RECHTBANK ALKMAAR Sector Kanton Locatie Hoorn Zaaknr/rolnr.: 340262 CV EXPL 10-3806 Uitspraakdatum: 28 maart 2011 Vonnis in de zaak van: [naam], wonende te [plaats], eisende partij in conventie / gedaagde partij in reconventie, verder ook te noemen: [eiser], gemachtigde: deurwaarder H.G.M. Bouwhuis te Hoorn, tegen [naam], wonende te [adres], gedaagde partij in conventie / eisende partij in reconventie, verder ook te noemen: [gedaagde], gemachtigde: mr. M.E. van Huet, advocaat te Amsterdam. Het procesverloop in conventie en in reconventie -[eiser] heeft bij dagvaarding van 2 augustus 2010 (met producties) in conventie een vordering ingesteld. -[gedaagde] heeft in conventie bij antwoord verweer gevoerd en in reconventie een tegenvordering ingesteld onder overlegging van producties. -De kantonrechter heeft op 4 oktober 2010 een tussenvonnis uitgesproken. -Naar aanleiding van dat tussenvonnis is er op 16 november 2010 een comparitie van partijen gehouden, in aanwezigheid van partijen en hun gemachtigden. Van deze comparitie heeft de griffier aantekeningen gemaakt. [eiser] en [gedaagde] hebben ter comparitie producties respectievelijk foto’s overgelegd. [eiser] heeft tevens pleitaantekeningen overgelegd. Na afloop van de comparitie is de zaak enige tijd aangehouden. -Vervolgens is er op 27 januari 2011 een comparitie ter plaatse gehouden op het [adres], in aanwezigheid van partijen en hun gemachtigden. Ook hiervan heeft de griffier aantekeningen gemaakt. -Ten slotte is heden uitspraak bepaald. -De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast. De vaststaande feiten in conventie en in reconventie 1.1Bij schriftelijke huurovereenkomst van januari 1994 heeft [gedaagde] van [naam] gehuurd de bedrijfsruimte gelegen aan [naam] (het gehuurde). Het gehuurde betreft (de begane grond van) een voormalige kerk. [gedaagde] drijft in het gehuurde een voor het publiek toegankelijke tapijthandel. Het gehuurde is in 1996 verkocht en geleverd aan [eiser]. [eiser] is uit dien hoofde verhuurder van het gehuurde. Op de huurovereenkomst zijn toepasselijk de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Bedrijfsruimte (AB). De huur bedroeg in 2009 een bedrag van € 2211,- inclusief btw per maand. In 2010 bedroeg de huur € 2.237,32 inclusief btw per maand. 1.2Aan de huurovereenkomst verbonden is een recht van eerste koop voor [gedaagde]. Bij brief d.d. 27 januari 2010 heeft [eiser] [gedaagde] in de gelegenheid gesteld het recht van eerste koop uit te oefenenen. Daarop heeft (de gemachtigde van) [gedaagde] bij brief d.d. 12 mei 2010 gereageerd. In die brief schrijft de gemachtigde van [gedaagde]: “… Cliente moet al jarenlang ervaren dat er geen enkel onderhoud wordt gepleegd aan het gehuurde. Het stucwerk laat overal los en er is sprake van aanzienlijke lekkages. Indertijd heeft u client aangeboden om de huur aanzienlijk te korten, maar daarvan is, zo begreep ik van client, niets terechtgekomen. … Ik moge u dan ook verzoeken om tot het treffen van onderhoud over te gaan. Zo neen, dan zal client zich tot de rechter wenden om met terugwerkende kracht een huurprijsvermindering tot stand te brengen. …” 1.3Vervolgens is tussen partijen gecorrespondeerd over het recht van koop en over een ontstane huurachterstand. Op 22 juni 2010 heeft ing. T.C.M. Wever van het bedrijf Energieregisseur in opdracht van [gedaagde] het gehuurde opgenomen en van zijn bevindingen een rapport opgesteld (hierna het rapport Energieregisseur). De geschillen in conventie en in reconventie 2.1[eiser] vordert in conventie, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van: -€ 17.688,- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2010 tot de dag van voldoening; -gereserveerde rente ad € 387,73; -de buitengerechtelijke incassokosten van € 3.157,31; -een bedrag van € 2.237,32 per maand vanaf 1 augustus 2010 tot de dag van ontruiming van het gehuurde; daarnaast vordert [eiser] de ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van [gedaagde] het gehuurde te ontruimen, kosten rechtens. 