RECHTBANK ALKMAAR Sector Kanton - locatie Den Helder Zaaknr/rolnr.: 361968 \ CV EXPL 11-699 WG Uitspraakdatum: 16 augustus 2012 Vonnis in de zaak van: de stichting Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten, statutair gevestigd te Barendrecht eiseres verder ook te noemen: SNCU gemachtigde: mr.drs. M.H.D. Vergouwen, advocaat te Amsterdam tegen 1.de besloten vennootschap [X] Dienstverlening B.V., statutair gevestigd te [plaats], kantoorhoudende te [plaats], 2.de besloten vennootschap m.b.a. [X] Holding B.V., bestuurder van gedaagde sub 1, statutair gevestigd te [plaats], kantoorhoudende te [plaats], 3.[X], bestuurder van gedaagde sub 2, wonende te [plaats] gedaagden verder ook te noemen: [gedaagde c.s.] gemachtigde: mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te Den Haag. 1. Het procesverloop SNCU heeft een vordering ingesteld, zoals omschreven in de dagvaarding d.d. 1 maart 2011. [gedaagde c.s.] heeft bij antwoord verweer gevoerd. Na beraad heeft de kantonrechter bij vonnis d.d. 9 juni 2011 een comparitie gelast, die is gehouden op 10 november 2011, in aanwezigheid van namens SNCU de gemachtigde en gedaagde sub 3 in persoon, bijgestaan door de gemachtigde (mr. D.T.H.J. v.d. Kleij verving mr. P.J.L.J. Duijsens). Van deze comparitie heeft de griffier aantekeningen gehouden. Vervolgens hebben beide partijen een akte genomen inzake de voortzetting van de procedure. Ingevolge het vonnis d.d. 26 april 2012 heeft SNCU gerepliceerd, tevens houdende onder meer vermindering van eis, waarna [X]s c.s. heeft gedupliceerd. Partijen hebben producties in het geding gebracht en hebben vonnis verzocht. De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast. Ten slotte is heden uitspraak bepaald. 2. De vaststaande feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel onvoldoende (duidelijk) gemotiveerd weersproken alsmede op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties zal in deze zaak van het volgende worden uitgegaan. 2.1 SNCU is in februari 2004 opgericht door werknemersorganisatie FNV Bondgenoten, CNV Dienstenbond, de Unie en de werkgeversorganisatie in de uitzendbranche ABU. 2.2 De belangrijkste taken van SNCU zijn het geven van voorlichting, alsmede het toezien op een correcte naleving van de CAO. 2.3 Betrokken werkgevers zijn krachtens de statuten en reglementen van SNCU verplicht om tijdig en volledig mee te werken aan het onderzoek door SNCU, onder meer door het beschikbaar stellen van gegevens, vooral inzake loonadministratie en arbeidstijden. Bij nalatigheid kan SNCU forfaitaire schadevergoeding innen. 2.4 De taken en bevoegdheden van SNCU zijn vastgelegd in de CAO die bij besluit van de Minister van Sociale Zaken van 13 september 2005 algemeen verbindend zijn verklaard, lopende vanaf 20 september 2005 tot en met 1 april 2007. -Artikel 45 van de CAO, dat ziet op de naleving, luidt – voor zover hier relevant -: “1. Er is een Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten (SNCU) opgericht door de partijen betrokken bij deze CAO waarvan de Statuten en Reglementen 1 en II integraal onderdeel uitmaken van deze CAO. (...) 2. De SNCU dient erop toe te zien, dat de bepalingen van deze CAO algemeen en volledig worden nageleefd en is door de partijen betrokken bij deze CAO gemachtigd al datgene te verrichten dat daartoe nuttig en noodzakelijk kan zijn. 3. De uitzendonderneming is verplicht op de wijze, vermeld in een daartoe door de SNCU op te stellen reglement(en), aan te tonen dat de bepalingen van de CAO voor Uitzendkrachten getrouwelijk worden nageleefd. Hiertoe dient de onderneming een deugdelijke loon- en arbeidstijdenadministratie te voeren (...)