RECHTBANK ALKMAAR Sector Kanton Locatie Den Helder Zaaknr/rolnr.: 231844-07-336 WG Uitspraakdatum: 7 juni 2007 Vonnis in de zaak van: [eiser], wonende te Garmerwolde eisende partij verder ook te noemen: [eiser] gemachtigde: J.J. van der Voort, gerechtsdeurwaarder te Alkmaar tegen [gedaagde], thans wonende te Den Helder, [adres] v.h.o.d.n. [Xx] gedaagde partij verder ook te noemen: [gedaagde] in persoon procederende. Het procesverloop [eiser] heeft een vordering ingesteld, zoals omschreven in de dagvaarding d.d. 25 januari 2007. [gedaagde] heeft bij antwoord verweer gevoerd. Na beraad heeft de kantonrechter een comparitie gelast, die is gehouden op 3 mei 2007, in aanwezigheid van partijen en de gemachtigde. Van deze comparitie heeft de griffier aantekeningen gehouden. De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast. Ten slotte is heden uitspraak bepaald. De vaststaande feiten 1. Op of omstreeks 25 november 2004 heeft de heer [de heer M.W.] [eiser] opdracht gegeven voor levering en plaatsing van een rolhek type diamont 550 een en ander voor een prijs van € 6.134,45. Daarbij gaf hij aan te handelen namens de onderneming [Xx], [adres] te Groningen, op naam waarvan de offerte ook is gesteld. Bij die gelegenheid heeft [de heer M.W.] een bedrag van € 1.900,00 aanbetaald. Op of kort daarna is het hek door [eiser] geplaatst in of aan het pand waar de winkel van [Xx] was gevestigd. Tijdens die plaatsing was [de heer M.W.] aanwezig, maar [gedaagde] niet. 2. [eiser] heeft [Xx] een factuur gezonden tot bovengenoemd bedrag, gedateerd 31 januari 2005. [de heer M.W.] heeft daarop op 24 juni 2005 een deelbetaling van € 1.100,00 per kas gedaan. Aldus resteerde nog € 3.134,45. 3. Gedurende de hele bovenbedoelde periode was [gedaagde] de eigenaar van de onderneming en stond als zodanig ook bij de Kamer van Koophandel ingeschreven tot 26 september 2005, op welk moment de onderneming is opgeheven. [de heer M.W.] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie gehad die op enig moment in 2004 is geëindigd, [gedaagde] is daarop naar het buitenland vertrokken en heeft geen bemoeienis meer gehad met de onderneming. Het geschil 4. [eiser] houdt [gedaagde] aansprakelijk voor de betaling van (het restant van) zijn nota, stellende dat [de heer M.W.] namens de onderneming de betreffende opdracht heeft gegeven en dat hij ervan mocht uitgaan dat hij daartoe bevoegd was. [gedaagde] acht zich niet aansprakelijk; zij stelt dat zij niet wist, laat staan heeft goedgevonden dat [de heer M.W.] de betreffende overeenkomst sloot. De beoordeling 5. [eiser] heeft op zichzelf niet betwist dat [de heer M.W.] zonder toestemming van [gedaagde] heeft gehandeld, maar stelt, zo begrijpt de kantonrechter, dat hij ervan uit mocht gaan dat [de heer M.W.] wel bevoegd was, zodat [gedaagde] niettemin gebonden is. De kantonrechter stelt voorop dat niet van belang is of [de heer M.W.] zelf de schijn van bevoegdheid heeft opgewekt, maar of [gedaagde] dat heeft gedaan door verklaring(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.