RECHTBANK ALKMAAR Sector straf Parketnummer : 14.810352-08 O Datum uitspraak : 21 april 2010 (bij vervroeging) VONNIS ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het OPENBAAR MINISTERIE tegen: [veroordeelde], geboren te [geboorteplaats en geboortedatum], wonende [adres en woonplaats] thans gedetineerd in PI Noord-Holland Noord, HvB Schutterswei te Alkmaar, verder te noemen: betrokkene. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terecht¬zitting van 9 april
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie en van hetgeen door betrokkene en door mr. J.A. van der Lem, raadsvrouw van betrokkene, naar voren is gebracht. Tevens heeft de rechtbank in aanmerking genomen het heden uitgesproken vonnis van deze rechtbank met hetzelfde parketnummer, waarbij betrokkene tot straf is veroordeeld wegens oplichting, meermalen gepleegd (feiten 1 primair, 3 en 5). Tenslotte heeft de rechtbank kennisgenomen van de op de vordering betrekking hebbende stukken, waaronder het in de wettelijke vorm opgemaakte Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel met nummer 1297/2008, opgemaakt en ondertekend op 28 oktober 2008 door verbalisant [verbalisant].
- De vordering De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 14 januari 2010 gesteld dat betrokkene voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het hiervoor onder 1 genoemde feit. De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, vierde lid van het Wetboek van Strafrecht zal vaststellen op € 705.450,- en aan betrokkene de verplichting zal opleggen tot betaling van dat bedrag aan de Staat.
- Standpunten Op de terechtzitting van 9 april 2010 heeft de officier van justitie een andere berekeningswijze toegepast dan die welke aan bovengenoemd rapport ten grondslag ligt. Het te ontnemen bedrag is door de officier van justitie enerzijds verlaagd door een aantal eerder gehanteerde posten niet meer mee te nemen in de berekening, en anderzijds verhoogd door het wederrechtelijk verkregen voordeel uit andere in genoemd vonnis bewezen verklaarde feiten – de oplichting van [slachtoffer 3] en van de heer [slachtoffer 5] (respectievelijk de feiten 3 en 5) – en tevens het onder 4 ten laste gelegde feit, de oplichting van mevrouw [slachtoffer 4], er bij op te tellen. Thans wordt gevorderd dat het te ontnemen bedrag wordt gesteld op € 651.350,-. De raadsvrouw heeft verzocht om het te ontnemen bedrag op nihil te stellen - kort gezegd - omdat betrokkene in staat van faillissement verkeert en omdat hij draagkracht ontbeert wegens zijn arbeidsongeschiktheid en zijn afhankelijkheid van een WAO-uitkering.
- Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel Gelet op de inhoud van voormeld vonnis, van het betrokken strafdossier en van voormeld rapport van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, stelt de rechtbank vast dat betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten door middel van de bewezen verklaarde feiten 1, 3 en 5, betreffende kort gezegd de oplichting van de in die feiten genoemde personen. Het door deze feiten wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 626.350,-. De rechtbank heeft betrokkene vrijgesproken van feit 4 (oplichting van mevrouw [slachtoffer 4]) zodat niet aannemelijk is geworden dat betrokkene voordeel heeft genoten uit dit feit.
- Vaststelling van de betalingsverplichting Op de terechtzitting is komen vast te staan dat betrokkene bij uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 30 maart 2010 failliet is verklaard. Het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel is de som van de in de strafzaak bewezen geachte schade die de benadeelden mevrouw [slachtoffer 1], mevrouw [slachtoffer 3] en de heer [slachtoffer 5] hebben geleden door het handelen van betrokkene. Deze benadeelde partijen zijn in de strafzaak niet-ontvankelijk verklaard; de benadeelden kunnen zich slechts melden bij de curator ter verificatie van hun vorderingen. Wel heeft de rechtbank in de strafzaak aan betrokkene de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht opgelegd tot een totaalbedrag van € 626.350,-. Aldus kunnen de benadeelde partijen – indien en voor zover verhaalsmogelijkheden aanwezig zullen blijken te zijn – schadeloos worden gesteld en daarmee kan tevens de rechtmatige toestand voor zover mogelijk worden hersteld. Gelet hierop, ziet de rechtbank aanleiding om het geldbedrag dat betrokkene aan de staat dient te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil te stellen. De verweren van de raadsvrouw behoeven in verband hiermee geen bespreking meer.
- Toegepaste wetsbepaling De te geven beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
- Beslissing De rechtbank: - stelt het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 626.350,- (zeshonderdzesentwintigduizend en driehonderdvijftig euro); - stelt het bedrag dat betrokkene verplicht is aan de Staat te betalen vast op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.B. Littooy, voorzitter, mr. N.O.P. Roché en mr. G.D.M. Hoedemaker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Huisman, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 april 2010.