“. - Artikel 46 van de CAO, dat ziet op schadevergoeding, luidt – voor zover van belang -: \1. Indien een werkgever na ingebrekestelling door of namens de SNCU gedurende ten minste 14 dagen nalatig blijft de vanwege de SNCU verzochte gegevens met betrekking tot de wijze waarop hij de CAO naleeft te verstrekken, dan wel onjuiste gegevens verstrekt, is hij verplicht door dat enkele feit aan de SNCU een forfaitaire schadevergoeding te betalen. De SNCU kan besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van het innen van deze schadevergoeding indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven. 2. Indien een werkgever na ingebrekestelling door of namens de SNCU gedurende 14 dagen volhardt bij het niet naleven van de CAO op de in de ingebrekestelling vermelde punten, is hij - onverminderd het gestelde onder a.- verplicht aan de SNCU een door het bestuur te bepalen schadevergoeding te betalen. Bij het bepalen van de schadevergoeding wordt in ieder geval rekening gehouden met de aard, de omvang en de duur van de niet-naleving, alsmede met de loonsom van de onderneming van de betrokken werkgever. Daarnaast kan rekening worden gehouden met de mate waarin die werkgever alsnog achterstallige verplichtingen jegens zijn personeel nakomt dan wel zekerheid stelt voor een correcte naleving van de CAO. 3. De schadevergoeding dient ter dekking van de kosten die de SNCU maakt en de ter deze zake verkregen middelen worden toegevoegd aan de geldmiddelen van de SNCU tot dekking van de kosten die de SNCU moet maken als gevolg van haar toezichthoudende taak ten aanzien van de wijze waarop de CAO wordt nageleefd. De SNCU hoeft niet aan te tonen dat zij de schade in de omvang als door haar gevorderd ook daadwerkelijk heeft geleden.”. -Artikel 4 van de statuten van SNCU, behorend tot de algemeen verbindend verklaarde CAO, luidt - voor zover van belang -: De Stichting tracht verder haar doel te bereiken door: (...) c. Het namens de bij de CAO betrokken partijen optreden in en buiten rechte, zo nodig ter verkrijging van maatregelen tegen hen die de bepalingen van de CAO niet getrouwelijk naleven.”. - Artikel 1 van het bij de CAO behorende Reglement 1, dat eveneens algemeen verbindend is verklaard, luidt: “Er is een Commissie Naleving CAO voor Uitzendkrachten (CNCU) ingesteld, verder te noemen commissie, op grond van artikel 7 lid 4 van de statuten van de Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten (SNCU).”. -Artikel 2 van dat Reglement luidt: “De commissie heeft ten doel het houden van toezicht op de naleving van de CAO voor Uitzendkrachten en op krachtens de CAO geldende arbeidsvoorwaarden, in samenhang met andere wettelijke bepalingen, één en ander in samenwerking met de daarvoor geëigende instanties.”. -Artikel 4 lid 3 van het bij de CAO behorende Reglement II, dat eveneens algemeen verbindend is verklaard, luidt: “De werkgever is verplicht zijn volledige en voortvarende medewerking te verlenen aan onderzoek door de CNCU, gericht op naleving van de CAO voor Uitzendkrachten. Binnen een door de CNCU gestelde termijn dient de gevraagde informatie door de werkgever aan de CNCU ter beschikking worden gesteld.”. - Artikel 6 van dat Reglement luidt: “Partijen bij de CAO dragen hun bevoegdheid tot het instellen van vorderingen als bedoeld in artikel 3 Wet AVV en artikel 15 Wet CAO met inachtneming van het onderstaande over aan de Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten (SNCU) voor zover het betreft de vorderingen terzake van de schade die zijzelf lijden. 2. De bevoegdheid tot het instellen van een schadevergoedingsactie (als bedoeld in de Wet AVV en de Wet CAO) is in beginsel gedelegeerd aan de SNCU. 3. Voordat de SNCU een ingebrekestelling aan een bepaalde uitzendonderneming verstuurt inzake het niet naleven van CAO-bepalingen, stelt zij hiervan partijen in kennis. 4. Elk der partijen kan afzonderlijk binnen een termijn van veertien dagen kenbaar maken dat zij ten aanzien van de betreffende uitzendondernemer zelf het recht op vordering van schadevergoeding wenst te hanteren, waardoor de delegatie als bedoeld in lid 2 ten aanzien van de desbetreffende vordering vervalt voordat de SNCU zelf de actie reeds in gang heeft gezet. 