RECHTBANK ALKMAAR Sector Kanton Locatie Den Helder Zaaknr/repnr.: 239747 \ EJ VERZ 07-576 \RvK Uitspraakdatum: 20 september 2007 Beschikking op verzoek tot herroeping (ex art. 382 juncto 390 Rv) in de zaak van: [verzoeker], wonende te Den Helder, verzoekende partij verder ook te noemen: [werknemer] gemachtigde: mr. J.G. Schmidt, advocaat te Schagen tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [werkgeefster], gevestigd te Amsterdam en [de maatschap van werkgeefster], gevestigd te Amsterdam, mede kantoorhoudend te Den Helder verwerende partijen verder ook te noemen: [werkgeefster] en [de maatschap van werkgeefster] gemachtigde: mr. drs. F.C. Boel, advocaat te Hilversum Het procesverloop [werknemer] heeft op 16 mei 2007 een verzoekschrift ingediend, onder overlegging van producties, strekkende tot herroeping van de op 27 februari 2007 tussen partijen uitgesproken beschikking ex art. 7:685 BW. Daar hebben [werkgeefster] en [de maatschap van werkgeefster] bij verweerschrift op gereageerd. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2007, alwaar zijn verschenen [werknemer], [werkgeefster] en [de maatschap van werkgeefster], vertegenwoordigd door [mevrouw G.], partijen werden bijgestaan door hun gemachtigden. Beide gemachtigden hebben, mr. Schmidt aan de hand van pleitaantekeningen, hun standpunten nader toegelicht. Ter zitting heeft [werknemer] het verzoek voor zover het betrekking heeft op [de maatschap werkgeefster] ingetrokken. De inhoud van deze processtukken geldt als hier ingelast. Na de behandeling is uitspraak bepaald. De uitgangspunten 1. [werknemer], geboren [in] 1952 is vanaf 1 oktober 2001 krachtens arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij [de maatschap van werkgeefster]. In november 2006 heeft [werkgeefster] de activiteiten van [de maatschap van werkgeefster] overgenomen, zodat [werknemer] na dat moment in dienst was bij [werkgeefster], laatstelijk in de functie van zelfstandig assistent accountant. 2. [de maatschap van werkgeefster] heeft op 30 december 205 bij de kantonrechter te Den Helder een verzoekschrift ingediend strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [werknemer]. Bij beschikking van 23 maart 2006 is dit verzoek afgewezen. 3. Bij beschikking d.d. 27 februari 2007 van de kantonrechter Alkmaar is de arbeidsovereenkomst tussen [werknemer] en [werkgeefster] ontbonden per 15 maart 2007 onder toekenning van een vergoeding van € 30.000,- bruto ten laste van [werkgeefster] aan [werknemer]. Deze beschikking zal nader worden aangeduid als de ontbindingsbeschikking. 4. De Commissie Gelijke Behandeling, nader aan te duiden als CGB, sprak op 23 februari 2007 - naar aanleiding van een klacht van [werknemer] - als oordeel uit dat [werkgeefster]: - jegens [werknemer] bij het voornemen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van leeftijd; - in strijd heeft gehandeld met de WGLB door de klacht dienaangaande niet zorgvuldig te behandelen; - niet in strijd heeft gehandeld met het verbod van victimisatie. Het geschil 5. [werknemer] verzoekt de ontbindingsbeschikking te herroepen. [werknemer] stelt dat [werkgeefster] in de procedure die leidde tot de ontbinding bedrog heeft gepleegd, hetgeen [werknemer] pas later is gebleken. Door het oordeel van de CGB staat volgens [werknemer] rechtens het bedrog van [werkgeefster] vast. 6. [werknemer] stelt als tweede grond voor zijn verzoek tot herroeping dat door opzettelijk toedoen van [werkgeefster] stukken van beslissende aard zijn achtergehouden, althans niet tijdig onder de aandacht van de kantonrechter gebracht. [werkgeefster] heeft namelijk expliciet bezwaar gemaakt tegen de spoedbehandeling van de klacht van [werknemer] door de CGB, met geen ander doel dan het voorkomen dat een eventueel nadelig oordeel van die commissie nog ingebracht zou kunnen worden in de ontbindingsprocedure. 7. [werkgeefster] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, op welk verweer - voor zover van belang - bij de beoordeling van het geschil zal worden ingegaan. De beoordeling 8. De kantonrechter stelt als eerste vast dat het verzoek jegens [de maatschap van werkgeefster] als ingetrokken kan worden beschouwd. Voor zover het verzoek is gericht tegen [werkgeefster] overweegt hij als volgt. 9. Ingevolge de artikelen 390 en 382 Rv kan de ontbindingsbeschikking worden herroepen indien, voor zover hier van belang, (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.