RECHTBANK ALKMAAR Sector straf Parketnummer : 14.810117-09 (P) Datum uitspraak : 28 oktober 2009 VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het OPENBAAR MINISTERIE tegen: [Naam verdachte], geboren te [woonplaats] op [geboortedatum], thans gedetineerd in PI Noord-Holland Noord – HvB Zwaag. 1. Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 en 14 oktober 2009. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen, en door de verdachte naar voren is gebracht. 2. De tenlastelegging Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie ex artikel 314a jo 313 van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten, ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 19 maart 2009 te [woonplaats], in de gemeente Harenkarspel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (onder andere) (een set) autosleutels en/of een halsketting en/of een of meerdere geldbedrag(
(415025). De serienummers bleken ontvreemd gesignaleerd te staan in Duitsland. Politieambtenaar [politieagent 3] heeft verklaard dat hij tijdens de achtervolging in Beverwijk gericht op de verdachte [verdachte 6] heeft geschoten. Voorts heeft hij verklaard bij verdachte [verdachte 6] een vuurwapen in zijn linkerhand te hebben gezien. Een zwartkleurig pistool. Volgens zijn verklaring heeft hij de man geraakt, waarbij de man tegelijkertijd het vuurwapen liet vallen. Het wapen kwam volgens [politieagent 3] een paar meter voorbij de man op het fietspad terecht (pagina 338). Uit het procesverbaal technisch onderzoek (pagina 485) blijkt dat dit pistool een vuurwapen is in de zin van artikel 1, lid 1, onder 3e, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie. Het pistool van het merk Smith & Wesson werkte naar behoren en was technisch in goede staat. Onder verdachte [verdachte 6] is in beslag genomen een wapen merk BBM 315 automatisch alarm 8 mm knal, zonder patroon houder (pagina 2531). Blijkens het proces-verbaal wapentechnisch onderzoek van 5 mei 2009 (pagina 459) betreft het een pistool, merk BBM (Bruni), model .315 Auto, kaliber 8 millimeter/.315 knal/gas en is door het vervangen van de loop dit pistool geschikt gemaakt voor het verschieten van scherpe patronen. Het vuurwapen valt onder categorie III, sub 1 van artikel 2 lid 1 van de Wet wapens en munitie. In de Golf zijn aangetroffen een wapen cal 4.5 mm zwart RWS model C225 en een vuurwapen zwart no [nummer] (pagina 2532). De Golf en genoemde voorwerpen zijn in beslag genomen onder verdachte [verdachte 2] (pagina 2537). Het wapen cal 4.5 mm RWS model C225 is blijkens het proces-verbaal wapentechnisch onderzoek van 5 mei 2009 (pagina 462) een voorwerp dat geschikt/bestemd is om projectielen door een loop af te schieten en is een wapen in de zin van de wet wapens en munitie. Het betreft een metalen gasdrukpistool dat gelijkenis vertoont met een echt wapen en valt onder categorie I sub 7 van de Wet wapens en munitie. Het wapen no 06L10537 is blijkens het proces-verbaal wapentechnisch onderzoek van 5 mei 2009 (pagina 465) een wapen (gasdrukpistool) van een onbekend merk “Made in Taiwan”in de zin van de wet wapens en munitie en vertoont sprekende gelijkenis met een echt vuurwapen. Het valt onder categorie I sub 7 van artikel 2 lid 1 van de Wet wapens en munitie Aangetroffen goederen In genoemde Golf werden onder meer de volgende goederen aangetroffen. Een grijze kluis, een zwarte sporttas met daarin onder andere een X box en een Wii spelcomputer en een laptoptas met daarin een laptop (pagina 2675 e.v.) [slachtoffer 1] heeft een aan haar getoonde Wii spelcomputer, X box en laptoptas met de laptop herkend als zijnde de goederen die haar toebehoren en zijn gestolen bij de overval op haar woning op 19 maart 2009 (pagina 142-143). Blijkens een proces-verbaal van bevindingen betreffende tonen foto’s aangeefster [slachtoffer 1] (pagina 145-146), in samenhang met de kennisgeving van inbeslagneming (pagina 2686-2687) betreft het hier de goederen die in de Golf zijn aangetroffen. Bij de aanhouding van verdachte werd door verbalisanten naast zijn hoofd een zilver zwart horloge aangetroffen van het merk Konrad (pagina 263). Dit horloge is door aangeefster [slachtoffer 1] herkend als zijnde het horloge van haar zoon [slachtoffer 4] [slachtoffer 1] dat was gestolen tijdens de overval op de woning aan het [adres1] te [woonplaats] (pagina’s 143 en 146). In de achterzak van de broek van medeverdachte [verdachte 2] is een goudkleurige hanger in de vorm van een goudkleurige panter met daarin een rood oog aangetroffen en inbeslaggenomen (pagina 665). Beide goederen zijn door verbalisanten aan aangeefster [slachtoffer 1] en aan [slachtoffer 