beschikking RECHTBANK TE ALKMAAR Sector civiel recht SV/JR Zaaknummer / rekestnummer: 126984 / HA RK 11-18 Beschikking van 28 juli 2011 in de zaak van [VERZOEKER] wonende te [WOONPLAATS VERZOEKER], verzoeker bij verzoekschrift van 23 februari 2011, advocaat mr. H. Solstad te Capelle aan de IJssel, tegen 1. de naamloze vennootschap N.V. UNIVÉ SCHADE, kantoor houdende te Assen, verweerster, advocaat mr. G. Loman te Assen, 2. de stichting STICHTING WAARBORGFONDS MOTORVERKEER, gevestigd en kantoor houdende te Rijswijk, verweerster, advocaat mr. R. Gruben te Voorburg. Partijen zullen hierna genoemd worden [VERZOEKER], Univé en het Waarborgfonds. 1. De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift - het verweerschrift van de zijde van Univé - het verweerschrift van de zijde van het Waarborgfonds - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling. 2. De feiten 2.1 Op 11 april 2008 rond 5.00 uur heeft een eenzijdig verkeersongeval op de Schagerweg te Middenmeer (hierna: het ongeval) plaatsgevonden, waarbij [VERZOEKER] als inzittende van de door de [BESTUURDER] bestuurde auto betrokken was. Blijkens het daarover opgemaakte proces-verbaal is [BESTUURDER] in een bocht rechtdoor tegen een boom gereden. [BESTUURDER] kwam bij dit ongeval te overlijden. [VERZOEKER] raakte ernstig gewond. 2.2 De auto was eigendom van de [EIGENAAR AUTO], die vrijdag 11 april 2008 rond 7.00 uur aangifte van diefstal van de auto heeft gedaan alsmede van inbraak in zijn huis te Schagen. Uit de woning van [EIGENAAR AUTO[ zijn blijkens het proces-verbaal van aangifte diverse goederen weggenomen, waaronder de autosleutels van de auto en twee gsm's. 2.3 [EIGENAAR AUTO] had de auto tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij Univé. 2.4 Blijkens het proces-verbaal van het ongeval zijn in de kleding van [VERZOEKER] na het ongeval de twee van [EIGENAAR AUTO] gestolen gsm's aangetroffen. In de auto is na het ongeval tevens de sleutel van een andere gestolen auto aangetroffen. 2.5 Op het lichaam van [BESTUURDER] is een portemonnee met inhoud, toebehorend aan [EIGENAAR AUTO] aangetroffen. 2.6 In het Speciaal Reglement Personenautoverzekering PSA-2 van Univé is het volgende bepaald: " Artikel 11 Wat is niet verzekerd? 11.3 Diefstal en geweldpleging De aansprakelijkheid van hen die door diefstal of geweldpleging de macht over de auto hebben gekregen, en van hen die hiermee bekend zijn en de auto zonder geldige reden gebruiken." 2.7 Artikel 2 van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (hierna: WAM) luidt - voor zover hier relevant - als volgt: "1. Verzekeringsverplichting bezitter De bezitter van een motorrijtuig en degene aan wie het kenteken voor een motorrijtuig is opgegeven, zijn verplicht voor het motorrijtuig een verzekering te sluiten en in stand te houden welke aan de bij en krachtens deze wet gestelde bepalingen voldoet, indien dat motorrijtuig op een weg wordt geplaatst of daarmee op een weg wordt gereden, indien buiten een weg met dat motorrijtuig op een terrein aan het verkeer wordt deelgenomen of indien voor dat motorrijtuig een kentekenbewijs is afgegeven. 2. Verzekeringsverplichting houder In afwijking van het vorige lid rust de verplichting tot verzekering niet op de bezitter, maar op de houder die: a. het motorrijtuig op grond van een overeenkomst van huurkoop onder zich heeft, of b. het motorrijtuig in vruchtgebruik heeft, of c. anderszins het motorrijtuig, anders dan als bezitter, tot duurzaam gebruik onder zich heeft." 2.8 Artikel 3, lid 1, van de WAM luidt als volgt: "De verzekering moet tegen betaling van één enkele premie, gedurende de gehele looptijd van de verzekering, met inbegrip van de perioden waarin het motorrijtuig zich op het grondgebied van een andere lidstaat bevindt, dekken de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, waartoe het motorrijtuig in het verkeer aanleiding kan geven, van iedere bezitter, houder en bestuurder van het verzekerde motorrijtuig, alsmede van degenen die daarmede worden vervoerd, zulks met uitzondering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van hen die zich na het sluiten van de verzekering door diefstal of geweldpleging de macht over het motorrijtuig hebben verschaft en van hen die, dit wetende, dat motorrijtuig zonder geldige reden gebruiken". 