5. Als partijen niet binnen de termijn van veertien dagen reageren, is de SNCU bevoegd de actie in te stellen, zonder dat partijen dat nog kunnen doorkruisen. 6. Indien één of meerdere van de partijen besluiten zelfstandig een vordering in te stellen, dienen zij de SNCU te melden dat ten aanzien van de betreffende uitzendondernemer een actie wordt ingesteld, waardoor de delegatie als bedoeld in lid 2 ten aanzien van de desbetreffende vordering vervalt. 7. De melding aan partijen als bedoeld in lid 3 ziet uitdrukkelijk toe op een vordering tot naleving van de materiële CAO-bepalingen.”. -Artikel 7 van dat Reglement luidt: “Ten aanzien van in dossiers opgeslagen gegevens betreffende uitzendondernemingen is de CNCU verplicht tot geheimhouding.”. 2.5 De CAO voor de Uitzendkrachten die was afgesloten voor de onderzoeksperiode (19 juni 2006 tot en met 1 april 2007) liep van 29 maart 2004 tot 29 maart 2009. De CAO is gedurende de onderzoeksperiode een drietal keer verbindend verklaard door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De CAO Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche is door besluiten van genoemde Minister verbindend verklaard van 30 september 2008 tot en met 30 maart 2009 en van 28 juni 2009 tot en met 27 maart 2011. 2.6 Vanaf medio 2006 zette [gedaagde c.s.] personeel uit bij derden onder de naam [X] Dienstverlening, een eenmanszaak. In mei 2010 heeft gedaagde sub 3 zijn eenmanszaak gestaakt en heeft hij met ingang van 26 mei 2010 M. [X] Dienstverlening B.V. opgestart. De activiteiten van [gedaagde c.s.] vallen onder de ABU CAO. 2.7 Sedert een brief van 14 december 2007 loopt een onderzoek van SNCU naar [gedaagde c.s.] met het verzoek tot uitlevering van relevante bescheiden. Bij brief van 10 januari 2008 heeft Koopman en Co accountants, namens [gedaagde c.s.] toelevering van de gevraagde bescheiden toegezegd. Na een ingebrekestelling door SNCU van 19 februari 2008 zijn op 26 februari 2008 de gevraagde gegevens door Koopman en Co accountants namens [gedaagde c.s.] aan SNCU verstrekt. 2.8 Bij brief van SNCU van 8 april 2008, verzonden op 21 april 2008, is [gedaagde c.s.] op de hoogte gesteld van het vermoeden van overtreding van de CAO Sociaal Fonds voor de Uitzendkrachten en is een nader onderzoek aangekondigd door de Stichting VRO. Op 19 juni 2008 is de controle op naleving van de CAO voor de Uitzendkrachten bij [gedaagde c.s.] uitgevoerd. De voorlopige rapportage is bij aangetekend schrijven van 19 juni 2008 aan [gedaagde c.s.] toegezonden. Koopman en Co accountants heeft bij e-mail van 4 juli 2008 VRO verzocht om een overzicht te verstrekken van de werknemers die zijn gecontroleerd. Desgevraagd heeft Koopman en Co accountants bij brief van 14 juli 2008 aan VRO als volgt bericht: “Zoals telefonisch besproken op 4 juli 2008 zenden wij u bijgaand een aantal bewijsstukken met betrekking tot de salarisbetalingen. Op deze documenten wordt bijgehouden hoeveel uren een medewerker per week heeft gewerkt. Vervolgens worden deze uren vermenigvuldigd met het uurloon van deze medewerker. Daarnaast worden de voorschotten die de werknemer reeds heeft ontvangen vermeld. Op het moment dat het salaris wordt uitbetaald moet de werknemers tekenen dat hij akkoord gaat met het bedrag dat hij heeft ontvangen van onze cliënt. De heer [Y] heeft schade veroorzaakt aan een auto van onze cliënt waarna deze werknemer is verdwenen. Hierdoor zijn de salarisbetalingen nog niet volledig verwerkt aangezien er nog een procedure loopt tegen deze werknemer. Gaarne bereid tot het geven van nadere toelichtingen.” 2.9 Op 30 juli 2008 heeft VRO een definitieve rapportage aan [gedaagde c.s.] verzonden. Daarin wordt geconcludeerd dat [gedaagde c.s.] de betreffende (ABU) CAO’s op een aantal in die rapportage genoemde punten niet (voldoende) naleeft. Bij brief van 7 november 2008 heeft SNCU een ingebrekestelling aan de betreffende gedaagde(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.