een bedrag van € 4.
- Bij schrijven van 10 november 2003 is [opposant] op grond van de door hem afgegeven borgstelling door [geopposeerde] aangesproken tot voldoening van voormeld bedrag van € 4.084 toen [hoofdschuldenaar], hoewel meerdere malen tot nakoming aangesproken, zijn betalingsverplichting jegens [geopposeerde] niet nakwam. [Opposant] bleef, ondanks herhaalde verzoeken, in gebreke met het voldoen aan de borgstelling. Ook de bemoeiingen van de door [geopposeerde] ingeschakelde incassogemachtigde hadden geen betaling tot gevolg, reden waarom [geopposeerde] bij dagvaarding d.d. 10 september 2004 een vordering heeft ingesteld tot betaling van voormeld bedrag van € 4.084, vermeerderd met € 122,52 wegens tot 10 augustus 2004 verschuldigde wettelijke rente, € 612,60 wegens buitengerechtelijke incassokosten en € 7,14 wegens informatiekosten, aldus in totaal € 4.826,26, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 augustus
- Deze vordering is [geopposeerde] bij verstekvonnis d.d. 13 oktober 2004 toegewezen, in voege als in dat vonnis vermeld. Bij verzetdagvaarding van 23 november 2004 vordert [opposant] hem te ontheffen van het tegen hem uitgesproken verstekvonnis, met veroordeling van [geopposeerde] in de kosten van dit verzet. [Opposant] is van oordeel dat eerst op [hoofdschuldenaar] verhaal moet worden gezocht, alvorens hij als borg op betaling kan worden aangesproken. Naar zijn oordeel wordt het afhankelijke en subsidiaire karakter van de borgtocht door [geopposeerde] genegeerd en worden de rechten van [opposant] gefrusteerd doordat [geopposeerde] de borgtocht ziet en interpreteert als een hoofdelijke verschuldigdheid, waarbij hij om het even wie op betaling kan aanspreken. Immers, als de automatische overboeking bij [hoofdschuldenaar] storneerde, zond [geopposeerde] rond de 8ste van elke maand eenvoudig een sommatie aan [opposant]. Daarmee is niet voldaan aan het vereiste dat [geopposeerde] de borg [opposant] pas kan aanspreken als hij ter verhaal op de hoofdschuldenaar het nodige heeft gedaan, aldus [opposant]. Naar het oordeel van [opposant] dient het verstekvonnis van 13 oktober 2004 dan ook te worden vernietigd en dient [geopposeerde] alsnog niet-ontvankelijk in zijn vordering te worden verklaard, althans dient de vordering van [geopposeerde] te worden afgewezen. De beoordeling Onbetwist staat vast, dat [opposant] op tijd in verzet is gekomen, zodat de zaak opnieuw zal worden beoordeeld. Het bij zijn verzetdagvaarding door [opposant] gevoerde verweer (zoals hiervoor omschreven) dient te worden verworpen. Immers, [opposant] heeft zich jegens [geopposeerde] verbonden tot nakoming van een verbintenis die [hoofdschuldenaar] tegenover [geopposeerde] heeft. Geen rechtsregel brengt in dit verband mee dat [opposant] als borg pas kan worden aangesproken als [hoofdschuldenaar] als hoofdschuldenaar geen verhaal biedt of als de schuldeiser niet de nodige inspanningen heeft gedaan om tot verhaal te komen, zoals [opposant] ten verwere aanvoert. Aan de vereisten om de borg te mogen aanspreken is immers voldaan. [hoofdschuldenaar] was in verzuim en [opposant] was (als gemachtigde van [hoofdschuldenaar]) op de hoogte van de ingebrekestellingen. Bij repliek in oppositie heeft [opposant] zich nog beroepen op dwaling bij het sluiten van de overeenkomst op 17 juni
- Dat is evenwel te laat, aangezien hij een dergelijk verweer direct bij zijn dagvaarding in oppositie had moeten aanvoeren. Inhoudelijk bezien komt hetgeen [opposant] terzake van zijn beroep op dwaling heeft aangevoerd de kantonrechter overigens niet aannemelijk voor. Indien [opposant] meende dat [geopposeerde] zich eerst een executoriale titel zou verwerven die hij op ieder gewenst moment tegen [hoofdschuldenaar] ten uitvoer zou kunnen leggen en dat zijn borgstelling enkel diende voor het geval [hoofdschuldenaar] inderdaad door betalingsonmacht en gebrek aan verhaalsmogelijkheden zou zijn getroffen, doch dat [geopposeerde] al het mogelijke zou ondernemen om van [hoofdschuldenaar] voldoening te krijgen alvorens [opposant] aan te spreken (omdat hij de titel daartoe dan al in handen zou hebben), zouden partijen dat in hun overeenkomst van 17 juni 2003 hebben opgenomen (temeer daar [opposant] jurist is). Overigens blijkt ook uit de brief d.d. 16 juni 2003 van [opposant] aan de gemachtigde van [geopposeerde] (waarin hij zijn – reeds telefonisch kenbaar gemaakte – bereidheid bevestigt om in persoon zekerheid te stellen en borg te staan voor een bedrag van € 4.084) niets van enige rangorde; daarin worden de verhaalsmogelijkheden (vonnis en borg) juist naast elkaar – nevengeschikt – genoemd. Het verweer van [opposant] ten aanzien van de (hoogte van de) buitengerechtelijke incassokosten wordt eveneens gepasseerd. Voldoende is gebleken dat door de gemachtigde van [geopposeerde] terzake zodanige werkzaamheden zijn verricht dat zij toewijzing van het gevorderde bedrag rechtvaardigen. Uit het vorenstaande volgt dat het verzet van [opposant] ongegrond is en dat het verstekvonnis dient te worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [opposant] in de proceskosten worden veroordeeld. De beslissing De kantonrechter: Verklaart het verzet ongegrond en bekrachtigt het vonnis op 13 oktober 2004 tussen [geopposeerde] als eisende partij en [opposant] als gedaagde partij bij verstek gewezen. Veroordeelt [opposant] in de proceskosten, die tot heden voor [geopposeerde] worden vastgesteld op een bedrag van € 540 voor salaris van de gemachtigde van [geopposeerde] (waarover [opposant] geen BTW verschuldigd is). Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Schlingemann, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2005.