2.9 Artikel 25 van de WAM bepaalt - voor zover hier relevant - het volgende: "1. Schadevergoedingsrecht tegen het fonds Een benadeelde kan, wanneer er een burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de door een motorrijtuig veroorzaakte schade (...) bestaat, een recht op schadevergoeding tegen het fonds geldend maken: a. wanneer niet kan worden vastgesteld wie de aansprakelijke persoon is, tenzij aannemelijk is, dat de benadeelde niet tot die vaststelling heeft gedaan, wat redelijkerwijs van hem kon worden verwacht; b. wanneer de verplichting tot verzekering niet is nagekomen; c. wanneer de schade voortvloeit uit een handelen of nalaten van degene die zich door diefstal of geweldpleging de macht over het motorrijtuig heeft verschaft of van hem die, dit wetende, dat motorrijtuig zonder geldige reden gebruikt, en de verzekeraar, de Staat, of degene, die krachtens artikel 18 is vrijgesteld van de verzekeringsplicht deswege niet aansprakelijk is; d. in geval van onvermogen van de verzekeraar; e. wanneer op grond van een vrijstelling krachtens de arikelen 17, derde lid, of 18 een verzekering niet is afgesloten; 2.10 Artikel 27 van de WAM luidt: "Verhaalsrecht 1. Het fonds heeft een recht op verhaal tegen: a. alle aansprakelijke personen; b. degene die zijn verplichting tot verzekering niet is nagekomen met betrekking tot het motorrijtuig waarmee de schade is veroorzaakt (...)of c. (...) 2. Het fonds heeft overigens tegenover de aansprakelijke personen dezelfde rechten als een verzekeraar tegenover de verzekerden." 3. Het geschil 3.1 [VERZOEKER] verzoekt de rechtbank te beslissen dat Univé dan wel het Waarborgfonds aansprakelijk is voor de schade van verzoeker, met begroting van de kosten buiten rechte als bedoeld in artikel 1019aa Rv. 3.2 [VERZOEKER] heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat voor de bij [VERZOEKER] ontstane (letsel)schade uit onrechtmatige daad, die is ontstaan door het ongeval, de bestuurder, en daarmee de WAM-verzekeraar van de auto Univé, aansprakelijk is als veroorzaker van het ongeval, nu dit te wijten is aan een stuurfout dan wel het verlies van de macht over het stuur. Subsidiair is het Waarborgfonds aansprakelijk, voor het geval Univé aansprakelijkheid met succes afweert met een beroep op de WAM-uitsluiting wegens diefstal van de auto. 3.3 Univé en het Waarborgfonds hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling 4.1 In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of het verzoek zich leent voor een behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in de artikelen 1019w-1019cc Rv. Zowel Univé als het Waarborgfonds hebben primair tot niet-ontvankelijkheid respectievelijk afwijzing van het verzoek van [VERZOEKER] geconcludeerd omdat dit geschil zich niet zou lenen voor behandeling in de onderhavige deelgeschilprocedure. Univé heeft daartoe gesteld dat [VERZOEKER] bij Univé geen vorderingen heeft ingediend en dat om die reden het tussen partijen niet is gekomen tot enige onderhandeling. Het bereiken van een vaststellingsovereenkomst met een voor [VERZOEKER] positief oordeel van de rechtbank ligt dan ook niet in de rede. 4.2 De rechtbank stelt voorop dat [VERZOEKER] bij verzoekschrift heeft gesteld dat tussen partijen in geschil is of Univé zich terecht beroept op de WAM-diefstaluitsluiting. Hoewel de aansprakelijkheid niet door Univé is erkend, is de rechtbank van oordeel dat in een geval als de onderhavige een deelgeschilprocedure kan worden gestart. Immers, de vraag of Univé zich kan beroepen op de diefstaluitsluiting houdt partijen verdeeld en staat in de weg aan eventuele buitengerechtelijke onderhandelingen. Dat die fase van onderhandelingen nog niet is bereikt, kan derhalve niet leiden tot de conclusie dat [VERZOEKER] niet-ontvankelijk in zijn verzoek moet worden verklaard. Inhoudelijk heeft Univé zich tegen de aansprakelijkheid verweerd met een beroep op de diefstaluitsluiting van artikel 3 van de WAM. Dit artikel bepaalt dat burgerrechtelijke aansprakelijkheid van degene die een auto door middel van diefstal heeft gekregen of gebruikt, door de verzekeraar rechtsgeldig kan worden uitgesloten. 