Rechtbank Alkmaar – ECLI:NL:RBALK:2010:BM5010
RECHTBANK ALKMAAR Sector Bestuursrecht Zaaknummer: 08/2576 WW44 Uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak van: [naam], wonende te [plaatsnaam], eiseres, tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen, verweerder.
Aan het geding neemt tevens deel E.C. Mooij, vergunninghouder.
Ontstaan en loop van de zaak Op 31 januari 2008, ontvangen bij verweerder op 1 februari 2008, heeft E.C. Mooij verweerder verzocht om afgifte van een lichte bouwvergunning voor het geheel plaatsen van een aanbouw aan de achterzijde van de woning aan de [adres] [nummer] te [plaatsnaam], kadastraal bekend als gemeente [plaatsnaam], [sectie X], nummer [XXXX].
Bij besluit van 12 maart 2008, verzonder 20 maart 2008, heeft verweerder de gevraagde bouwvergunning verleend.
Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 22 juli 2008, verzonden 11 augustus 2008, gegrond verklaard. Het besluit van 12 maart 2008 is daarbij herroepen en verweerder heeft (alsnog) een procedure gestart tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Bij brief van 25 augustus 2008 heeft eiseres gereageerd. Verweerder heeft de brief aan de rechtbank doorgestuurd ter behandeling als beroepschrift.
Bij besluit van 14 april 2009, verzonden 7 mei 2009, heeft verweerder, onder verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO, bouwvergunning verleend aan E.C. Mooij.
De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting van 4 februari 2010, waar eiseres is verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigden mr. P.J.M. Hink en S.B. Punt. Verder is vergunninghouder ter zitting vertegenwoordigd door zijn echtgenote.
Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.
Motivering 1. Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. De aanvraag om bouwvergunning is ingediend vóór die datum, zodat ingevolge het van toepassing zijnde overgangsrecht de bepalingen van de WRO nog van toepassing zijn.
Bij besluit van 14 april 2009 is (alsnog) bouwvergunning onder vrijstelling verleend en daarmee is verweerders besluitvorming voltooid. De als beroepschrift door verweerder doorgestuurde brief wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, geacht mede te zijn gericht tegen de onder vrijstelling verleende bouwvergunning.
Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ww, voor zover hier van belang, mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet deze worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.
Ingevolge artikel 44, derde lid, van de Ww is op de lichte bouwvergunning het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: a. onderdeel a van dat lid slechts van toepassing is voor zover de voorschriften die in dat onderdeel zijn bedoeld, betrekking hebben op constructieve veiligheid, en b. onderdeel b van dat lid slechts van toepassing is voor zover de voorschriften die in dat onderdeel zijn bedoeld, van stedenbouwkundige aard zijn.
Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht- bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb) wordt, behoudens in gevallen als bedoeld in artikel 4, als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de wet aangemerkt het bouwen van een op de grond staande aan- of uitbouw van één bouwlaag aan een bestaande woning of een bestaand woongebouw, die strekt tot vergroting van het woongenot, mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken:
1°. gebouwd aan:
Ingevolge artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bblb is een lichte bouwvergunning voorts vereist voor het bouwen van een in de aanhef van een geletterd onderdeel van artikel 2 bedoeld bouwwerk dat niet voldoet aan de in dat onderdeel gegeven kenmerken, met dien verstande dat van het bouwwerk, bedoeld in de aanhef van onderdeel a, de hoogte, gemeten vanaf het aansluitend terrein, minder is dan 5 m.
Ingevolge artikel 8, derde lid, onder c, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan “Paraplubepaling Erfregeling” geldt voor het bouwen ter plaatste waar bestaande zomerwoningen aanwezig zijn, in afwijking van het bepaalde onder b, dat het gezamenlijk grondoppervlak van bijgebouwen en aan- of uitbouwen ten hoogste 30% van het bij het eengezinshuis behorende zij- en achtererf (exclusief het grondoppervlak van de aanwezige zomerwoningen) mag bedragen met een maximum van 50 m2.
Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro) – voor zover hier van belang – komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.
Ingevolge artikel 5:64 van het BW brengt mandeligheid mede dat ieder mede-eigenaar aan de overige mede-eigenaars toegang tot de mandelige zaak moet geven.
Tussen partijen is niet in geschil dat de tuinmuur gemeenschappelijk eigendom is van vergunninghouder en eiseres en dat deze muur de grens vormt van hun twee erven. De rechtbank stelt dan ook vast dat de tuinmuur een mandelige muur betreft als bedoeld in artikel 5:62 van het BW. Opneming van een dergelijke muur in een bouwwerk is zonder toestemming van een mede-eigenaar, aan wie immers ingevolge artikel 5:64 van het BW toegang tot de mandelige zaak moet worden gegeven, niet toegelaten. Nu eiseres geen toestemming heeft verleend voor het opnemen van de tuinmuur in het bouwwerk en zij voorts te kennen heeft gegeven bezwaren te hebben tegen de verlening van een bouwvergunning en vrijstelling voor het bouwplan, is sprake van een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter die aan het verlenen van vrijstelling in de weg staat. Verweerder heeft dit miskend.
Beslissing De rechtbank
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. W.P. van der Haak, voorzitter, mr. drs. B. Veenman en mr. M.A.J. Berkers, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2010 te Alkmaar. griffier voorzitter Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden - in elk geval de eisende partij - en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.