4] [slachtoffer 1] getoond (pagina 670) en door hen herkend (pagina 157 respectievelijk pagina 173) als zijnde het eigendom van [slachtoffer 4] [slachtoffer 1], welke waren weggenomen tijdens de overval op de woning aan het [adres1] te [woonplaats]. Forensisch technische onderzoek naar bij de overval aangetroffen schoensporen Naar aanleiding van de overval op de woning aan het [adres 1] te [woonplaats] op 19 maart 2009 is diezelfde dag op plaats delict forensisch technisch onderzoek verricht. Tijdens dit onderzoek zijn onder meer twee verschillende schoensporen aangetroffen. De afdeling Forensische Opsporing van de politie Noord-Holland Noord heeft de schoenen van de aangehouden verdachten nader onderzocht en vergeleken met de op de plaats delict aangetroffen schoensporen. Uit dit onderzoek is komen vast te staan dat de profielen van de schoenen van medeverdachten [verdachte 6] (rechterschoen) en [verdachte 4] (linkerschoen) overeenkomen met twee schoensporen die zijn aangetroffen in de linker slaapkamer (gezien vanuit de toegangsdeur) van de genoemde woning (pagina 445-448). B. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. C. Het standpunt van de verdachte, de verdediging Verdachte heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht. De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte zich in de vluchtauto bevond en is gevlucht, maar dat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte in de woning is geweest waar de overval heeft plaatsgevonden. De enige die heeft verklaard over de rol van verdachte is medeverdachte [verdachte 5]. De verdediging stelt zich op het standpunt dat deze verklaring niet voor het bewijs kan worden gebruikt omdat hij onduidelijk is over zijn eigen rol, waardoor zijn verklaring onbetrouwbaar is. D. Beoordeling van de tenlastelegging De verklaringen van de verdachten Van de zes verdachten heeft slechts één van hen, te weten [verdachte 5], een verklaring afgelegd over de wijze waarop de overval is voorbereid en uitgevoerd. Meer in het bijzonder heeft hij daarbij aandacht besteed aan de verschillende rollen die hij en zijn medeverdachten daarbij hebben gespeeld. Met de verdediging en anders dan de officier van justitie acht de rechtbank zijn verklaring op onderdelen – met name ten aanzien van zijn eigen rol en de rol die zijn medeverdachten hebben gespeeld – niet voldoende betrouwbaar en zal daarom zijn verklaring bij de bewezenverklaring buiten beschouwing laten. Daarnaast zal de rechtbank, om dezelfde reden, ook de eigen verklaringen van de verdachten buiten beschouwing laten. Algemeen Nu geen van de verdachten openheid van zaken heeft gegeven en de rechtbank de verklaring van (mede)verdachte [verdachte 5] buiten beschouwing laat, gaat de rechtbank uit van de hierboven aangehaalde verklaringen van de aangevers en waarnemingen van politieambtenaren zoals neergelegd in genoemde processen-verbaal van bevindingen. Op basis van deze bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de overval aan het [adres 1] te [woonplaats] op 19 maart 2009 heeft plaatsgevonden rond 21.00 uur. Naar aanleiding van de 112-melding van de slachtoffers dat er een overval heeft plaatsgevonden door vijf of zes Marokkanen, wordt de Volkswagen Golf waarin de mogelijke daders van de overval zijn gevlucht door politieambtenaren gesignaleerd rond 21.45 uur. Vervolgens zijn de verdachten na een achtervolging, waarbij verschillende politiekorpsen betrokken zijn geweest, rond 22.15 uur aangehouden in Beverwijk. Gelet op - het korte tijdsverloop tussen de overval (waarbij wordt gemeld dat deze is gepleegd door vijf of zes Marokkanen) en de aanhouding van zes verdachten van Marokkaanse afkomst, en - het aantreffen van twee wapens alsmede de bij de overval gestolen kluis met inhoud, laptop, x-box en Wii in de Volkswagen Golf waarin de verdachten zijn aangehouden, en - het aantreffen van de bij de overval weggenomen goudkleurige hanger in de vorm van een panter bij medeverdachte [verdachte 2] en - het bij de aanhouding van medeverdachte [verdachte 1], in diens nabijheid aantreffen van het bij de overval gestolen horloge van het merk Konrad en - het feit dat door middel van forensisch technisch onderzoek is komen vast te staan dat twee van de in de woning waar de overval heeft plaatsgevonden aangetroffen schoensporen afkomstig zijn van medeverdachten [verdachte 6] en [verdachte 4], is de rechtbank van oordeel dat de tenlastelegging, een en ander zoals hieronder weergegeven in de bewezenverklaring, wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard. Medeplegen Aangevers verklaren afwisselend over de aanwezigheid van vijf of zes daders. Ook voor de rechtbank is niet vast te stellen of alle zes de verdachten in de woning zijn geweest, in welke volgorde dat heeft plaatsgevonden en wat de rol is geweest die elk van de verdachte afzonderlijk binnen dan wel buiten de woning, dan wel voorafgaand aan de overval, heeft gespeeld. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank echter wel vast dat de zes - op 19 maart 2009, vlak na de overval - aangehouden verdachten gezamenlijk naar [woonplaats] zijn gegaan en dat het aan ieder van de zes verdachten op enig moment vóórdat de overval plaatsvond duidelijk is geweest dat er een overval gepleegd zou worden én dat daarbij in ieder geval twee wapens in het spel waren. De rechtbank acht daarbij van belang dat geen van de verdachten zich voor of tijdens de gebeurtenissen van de overval heeft gedistantieerd, hoewel zij daarvoor ruim voldoende gelegenheid hebben gehad. Uit het feit dat vier van de aangehouden verdachten op 15 (dan wel 16) maart 2009 in genoemde Volkswagen Golf zijn gesignaleerd en die auto vervolgens op de ochtend van de dag waarop de overval heeft plaatsgevonden in [woonplaats] is gesignaleerd, leidt de rechtbank af dat de verdachten gezamenlijk de overval hebben gepland en uitgevoerd. Gelet op het voorgaande, houdt de rechtbank alle zes verdachten in gelijke mate verantwoordelijk voor zowel de bedreiging met geweld, als het geweld dat bij de overval is gebruikt. Het is immers voor het aannemen van medeplegen, dat een nauwe en bewuste samenwerking tussen de daders veronderstelt, niet nodig dat alle medeplegers de betreffende uitvoeringshandelingen mede verrichten. Gelet op de hiervoor omschreven feitelijke gang van zaken kan het naar het oordeel van de rechtbank bovendien niet anders zijn dan dat de samenwerking intensief is geweest. F. Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 19 maart 2009 te [woonplaats], in de gemeente Harenkarspel, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kluis met inhoud en een laptop en spelcomputers (Wii en X-box), toebehorende aan mevrouw [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld • [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van geld, toebehorende aan [slachtoffer 1] en • [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een halsketting en een horloge, toebehorende aan [slachtoffer 4], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededaders naar de woning (woonwagen) van deze [slachtoffer 1] zijn toegegaan en verdachte en/of zijn mededaders deze woning hebben betreden en - vervolgens hebben hij, verdachte, en/of (een of meerdere van) zijn mededaders wapens gepakt en getoond en getoond gehouden aan en gericht en gericht gehouden op de aldaar aanwezige [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of (de geestelijk gehandicapte) [slachtoffer 3] en/of (de 15-jarige) [slachtoffer 4] en een wapen (voor hen) zichtbaar doorgeladen en/of - daarbij tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 4] geschreeuwd dat zij op de grond moesten gaan liggen en: "Waar is je man." en "Goud. Geld geef het!" en "Dit is een overval." en "Ik schiet je kop eraf. Niet gillen. Niet schreeuwen. Mond houden." en "We schieten." en - heeft hij, verdachte, en/of (één of meerdere van) zijn mededaders die [slachtoffer 3] op/tegen de borst geslagen en/of hard geduwd en tegen hem geschreeuwd dat hij zijn bek moest houden en dat hij zou worden geslagen en - heeft hij, verdachte, of één van zijn mededaders met een mes in de handen de voordeur van die woning bewaakt en de voordeur op slot gedraaid en - heeft/hebben hij, verdachte, en/of (één of meerdere van) zijn mededaders die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 4] en die [slachtoffer 3] (onder bedreiging van een wapen) gedwongen naar de badkamer te gaan, waarna hij, verdachte, en/of (één of meerdere van) zijn mededaders de polsen van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 4] met tie-rips hebben vastgebonden en daarna die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 4] aan elkaar hebben vastgebonden en - heeft hij, verdachte, of één van zijn mededaders die [slachtoffer 2] met een wapen, althans een hard voorwerp, tegen het hoofd en in het gezicht geslagen en - nadat hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededaders met die [slachtoffer 2] naar haar naastgelegen woning waren geweest om te bezien of daar geld en/of goederen van hun gading konden worden weggenomen, is die [slachtoffer 2] eveneens (onder bedreiging van een wapen) gedwongen om naar de badkamer in de woning van [slachtoffer 1] te gaan, alwaar hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededaders de polsen van die [slachtoffer 2] met tape heeft/hebben vastgebonden.