4.3 Van belang bij de beoordeling van dit inhoudelijke verweer is of [BESTUURDER] de auto had gestolen, zoals Univé stelt, of dat slechts sprake was van joyriding, zoals [VERZOEKER] (eerst ter zitting) stelt. De rechtbank is op grond van het proces-verbaal van politie van oordeel dat [BESTUURDER] zich de auto wederrechtelijk heeft toegeëigend door er als heer en meester over te beschikken. Dat [BESTUURDER] slechts de bedoeling had tot joyriding blijkt niet uit het proces-verbaal, integendeel: uit het feit dat [BESTUURDER] aan zijn vriend [VERZOEKER] heeft gezegd dat de auto werd gebruikt om ermee naar Leeuwarden te rijden, zoals [VERZOEKER] stelt, kan worden afgeleid dat [BESTUURDER] niet van plan was de auto na een kort ritje weer terug te zetten. Ook uit het feit dat op [BESTUURDER] en in de auto voorts een aantal spullen uit de woning van [EIGENAAR AUTO] zijn gevonden, concludeert de rechtbank dat het oogmerk van [BESTUURDER] was gericht op de wederrechtelijke toe-eigening van de auto. 4.4 Uit het bovenstaande vloeit voort dat het beroep van Univé op de uitsluiting in artikel 3 WAM en op artikel 11 van haar polisvoorwaarden voor aansprakelijkheid van de bestuurder ingeval van diefstal slaagt. Het verzoek van [VERZOEKER] wat betreft de aansprakelijkheid van Univé moet derhalve op deze grond worden afgewezen. Dit betekent dat de overige verweren van Univé onbesproken kunnen blijven. 4.5 De rechtbank komt thans toe aan het subsidiaire verzoek van [VERZOEKER] tegen het Waarborgfonds. Voor zover het Waarborgfonds haar aansprakelijkheid heeft betwist op grond van de stelling dat Univé als WAM-verzekeraar dekking moet bieden voor de onderhavige schade, faalt dit verweer op grond van het bovenstaande. [VERZOEKER] kan ingevolge artikel 25, eerste lid, aanhef en onder c van de WAM het Waarborgfonds aanspreken voor zijn schade. 4.6 Het Waarborgfonds heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek van [VERZOEKER] zich niet leent voor een behandeling in een deelgeschilprocedure omdat bij het Waarborgfonds niet de bereidheid bestaat tot minnelijke onderhandelingen. In de ogen van het Waarborgfonds is een principiële vraag aan de orde betreffende de toepassing en uitleg van de artikelen 2, 3 en 27 WAM. [VERZOEKER] komt geen beroep op artikel 25 WAM toe en indien [VERZOEKER] een dergelijk beroep wel toe zou komen, dan heeft het Waarborgfonds een verhaalsrecht ex artikel 27 WAM. Per saldo zal het Waarborgfonds niet gehouden kunnen worden tot enige uitkering aan [VERZOEKER]. 4.7 Het verweer van het Waarborgfonds dat [VERZOEKER] als mededader van de diefstal, althans als gebruiker van de gestolen auto, moet worden aangemerkt en daarom geen benadeelde is in de zin van artikel 25 van de WAM, zodat het Waarborgfonds geen dekking hoeft te bieden, wordt verworpen. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat [BESTUURDER] op grond van roekeloos rijgedrag - een andere oorzaak is gesteld noch gebleken - aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade, ook voor zover dit de schade van [VERZOEKER] betreft. Nu Univé geen dekking biedt, kan [VERZOEKER] het Waarborgfonds voor deze schade aanspreken (Gerechtshof 's-Gravenhage, 28 november 2006; LJN: BA6096). Wat dat betreft kan de vraag of [VERZOEKER] als mededader van [BESTUURDER] moet worden beschouwd onbeantwoord blijven. 4.8 Het Waarborgfonds heeft, zoals ook uit de verklaringen ter gelegenheid van de comparitie blijkt, centraal gesteld de vraag of [VERZOEKER] - omdat hij in de ogen van het Waarborgfonds mededader is van de diefstal van de auto - moet worden beschouwd als de bezitter van de auto. Volgens het Waarborgfonds is dat het geval. Ingevolge het bepaalde in het eerste lid van artikel 2 van de WAM is de bezitter van een motorrijtuig verplicht een verzekering te sluiten en in stand te houden welke aan de bij en krachtens de WAM gestelde bepalingen voldoet. Dat heeft [VERZOEKER] nagelaten, aldus het Waarborgfonds. Het door het Waarborgfonds benadrukte principiële karakter van deze zaak ziet op haar stelling dat zij op grond van artikel 27 van de WAM - zo zij op grond van artikel 25 van de WAM gehouden zou zijn tot uitkering aan [VERZOEKER] - op grond van de regresregeling van artikel 27 van de WAM haar uitkeringsplicht kan verrekenen met haar verhaalsrecht. Zulks nog daargelaten de betekenis van de eigen schuld van [VERZOEKER] aan zijn schade. 4.9 Voor het slagen van deze stelling is van doorslaggevend belang de vraag of [VERZOEKER] als (mede)dief en aldus als (mede)bezitter van de auto moet worden beschouwd. De stelplicht en bewijslast van deze stelling rust op het Waarborgfonds. Het Waarborgfonds heeft ten bewijze aangevoerd dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.