← Nederland

ECLI:NL:RBALK:2012:BX0200

RECHTBANK ALKMAAR Sector bestuursrecht zaaknummer: AWB 12/1182 uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juli 2012 in de zaak van tussen [naam verzoekster], te [plaatsnaam], verzoekster (gemachtigde: mr. V.Y. Jokhan), en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), gevestigd te Amstelveen, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 15 maart 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoeksters recht op pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor een alleenstaande ingaande de maand april 2012 gewijzigd in het recht op een pensioen voor een gehuwde. Tegen dit besluit heeft verzoekster op 20 april 2012 bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op zitting behandeld op 19 juni

  1. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde A. van der Weerd. Overwegingen
  2. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld heeft het oordeel daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure. 2 Verzoekster voert aan dat zij in financiële moeilijkheden verkeert omdat zij op dit moment een inkomen ontvangt dat lager is dan het sociale minimum voor een alleenstaande. De voorzieningenrechter acht hiermee een spoedeisend belang aanwezig dat een oordeel over het bestreden besluit rechtvaardigt.
  3. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat op 20 april 2011 door twee handhavingsmedewerkers van verweerder een huisbezoek bij verzoekster is afgelegd en dat tijdens dat bezoek is gebleken dat verzoekster niet duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot, de heer [naam echtgenoot]. Laatstgenoemde woont weliswaar in Canada, maar volgens verweerder is sprake van een zodanig frequent contact dat niet kan worden gezegd dat verzoekster en haar echtgenoot duurzaam gescheiden leven
  4. Verzoekster kan zich hiermee niet verenigen. Zij is van mening dat zij wel duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot. De voorzieningenrechter overweegt in dit verband als volgt.
  5. Op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW wordt als ongehuwd aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
  6. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB, zoals onder meer blijkt uit de uitspraak van 28 juni 2011 (LJN:BR0750) is sprake van duurzaam gescheiden leven indien ten aanzien van gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door beiden of één hunner gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans door één van hen, als bestendig is bedoeld.Voorts heeft de CRvB in zijn rechtspraak tot uitdrukking gebracht dat in beginsel kan worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk de betrokkenen de intentie hebben een echtelijke samenleving - al dan niet op termijn - aan te gaan, maar dat het niet is uit te sluiten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat van dit laatste voorshands geen sprake is.
  7. Vast staat dat verzoekster ter gelegenheid van voornoemd huisbezoek het volgende heeft verklaard: “Mijn echtgenoot, dhr [naam echtgenoot], komt 1 x per jaar (soms 1x in de 2 jaar naar Nederland. Hij blijft dan 2 maanden in Nederland en verblijft dan op mijn adres. Tijdens zijn verblijf betaalt hij mee met de boodschappen. Ik ga zelf niet naar Canada. Het laatste bezoek van [naam echtgenoot] is geweest van december 2010 tot maart
  8. Verder is er nog wekelijks contact.” Deze verklaring is door verzoekster op 20 april 2011 ondertekend.
  9. De voorzieningenrechter ziet voorshands onvoldoende reden voor het oordeel dat verweerder deze verklaring bij zijn primaire besluitvorming niet tot uitgangspunt heeft kunnen en mogen nemen. Niet gebleken is dat de door verzoekster ondertekende verklaring onder ontoelaatbare druk tot stand is gekomen of dat deze in essentie geen juiste weergave bevat van hetgeen ten overstaan van de handhavingsmedewerkers is verklaard.
  10. De voorzieningenrechter ziet voorts onvoldoende aanleiding te veronderstellen dat het gebruik van deze verklaring ontoelaatbaar moet worden geacht wegens een onrechtmatig huisbezoek. Bij voornoemd huisbezoek is – zo neemt de voorzieningenrechter aan - immers alleen een gesprek gevoerd met verzoekster en verzoekster heeft blijkens het handhavingsrapport van 27 april 2011 voorafgaande aan dit gesprek het door verweerder gehanteerde informed consent-formulier ondertekend.
  11. Hetgeen door verzoekster op 20 april 2011 is verklaard over de frequentie en duur van de bezoeken van haar echtgenoot rechtvaardigt naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter vooralsnog het oordeel dat van duurzaam gescheiden leven geen sprake is. Weliswaar heeft verzoekster ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het onderhavige verzoek betoogd dat haar echtgenoot minder vaak naar Nederland is gekomen dan zij indertijd heeft verklaard, doch zij heeft nagelaten een en ander - hoewel dit op haar weg ligt - met voldoende overtuigende informatie te onderbouwen. Verzoekster heeft die gelegenheid alsnog in het kader van de bezwaarschriftprocedure.
  12. De voorzieningenrechter ziet derhalve op basis van de voorhanden zijnde gegevens onvoldoende ruimte voor een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.
  13. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter -wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.; Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.A.H.C. Everaerts, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juli
  14. griffier rechter Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.