- De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert op: Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
- De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.
- De strafoplegging De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met het jeugdige karakter van verdachte, het feit dat er in zijn ogen geen bewijs is voor een actieve opstelling van verdachte alsmede de blijvend fysieke schade die verdachte heeft opgelopen bij zijn aanhouding. De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen: Verdachte heeft zich, samen met vijf anderen, schuldig gemaakt aan een gewapende overval op de woning van een familie. Aangeefster bevond zich ‘s avonds in haar woning, waar op dat moment ook haar 65-jarige moeder, haar 15 jarige zoon en haar geestelijk gehandicapte zoon aanwezig waren. Plotseling werden zij geconfronteerd met een zestal jonge mannen en bedreigd met wapens. De overvallers hebben door gebruikmaking van grof geweld en onder uiting van ernstige bedreigingen een aantal goederen gestolen en hen gedwongen tot afgifte van geld, een horloge en een halsketting. De rechtbank heeft geen inzicht kunnen krijgen in het exacte aandeel van verdachte bij deze overval. De rechtbank beoordeelt daarom, mede ook gelet op hetgeen bij de bewijsmotivering ten aanzien van het aspect medeplegen is overwogen, de rol van ieder van de zes betrokken verdachten als in beginsel gelijkelijk strafwaardig. De rechtbank is van oordeel dat bij de bepaling van de strafmaat geen rekening behoort te worden gehouden met het letsel dat verdachte heeft opgelopen bij zijn aanhouding. Weliswaar is dat letstel te betreuren, maar het is aan verdachte zelf te wijten dat hij dit letstel heeft opgelopen, zodat dit niet zal leiden tot strafvermindering. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij uit puur materiële overwegingen heeft gehandeld en volstrekt niet heeft stil gestaan bij de angst die hij, samen met zijn mededaders, teweeg heeft gebracht bij de slachtoffers van de overval. Voor de slachtoffers is een dergelijke ervaring - in hun woning - op het moment zelf vreesaanjagend en, zoals blijkt uit de ter zitting door de raadsvrouw van de slachtoffers gegeven toelichting, gedurende een langere periode nadien traumatisch. Uit de aangiftes en de toelichting op de vorderingen van de benadeelde partijen blijkt dat de slachtoffers doodsangst hebben gevoeld tijdens de confrontatie met de overvallers en bang waren dat ook de aanwezige familieleden het leven zouden laten. Alle slachtoffers hebben te kampen met psychische gevolgen, zoals slapeloosheid, gevoelens van onveiligheid, verlies van vertrouwen in medemensen en/of gevoelens van woede. Bovendien is de rechtsorde door dit feit ernstig geschokt. Een dergelijk feit rechtvaardigt dan ook oplegging van een gevangenisstraf van een aanzienlijke duur. Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 20 maart 2009, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder ter zake van geweldsdelicten is veroordeeld. Deze veroordelingen hebben verdachte er niet van kunnen weerhouden in herhaling te vervallen. De rechtbank heeft in het bijzonder meegewogen dat verdachte nog geen vier weken voor het bewezen verklaarde feit was vrijgekomen na een jeugddetentie van, in totaal, 18 maanden die hem was opgelegd voor onder meer diefstal met geweld. De rechtbank heeft tevens de jeugdige leeftijd van verdachte meegewogen. Uit het dossier blijkt dat er geen reclasseringsrapportage over verdachte is uitgebracht omdat verdachte heeft geweigerd met de reclassering te spreken. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit het oogpunt van vergelding een langdurige gevangenisstraf de enige passende sanctie is. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
- Vordering van de benadeelde partijen 8.1 Namens de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende aan het [adres1] [woonplaats], heeft de gemachtigde mr. G. van Dijk, advocaat, vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 63,65 wegens materiële schade en een vergoeding wegens immateriële schade waarvan in deze procedure een bedrag van € 7.500,- wordt gevraagd. Uit onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij voor zover deze ziet op de geleden materiële schade van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Deze post bestaat uit medicatie die niet door de ziektekostenverzekering wordt vergoed. Nu deze kosten niet zijn betwist, kunnen deze kosten worden toegewezen zoals verzocht. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat deze vordering tot een bedrag van € 5000,- van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor toewijzing bij de behandeling van de strafzaak. Voor het overige gedeelte van de schade zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan de vordering voor het bedrag aan immateriële schade dat het bedrag van € 5000,- overstijgt desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Gelet op het voorgaande is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek bewezenverklaring bewezen verklaarde strafbare feit door de handelingen van de verdachte -ook al zijn andere daders daarbij betrokken- rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van in totaal (€ 63,65 + € 5000,- =) € 5.063,65, zodat de vordering tot dat bedrag kan worden toegewezen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente over de toegewezen immateriële schadevergoeding van € 5.000,- vanaf het moment van het ontstaan van de schade, zijnde 19 maart
- 8.2 Namens de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende aan het [adres 2] [woonplaats], heeft de gemachtigde mr. G. van Dijk, advocaat, vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 46,50 wegens materiële schade en een vergoeding wegens immateriële schade, waarvan in deze procedure een bedrag van € 7.500,- wordt gevraagd. Uit onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij voor zover deze ziet op de geleden materiële schade van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Deze post bestaat uit medicatie die niet door de ziektekostenverzekering wordt vergoed. Nu deze kosten niet zijn betwist, kunnen deze kosten worden toegewezen zoals verzocht. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat deze vordering tot een bedrag van € 5000,- van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor toewijzing bij de behandeling van de strafzaak. Voor het overige gedeelte van de vordering zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan de vordering voor het bedrag aan immateriële schade dat het bedrag van € 5000,- overstijgt desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Gelet op het voorgaande is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek bewezenverklaring bewezen verklaarde strafbare feit door de handelingen van de verdachte -ook al zijn andere daders daarbij betrokken- rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van in totaal (€ 46,50 + € 5000,- =) € 5.046,50, zodat de vordering tot dat bedrag kan worden toegewezen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente over de toegewezen immateriële schadevergoeding van € 5.000,- vanaf het moment van het ontstaan van de schade, zijnde 19 maart
- 8.3 Namens de benadeelde partij [slachtoffer 4], wonende aan het [adres 1] [woonplaats], heeft de gemachtigde mr. G. van Dijk, advocaat, vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding wegens immateriële schade waarvan in deze procedure een bedrag van € 7.500,- wordt gevraagd. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van € 5000,- van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor toewijzing bij de behandeling van de strafzaak. Voor het overige gedeelte van de vordering zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan de vordering voor het bedrag aan immateriële schade dat het bedrag van € 5000,- overstijgt desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Gelet op het voorgaande is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek bewezenverklaring bewezen verklaarde strafbare feit door de handelingen van de verdachte -ook al zijn andere daders daarbij betrokken- rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van in totaal € 5000,-, zodat de vordering tot dat bedrag kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, zijnde 19 maart
- 8.4 Namens de benadeelde partij [slachtoffer 3], wonende aan het [adres 1] [woonplaats], heeft de gemachtigde mr. G. van Dijk, advocaat, vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding vergoeding wegens immateriële schade waarvan in deze procedure een bedrag van € 7.500,- wordt gevraagd. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van € 5000,- van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor toewijzing bij de behandeling van de strafzaak. Voor het overige gedeelte van de vordering zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan de vordering voor het bedrag aan immateriële schade dat het bedrag van € 5000,- overstijgt desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Gelet op het voorgaande is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek bewezenverklaring bewezen verklaarde strafbare feit door de handelingen van de verdachte -ook al zijn andere daders daarbij betrokken- rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van in totaal € 5000,-, zodat de vordering tot dat bedrag kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, zijnde 19 maart