2.2[eiser] voert daartoe -zakelijk weergegeven- aan dat [gedaagde] in verzuim is met de betaling van de huurpenningen. De huurachterstand bedroeg tot 1 augustus 2010 een bedrag van € 22.110,-. Ook daarna heeft [gedaagde] geen huurbetalingen meer gedaan. De krachtens artikel 13.2 AB verschuldigde boete bedraagt € 113,45 per maand voor iedere verplichting waarmee [gedaagde] in verzuim is. 2.3[gedaagde] heeft het gevorderde gemotiveerd betwist en een vordering in reconventie ingesteld. Zakelijk weergegeven stelt [gedaagde] dat hij de huurbetaling vanaf oktober 2009 integraal heeft opgeschort wegens de gebrekkige staat waarin het gehuurde verkeert. Bij aanvang van de huurovereenkomst bevond het gehuurde zich in een redelijke staat, echter daarna hebben de eigenaren niets aan onderhoud gedaan. [gedaagde] heeft [eiser] hiervan op de hoogte gesteld en aanspraak gemaakt op huurvermindering. Partijen zijn vervolgens in onderhandeling geraakt en [gedaagde] heeft daarbij een rapport laten opstellen door de Energieregisseur. Uit dit rapport blijkt de gebrekkige staat van het gehuurde. [eiser] dient de gebreken te herstellen. Door de gebreken aan het gehuurde derft [gedaagde] tevens huurgenot. Het bedrag wegens gederfd huurgenot wordt voorlopig begroot op € 25.000,-. 2.4[gedaagde] vordert in reconventie, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [eiser] tot, kort gezegd, herstel van de gebreken op straffe van een dwangsom, alsmede tot betaling van een in goede justitie te bepalen bedrag wegens gederfd huurgenot, voorlopig te begroten op € 25.000,-, alsmede te bepalen dat, zolang de genoemde werkzaamheden niet zijn verricht, de thans geldende huurprijs wordt verminderd met een bedrag van € 1.000,- per maand, kosten rechtens. 2.5[eiser] heeft het door [gedaagde] gevorderde betwist. De beoordeling van de geschillen in conventie en in reconventie 3.1Niet in geschil is dat [gedaagde] de overeengekomen huurprijs niet heeft betaald. Hij beroept zich op verrekening. Tevens vordert [gedaagde] een bedrag wegens gederfd huurgenot. Ter comparitie is gebleken dat de grondslag hiervoor “huurvermindering”is. De kantonrechter begrijpt dit deel van het gevorderde dan ook als een vordering tot vaststelling van huurprijsvermindering over de periode voorafgaand aan de dagvaarding. Na de datum van dagvaarding vordert [gedaagde] vermindering van de huurprijs met een bedrag van € 1.000,- per maand. 3.2Over het wettelijk kader in deze zaak overweegt de kantonrechter dat artikel 7:204 BW een gebrek aan het gehuurde definieert als een “staat of eigenschap van een zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de huurovereenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort waarop de huurovereenkomst betrekking heeft.” Artikel 7:206 BW bepaalt dat de verhuurder verplicht is op verlangen van de huurder gebreken te verhelpen, tenzij dit onmogelijk is of uitgaven vereist die in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet van de verhuurder zijn te vergen. Deze verplichting geldt niet voor kleine herstellingen die de huurder krachtens artikel 7:217 BW zelf moet verrichten. Artikel 7:207 BW bepaalt dat de huurder in geval van vermindering van het huurgenot ten gevolge van een gebrek een daaraan evenredige vermindering van de huurprijs kan vorderen vanaf de dag dat hij van het gebrek behoorlijk kennis heeft gegeven aan de verhuurder of waarop het gebrek reeds in voldoende mate bekend was om tot maatregelen over te gaan, tot de dag waarop het gebrek is verholpen. 3.3[gedaagde] grondt de door hem gestelde gebreken op het rapport Energieregisseur d.d. 22 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.