- Schadevergoeding als maatregel De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregelen besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens het slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht aan de benadeelden. De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van het verschuldigde bedrag, heft de opgelegde verplichting niet op.
- Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 57, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
- Beslissing I Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders tenlaste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feit. Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar. II Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 5 (vijf) jaren. Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht. III Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot het hierna te noemen bedrag. Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 5.063,65 (vijfduizend en drieënzestig euro en vijfenzestig eurocent) als schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente over de toegewezen immateriële schadevergoeding van € 5.000,- vanaf het moment van het ontstaan van de schade, zijnde 19 maart
- Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken. De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil. Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededaders zijn voldaan. Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk. IV Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd partij [slachtoffer 1], wonende aan het [adres 1] [woonplaats], te betalen een som geld ten bedrage van € 5.063,65 (vijfduizend en drieënzestig euro en vijfenzestig), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 (tien) dagen. V Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot het hierna te noemen bedrag. Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 5.046,50 (vijfduizend en zesenveertig euro en vijftig eurocent) als schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente over de toegewezen immateriële schadevergoeding van € 5.000,- vanaf het moment van het ontstaan van de schade, zijnde 19 maart
- Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken. De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil. Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededaders zijn voldaan. Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk. VI Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd partij [slachtoffer 2], wonende aan het [adres 2] [woonplaats], te betalen een som geld ten bedrage van € 5.046,50 (vijfduizend en zesenveertig euro en vijftig eurocent), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 (tien) dagen. VIIWijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] tot het hierna te noemen bedrag. Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 5.000,- (vijfduizend euro) als schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, zijnde 19 maart
- Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken. De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil. Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededaders zijn voldaan. Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk. VIIILegt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd partij [slachtoffer 4], wonende aan het [adres 1] [woonplaats], te betalen een som geld ten bedrage van € 5.000,- (vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 (tien) dagen. IXWijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] tot het hierna te noemen bedrag. Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 5.000,- (vijfduizend euro) als schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, zijnde 19 maart
- Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken. De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil. Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededaders zijn voldaan. Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk. X Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd partij [slachtoffer 3], wonende aan het [adres 1] [woonplaats], te betalen een som geld ten bedrage van € 5.000,- (vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 (tien) dagen. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Lolkema, voorzitter, mr. M.E. Francke en mr. E.M. Devis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. de Graag, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 oktober 2009.